MINISTERIËLE BESCHIKKINGEN, ENZ. MINISTERIE VAN JUSTITIE Ministerie van Justitie. 29 November 1947. lste Afdeling B. No. 1558. Ministerie van Sociale Zaken. 1 December 1947. Afdeling Arbeidersbescherming. No. 2692. De Ministers van Justitie en van Sociale Zaken; Gezien het verzoekschrift van het bestuur van de vereniging: Vereeniging van den Christelijken Handeldrijvenden- en Industrieelen Middenstand te Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, ter bekoming ten aanzien van genoemde vereniging van de verklaring, bedoeld bij artikel 2 van het Koninklijk besluit van 8 September 1944 (Staatsblad no. E 71), houdende vaststelling van het Buitengewoon Besluit Verenigingen van Werkgevers en Werknemers; Gezien de ter zake overgelegde bescheiden; Gelet op artikel 2 van het bovenaangehaald besluit; Verklaren: dat de bovengenoemde vereniging is een voortzetting van de op 10 Mei 1940 bestaande erkende vereniging: Vereeniging van den Christelijken Handeldrijvenden- en Industrieelen Middenstand te Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, en dat de statuten gelijkluidend zijn aan die, welke zijn opgenomen in het bijvoegsel tot de Nederlandse Staatscourant van 23 September 1920, onder volgnummer 2347. 's-Gravenhage, 29 November/1 December 1947. De Minister van Justitie, J. H. van Maarseveen. De Minister van Sociale Zaken, W. Drees. Ministerie van Justitie. 1 December 1947. lste Afdeling B. No. 1605. Ministerie van Sociale Zaken. 4 December 1947. Afdeling Arbeidersbescherming. No. 2710. De Ministers van Justitie en van Sociale Zaken; Gezien het verzoekschrift van het bestuur van de vereniging: Amsterdamsche Bestuurdersbond, gevestigd te Amsterdam, ter bekoming ten aanzien van genoemde vereniging van de verklaring, bedoeld bij artikel 2 van het Koninklijk besluit van 8 September 1944 (Staatsblad no. E 71), houdende vaststelling van het Buitengewoon Besluit Verenigingen van Werkgevers en Werknemers; Gezien de ter zake overgelegde bescheiden; Gelet op artikel 2 van het bovenaangehaald besluit; Verklaren: dat de bovengenoemde vereniging is een voortzetting van de op 10 Mei 1940 bestaande erkende vereniging: Amsterdamsche Bestuurdersbond, gevestigd te Amsterdam, en dat de statuten gelijkluidend zijn aan die, welke zijn opgenomen in het bijvoegsel tot de Nederlandse Staatscourant van 7 Mei 1940, onder volgnummer 585. 's-Gravenhage, 1/4 December 1947. De Minister van Justitie, J. H. van Maarseveen. De Minister van Sociale Zaken, W. Drees. Ministerie van Justitie. 1 December 1947. lste Afdeling B. No. 1606. Ministerie van Sociale Zaken. 4 December 1947. Afdeling Arbeidersbescherming. No. 2709. De Ministers van Justitie en van Sociale Zaken; Gezien het verzoekschrift van het bestuur van de vereniging: Roomsch-Katholieke Bond van Kleermakerspatroons in Nederland „St. Martinus", gevestigd te 's-Hertogenbosch, ter bekoming ten aanzien van genoemde vereniging van de verklaring, bedoeld bij artikel 2 van het Koninklijk besluit van 8 September 1944 ( Staatsblad no. E 71), houdende vaststelling van het Buitengewoon Besluit Verenigingen van Werkgevers en Werknemers; Gezien de ter zake overgelegde bescheiden; Gelet op artikel 2 van het bovenaangehaald besluit; Verklaren: dat de bovengenoemde vereniging is een voortzetting van de op 10 Mei 1940 bestaande erkende vereniging: Roomsch-Katholieke Bond van Kleermakerspatroons in Nederland „St. Martinus", gevestigd te 's-Hertogenbosch, en dat de statuten gelijkluidend zijn aan die, welke zijn opgenomen in het bijvoegsel tot de Nederlandse Staatscourant van 25 Januari 1940, onder volgnummer 169. 's-Gravenhage, 1/4 December 1947. De Minister van Justitie, J. H. van Maarseveen. De Minister van Sociale Zaken, W. Drees. Ministerie van Justitie. 3 December 1947. lste Afdeling B. No. 1820. Ministerie van Sociale Zaken. 5 December 1947. Afdeling Arbeidersbescherming. No. 2714. De Ministers van Justitie en van Sociale Zaken; Gezien het verzoekschrift van het bestuur van de vereniging: Vereniging van Werkgevers in het Binnenbeurtvaart- en Autobeurtdienstbedrijf, gevestigd te 's-Gravenhage, ter bekoming ten aanzien van genoemde, vereniging van de verklaring, bedoeld bij artikel 2 van het Koninklijk besluit van 8 September 1944 ( Staatsblad no. E 71), houdende vaststelling van het Buitengewoon Besluit Verenigingen van Werkgevers en Werknemers; Gezien de ter zake overgelegde bescheiden; Gelet op artikel 2 van het bovenaangehaald besluit; Verklaren: dat de bovengenoemde vereniging is een voortzetting van de op 10 Mei 1940 bestaande erkende vereniging: Vereeniging van Werkgevers in het Binnenbeurtvaart- en Autobeurtdienstbedrijf, gevestigd te 's-Gravenhage, en dat de statuten thans luiden als volgt: Naam en zetel. Art. 1. Er bestaat een vereniging, genaamd: Vereniging van Werkgevers in het Binnenbeurtvaart- en Autobeurtdienstbedrijf. Zij is gevestigd te 's-Gravenhage. Doel en middelen. Art. 2. Het doel, dat deze vereniging zich stelt, is tweeledig, en wel: a. het behartigen der belangen van haar leden van het beurtvaarten autobeurtdienstbedrijf in het algemeen op technisch en economisch gebied; b. het bevorderen van de bedrijfszekerheid in de bedrijven van haar leden. Art. 3. Haar eerstgenoemd doel (art. 2, sub d) tracht zij te bereiken langs wettige weg, en wel door: 1°. het houden van vergaderingen en besprekingen; 2°. het vormen van groepen van ondernemingen; 3°. met gepaste middelen haar belangen voor te staan bij de Regering en bij hiertoe in aanmerking komende bestuurslichamen en autoriteiten; 4°. het langs verschillende wegen tot voorwerp harer zorg in de ruimste zin maken van de technische en economische belangen der leden, voor zover deze met het scheepvaartbedrijf of het autobeurtdienstbedrijf verband houden; 5°. het plegen van overleg en het samenwerken met andere verenigingen, die een gelijksoortig doel nastreven; 6°. het verschaffen van inlichtingen, raad en steun aan de leden; 7°. bevordering van de oplossing van geschillen in de binnenbeurtvaart langs arbitrale weg. Het tweede doel (art. 2, sub b) tracht de vereniging langs wettige weg te bereiken op de wijze, nader te regelen in een door de algemene vergadering vast te stellen huishoudelijk reglement, door: 1°. het houden van vergaderingen en besprekingen; 2°. het vormen van groepen van ondernemingen; 3°. het nagaan der bestaande en het ontwerpen van nieuwe loonregelingen en arbeidsvoorwaarden in het beurtvaart- en autobeurtdienstbedrijf; 4°. het bijstaan en steunen van haar leden in geval van gehele of gedeeltelijke werkstaking of intimidatie van de zijde van het personeel; het beramen en nemen van maatregelen ter voorkoming en beëindiging van bedoelde werkstakingen of intimidaties, inzonderheid door het voorschrijven van een eenvoudige gedragslijn; 5°. het vormen van een algemene kas en één of meer fondsen voor bepaalde doeleinden; 6°. het plegen van overleg en het samenwerken met andere verenigingen, die ten aanzien van het bedrijf van haar leden een gelijksoortig doel nastreven, en het sluiten van overeenkomsten met zodanige verenigingen; 7°. het verzamelen van alle mogelijke inlichtingen omtrent datgene, wat zal blijken voor de leden van belang te zijn; 8°. het verschaffen van alle mogelijke inlichtingen, raad en steun aan de leden; 9°. andere wettige middelen, die aan het doel bevorderlijk kunnen zijn. Duur. Art. 4. De vereniging is opgericht 23 Januari 1920. Te rekenen vanaf 28 November 1946, is de duur van de vereniging nader vastgesteld voor een tijdvak van 29 jaren, derhalve eindigende 27 November 1975, behoudens vroegere ontbinding volgens besluit der algemene vergadering of verlenging van die termijn, onder voorbehoud van de Koninklijke goedkeuring, indien deze alsdan nog mocht worden' vereist. Leden. Art. 5. Men verkrijgt het lidmaatschap met het vervuld zijn van de navolgende voorwaarden: 1°. Leden kunnen slechts zijn werkgevers, zo natuurlijke als rechtspersonen, welke: a. het binnenbeurtvaartbedrijf uitoefenen; b. het binnenbeurtvaart- en het autobeurtdienstbedrijf uitoefenen; c. het autobeurtdienstbedrijf uitoefenen ter voortzetting van een beurtvaartonderneming; 2°. overlegging van een behoorlijk ondertekende opgave van het bedrag van het jaarloon, uitbetaald in het laatstverlopen kalenderjaar overeenkomstig de loonlijsten der ongevallenwet 1901, zoals zulks nader is beperkt in het reglement van de bijzondere fondsen der vereniging; 3°. aanneming door de ledenvergadering; 4°. ondertekening van een exemplaar van deze statuten en van een exemplaar van de reglementen, waardoor men zich volkomen onderwerpt aan de daarin vervatte bepalingen en de op grond daarvan genomen en te nemen besluiten. Voor de uitoefening van het lidmaatschap, zo in de algemene vergadering als anderszins, treedt voor de onderneming een beheerder op. Onder beheerder wordt verstaan eigenaar, mede-eigenaar, directeur, adjunct-directeur, commissaris of lid van de raad van beheer. Art. 6. Het lidmaatschap eindigt per 30 Juni of per 31 December, indien een lid het lidmaatschap schriftelijk heeft opgezegd aan den secretaris ten minste drie maanden van te voren. Het lidmaatschap eindigt terstond: a. indien een lid in staat van faillissement wordt verklaard of niet langer voldoet aan de eisen voor verkrijging van het lidmaatschap; b. indien een lid het lidmaatschap schriftelijk opzegt aan den secretaris vóór de datum van invoering van een algemene maatregel tot wijziging van lonen en arbeidsvoorwaarden, ingeval de algemene vergadering beslist heeft, dat alle leden verplicht zijn deze maatregel in te voeren, het betreffende lid tegen het nemen van dit besluit heeft gestemd en uiterlijk binnen 14 dagen, nadat het besluit is genomen, het lidmaatschap opzegt. Het in deze alinea bepaalde is niet toepasselijk, indien de bedoelde algemene maatregel wordt genomen in verband met een hangend conflict; c. door vervallenverklaring bij besluit van een algemene vergadering, waarin ten minste 2/3 der leden aanwezig is, genomen met ten minste 3/4 der geldig uitgebrachte stemmen. Is op de vergadering het vereiste aantal niet aanwezig, dan wordt binnen 14 dagen een nieuwe vergadering uitgeschreven, die alsdan tot vervallenverklaring besluiten kan met meerderheid van ten minste 3/4 der uitgebrachte geldige stemmen, afhankelijk van het aantal aanwezigen. Door het eindigen van het lidmaatschap vervallen alle rechten op de goederen en gelden der vereniging, voor zover hieromtrent in de reglementen geen andere regel is getroffen. Bestuur. Art. 7. Het bestuur bestaat uit een voorzitter en ten hoogste 8 andere leden. De voorzitter wordt voor 4 jaar gekozen uit de beheerders der leden of daarbuiten. Voor de verkiezing van bestuursleden wordt door het bestuur aan de algemene vergadering een voordracht aangeboden, waarop, behoudens voor de voorzittersplaats, naast een beheerder van een der leden der vereniging als bestuurslid een ander beheerder van dit lid als diens plaatsvervangend bestuurslid kan worden aanbevolen. Ieder jaar treden 2 der bestuursleden af. Het bestuur wijst een van zijn leden aan om het ambt van penningmeester en 1 om dat van gedelegeerd lid waar te nemen. De voorzitter en de leden kunnen te allen tijde door de ledenvergadering worden ontslagen, met inachtneming van het ter zake in art. 17 bepaalde. Art. 8. De algemene vergadering voegt het bestuur een secretaris toe, die met den voorzitter, den penningmeester en het gedelegeerd lid het dagelijks bestuur vormt. Art. 9. Een plaats in het bestuur, die in de loop van een verenigingsjaar openvalt, wordt in de eerstvolgende algemene vergadering aangevuld. Indien tussentijds 2 of meer vacatures ontstaan, zal het bestuur gehouden zijn een algemene vergadering bijeen te roepen om daarin te voorzien, zodanig, dat deze uiterlijk binnen 3 weken na het ontstaan van de tweede vacature kan worden gehouden. Tot aan de vergadering of tot het einde van de daarvoor gestelde termijn vormen de overblijvende leden een volledig bestuur, mits nog 5 in functie zijn. Art. 10. Het bestuur kan zijn besluiten nemen in door den voorzitter bijeengeroepen bestuursvergaderingen, wanneer de meerderheid der leden aanwezig is. Het bestuur kan echter ook bij meerderheid besluiten nemen door briefwisseling. Voor stemmingen geldt het in art. 17, eerste zinsnede, en het in art. 18 bepaalde. De voorzitter is verplicht een bestuursvergadering bijeen te roepen binnen 8 dagen nadat het verzoek daartoe aan hem door ten minste 2 bestuursleden is kenbaar gemaakt. Bij nalatigheid van den voorzitter zijn de bestuursleden, die het verzoek hebben gedaan, zelf gerechtigd een bestuursvergadering uit te schrijven. In deze aldus bijeengeroepen vergadering kunnen bindende besluiten worden genomen, als de meerderheid der bestuursleden tegenwoordig is. De plaatsvervangende bestuursleden zijn gerechtigd alle bestuursvergaderingen bij te wonen en aan discussies deel te nemen; zij hebben slechts stemrecht bij afwezigheid van het bestuurslid, dat zij vervangen. Art. 11. Het bestuur vertegenwoordigt de vereniging, terwijl namens het bestuur getekend wordt door den voorzitter en den secretaris. Voor de gewone briefwisseling is de handtekening van den secretaris voldoende. Het adres van het bestuur is aan het secretariaat. Geldmiddelen. Art. 12. De gewone geldmiddelen van de vereniging strekken tot bestrijding van de algemene onkosten, voor zover zij niet voor een ander bepaald doel bestemd zijn. Zij bestaan uit de contributies en entrée-gelden der leden, hoofdelijke omslag of andere heffingen van de leden en andere inkomsten, toevallige baten daaronder begrepen, en worden gestort in de algemene kas. Het verenigingsjaar valt samen m et het kalenderjaar. Art. 13. De contributie bestaat in een jaarlijks op voorstel van het bestuur door de ledenvergadering vast te stellen heffing. De algemene vergadering is bevoegd een entrée-geld vast te stellen, alsmede gedurende de loop van enig jaar, op voorstel van het bestuur, de vastgestelde contributie te verhogen. Indien het lidmaatschap overeenkomstig het hieromtrent in art. 6 bepaalde eindigt in de loop van ec n kalenderjaar, is niettemin de volle contributie voor dat jaar verschuldigd. Art. 14. De wijze van belegging en bewaring van de geldmiddelen oer algemene kas en het beheer daarvan zijn opgedragen aan den penningmeester, onder goedkeuring van het bestuur, dat daarvan Jaarlijks aan de algemene vergadering verslag doet. Deze benoemt ee n commissie van 3 leden tot het nazien van de rekening en verantwoording, door welke goedkeuring bestuur en penningmeester worden gedechargeerd. De wijze van belegging van de bijzondere fondsen behoeft de goedkeuring van de algemene vergadering. Vergaderingen. Art 15. Jaarlijks worden 2 door het bestuur bijeen te roepen gemene vergaderingen gehouden, één vóór 31 Maart, waarin het fslag en de rekening en verantwoording van den penningmeester ernt' 161 a ^ e '°P en i aar worden vastgesteld, en één tussen 1 October iaa ^ ecern ber, waarin de begroting voor het volgende verenigingsr wordt vastgesteld en de verkiezing van bestuursleden en hun Plaatsvervangers plaats vindt. Voor het nemen van maatregelen, waarb u ° r e ' e den financiële verplichtingen zouden worden opgelegd, ' en de begroting om, is toestemming der algemene vergadering stu g ® u ' ten Sewone algemene vergaderingen kunnen door het beVp , r . w °rden bijeengeroepen zo vaak het dit in het belang van de ®nigi ng nodig oordeelt. best anneer ^ der leden daartoe een schriftelijk verzoek doen, is het een ver P^' c ' lt zo spoedig mogelijk, in elk geval binnen 14 dagen, algemene vergadering bijeen te roepen. Art. 16. In de algemene vergadering brengt ieder lid één stem uit voor iedere f 30 000 jaarloon (naar boven afgerond tot een veelvoud van f 30 000), berekend volgens de regelen, omschreven in het reglement der bijzondere fondsen, met een maximum van 6 stemmen. De leden kunnen hun stem doen uitbrengen door een gevolmachtigde. Het jaarloon over het afgelopen kalenderjaar moet telkenjare vóór 1 April door de leden aan den secretaris schriftelijk worden opgegeven. Tot die datum geldt voor het bepalen van het aantal uit te brengen stemmen het vorige jaarloon. Art. 17. De algemene vergadering beslist met gewone meerderheid van stemmen, voor zover in deze statuten of enig daarop steunend reglement niet anders is bepaald. Blanco stemmen zijn ongeldig. Ten minste 3/4 der geldig uitgebrachte stemmen zijn nodig voor ongevraagd ontslag van den voorzitter of een der bestuursleden, voor het vaststellen van een hogere contributie dan het minimum, genoemd in art. 13, of van een hoofdelijke omslag, voor het besluit tot het bijstaan van een lid in een bepaald conflict, voor het beschikken over de gelden van de bijzondere fondsen en voor de vaststelling van of het aanbrengen van wijzigingen in de reglementen. Het besluit tot het vaststellen van een eenvormige gedragslijn in geval van een conflict, tot het bestrijden van een conflict op andere wijze dan door het geven van uitkering uit het steunfonds en tot het beslissen van aan de algemene vergadering voorgelegde quaesties betreffende loon- en arbeidsvoorwaarden kan slechts genomen worden met ten minste 3/4 van het aantal stemmen, dat de gezamenlijke leden bevoegd zijn uit te brengen. Bij bepaling van het aantal stemmen, dat kan worden uitgebracht, tellen, doch uitsluitend voor de gevallen, bedoeld in de vorige alinea van dit artikel, niet mede de stemmen der leden, die hun lidmaatschap hebben opgezegd, tenzij deze leden op de vergadering tegenwoordig of vertegenwoordigd zijn. Bij de stemmingen betreffende beboetingen (geregeld in het huishoudelijk reglement) brengt elk lid slechts één stem uit. Art. 18. Over zaken wordt in de regel mondeling gestemd en is het voorstel bij staking van stemmen verworpen. Over personen wordt schriftelijk gestemd. Wanneer bij benoemingen de eerste stemming geen absolute meerderheid geeft, wordt herstemd tussen de personen, die de meeste stemmen op zich verenigd hadden. Bij staking van stemmen beslist alsdan het lot. Art. 19. De oproepingen voor de algemene vergaderingen moeten, met vermelding der punten van behandeling, minstens 5 maal 24 uren te voren geschieden, buitengewone omstandigheden, ter beoordeling van het bestuur, voorbehouden, in welk geval generlei termijn geldt. Secretaris. Art. 20. De secretaris houdt de notulen van de vergaderingen, die, na door de vergadering te zijn goedgekeurd, door den voorzitter en door hem zelf worden ondertekend; hij voert de correspondentie en zorgt voor het archief. Hij verricht voorts alle hem door het bestuur opgedragen werkzaamheden. Den voorzitter doet hij onverwijld mededeling van alle ingekomen stukken en met hem pleegt hij overleg omtrent de beantwoording. De bezoldiging van den secretaris wordt op voorstel van het bestuur jaarlijks door de algemene vergadering vastgesteld. Hij geniet voorts vergoeding van reis- en verblijfkosten en van onkosten. Wanneer hij verhinderd is, zorgt het bestuur voor een plaatsvervanger. Art. 21. Het secretariaat van de vereniging verzamelt en verstrekt alle inlichtingen, die voor de leden van belang kunnen zijn. Quaesties betreffende loon- en arbeidsvoorwaarden tussen de leden en hun werklieden kunnen, die tussen de leden en werkliedenorganisaties moeten door bemiddeling van de vereniging behandeld worden, met inachtneming van het bepaalde bij het huishoudelijk reglement, voor zover door de algemene ledenvergadering niet anders wordt bepaald. Het dagelijks bestuur onderzoekt de quaesties en ontwerpt de regelingen, door het bestuur of de algemene vergadering ten onderzoek of voorbereiding opgedragen. Ontbinding. Art. 22. Tot ontbinding van de vereniging kan slechts worden besloten in een bijzonder daarvoor bijeengeroepen algemene vergadering der leden met een meerderheid van 3/4 van het aantal stemmen, dat de gezamenlijke leden bevoegd zijn uit te brengen. Bij ontbinding der vereniging is het bestuur belast met de vereffening van de lopende zaken, tenzij de algemene vergadering anders beslist, en wordt het eventueel batig saldo van de algemene kas en van het reservefonds verdeeld onder hen, die op het ogenblik waarop het besluit tot ontbinding genomen wordt, lid zijn. Bij deze verdeling wordt het volgende in acht genomen. Voor alle leden wordt het tijdvak nagegaan, waarover zij, tot aan de dag, waarop tot ontbinding der vereniging besloten werd' laatstelijk onaigebroken lid van de vereniging zijn geweest. De grootte van het bedrag, dat ieder lid in dit voor hem in aanmerking te brengen tijdvak totaal aan contributie heeft betaald, strekt als basis tot het bepalen van de verhouding, waarin de verdeling der gelden onder de leden moet plaats hebben. Het liquidatiesaldo der vereniging zal worden uitgekeerd aan het Nederlandsch Binnenvaartbureau of aan de dat bureau vervangende organisatie, onder gehoudenheid, aan hen, die bij de liquidatie der vereniging lid waren, uitkering te doen geschieden in een verhouding als door de liquidateuren zal worden aangegeven, overeenkomstig het bepaalde in art. 22, leden 3 en 4. Bij de uitkering van de voor elk lid beschikbaar gestelde gelden zal dit lid zich tegenover het Nederlandsch Binnenvaartbureau of de dit bureau vervangende organisatie verplichten om, indien het lid binnen 2 jaar na ontvangst van het bedrag ten behoeve van het Nederlandsch Binnenvaartbureau of van de dit bureau vervangende organisatie niet heeft aangetoond dit bedrag te hebben aangewend ter behartiging van de sociale belangen van het personeel van zijn onderneming, dit bedrag terug te storten, in welk geval het Nederlandsch Binnenvaartbureau of de dit bureau vervangende organisatie dit bedrag zal aanwenden voor een sociaal doel. Slotbepaling. Art. 23. Wijzigingen in deze statuten, waaronder niet begrepen verlenging van de termijn, bedoeld in art. 4, kunnen, behoudens de Koninklijke goedkeuring, zo die alsdan nog mocht worden vereist, slechts met een meerderheid van 3/4 van het aantal stemmen, dat de gezamenlijke leden der vereniging bevoegd zijn uit te brengen, worden aangebracht. Deze stemmen kunnen zowel op een vergadering als buiten vergadering schriftelijk worden uitgebracht. 's-Gravenhage, 3/5 December 1947. De Minister van Justitie, J. H. van Maarseveen. De Minister van Sociale Zaken, W. Drees. MINISTERIE VAN WEDEROPBOUW EN VOLKSHUISVESTING De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting a.i.; Op de voordracht van de Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken van 10 December 1947, no. 47989, Afd. IV; Na ter zake overleg gepleegd te hebben met zijn ambtgenoot van Sociale Zaken; Heeft goedgevonden te bepalen: Met ingang van 5 Januari 1948 wordt de „D.U.W.-trainingsregeling 1946", laatstelijk gewijzigd bij beschikking van 24 September 1947, no. 19281, Kabinet, afdeling Algemeen Secretariaat ( Nederlandse Staatscourant dd. 30 September 1947, no. 188), gewijzigd als volgt: Aan artikel 5 wordt een 4de lid toegevoegd, luidende: Indien een der in ploegverband werkende arbeiders leiding geeft aan zijn ploeggenoten en de verantwoordelijkheid draagt voor de goede gang van zaken, kan hij op voordracht van de werkleiding door de directie als putter van de ploeg worden aangemerkt. Is hij als zodanig aangemerkt, dan zal hem boven het gemiddelde loon van zijn ploeg een puttersvergoeding, variërend van f 1 tot f 2,50 per week, worden toegekend. 's-Gravenhage, 13 December 1947. De Minister voornoemd, H. Vos. De Directeur-Generaal der P., T. en T. maakt bekend — zulks met verwijzing naar het bepaalde in artikel 9 van de Radioluisterbeschikking 1945 —, dat de voldoening van de radioluisterbijdrage voor radio-ontvangtoestellen of aftakkingen daarvan na 1 Januari 1948 uitsluitend kan geschieden door middel van radiozegels van de laatste uitgifte (1946). Dit zijn de zegels van lichtbruine kleur. Zegels van vroegere uitgiften kunnen dan niet meer voor deze betaling worden gebezigd. MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN Op pag. 15 en 16 is opgenomen een opgave van het aantal aangegeven gevallen van besmettelijke ziekten, bedoeld in de Besmettelijke-Ziektenwet ( Staatsblad 1928, no. 265), over de week van 30 November tot en met 6 December 1947. 12 December 1947. No. 14448. Afdeling Rijksarbeidsbureau. De Minister van Sociale Zaken; Gelet op het bepaalde in de beschikking van 2 Februari 1946, no. 668, afdeling R.A.B./V., houdende vaststelling van de aan de deelnemers der Rijkswerkplaatsen voor Vakontwikkeling uit te betalen loondervingsvergoedingen, zoals deze beschikking laatstelijk is gewijzigd bij die van 15 April 1947, no. 3146, afdeling Rijksarbeidsbureau; Overwegende, dat het wenselijk is gebleken ter zake van het tijdstip van inwerkingtreding van de in de voormelde beschikking van 15 April 1947 neergelegde nieuwe kinderbijslagregeling enige aanvullende regelen te geven; Heeft goedgevonden te bepalen als volgt: 1°. dat de in de beschikking van 15 April 1947, no. 3146, afdeling Rijksarbeidsbureau, vervatte nieuwe kinderbijslagregeling geacht wordt te zijn in werking getreden op 1 October 1946 ten aanzien van hen, die binnen één maand na de dagtekening van deze beschikking zich ter verkrijging van de op het tijdvak 1 October 1946—1 April 1947 betrekking hebbende aanvullende kinderbijslag bij het Gewestelijk Arbeidsbureau, waaronder de betreffende Rijkswerkplaats ressorteert, zullen hebben aangemeld; 2°. dat de uitbetaling van deze hierboven sub 1°. vermelde aanvullende kinderbijslag geleidelijk zal geschieden, waarbij voorrang zullen hebben degenen, die thans nog op een Rijkswerkplaats voor Vakontwikkeling een cursus volgen. 's-Gravenhage, 12 December 1947. De Minister voornoemd, W. Drees. Regeling van Ionen en andere arbeidsvoorwaarden voor het tuinbouwbedrijf in de gemeenten Leiden, Leiderdorp, Voorschoten, Zoeterwoude, Oegstgeest (Hoge Morschweg) en Woubrugge Verbetering In bovengenoemde regeling, opgenomen in de Nederlandse Staatscourant van Donderdag 25 September 1947, no. 185, moet het onder II bepaalde als volgt gelezen worden: II. Stelt bindend vast de navolgende regeling voor het tuinbouwbedrijf in de gemeenten Leiden, Leiderdorp, Voorschoten, Zoeterwoude, Oegstgeest (Hoge Morschweg) en Woubrugge, met uitzondering van de gedeelten, welke bekend zijn onder de naam Roelofarendsveen en Rijpwetering. Risicofonds voor de Bouwbedrijven Het College van Rijksbemiddelaars; Gezien een verzoek van de Bedrijfsraad voor het Bouwbedrijf; Overwegende: dat tussen werkgevers- en werknemersorganisaties in het Bouwbedrijf overeenstemming is bereikt in zake de instelling van een Risicofonds ter bestrijding van loonderving bij vorstverzuim; dat op de statuten en het reglement van dit fonds de instemming is verkregen van de Minister van Sociale Zaken, zulks in verband met de toegezegde subsidiëring; dat het gewenst is de deelname aan het fonds verplicht te stellen voor alle werkgevers en werknemers in het bouwbedrijf en de in aanmerking komende nevenbedrijven; Gehoord de Stichting van den Arbeid; Gelet op artikel 12 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945; Beschikkende, Stelt bindend vast de navolgende regeling: Artikel 1. Werkingssfeer. Deze regeling geldt voor de werkgevers en werknemers, op wie van toepassing zijn de bepalingen van: a. de regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden in het Bouwbedrijf (Burgerlijke en Utiliteitsbouw en Water-, Spoor- en Wegenbouw) van 12 November 1945 ( Nederlandse Staatscourant dd20 November 1945, no. 115); b. de loonregeling voor het Heiersbedrijf van 11 Februari 1946 (Nederlandse Staatscourant dd. 25 Februari 1946, no. 39); c. de regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden voor het „Zwarte Corps' van 24 April 1946 ( Nederlandse Staatscourant dd. 29 April 1946, no. 83); d. de regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden voor het Straatmakersbedrijf van 6 Mei 1946 ( Nederlandse Staatscourant dd. 21 Mei 1946, no. 99); e. de regeling Bouwbedrijf in de Noord-Oostelijke Polder van 10 Juli 1946 ( Nederlandse Staatscourant dd. 12 Juli 1946, no. 135). of enige regeling, die voor een van de hierboven genoemde in de plaats mocht komen. Artikel 2. 1. Werkgevers, als bedoeld in artikel 1, zijn verplicht aan hun werknemers: a. wekelijks een door het Risicofonds voor de Bouwbedrijven & Nederland uitgegeven coupon te verstrekken van de waarde, als aangegeven in het reglement van het Risicofonds; b. wanneer en voor zolang werknemers door vorst of de gevolgen daarvan (benevens voor betonwerk: sneeuwval en de gevolgen daarvan) minder uren werken dan hun normale arbeidsduur bedraagt en over de twaalf maanden, voorafgaande aan het tijdstip van het intreden van bedoelde weersomstandigheden ten minste 26 coupons, als hierboven bedoeld, kunnen overleggen en voorts daartoe krachtens de statuten en het reglement van het Risicofonds in aanmerking komen, een uitkering van 90 % van het voor de betrokken werknemers vastgestelde uurloon te verstrekken, een en ander met inachtneming van de voorschriften van de statuten en het reglement van het Risicofonds, die als bijlage bij deze regeling zijn gevoegd en geacht worden onderdeel daarvan uit te maken. 2. De bepalingen van de statuten en het reglement van het Risicofonds, welke rechten en verplichtingen van werkgevers en werknemers regelen, zijn van toepassing op alle werkgevers en werknemers, welke onder de werkingssfeer van deze regeling vallen. Zij worden daardoor op gelijke wijze gebonden als door de bepalingen van deze regeling. 3. Wijzigingen in de statuten en het reglement van het Risicofonds behoeven de goedkeuring van het College van Rijksbemiddelaars. Artikel 3. Het College van Rijksbemiddelaars kan vergunning geven tot afwijking van de bepalingen dezer regeling. Een zodanige vergunning kan te allen tijde worden gewijzigd of ingetrokken. Artikel 4. Deze regeling wordt geacht in werking te zijn getreden met ingang van 1 November 1947. Zij kan te allen tijde door het College van Rijksbemiddelaars worden gewijzigd of ingetrokken. 's-Gravenhage, 10 December 1947. Het College van Rijksbemiddelaars, De Voorzitter, J. A. Berger. BIJLAGE I. Statuten van de Stichting: Risicofonds voor de Bouwbedrijven in Nederland. Naam, zetel en deelnemende instellingen. Artikel 1. 1. De Stichting draagt de naam: „Risicofonds voor de Bouwbedrijven in Nederland" — na te noemen „het Fonds" —, en is gevestigd te Amsterdam. 2. Aan het fonds deelnemende instellingen zijn: a. „Nederlandse Aannemersbond en Patroonsbond voor de Bouwbedrijven in Nederland, N.A.P.B.", gevestigd te Amsterdam; b. „Nederlandse Katholieke Bond van Bouwpatroons, N.K.B.B.", gevestigd te Amsterdam; c. „Nederlandse Christelijke Aannemers- en Bouwvakpatroonsbond, N.C.A.B.", gevestigd te Utrecht; d. „Nederlandse Vereniging van Wegenbouwers", gevestigd te s-Gravenhage; e. „Nederlandse Bond van Bouwondernemers", gevestigd te 's-Gravenhage; /■ „Rooms-Katholieke Bouwvakarbeidersbond „St. Joseph"", gevestigd te Utrecht; S• „Nederlandse Christelijke Bouwarbeidersbond", gevestigd te Utrecht: h. „Algemene Nederlandse Bouwarbeidersbond", gevestigd te Amsterdam. Voorts andere instellingen, welke door voornoemde instellingen als zodanig zijn toegelaten. Doel. Artikel 2. 1- Het Fonds heeft ten doel het bestrijden van loonderving bij verzuim wegens atmosferische omstandigheden in de bouwbedrijven in Nederland, voor zover vallende onder de omschrijving, gegeven in e regeling van lonen en arbeidsvoorwaarden voor het Bouwbedrijf urgerlijke en Utiliteitsbouw en Water-, Spoor- en Wegenbouw, oord-Oostelijke Polder en de Wieringermeer), voor het Heiersberi Jr, Straatmakersbedrijf en het Zwarte Corps, of in enige collec' evc arbeidsovereenkomst, welke voor een van de hierboven ge°emde regelingen in de plaats mocht komen. 2- Het Fonds beoogt niet het maken van winst. Middelen. Artikel 3. Het Fonds tracht dit doel te bereiken door: a. het uitvoeren van regelingen of het in samenwerking met of ten behoeve van andere lichamen uitvoeren of administreren van bestaande regelingen tot het verstrekken van geldelijke uitkeringen bij verzuim wegens atmosferische omstandigheden aan werknemers' in de bouwbedrijven in Nederland, als bedoeld in artikel 2; b. andere wettige maatregelen, die voor het gestelde doel bevorderlijk zijn. Verplichtingen. Artikel 4. De aan het Fonds deelnemende instellingen verbinden zich de verplichtingen, voortvloeiende uit de bepalingen dezer statuten en van het (de) daarop steunende reglement(en) door hun leden te doen uitvoeren. Geldmiddelen. Artikel 5. De geldmiddelen van het Fonds zullen, behalve uit het stichtingskapitaal, bestaan uit: a. bijdragen van de werkgevers in de bouwbedrijven, als bedoeld in artikel 2; b. Overheidssubsidie; c. andere baten. Artikel 6. De bijdragen van de werkgevers worden nader bij reglement vastgesteld. Uitkeringen. Artikel 7. De werknemers, in dienst bij de werkgevers in de bouwbedrijven, als bedoeld in artikel 2, hebben recht op uitkering in de gevallen en onder de voorwaarden en op de wijze, nader bij reglement vast te stellen. Bestuur. Artikel 8. 1. Het Fonds staat onder leiding van een bestuur, bestaande uit ten hoogste tien leden; het bestuur zal steeds moeten bestaan uit een gelijk aantal werkgevers en werknemers in de bouwbedrijven in Nederland. 2. De leden van het bestuur worden benoemd en kunnen worden geschorst en ontslagen door de aan het Fonds deelnemende instellingen. 3. Ieder jaar, voor het eerst in 1949, treden één bestuurslidwerkgever en één bestuurslid-werknemer af volgens een vooraf opgesteld rooster. De aftredende bestuursleden zijn terstond herbenoembaar. 4. Bij tussentijdse vacatures heeft degene, die in de plaats van een afgetreden bestuurslid wordt benoemd, zitting voor de overige duur van het tijdvak, waarvoor zijn voorganger zitting had. 5. In afwijking van het bepaalde in alinea 2 van dit artikel, voor zover de wijze van benoeming betreft, worden voor de eerste maal als bestuursleden benoemd: a. als vertegenwoordigers van de werkgevers, de heren: ir. J. J. G. van Hoek, te Leiden; H. J. L. Klein Schiphorst, te Haarlem; L. Stamhuis, te Utrecht; B. J. Kerkhof, te Bilthoven; J. A. Bangert, te Amsterdam; b. als vertegenwoordigers van de werknemers, de heren: G. A. Collignon, te Maartensdijk; H. J. A. van den Bosch, te Utrecht; C. Brandsma, te Haarlem; H. Ringersma, te Haarlem; G. Moll, te Zuilen. Artikel 9. Het bestuur is voor zijn beheer verantwoording verschuldigd aan de Bedrijfsraad voor het Bouwbedrijf. Artikel 10. I. Het bestuur kiest een voorzitter uit de bestuursleden, vertegenwoordigend de werkgevers, en een voorzitter uit de bestuursleden vertegenwoordigend de werknemers. 2. De voorzitters hebben afwisselend gedurende een jaar de leiding van de bestuursvergaderingen. Voor de eerste maal zal de werkgeversvertegenwoordiger als voorzitter optreden. 3. Het bestuur benoemt een secretaris uit de bestuursleden vertegenwoordigend de werknemers, en een secretaris uit de bestuursleden, vertegenwoordigend de werkgevers. Voor de eerste maal zal de werknemersvertegenwoordiger als secretaris optreden. Is de voorzitter een werkgeversvertegenwoordiger, dan zal de secretaris een werknemersvertegenwoordiger moeten zijn en omgekeerd. 4. De fungerende voorzitter en secretaris vertegenwoordigen het Fonds in en buiten rechte. Artikel 11. 1. De dagelijkse leiding van zaken wordt opgedragen aan een directie, te benoemen door het bestuur. 2. Taak en bevoegdheid der directie worden bij afzonderlijke instructie door het bestuur geregeld. Reglementen. Artikel 12. De aan het Fonds deelnemende instellingen zullen één of meer reglementen opstellen, welke niet met de statuten in strijd mogen zijn, en waarin al die onderwerpen, welke krachtens de statuten of anderszins een nadere regeling behoeven, zullen worden geregeld. Wijziging der statuten of reglement(en). Artikel 13. Wijziging van statuten of reglement(en) kan slechts geschieden krachtens besluit van de aan het Fonds deelnemende instellingen. Ontbinding en liquidatie. Artikel 14. 1. Tot ontbinding en opheffing der Stichting zal kunnen worden overgegaan krachtens besluit van de aan het Fonds deelnemende instellingen. 2. Bij liquidatie van het Fonds treden de fungerende bestuursleden als vereffenaars op. 3. Na vereffening van het vermogen van het Fonds en voldoening der schuldeisers zal door de aan het Fonds deelnemende instellingen aan het resterende vermogen een bestemming worden gegeven, zoveel mogelijk aan het doel van dit Fonds gelijk. BIJLAGE II. Reglement, bedoeld in artikel 12 der statuten van het Risicofonds voor de Bouwbedrijven in Nederland. Artikel 1. In dit reglement wordt verstaan onder: „het Fonds": het Risicofonds voor de Bouwbedrijven in Nederland; „het bestuur": het bestuur van het Fonds; „de directie": de directie van het Fonds; „de werkgevers": de werkgevers, ) . , .... „de werknemers": de werknemers, j °P wle van toe P assln S z| J n de bepalingen van: a. de regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden in het Bouwbedrijf (Burgerlijke en Utiliteitsbouw en Water-, Spoor- en Wegenbouw) van 12 November 1945 ( Nederlandse Staatscourant dd. 20 November 1945, no. 115); b. de loonregeling voor het Heiersbedrijf van 11 Februari 1946 C Nederlandse Staatscourant dd. 25 Februari 1946, no. 39); c. de regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden voor het „Zwarte Corps" van 24 April 1946 ( Nederlandse Staatscourant dd. 29 April 1946, no. 83); d. de regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden voor het Straatmakersbedrijf van 6 Mei 1946 ( Nederlandse Staatscourant dd. 21 Mei 1946, no. 99); e. de regeling Bouwbedrijf in de Noord-Oostelijke Polder van 10 Juli 1946 ( Nederlandse Staatscourant dd. 12 Juli 1946, no. 135), of enige regeling, die voor één van de hierboven genoemde in de plaats mocht komen. Artikel 2. De werkgevers zijn verplicht voor iedere bij hen in dienst zijnde werknemer aan wie zij krachtens de geldende regeling een vacantiebon moeten verstrekken, bij het Fonds een coupon te betrekken tegen betaling van de hierna volgende bedragen: bij een uurloon van minder dan 21 cent ƒ 0,50 bij een uurloon van 21 t/m 30 cent 0,75 bij een uurloon van 31 t/m 40 cent 1,— bij een uurloon van 41 t/m 50 cent 1,30 bij een uurloon van 51 t/m 60 cent 1,60 bij een uurloon van 61 t/m 70 cent 1,90 bij een uurloon van 71 t/m 75 cent 2,10 bij een uurloon van 76 t/m 80 cent 2,30 bij een uurloon van 81 t/m 85 cent 2,40 bij een uurloon van 86 t/m 90 cent 2,50 bij een uurloon van 91 cent en hoger 2,70 Artikel 3. De werkgevers zijn verplicht aan de werknemers wekelijks de in artikel 2 bedoelde coupon af te geven. Artikel 4. 1. De werkgevers verstrekken aan de werknemers, wanneer en voor zolang zij door vorst of de gevolgen daarvan (benevens voor het betonwerk, sneeuwval en de gevolgen daarvan) minder uren werken dan hun normale arbeidsduur, voor zover zij over de twaalf maanden, voorafgaande aan het tijdstip van het intreden van bedoelde weersomstandigheden, ten minste 26 coupons als in artikel 3 van deze regeling bedoeld kunnen overleggen en voorts daartoe krachtens de statuten van het Fonds en dit reglement in aanmerking komen, een uitkering van 90 % van het voor die werknemers vastgestelde uurloon. 2. Ten aanzien van werknemers, die als gevolg van het vervullen van de militaire dienstplicht niet voldoen aan de eisen voor uitkering in het eerste lid van dit artikel gesteld, zal de termijn van twaalf maanden, voorafgaande aan de aanvraag om uitkering, worden verlengd met de tijd, in militaire dienst doorgebracht. Artikel 5. 1. De uitkering zal geschieden door of namens de werkgever, bij wie de werknemer bij het begin van de vorstperiode in dienst is. 2. De werkgever is verplicht de uitkering wekelijks op de dag der loonbetaling aan zijn werknemer uit te betalen en kan deze te zamen met de kosten der sociale lasten, waaronder die, voortvloeiende uit artikel 6, volgens door de directie te stellen regelen van het fonds terugvorderen. Het fonds is verplicht binnen een week na ontvangst der declaratie deze door de werkgever betaalde gelden aan hem over te maken. 3. Indien een werkgever de in het eerste lid bedoelde uitkering niet persoonlijk wenst te verstrekken, zal het fonds namens die werkgever de in artikel 4 van dit reglement bedoelde uitkering verstrekken aan de bij die werkgever in dienst zijnde werknemers. 4. Indien een werkgever de uitkering niet persoonlijk wenst te verstrekken, geeft hij hiervan elk jaar zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk voor een door het bestuur vast te stellen datum, aan het bestuur kennis. 5. In het geval, in het derde lid genoemd, kan de werkgever de door hem te betalen kosten van sociale lasten, waaronder die, voortvloeiende uit artikel 6, alsmede het bedrag der loonbelasting volgens door de directie vast te stellen regelen van het fonds terugvorderen. 6. De werkgevers zullen in de gevallen, in het derde lid bedoeld, een door hen getekend bewijs, gesteld ten name van de werknemer, afgeven, dat gespecificeerd aangeeft welk bedrag de werknemer behoort te worden uitbetaald. Op vertoon van dit bewijs kan de werknemer de hem toekomende gelden in ontvangst nemen. Artikel 6. Boven de verstrekte uitkering wordt door de werkgevers aan de werknemers verstrekt: a. een vacantiebon overeenkomstig de bepalingen van het Reglement van de Vacantiefondsen; b. een rentezegel, voor zover een volle week uitkering is ontvangen; c. een ziekenfondscoupon; d. een coupon overeenkomstig artikel 2. Artikel 7. Voor de vaststelling van het bedrag der uitkering wordt uitgegaan van een geheel aantal uren werken in een week. Indien het werkelijk aantal uren werken een geheel getal en een breuk is, wordt die breuk verwaarloosd als zij minder dan J bedraagt en voor 1 gerekend, als zij i of meer bedraagt. Artikel 8. 1. Over de tijd, gedurende welke een tot uitkering gerechtigde werknemer arbeid verricht in de ondernemig van een andere werkgever tegen een loon, dat gelijk is aan of hoger is dan dat, waarop zijn uitkering is gebaseerd, wordt geen uitkering verstrekt. 2. Indien een tot uitkering gerechtigde werknemer over een gedeelte van een week arbeid verricht in de onderneming van een andere werkgever tegen een loon, dat hoger is dan dat, waarop zijn uitkering is gebaseerd en dientengevolge het loon, vermeerderd met de uitkering over het overige gedeelte van die week, het loon, waarop die uitkering is gebaseerd, zou .overschrijden, wordt de uitkering 'over het gedeelte van de week, waarin niet is gewerkt, verminderd met het bedrag der overschrijding. 3. Indien een tot uitkering gerechtigde werknemer arbeid verricht in de onderneming van een andere werkgever tegen een loon, dat lager is dan dat, waarop zijn uitkering is gebaseerd, wordt ook over de tijd gedurende welke is gewerkt, een uitkering verstrekt en wel over elk uur werken het verschil tussen het uurloon, waarop de uitkering ' s gebaseerd en het per uur verdiende loon. Deze aanvullende uitkering, eventueel vermeerderd met het bedrag van de normale uitkering over de tijd, dat niet is gewerkt, mag het bedrag der uitkering, welke hij zou ontvangen, indien hij de gehele week werkloos was geweest, niet overschrijden. Artikel 9. 1. Uitkeringen, verstrekt ingevolge de Ongevallenwetten en/of Invaliditeitswet, worden bij de vaststelling van het bedrag van de uitkering niet als loon beschouwd. Indien echter door de toepassing van deze bepaling de uitkering, vermeerderd met de uitkering(en) ingevolge één of meer der genoemde wetten, meer zou bedragen dan de uitkering, welke voor de valide werknemer van dezelfde categorie in dezelfde onderneming geldt, wordt de eerstbedoelde uitkering verminderd met het bedrag der overschrijding. 2. Indien een tot uitkering gerechtigde werknemer inkomsten geniet uit arbeid voor eigen rekening, wordt de uitkering verminderd met het bedrag dier inkomsten, met dien verstande, dat geen rekening behoeft te worden gehouden met de inkomsten uit nevenwerkzaamheden, welke de werknemer reeds regelmatig uitoefende vóór het intreden van de vorstwerkloosheid, mits die inkomsten ten gevolge van het intreden der werkloosheid niet zijn toegenomen. 3. Indien een tot uitkering gerechtigde werknemer arbeid bij derden verricht, welke hij reeds geregeld verrichtte voor het intreden van de vorstwerkloosheid en waardoor hij geregeld bijverdiensten genoot, kunnen die bijverdiensten buiten beschouwing blijven bij de vaststelling van de uitkering, mits de inkomsten ten gevolge van het intreden der werkloosheid niet zijn toegenomen. Artikel 10. 1. De werknemer, die de uitkering, bedoeld in artikel 4, geniet, kan door de directie of door de Minister van Sociale Zaken worden verplicht zich dagelijks aan te melden op het tijdstip en de plaats vastgesteld door de werkgever in overleg met en onder goedkeuring van het Gewestelijk Arbeidsbureau, binnen welks gebied de werknemer woonachtig is. Deze aanmelding geschiedt alleen op de dagen, waarop de werknemer in het geheel niet werkt. Het tijdstip van aanmelding dient zo te worden gekozen, dat het op de verschillende dagen der week zo mogelijk verschillend wordt gesteld. 2. De werknemer, die de uitkering, bedoeld in artikel 4, geniet en die gedurende 7 achtereenvolgende werkdagen onafgebroken werkloos is, is verplicht er voor zorg te dragen, dat hij als werkzoekende staat ingeschreven bij het Gewestelijk Arbeidsbureau of het bijkantoor daarvan, binnen welks gebied de gemeente is gelegen in welker bevolkingsregister hij is opgenomen. Uitkering aan een zodanige werknemer mag slechts voortgezet worden op vertoon van zijn inschrijvingskaart en te beginnen met de dag der inschrijving. 2. De werknemer is verplicht passende arbeid, aangeboden door het Gewestelijk Arbeidsbureau, te aanvaarden. Artikel 11. Een uitkering mag slechts worden verstrekt tegen afgifte van een door de werknemer ondertekende (ongezegelde) quitantie. Deze quikntie moet tevens de verklaring inhouden, dat de werknemer in de tijd, waarover hij uitkering ontving, geen inkomsten heeft verzwegen, die hij uit arbeid, hetzij voor eigen rekening, hetzij bij een andere werkgever verricht, heeft genoten. Artikel 12. Geen uitkering wórdt verstrekt: "■ aan hoofden of bestuurders van een onderneming; k aan bloed- en aanverwanten tot in de tweede graad van de °nder a bedoelde personen, tenzij blijkt, dat zij onder normale voorwaarden in loondienst werkzaam zijn; c - aan de werknemer, die de bepalingen van dit reglement of de °or het bestuur van het Fonds op grond van dit reglement getrofen Maatregelen niet nakomt; d- aan de werknemer, die door ziekte of ongeval verhinderd is z 'Jn normale werkzaamheden te verrichten; e - aan de werknemers van 65 jaar en ouder, indien deze een uitdring ontvangen krachtens de Noodwet Ouderdomsvoorziening; I- over de wekelijkse rustdagen en verplichte snipperdagen, als, e °ver de Nieuwjaarsdag, de Tweede Paasdag en de beide Kersteen (voor zover niet op Zondag vallende). Artikel 13. w ' ■ De werkgevers zijn verplicht aan het bestuur of zijn vertegen2 "°rdigers en aan vertegenwoordigers van het Rijk desverlangd inheHs ' e ver ' enen van a ll e gegevens, die direct of indirect betrekking Ve ? n °P de uitkeringen bedoeld in art. 4 en alle inlichtingen te ^cnaffen, welke ten behoeve van de uitvoering van de statuten Van dit reglement worden gevraagd. 2. Degene, wie bij de uitoefening van de in dit artikel omschreven voegdheder, enig bedrijfsgegeven ter kennis komt, is deswege jegens en tot geheimhouding verplicht. Artikel 14. Voor zover de werknemer gedurende het tijdvak van 1 November 1947 tot en met 30 April 1948 bij het intreden der werkloosheid het volgens art. 4 vereiste aantal coupons niet kan overleggen, dient hij ten genoegen van het bestuur te bewijzen, dat hij in het tijdvak van 12 maanden aan zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande gedurende ten minste 26 weken bij een werkgever, als bedoeld in art. 1, in dienst is geweest. Artikel 15. Dit reglement treedt in werking op 1 November 1947. Het kan worden aangehaald onder de naam: „Vorstuitkeringsreglement". Eerste wijziging van de Vacantieregeling Bouwbedrijf Het College van Rijksbemiddelaars; Gezien een verzoek van de Bedrijfsraad voor het Bouwbedrijf tot wijziging van de Vacantieregeling Bouwbedrijf; Overwegende: ' dat door de invoering van het Risicofonds voor de Bouwbedrijven een wijziging in de bepalingen betreffende de door de werkgever aan de werknemer wekelijks te verstrekken vacantiebonnen noodzakelijk is, in die zin, dat voortaan ook bij een uurloon van minder dan 21 cent een vacantiebon zal worden verstrekt, terwijl de bonnen van halve waarde vervallen; dat van deze wijziging gebruik gemaakt kan worden om aan het artikel betreffende de werkingssfeer een verwijzing toe te voegen naar de loonregeling voor de Noord-Oostelijke Polder, welke verwijzing in de oorspronkelijke tekst abusievelijk achterwege is gebleven; Gelet op artikel 12 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945; Beschikkende: Bepaalt: I. In artikel 1 van de Vacantieregeling Bouwbedrijf van 30 Juni 1947 ( Nederlandse Staatscourant 1947, no. 125) wordt na punt d opgenomen een punt e, luidende: „e. de regeling van lonen en arbeidsvoorwaarden voor het bouwbedrijf in de Noord-Oostelijke Polder van 10 Juli 1946 {Nederlandse Staatscourant dd. 12 Juli 1946, no. 135)." II. Artikel 6 van bovengenoemde regeling wordt als volgt gelezen: „1. De waarde der ingevolge het vorige artikel door de werkgever aan de werknemer te verstrekken bon bedraagt, exclusief de door de werkgever te betalen vergoeding voor administratiekosten: Uurlonen: Waarde bon: minder dan 21 cent ƒ 0,60 21 t/m 30 cent 0,90 31 t/m 40 cent 1,30 41 t/m 50 cent 1,65 51 t/m 60 cent 2,— 61 t/m 70 cent 2,40 71 t/m 75 cent 2,65 76 t/m 80 cent 2,85 81 t/m 85 cent 3,05 86 t/m 90 cent 3,25 91 cent en hoger 3,40 2. Geen bon wordt verstrekt indien de werknemer gedurende de betalingsweek minder dan 3 dagen bij een werkgever in dienstbetrekking was. De Zaterdag wordt in dat geval als een halve dag beschouwd. 3. Bij niet samenvallen van kalenderweek en betalingsweek zal over een kalenderweek nimmer meer dan één vacantiebon worden verstrekt." Deze wijzigingen worden geacht in werking te zijn getreden met ingang van 1 November 1947. 's-Gravenhage, 10 December 1947. Het College van Rijksbemiddelaars, De Voorzitter, J. A. Berger. Wijziging van de regeling van Ionen en andere arbeidsvoorwaarden in het Bouwbedrijf (B. & U. en W. S. W.) Het College van Rijksbemiddelaars; Gezien een verzoek van de Bedrijfsraad voor het Bouwbedrijf; Overwegende: dat het in afwachting van de totstandkoming van de collectieve arbeidsovereenkomst in het bouwbedrijf, waarover tussen partijen in principe overeenstemming is verkregen, gewenst is enkele bepalingen uit deze overeenkomst reeds thans op te nemen in de voor het bouwbedrijf geldende regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden; dat zulks met name het geval is met de bepaling, waardoor het mogelijk wordt aan geschoolde en geoefende werknemers, die niet in tarief kunnen werken, onder zekere voorwaarden een toeslag op het volgens de regeling toegestane uurloon te verstrekken, alsmede met de verruiming van de regenverlet-regeling en de nieuwe lichtverletregeling; dat het voorts noodzakelijk gebleken is in de bepaling omtrent de arbeidsduur duidelijker dan tot dusver te doen uitkomen, dat een arbeidsduur van 48 uur per week voorschrift is; Gehoord het advies van de Stichting van den Arbeid; Gelet op artikel 12 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945; Beschikkende: Stelt bindend vast de navolgende wijzigingen in de regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden in het bouwbedrijf (B. & U. en W.S.W.) van 12 November 1945 ( Nederlandse Staatscourant van 20 November 1945, no. 115): I. Aan artikel 7 van beide regelingen wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende: 5. Indien en voor zover werknemers, behorende tot groep I, werkzaamheden verrichten, welke niet in tarief kunnen worden uitgevoerd, is de werkgever bevoegd een bedrag, gelijk aan ten hoogste 6 % van het overeenkomstig de vastgestelde uurlonen aan deze werknemers in totaal uit te betalen loon, als extraloonbedrag te verdelen over alle tot de groepen I en II behorende werknemers, die niet in tarief kunnen werken en daarvoor naar het oordeel van de werkgever in aanmerking komen. II. In artikel 11 van beide regelingen worden tweemaal de woorden „ten hoogste" geschrapt. III. Artikel 21 B. & U., resp. artikel 20 W.S.W., wordt als volgt gelezen: „Onwerkbaar weer. 1. De werkgever zal de werknemer 80 % van het in deze regeling vastgestelde uurloon uitbetalen, wanneer en voor zolang (beide ter beoordeling van de werkgever) door ongunstige weersgesteldheid (uitgezonderd vorst en de gevolgen van vorst, benevens voor betonwerk, sneeuwval en de gevolgen daarvan) niet kan worden gewerkt. 2. De werknemer is verplicht, ingeval de werkgever hem gedurende de tijd, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, ander werk opdraagt waarvoor hij geschikt is, deze arbeid te verrichten, mits de werkgever bereid is hem het voor hem in deze regeling vastgestelde uurloon te betalen. 3. De werknemer, die zich zonder toestemming van de werkgever van het werk verwijdert, heeft geen recht op de in dit artikel vastgestelde vergoeding." IV. Aan de regeling B. & U. wordt toegevoegd een nieuw artikel 21a, aan de regeling W.S.W. een nieuw artikel 20a, luidende: „Doorbetaling van loon bij lichtverlet. 1. Indien de normale arbeidsduur als gevolg van duisternis moet worden ingekort, zal de werkgever nochtans gehouden zijn aan de werknemers over de ingekorte uren het uurloon, als bedoeld in de artikelen 7 en 8 dezer regeling, uit te betalen. 2. De werkgever is alsdan verplicht de werktijd zodanig te regelen, dat het grootst mogelijk aantal uren per dag kan worden gewerkt, zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 12 dezer regeling. 3. De werknemer is verplicht, ingeval de werkgever hem gedurende de tijd, bedoeld in het tweede lid van dit artikel, ander werk opdraagt, waarvoor hij geschikt is, deze arbeid te verrichten." Deze wijzigingen treden in werking met ingang van 15 December 1947, met dien verstande, dat, voor zover door werkgevers reeds vanaf 1 November 1947 de aldus gewijzigde regeling is toegepast, bedoelde wijzigingen in die gevallen geacht zullen worden in werking te zijn getreden per 1 November 1947. 's-Gravenhage, 10 December 1947. Het College van Rijksbemiddelaars, De Voorzitter, J. A. Berger. Eerste wijziging van de regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden voor het „Zwarte Corps" Het College van Rijksbemiddelaars; Gezien een verzoek van de Bedrijfsraad voor het Bouwbedrijf tot het aanbrengen van een wijziging en een aanvulling in bovengenoemde regeling; Overwegende: dat deze wijzigingen ten doel hebben de regeling op bedoelde punten in overeenstemming te brengen met de regeling voor het bouwbedrijf, zoals die luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen dd. heden; Gelet op artikel 12 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945; Beschikkende: Stelt bindend vast de navolgende wijzigingen in de regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden voor het „Zwarte Corps" van 24 April 1946 (Nederlandse'Staatscourant dd. 29 April 1946, no. 83): I. Artikel 19 wordt als volgt gelezen: „Onwerkbaar weer. 1. De werkgever zal de werknemer 80 % van het in deze regeling vastgestelde uurloon, resp. het tot uurloon herleide weekloon, uitbetalen, wanneer en voor zolang (beide ter beoordeling van de werkgever) door ongunstige weersgesteldheid (uitgezonderd vorst en de gevolgen van vorst, benevens voor betonwerk, sneeuwval en de gevolgen daarvan en uitgezonderd getijden) niet kan worden gewerkt. 2. De werknemer is verplicht, ingeval de werkgever hem gedurende de tijd, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, ander werk opdraagt waarvoor hij geschikt is, deze arbeid te verrichten, mits dg. werkgever bereid is hem het voor hem in deze regeling vastgestelde uurloon te betalen. 3. De werknemer, die zich zonder toestemming van de werkgever van het werk verwijdert, heeft geen recht op de in dit artikel vastgestelde vergoeding." II. Toegevoegd wordt een nieuw artikel 19a, luidende: „Artikel 19a. Doorbetaling van loon bij lichtverlet. 1. Indien de normale arbeidsduur als gevolg van duisternis moet worden ingekort, zal de werkgever nochtans gehouden zijn aan de werknemers over de ingekorte uren het normale loon uit te betalen. 2. De werkgever is alsdan verplicht de werktijd zodanig te regelen, dat het grootst mogelijk aantal uren per dag kan worden gewerkt, zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 11 dezer regeling. 3. De werknemer is verplicht, ingeval de werkgever hem gedurende de tijd, bedoeld in het tweede lid van dit artikel, ander werk opdraagt, waarvoor hij geschikt is, deze arbeid te verrichten." Deze wijzigingen treden in werking met ingang van 15 December 1947, met dien verstande, dat, voor zover door werkgevers reeds vanaf 1 November 1947 de aldus gewijzigde regeling is toegepast, bedoelde wijzigingen in die gevallen geacht zullen worden in werking te zijn getreden per 1 November 1947. 's-Gravenhage, 10 December 1947. Het College van Rijksbemiddelaars, De Voorzitter, J. A. Berger. Eerste wijziging van de regeling van Ionen en andere arbeidsvoorwaarden voor het Straatmakersbedrijf Het College van Rijksbemiddelaars; Gezien een verzoek van de Bedrijfsraad voor het Bouwbedrijf tot het aanbrengen van een wijziging en enkele aanvullingen in bovengenoemde regeling; Overwegende: dat deze wijzigingen ten doel hebben de regeling op bedoelde punten in overeenstemming te brengen met de regeling voor h el bouwbedrijf, zoals die luidt na de daarin aangebrachte wijziging en dd. heden; Gelet op artikel 12 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945; Beschikkende: Stelt bindend vast de navolgende wijzigingen in de regeling lonen en andere arbeidsvoorwaarden voor het straatmakersbedri) 1 van 6 Mei 1946 ( Nederlandse Staatscourant dd. 21 Mei 1946, no. 99l : I. aan artikel 7 van deze regeling wordt een nieuw lid ' oe ® e voegd, luidende: 5. Indien en voor zover werknemers, behorende tot groep werkzaamheden verrichten, welke niet in tarief kunnen worden uitgevoerd, is de werkgever bevoegd een bedrag, gelijk aan te" hoogste 6 % van het overeenkomstig de vastgestelde uurlon« n aan deze werknemers in totaal uit te betalen loon, als e* tra ' loonbedrag te verdelen over alle tot de grcepen I en II behorende werknemers, die niet in tarief kunnen werken en daarvoor naar het oordeel van de werkgever in aanmerking komen. II. Artikel 20 wordt als volgt gelezen: „Onwerkbaar weer. 1. De werkgever zal de werknemer 80 % van het in deze regeling vastgestelde uurloon uitbetalen, wanneer en voor zo- I lang (beide ter beoordeling van de werkgever) door ongunstige weersgesteldheid (uitgezonderd vorst en de gevolgen van vorst, benevens voor betonwerk, sneeuwval en de gevolgen daarvan) niet kan worden gewerkt. 2. De werknemer is verplicht, ingeval de werkgever hem gedurende de tijd, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, ander werk opdraagt waarvoor hij geschikt is, deze arbeid te verrichten, mits de werkgever bereid is hem het voor hem in deze regeling vastgestelde uurloon te betalen. 3. De werknemer, die zich zonder toestemming van de werkgever van het werk verwijdert, heeft geen recht op de in dit artikel vastgestelde vergoeding." III. Toegevoegd wordt een nieuw artikel 20a, luidende: „Artikel 20a. Doorbetaling van loon bij lichtverlet. 1. Indien de normale arbeidsduur als gevolg van duisternis moet worden ingekort, zal de werkgever nochtans gehouden zijn aan de werknemers over de ingekorte uren het uurloon, als bedoeld in de artikelen 7 en 8 dezer regeling, uit te betalen. 2. De werkgever is alsdan verplicht ae werktijd zodanig te regelen, dat het grootst mogelijk aantal uren per dag kan worden gewerkt, zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 12 dezer regeling. 3. De werknemer is verplicht, ingeval de werkgever hem gedurende de tijd, bedoeld in het tweede lid van dit artikel, ander werk opdraagt, waarvoor hij geschikt is, deze arbeid te verrichten." Deze wijzigingen treden in werking met ingang van 15 December 1947, met dien verstande, dat, voor zover door werkgevers reeds vanaf 1 November 1947 de aldus gewijzigde regeling is toegepast, bedoelde wijzigingen in die gevallen geacht zullen worden in werking te zijn getreden per 1 November 1947. 's-Gravenhage, 10 December 1947. Het College van Rijksbemiddelaars, De Voorzitter, J. A. Berger. Tweede wijziging van de regeling Bouwbedrijf in de Noord-Oostelijke Polder Het College van Rijksbemiddelaars; Gezien een verzoek van de Bedrijfsraad voor het Bouwbedrijf tot "et aanbrengen van een wijziging en een aanvulling in bovengenoemde regeling; Overwegende: dat deze wijzigingen ten doel hebben de regeling op bedoelde punten in overeenstemming te brengen met de regeling voor het bouwbedrijf, zoals die luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen dd. neden; Gelet op artikel 12 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945; Beschikkende: Stelt bindend vast de navolgende wijzigingen in de Regeling BouwMrijf i n de Noord-Oostelijke Polder van 10 Juli 1946 ( Nederlandse Maatscourant 1946, no 135): Artikel 23 wordt als volgt gelezen: „Onwerkbaar weer. 1 De werkgever zal de werknemer 80 % van het in deze jegeling vastgestelde uurloon uitbetalen, wanneer en voor zong (beide ter beoordeling van de werkgever) door ongunstige weersgesteldheid (uitgezonderd vorst en de gevolgen van vorst, oenevens voor betonwerk, sneeuwval en de gevolgen daarvan) n, et kan worden gewerkt. 2- De werknemer is verplicht, ingeval de werkgever hem gedurende de tijd, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, ander ^erk opdraagt waarvoor hij geschikt is, deze arbeid te verrichn » m its de werkgever bereid is hem het voor hem in deze rege'ng vastgestelde uurloon te betalen. 3 De werknemer, die zich zonder toestemming van de werkgever van het werk verwijdert, heeft geen recht op de in dit artikel vastgestelde vergoeding." II. Toegevoegd wordt een nieuw artikel 23a, luidende: „Artikel 23a. Doorbetaling van loon bij lichtverlet. 1. Indien de normale arbeidsduur als gevolg van duisternis moet worden ingekort, zal de werkgever nochtans gehouden zijn aan de werknemers over de ingekorte uren het uurloon, als bedoeld in de artikelen 6 en 7 dezer regeling, uit te betalen. 2. De werkgever is alsdan verplicht de werktijd zodanig te regelen, dat het grootst mogelijk aantal uren per dag kan worden gewerkt, zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 10 dezer regeling. 3. De werknemer is verplicht, ingeval de werkgever hem gedurende de tijd, bedoeld in het tweede lid van dit artikel, ander werk opdraagt, waarvoor hij geschikt is, deze arbeid te verrichten." Deze wijzigingen treden in werking met ingang van 15 December 1947, met dien verstande, dat, voor zover door werkgevers reeds vanaf 1 November 1947 de aldus gewijzigde regeling is toegepast, bedoelde wijzigingen in die gevallen geacht zullen worden in werking te zijn getreden per 1 November 1947. 's-Gravenhage, 10 December 1947. Het College van Rijksbemiddelaars, De Voorzitter, J. A. Berger. ---