De nieuwe Minister van Oorlog. (Van onzen militairen medewerker.) Na ons artikel „Nieuwe Banen” in het nummer van 27 Juli, kunnen we niet anders dan met groot vertrouwen het optreden van den Minister Lambooy tegemoet gaan. Hij moge niet een der onzen zijn, hij behoort militair gesproken tot de allerbesten onzer officieren, waarmede wij bedoelen tot hen,, die een open oog hebben voor de gewichtige strooming, welke rekening wil houden óók met datgene, dat afwijkt van den toestand, zooals deze altijd geweest is. De heer Lambooy is het meest bekend geworden als leeraar aan de Hoogere Krijgsschool en werd bij keuze bevorderd tot majoor, waarna hij cenigen tijd troependienst verrichtte. Hij heeft van zich doen spreken als voorzitter van de Algemeene Roonisch-Katholieke Officiersvereeniging, en als bestuurslid van Krijgswetenschan. In do eerstgegenoemde hoedanigheid heeft hij meermalen kort en bondig gesproken en geschreven in ’t belang van de positie van den officier en heeft in het belangwekkend orgaan dezer vereeniging meermalen artikelen vryi groot belang geschreven over de bezuiniging op de militaire uitgaven. In het afgeloopen wintertijdperk zou hij in de vereeniging Krijgswetenschap een lezing houden over de Kustverdediging, die hij zeer terecht wilde onttrekken aan het commando van de Vesting Holland, waarbij deze zeer eigenaardige verdediging, die meer te maken heeft met de Marine dan met het oostfront ons land, dan ook geenszins thuis behoort. Het opzienbarende feit heeft zich toen voorgedaan, dat de Minister van Oorlog den majoor Lambooy het uitspreken van deze technische redevoering heeft belet, waarbij het bestuur van Krijgswetenschap zich onder protest heeft neergelegd. Naar men zegt, heeft de Commandant van de Vesting. Holland zich er tegen verzet en heeft de Minister meer geluisterd naar het advies van den Generaal van Tuinen, dan naar de overweging (jat een majoor van den Generalen Staf, toegevoegd aan den Commandant van ’t veldleger, toch wel zal weten wat hij zegt en geen landsgeheimen zal verklappen. Trouwens ieder, die' wat van onze kustverdediging weet, zooals deze in de mobilisatie was geregeld, was bij voorbaat, verzekerd dat de majoor Lambooy het bij het rechte eind had. Het zal dan ook geen toeval zijn, dat de nieuwe titularis tevens het ministerschap van Marine waarneemt.Natuurlijk zal overleg wel den kabinetsformateur, die, omtrent onze defensie zeer juiste, 'afgeronde, positieve denkbeelden heeft, wel niet achterwege zijn gebleven en zal deze, alvorens met den heer Lambooy in zee te steken, wél overtuigd zijn, dat men zal trachten te geraken tot eene uitvoering van de zoo logische Standaard-artikelen. Waar we den nieuwen titularis reeds geschetst hebben als een man met positieve denkbeelden en toegankelijk voor datgene, wat in het volk leeft en dat kan bijdragen tot verhooging van ’s Lands Weerbaarheid, zijn v/ij vol hoop, dat ook onze, zoo vaak en warm. verdedigde denkbeelden omtrent vooroefeningen en vrijwillige weerbaarmaking, verbetering van do opleiding van het reservepersoneel, vereenvoudiging van verschillende takken van den dienst, enz. enz. te zijner tijd aan zijn aandacht niet mogen ontgaan. Voorloopig moeten wij ten deze helaas eenig pessimisme toonen. De heer Lambooy is een knap man, een hard werker, maar hij is geen parlementaire rot. Op dat gebied wachten hem dus vostangelp, klemmen en speldeprikken. Het is waarlijk geen prettig vooruitzicht achtereenvolgens een begrooting voor Oorlog en dan een voor Marine in de Tweede Kamer te moeten verdedigen. Men mag hem dadrbij voorshands wel alle steun bieden, dien hij behoeft. Do nieuwe Minister is geen groot redenaar.. Hij weet goed te zeggen wat hij wil, doch spreekt wat hoekig. Of hij opgewassen zal zijn tegen vinnige interrupties van weinig scrupuleuze Kamerleden, wier eenigo verdienste, in die interrupties bestaat, zooals de heeren Duys cn Kleerckoper, zal mesten blijken. Dan is er de vermoedelijk zeer groote tegenwerking van de zijde van het departement van Marine, waar men voor deze waarneming niets voelt en waar de nieuwe Minister stevig moet toegrijpen, wil hij mt. het slachtoffer worden van departementale anthipathieën. Waar hij met Marine do handen vol zal hebben zal men aan het Departement van Oorlog de zaken wel gaarne zondor hom opknappen. Daarin schuilt echter juist een enorm gevaar. We hebben hier vaak genoeg geschreven over de mentaliteit aan dat departement, om niet ernstig bevreesd te zijn, dat men onwelgevallige maatregelen niet uitvoert cn „nieuwe banen” liever onbetreden laat. Een der -voornaamste middelen cm zich daartegen te wapenen is, zich te omringen door totaal nieuwe, met de departementstradities onbekende, doch vooral persoonlijk volkomen betrouwbare elementen, vooral aan die afdeeling, waarmede de nieuwe Excellentie het meest moet samenwerken. De toestand is den Minister Colijn volkomen bekend en de majoor Lambooy heeft er vaak genoeg mee kennis gemaakt. Het zit echter niet alleen in de personen, doch vooral in de traditie, zoodat continuïteit in dit geval afkeuring verdient. Men zal moeten afwachten of zal worden overgegaan tot het instellen van de functie van een Directeur-Generaal aan beide departementen. In dat geval zal de keuze moeilijk zijn, omdat de Minister aan dien functionaris- veel zal moeten overlaten. Eensdeels is dat een groot voordeel,' De Minister van Oorlog teekent reeds veel te veel onbenullige stukken, die hy toch onmogelijk allemaal in Zich op kan nemen. Is de Directeur-Generaal evenwel niet heelemaal homoroen niet den Minister, dan dreigt het gevaat» ima afgclcopen periode,, waarin de goede bedoelingen van den Minister buiten zijn voorkennis werden omgezet in afbrekende bepalingen, waarvan het gevaar eerst tot hem doordrong als de nadeelige gevolgen zich deden leennen. Tot goed begrip van onze beweringen moeten.we er op wijzen, dat de uitvoerders van den wil . van den Minister ter goeder trouw en volgens hun eer en geweten de belangen van het leger 'behartigden, zooals zij die zagen. Het ontbrak hun alleen aan het inzicht om volkomen door te dringen in de bedoelingen, die ook op andere wijze uit te voeren waren. Hoe het zij, wij wensclien den nieuwen Minister succes op zijn zware en moeihikc loopbaan, de noodige geestkracht, en den vasten wil om zijn mooie plannen ten uitvoer te brengen. --- Onder vrienden. Het optreden van den heer Stenhuis roept ook binnen den kring van het N.V.Y. deu strijd in ’t1 leven. Wanneer men de uitingen in de „moderne” vakpers leest, dan begint het veel op een paleisrevolutie te lijken. Maar tot dusver weet de heer Stenhuis door te zetten en heeft hij blijkbaar zelfs het geheele dagelijksch-e bestuur van het N.V.V. op zijn hand. In nummer van 1 Augustus van „Ons Weekblad”, het orgaan van den socialistischen bond van Overheidspersoneel, wordt over het optreden van den heer Stenhuis als volgt vonnis gewezen: „Wij vinden het ongehoord, dat Stenhuis steeds bezig is, buiten alle instanties van het N.V.V. om, een vraagstuk van zóó verre strekking, maar voortdurend weer buiten de leiding van het N.V.V. om, aan de of .e te stellen. Hij moge dan zeggen: hetgeen ik propageer ten aanzien vap de stichting eener arbeiderspartij (Labour Partij) is myn persoonlijke meening, geen i enkele instantie van het N.V.V. kan daar voor aansprakelijk worden gesteld. Maar dat is niets anders dan een praatje zonder waarde. De persoon van Stenhuis is nu eenmaal niet van zijn voorzitterschap van het N.V.V. te scheiden en de onrust, die Stenhuis wekt en die voortdurend grooter wordt, is daarvan wel het heste bewijs. Herhaaldelijk komt m-en tot ons. met de vraag, of dergelijke aangelegenheden nu maar zoo door Stenhuis kunnen worden besproken zonder dat het bestuur van het N,V.V. zich laat hooren. En nu hij zich ook nog door een blad als „De-Telegraaf” heeft laten interviewen, nu loopt het toch ook wel de spuigaten uit. Ons hoofdbestuur heeft althans aanleiding gevonden een brief te schrijven aan het. bestuur var, het N.V.V. waarin gevraagd wordt maatregelen te treffen, waardoor aan het.schadelijke, het onrustzaaiende en desorganiseerende optreden van Stenhuis een einde wordt gemaakt. Het moet nu maar eens worden uitgemaakt, of het aangaat dat de voorzitter van het N.V.V. zóó desorganiseerend zóó persoonlijk optreedt. Wenscht hy dat de oprichting van een nieuwe arbeiderspartij aan de orde komt, dan moet hij dat bij de instanties, die daarvoor in aanmerking komen, aan de orde stellen. ue wyze, waarop ny nu werKt, Drcngr cnrust, verdeeldheid en ruzie in onze moderne arbeidersbeweging. Als Stenhuis dat nog niet begrijpt, dan toont hij daarmede, dat hij zijn taak als voorzitter van het N. V. V. eigenaardig opvat. Hij moge beden- ' ken dat zijn positie hem vrplichtingen oplegt”. Dit nu is voor den heer Stenhuis niet bijzonder vleiend. Hij brengt onrust, verdeeldheid en ruzie in de „moderne” vakbeweging. Hij treedt desorganiseerend op. En het bestuur van het N. V. V. moet maatregelen treffen om dat „schadelijke onrustzaaiende en desorganiseerende optreden van Sten.iuis een cind-e te maken”. We zullen maar afwacliten wat daarvan terecht komt. Misschen meent men wel in dien kring, dat men op die wijze de belangen der arbeiders behartigt. Stenhuis zal wei van oordeel zyh, dat dit alles behoort bij het „constructief” werk der vakbeweging. A.-k. --- Uit de Pers. De Tijd (R.-K.) wijst erop, dat de crisis heel kort heeft geduurd. Aan de Antirev. en de Chr.-Historischen, die over 24 zetels beschikken, werden reeds vier belangrijke portefeuilles — onder welke die van binnenlandschc zaken cn justitie — toebedeeld, terwijl eveneens een Antirev. premier het Kabinet zal leiden. De titularissen, waarmee de Katholieken ook in dit Kabinet uitkomen, bewijzen voor het overige, dat het hun niet aan bekwame mannen voor het mede-bestuur van den Staat ontbreekt. Dat Minister van Karnebeek ook in het ministerie-Colijn het departement van buitenlandsche zaken zal waarnemen, -beteekent een doorzetten van het verdrag met België. Ook bevestigt zijn aanblijvep de continuïteit in onze proefhoudende buitenlandsche politiek der jongste jaren. Alles in alles is het ministerie-Colijn er een, dat ook in de gekozen personen, een waarborg geeft, dat ons staatkundig leven er veilig de toekomst mee mag ingaan. Ook de Residentiebode wijdt beschouwingen aan de vertegenwoordiging der R. K. in het ministerie: Men kan moeilijk beweren, dat de