Advertentie ALGEMEEN DAGBLAD VAN NEDERLAND --- ITALIË. De Norddeutsche Allgemeine Zeitung van gisteren bericht: „De Duitsche en Hongaarsche bisschoppen te Eome hebben een protest tegen het nieuwe reglement voor het concilie ingediend, hetwelk voornamelijk gericht is tegen de bepaling dat op voorstel van tien leden der vergadering bij besluit der meerderheid alle verdere discussie over een onderwerp afgesneden kan worden. In het protest wordt gezegd, dat in parlementaire vergaderingen een besluit tot sluiting der discussiën genomen kan worden, maar niet bij beraadslagingen van een concilie; de wetten van den staat toch kunnen naar goedvinden telkens veranderd worden, terwijl de besluiten eener kerkvergadering niet voor jaren of eeuwen, maar voor altoos geldig waren. Een resultaat zal men van dit protest wel niet te wachten hebben.” --- BINNENLANDSCH OVERZICHT. In een zestal degelijke, met onmiskenbaar talent geschreven artikelen bespreekt de Arnhemsche Ct. de quaestie der fabriekskinderen. Zij acht de petitie-agitatie, door den heer Cremer op touw gezet, een slecht middel tot bereiking van een goed doel. Niet door eeuige holle, opgewonden frases , 1 maar door eene ernstige studie van cijfers en feiten is zulk : een moeielijk vraagstuk op te lossen. Een storm van adres- ' sen vertegenwoordigt volstrekt de openbare meening niet. Neen! Ook hier behoort gewogen en niet geteld te worden. 1 „Eene wet tot beperking en regeling van den kinderar- ' beid,” zegt de Arnh. Ct. zeer te recht, „kan haar doel — 1 verbetering van het lot der arbeiders — daarom niet bereiken, omdat de ellende, die men verhelpen wil, ontstaat uit algemeene en samenwerkende oorzaken, die door eene spe- ' ciale wet niet weg te nemen zijn. Door eene wet reorgani- 1 seert men de maatschappij niet, gelijk men eene ziekte niet enkel door een recept geneest. Wanneer de oorzaak, die de kinderen naar de fabriek jaagt, blijft bestaan en voortwerken, helpt men het kind volstrekt niet, wanneer men het verbiedt de fabriek binnen te gaan. Door eene verstandige wetgeving 1), die meer doet door laten dan door doen, zal men allengs de oorzaken van het kwaad kunnen doen verdwijnen. Misschien ook door nieuwe uitvindingen der wetenschap, b. v. door het vinden van nieuwe werktuigen, die den arbeid vnn het kind verrichten en eindelijk het fabriekskind, met zijn arbeid, supprimeeren, en mogelijk, ten allerlaatste, den volwassen fabriekarbeider ook. Doch te verwachten dat men door eene speciale wet op den kinderarbeid, eene wet gericht niet tegen de bron van het kwaad, maar tegen de verschijnselen en de gevolgen, het lot dier kinderen zal verbeteren, dit is de grootste aller illusiët. De oorzaken, die den toestand beheerschen, beheerschen ook den wetgever en verijdelen de werking der wet!” Die oorzaken zijn onkunde en onbeschaafdheid. De bekende commissie van enquête stelt voor, beide ziekten te genezen door schoolplichtigheid, en ofschoon de Arnh. Ct. niet voor dat medicament is, meent zij nogtans, dat t althans een der middelen vertegenwoordigt, waardoor het kwaad kan worden bestreden. Met bijzonder genoegen hebben wij opgemerkt, dat het Utrechtsch Dagblhd, als tene loffelijke, uitzondering op de meesten onzer andere bladen, zich de be'angen der beeldende kunsten aantrekt, en aan dat gewichtig onderwerp van volksbeschaving een hoofdartikel wijdt. Moge dit eerste voorbeeld voor de overigen een prikkel zijn, om niet langer te volharden in hunne apathie, maar de Tweede Kamer te wijzen op het schromelijk onrecht, om deze zaak zoo lang en zoo noodeloos slepend te houden 1 Reeds in de vorige zitting der Staten-Generaal toch werd door de regeering een wets-ontwerp ingediend, dat niet minder beoogde dan stichting eener rijks-academie voor beeldende kunsten, en eene volledige regeling van dit onderwerp van staatswege. In dato 21 Juni 1869 verscheen daarover reeds het voorloopig verslag, maar, daar de Kamer spoedig daarop uiteenging, en de- regeering terecht begreep, dat er van de verdere behandeling en afdoening van deze zaak nu wel niets komen zou, heeft zij haar antwoord op dat verslag niet ingediend. De zaak werd door haar echter niet vergeten, want reeds den 20 Sept. 1869, dus kort na de opening der nieuwe zitting, diende zij haar ontwerp andermaal in, gewijzigd naar aanleiding der vroeger gemaakte opmerkingen. Nog vóór het einde des jaars, den 2 Dec. 1869, verscheen ook hierop het voorloopig verslag, dat reeds den 23 Dec. door den minister van binnenlandsche zaken vrij uitvoerig beantwoord werd. De zaak is dus bijna in staat van wijzen en vatbaar voor openbare behandeling. Ook het Ulr. Dagbl. acht de oprichting eener rijks-academie van beeldende kunsten van veelomvattend belang, en is dus met het laatste ontwerp des heeren Eock hoogelijk ingenomen. Vermits de argumenten van het blad grootendeels reeds vroeger ook door ons zijn aangevoerd, kunnen wij volstaan met op de slotsom te wijzen. Die conclusie luidt aldus: „Wy gelooven, dat het denkbeeld van hen, die meenden, dat opleiding tot beoefening der schoone kunsten het beste zoude zijn te verkrijgen, door aan de plaatselijke teekenscholen meerderen omvang, hoogere richting, door toevoeging van de meer theoretische kunstvakken, te geven, op verkeerde inzichten berusten van hetgeen eigenlijk onder opleiding en ontwikkeling van den kunstenaar te verstaan is. Wij zijn het met die leden eens, die de overtuiging uitten, dat, al wordt de „kunstenaar door onderwijs alléén niet gevormd, dat onderwijs toch wel kan strekken, om, v aar uitstekende aanleg bestaat, dien te helpen ontwikkelen;” en dat, al liet men de „vorming van kunstenaars meer ter zijde, het toch wenschelijk was, dat er, ook op het elders gegeven voorbeeld, in ons vaderland eene rijksinstelling bestond, waar de traditiën der schoone kunsten werden bewaard, die voor deze was of werd, wat de hoogescholen voor de wetenschappen zijn, en die dus ook, terwijl zij den kunstzin der natie op hooger peil trachtte te brengen, dien kunstzin populariseerde.” Dit laatste zouden wij ook bepaald wenschen, en wij gelooven, dat daaraan oi der ons eene wezenlijke behoefte bestaat.” In de Nijkerksche Courant wordt onverbiddelijk den staf gebroken over den „districts-afgevaardigde” ter Tweede Kamer, den heer van Loon. Vooral in de koloniale quaestie wordt zijne houding gelaakt. „Zou ’t niet beter zijn te zwij1) Gééne wetgeving, die gegrond is op de fantaisie, dat de „concurrentie” eene schoone, waanzinnige vrouw is, die hare kinderen vermoordt. gen dan zóó te spreken P” vraagt het blad. „Of wel zou de heer v. L. zich in den datum vergist hebben en hebben gemeend, dat het 1 April was ?” En verder: „Den heer van Loon komt de eer toe inventeur ofte wel uitvinder te zijn \an ’t gelijkstellen van de Roodhuiden met de Javanen, van de woeste, van krijg en jacht levende stammen uit het Far West met den landbouwenden, vredelievender Indiër! „Volgaarne gunnen we hem de eer dier inventie en den heer Heemskerk Azn. (van wien de minister van koloniën niet anders verwachten kon, dan dat hij hem woorden in den mond zou leggen, die niet gesproken zijn), de taak van advocaat van ’t Roodhuiden-argument van zijn „geachten vriend” den uitvinder.” Onder den titel van de Waarheid, N. Bredasche Courant, is verleden Zaterdag te Breda het eerste nommer verschenen van een nieuw weekblad, ’t welk, met wonderlijke harmonie, wordt welkom geheeten zoowel door ’t Dagblad van ZuidHolland als door de Tijd.... Waarom? Omdat het openlijk te velde belooft te trekken tegen dat verfoeilijk liberalisme. Immers: „Onophoudelijk worden door de liberale bladen de meest lasterlijke tijdingen en meeningen verspreid, zoowel in betrekking tot het katholicisme in het algemeen, als ten opzichte der bijzondere godsdienstige belangen der katholieken in de baronie.” — „Welnu,” vervolgt het blad: „wij willen naar on3 vermogen medewerken om die nevelen der duisternis, die niet zelden eene droevige schaduw op het maatschappelijk leven werpen, door de stralen van de zon der — ultramontaausche — waarheid te doen verdrijven 1” Arme ridders van de droevige figuur! Om te gelooven, dat dergelijke beginselen ingang zullen vinden bij ons volk, moet men eene tactiek volgen als de Tijd en het Dagblad die, opzettelijk de oogen sluitend voor de beweging om hen heen, hunne wereldbeschouwing niet bouwen op ervaring en rede, maar op eigenbelang en stelselzucht. Men leest in den Nederlandsche Spectator den volgenden brief over de doodstraf .„Waarde heer redacteur 1 Ik ben maar eene vrouw, maar stel toch veel belang in ’tgeen er zoo al omgaat. Nu heb ik opgemerkt, dat over de vraag, of de doodstraf al dan niet afgeschaft moet worden, consciencieuse menschen het nog al oneens zijn, zoodat men zelfs geleerde genootschappen voor, en christelijke kerkeraden tegen de afschaffing hoort petitionneeren. Zou nu de wet niet zoo ingericht kunuen worden, dat aan beider gemoedsbezwaren volledig werd tegemoet gekomen ? Mij dunkt, dat dit best koude geschieden, indien, het geval zich voordoende, leden van zulke kerkeraden, overeenkomstig hun weusch, werden opgehangen; terwijl men anderen, wier geweten dit veroorloofde, bij dergelijke gelegenheden gevangen zetten kan. Zoo zou ik althans het gaarne steeds ieder naar zijn zin trachten te maken. Zeg er uwe gedachten eens over. De ingeleverde petities zouden nog gewijzigd kunnen worden. „Met de meeste achting noem ik mij: „26 Febr. 1870. Uw Do. Dienaresse, „Aaltje Brüimeniet.” Een inzender in de Utrechtsche Ct. behandelt „onze jachtwet”. Even als de Gron. Ct., eenigen tijd geleden, keurt hij de bestaande bepalingen af, en wenscht de invoering der volgende beginselen, ter vervanging: „1. Afschaffing der rechten van anderen dan eigenaren van den grond. „2. Afschaffing der jachtacten: een verlies van ongeveer ƒ 100,000 voor het rijk. „3. Afschaffing der opzieners van de jacht en visschenj, c eene besparing van ƒ 70,000,— voor het rijk. _ | „4. Instelling van eeu „recht om wapens te dragen in het” veld” ad ƒ 6,— per persoon, zonder zegel en dergelijken, een inkomen voor het rijk van zeker meer dan ƒ 50,000. ‘ „6. Beboeting van hen die zonder acte in het veld komen met ƒ 6. ( „6. Stell’ng van het wild onder het gemeene recht, zoodat hij, die zich meester maakt van wild op eens anders ' grond, wegens diefstal strafbaar is. „en 7. Al die reglementeerende bepalingen, die, zonder aan de provinciale staten eenige beschikking ts laten, in de wet zelve vaststellen, wat op dat stuk vast te stellen is. „Met zulk eene wet ben ik als landbouwer en als landeigenaar, zonder en met heerlijk recht tevreden, en met zulk eene wet zal ik mij als liefhebber der jacht, ook door het aanstellen van bijzondere opzieners en scherp toezicht, tevreden stellen.” --- AMSTERDAM, 16 Maart. BINNENLAND. Door den heer Ch. Lucas, lid vnn ’t Instituut, is aan onzen min. van justitie een merkwaardige brief geschreven over de doodstraf. Deze brief, afgedrukt in de laatste aflevering van het tijdschrift Themis, met een post-scriptum, bijna even lang en niet minder belangrijk dan de brief zelf, alsmede vier bijlagen, is ons dezer dagen door den schrijver toegezonden, en wij maken er daarom gaarne melding van. De brief, eene uitgewerkte verhandeling over de doodstraf, concludeert tot spoedige en finale abolitie. In het post-scriptum worden besproken do twee laatste parlementaire incidenten in Frankrijk, de interpellatie in den senaat van de heeren Steenmachers en le Hon, over de voltrekking der doodvonnissen binnen de muren der gevangenis, en het bekende voorstel van Jules Simon. Voorts wordt de vraag onderzocht: welke de tegenwoordige stand der zaak is in Frankrijk. Het uitgangspunt van den schrijver is nu, gelijk altijd vroeger, de onschendbaarheid van het menschelijk leven, uitgezonderd het geval van wettige zelfverdediging; hij verlangt, dat men zich er voor wachten zal, eene vraag door te hakken door het gevoel, die alleen door de rede mag beslist worden; en hij waarschuwt vooral bij herhaling tegen iedere inmenging van politieke partijdriften bij hare behandeling. Hij doet dit o.a. met deze welsprekende woorden, die wij, om ze niet te bederven, even als het W.v. h. R., teruggeven in zijne eigen taal: „pour que cette grande question d’orde moral et social, dont tant de siècles écoulés ont réservé au notre la solution definitive, conserve sa grandeur, il faut que dans tous les parlements de 1’Europe elle soit placée bien haut au dessus des préoccupatiocs politiques, dans cette régime calme et séreine ou la pensée humaine ne demande le progrès moral, promis a 1’homme, par Dieu même, qui la fait perfectible, qu’aux principes de la philosophie, . aux enseignements de 1’histoire et aux résultats de l’expe• rience.” i In de maatschappij Arti et Amicitiae zal de kunstbeschouwing op Donderdag 17 Maart gegeven worden door den heer mr. L. O. Hora Siccama, van Utrecht. De leden der Vereeniging ter bevordering van Fabriek- en Handwerknijverheid in Nederland (afd. Amsterdam) zijn uitgenoodigd ter bijwoning eener gewone vergadering, op a. s. Donderdag, in het locaal de Eensgezindheid, waarin o. a. de discussiën over «de middelen ter voorkoming van werkstakingen” zullen worden voortgezet. Tot ons genoegen zijn wij in staat mede te deelen, dat de toestand van onzen geachten landgenoot, den heer Schelfhout — tegen alle verwachting in — langzamerhand iets verbetert, zoodat er wederom hoop bestaat, hem gedurende — wij willen hopen nog vele — jaren voor zijne betrekkingen en vele vrienden te behouden. Minder verblijdend trof ons gisteren de mare van het overlijden des kunstschilders Moritz Calisch, vice-president der maatschappij Arti et Amiciliae, op 51-jarigen leeftijd. De overledene was met een rijken aafileg begaafd ; een talentvol artist, een braaf mensch, een trouw vriend en een krachtige steun voor Arti. Zijn verlies zal lang en diep worden gevoeld bij allen, die liefde koesteren voor de Nederlandsche kunst. De feestelijke optocht met den laatsten paal voor de fundeering der Zuiderzee-sluizen bij Schellingwoude is gisteravond, door uitmuntend weder begunstigd, in de beste orde gehouden en afgeioopen. De stoet werd door eene overgroote volksmenigte vergezeld. Dat de paal met sparrengroen fraai versierd was, dat het niet aan vlaggen, banieren met opschriften symbolen van den arbeid, enz., fakkels en ballons ontbrak, dat een vroolijke muziek zich bijna onafgebroken hooren liet, zullen wij wel niet behoeven te zeggen. Tegen elf ure had de stoet het locaal de Koningskroon in de plantage bereikt, alwaar de directie der „Amsterdamsche Kanaalmaatschappij” tegenwoordig, en alles tot een gul onthaal van het werkvolk gereed was. De president der maatschappij, de heer S. W. J. Jitta, betuigde in eenige hartelijke woorden den dank der directie voor de hulde haar gebracht, herinnerde den welvolbrachten arbeid, en eindigde zijne toespraak met een krachtig: „Leve de werkman!” Daarna werden ververschingen rondgediend, verliet de directie het locaal en bleef het werkvolk nog eenigen tijd genoegelijk bijeen. Heden ten 12 ure is de paal ingeheid. In de zitting van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van gisteren zijn in de eerste plaats de beraadslagingen voortgezet over het wetsontwerp tot verandering der grens tusschen de gemeenten Dordrecht en Dubbeldam, waarvan de behandeling op laatstleden Zaterdag niet was afgeioopen. Daarover voerden het woord de heeren Bichon van IJsselmonde, Fokker, Rombach, van Kuyk, Blussé van Oud-Alblas en de minister van binnenlandsche zaken. Na de goedkeuring der onderscheiden artikelen en der beweegredenen werd het wets-ontwerp met 35 tegen 17 stemmen aangenomen. Daarna kwamen in behandeling: lo. Het wets-ontwerp tot afsch. van de tentoonstellingen en van de lijfstraf (geeselen) in de gevallen, waarin deze straffen nog zijn bedreigd. Bij de algemeene beraadslaging beantwoordde de minister van justitie de in het eindverslag voorkomende aanmerkingen. Op het eenig art. stelde de heer Sandberg een amendement voor, strekkende om het art. aldus te lezen : „De straf van openlijke tentoonstelling op een schavot, en de lijfstraf (geeseling) worden afgeschaft in al de gevallen waarin zjj nog zijn bedreigd.” De minister van justitie nam dit ameudement over. Nadat de heeren Sandberg, van Eek, van Zinnicq Bergmann en Heemskerk Az. het woord hadden gevoerd en de onderdeelen van het wets-ontwerp waren goedgekeurd, werd het gewijzigd ontwerp zelf met 39 tegen 16 stemmen aangenomen. 2o. Het wets-ontwerp tot aanvulling en uitbreiding van art. 437 wetboek van strafrecht. De heer Sandberg bracht namens de commissie voor de verzoekschriften op een dat wets-ontwerp betreffend adres verslag uit, met welks conclusie de Kamer zich vereenigde. Bij de algemeene beraadslagingen werden aanmerkingen op de redactie van het wets-ontwerp zelf gemaakt, en bedenkingen geopperd tegen het beginsel om door gedeeltelijke herziening onzer wetboeken daarin verbetering te brengen. Aan de behandeling van het wets-ontwerp in het algemeen namen deel de heeren de Lange, Bichon van IJsselmonde, van Eek, Cornelis, van Naamen van Eemnes en de min. van justitie. De beraadslaging over art. 1, waarop Heemskerk Az. een amendement voorstelde, terwijl de Lange het voorstel deed om de drie artikelen van het wets-ontwerp door een éénig art. te vervangen, liep niet ten einde. Zij wordt heden voortgezet. Hierna richtte de heer van Kerkwijk, na bekomen verlof, eene interpellatie tot den min. van justitie, waarbij hij inlichtingen vroeg over eene wederrechtelijke gevangenhouding van lieden in Zeeland, die gratie hadden bekomen. De min. van justitie gaf omtrent dit onderwerp de gevraagde ophelderingen, waarna nog de heeren van Kerkwijk en du Marehie van Voorthuysen het woord voerden. De interpellatie liep hiermede ten einde. De heeren Sandberg en Yerheijen brachten namens de commissie voor de verzoekschriften op onderscheiden adressen verslagen uit, waarmede de vergadering zich achtereenvolgens vereenigde. In deze zitting zijn ingekomen: a. de navrlgende wets-ontwerpen: een tot wijziging van hoofdstuk IY A der staatsbegrooting voor 1870; en een tot aanvulling en verhooging van hoofdstuk V der staatsbegrooting voor 1870; een tot beschikbaarstelling van de gelden wegens door het dep. van oorlog gedane verstrekkingen, dienst 1870. b. het verslag der algemeene commissie van liquidatie der zaken van de voormalige wees- en momboirkamers over 1869. De officier van administratie der 2de klasse, A. L. Thierens, laatst behoord hebbende tot het escader in Oost-Indië, en van daar den 3 den dezer in Nederland teruggekeerd, wordt met dien datum op non-activiteit gesteld. Men schrijft uit Arnhem, dd. 14 Maart: „Heden-nacht ongeveer half vijf ure brak er brand uit op de Beekstraat, in het huis, vroeger bewoond door den tabakshandelaar Aleven. Een voorbijganger, vuur in het benedenhuis ziende, rukte een der luiken open en zag het begin van den brand, die misschien met weinige emmers water zou zijn te blusschen geweest; maar voor er nog hulp kon verleend worden, nam hij zoozeer in hevigheid toe, dat de vlammen uit het raam sloegen, en weldra stond het geheele, vier ramen breede maar zeer ondiepe gebouw in lichtelaaien gloed. De eerste spuit, die op het terrein kwam, gaf slechts zeer weinig water — wij hopen dat hieromtrent een behoorlijk onderzoek zal worden ingesteld: spuiten die geen water geven zijn weelde-artikelen. De twee volgenden echter waren spoedig den brand meester, en bij het doorbreken van den dag zag men slechts het zwarte geraamte van het uitgebrande huis.” Op den Hollandschen spoorweg is gisteren met den trein, die ten 4.30 in den namiddag van Amsterdam was vertrokken, een ongeluk gebeurd. Te Halfwcg-Haarlem namelijk is die trein gedérailleerd, waarbij, naar men verneemt, een conducteur lichtelijk aan het hoofd en been is gekwetst. Verder hebben geen ongelukken plaats gehad. De trein is te Rotterdam een half uur over den tijd gearriveerd. In het Dagblad van Zuid-Holland leest men den volgenden ondeugenden canard: „In de Kamer loopt een gerucht. „Fransen van de Putte — na de aanneming door de Eerste Kamer van de agrarische wet -— gouverneur-generaal om de wet toetepassen. „Mirandolle — minister van koloniën, om hem een handje te helpen. „Oprichting van een nieuwe Indische Handels- en Grondcrediet-Bank. „En de Waal? „Hij wordt, gelijk van Soest en om dezelfde reden, op stal gezet. De machine zal hebben uitgediend.” Te ’s Hage is gisteren uit het water opgehaald het lijk van een manspersoon. De vergevorderde staat van ontbinding doet onderstellen, dat het lijk zeer lang reeds in het water gelegen heeft; het is naar het gasthuis vervoerd om de vereischte schouwing te ondergaan. Men verkeert nog in het onzekere wie de persoon is, die zoo treurig uiteinde heeft bekomen. Dezer dagen werd door een heer, in zeker koffiehuis te Eindhoven, aan den hond van den kastelein, een bekende does, al spelende een twintig-francstuk voorgehouden, om dat te laten apporteeren, zoo als men zegt. De hond, zeer begeerig naar geld, doet eeu hap en pakt het goudstuk, dat hy doorslikt. De heer, die er juist zijn gelag mede wilde betalen, was dus zeer teleurgesteld. Hoe nu het edel metaal terug te bekomen? De kastelein op meerdere onbekende kunsttoeren van ons geldzuchtig doesje rekenende, waagde het den heer, op het geldstuk dat in zoo zonderlinge kast bewaard werd, terug te geven, na aftrek van het gelag. Does werd intusschen door zijn wakkeren baas op zolder gesloten. Na het toebereiden van eeu smakelijk purgeerend brokje, werd de hond alleen achtergelaten. Het middel werkte probalum; want de geldduivel had het geluk daags daarna van een volmaakten, helderkliukenden gouden Napoleon vei lost te worden. In het ütr. Dagbl. leest men: „Naar men verneemt, zal aanst. Zondag in het gebouw voor Kunsten en Wetensch. alhier, de jaarlijksche algemeene vergadering van den Ned. Typografen-Bond gehouden worden. Onder de verschillende punten, die aldaar ter tafel zullen worden gebracht, behooren voorstellen, om de wekelyksche uitkeering aan de niet-arbeidende leden van vijf op zes gulden te stellen, en om den Boud en corps by de internationale arbeiders-vereeniging te doen inschrijven. „Er zullen mede op die bijeenkomst afgevaardigden gekozen worden voor het in dit jaar te houden arbeiders-congres.” De bijdragen voor het vat. concilie, tot heden gestegen tot ƒ 34,709,02$ gingen vergezeld door deze ontboezeming uit Hazertswoude : „Ik had iets gewaagd, om er wat mee te winnen, Want de handel gaat slecht, en ’k moet wat zerzinnen Om mt: staande te houden en nog wat te geven, Aan onzsn beminden vader den paus Pius IX. ’t Gelukte mij niet best, maar toch is ’t nog wat: Carlo ƒ1,50, de helft van mijn gewonnen schat. Dit schenk ik u, o H. vader! omdat ik u bemin, Geef ons uw zegen, vooral aan ons kind 1” Het rijk der crinolines is uit, en toch zijn er nog lief hebsters die er aan hechten. Voor eenige dagen stapte een jongedochter van Peruwelz over de Fransehe grenzen zoodanig gecrinoliseerd, dat de onnoozele commiezen moesten gelooven, dat er iets onder schuilde, want de mode is immers uit. Het meisje werd dus verzocht hare kooi uittetrekken, en het onderzoek bracht de tegenwoordigheid van 24 kilo’s Belgischen tabak aan het licht, die in het rond aan het reeptoestel opgehangen waren! * Door den burgemeester van Hillegersberg is aangehouden een geldstuk van ƒ 2,50, dat alle kenteekenen bezit van valsch te zijn. Het is zeer slordig vervaardigd, terwijl, naar de kleur te oordeelen, het hoofdbestanddeel, waaruit het werd samengesteld, lood moet zijn. Het randschrift: „God zij met ons” ontbreekt geheel en al, het Rijks-wapen is ruw en flauw, en de rand zeer ongelijk. De beeltenis van Z. M Willem III, waarvan het voorzien is, gelijkt niet bijzonder, is daarbij mat en op den hals geteekend met twee opgewerkte sterren, iets dat bij dergelijke echte munt niet valt op te merken. Vele letters zijn ook onleesbaar. Dit muntsuk werd onder meer aan een ingezetene dier gemeente ter betaling gegeven. Het is met een proces-verbaal, waarbij een en ander wordt geconstateerd, toegezonden aan den officier van justitie bij de rechtbank te Rotterdam. In de zitting van den hoogen raad (kamer van strafzaken) werd o. a. heden behandeld het beroep in cassatie van J. * van Gog, tegen een arrest van het Hof in Noord-Holland, waarbij hij tot een jaar eenzame opsluiting is veroordeeld wegens het afleggen van een valsche getuigenis in een boetstraffelijke zaak ten voordeele van een beklaagde. Mr. Ph. A. Haas, van Amsterdam, trad voor dezen requirant op, en heeft een middel van cassatie voorgedragen en uitvoerig toegelicht, bestaande in schending of verkeerde toepassing van art. 362 C. P. en concludeerde ten slotte tot ontslag van rechtsvervolging. Mr. Romer zal den 22sten dezer Eijne conclusie nemen. Het Staatsblad bevat: lo de wet van 3 Maart 1870, houdende goedkeuring der acte betrekkelijk den afstand van rijksgrond aan den Reigersbergschen polder; 2o ’t besluit van 8 Maart 1870, houdende schorsing der besluiten van den gemeente* raad van Kampen, dd. 4 Februari j.1. betrekkelijk het beheer van het herv. armenweeshuis en het reglement voor het R. K. weeshuis aldaar; 8o ’t besluit van 3 Maart 1870, tot nadere regeling der kosten van schatting, telling, herziening, sommatie, beteekening enz., ingevolge art. 49 der wet, houdende de belasting op het personeel, van 29 Maart 1888. By kon. besl. zijn lo eenige mutatiën gebracht in de Id.d. schutterij; 2o pensioenen verleend aan: Aananus van ueu Corput, gewezen hoofdonderwijzer te Galder, gemeente Gin- neken en Bavel, ten bedrage van ƒ 233 ’sjaars; Cornelis Jongeboer Schaap, eervol ontslagen hoofdonderwijzer te Hoorn, gemeente Terschelling, ten bedrage van ƒ 248 ’sjaars; Harmen Marsman, gewezen hoofdonderwijzer te Elen en Rhaan, gemeente Hellendoorn, ten bedrage van ƒ129 ’sjaars; Jan Frederik Lam, gewezen hoofdonderwijzer te Odijk, ten bedrage 1 van ƒ266 ’sjaars; Jean Etienne Antoine Heuman, gewezen hulponderwijzer te Yenlo, ten bedrage van ƒ 227 ’sjaars; Willem ten Zijthoff, gewezen hulponderwijzer te Katwijk, ten bedrage van ƒ114 ’sjaars; Lambert Klaas, volgens acte van bekendheid genaamd Lambert Kuijers, gewezen hoofdonderwijzer te Breklenkamp, gemeente Dcnekamp, ten bedrage van ƒ220 ’s jaars; Jan ter Horst, gewezen hulponderwijzer te Rijssen, ten bedrage van ƒ 99 ’sjaars; is 8o aan den heer G. E. Westerman, directeur van het Koninklijk Zoölogisch Genootschap Natura Artis ilagütra, te Amsterdam, vergunning ’ verleend tot het aannemen en dragen der versierselen van F ridder 1ste klasse der orde van Philips den Grootmoedige, hem door Z. K. H. den groothertog van Hessen geschonken; is 4o aan J. Nieukerk, te Utrecht, H. E. X. Böhm, te Amsterdam, en J. Sloots, te Geldrop, vergunning verleend tot het aannemen en dragen van het kruis Fidei et Virtuti, hun door Z, H. den paus geschonken; is 5o de heer Arnold Jacob erkend en toegelaten als vice-consul van Zweden en Noorwegen te Samarang; is 6o benoemd tot rechter in de arrondissements rechtbank te Nijmegen, mr. P. van Bemmelen, thans rechter in de arrondissements-rechtbank te Alkmaar; is 7o benoemd tot rechter-plaatsvervanger in de arrondissementsrechtbank te Heerenveen, mr. S. Sleeswijk, procureur bij die rechtbank; is 8o benoemd tot plaatsvervangend kantonrechter te Zevenaar, Z. J. G. de Both, notaris aldaar; is 8o. jhr. mr. H. P. van Karnebeek, op zijn verzoek, eervol ontslagen uit zijne betrekking van referendaris-rechtsgeleerde bij het departement van oorlog, en zulks ingaande met den lOden dezer, en 9o. benoemd bij het departement van oorlog, tot adjunct-commies de schrijver der le klasse H. P. van der Borght. Onlangs overleed het hoofd van de familie Ayado, een vermogen van ongeveer vier-en-vijftig millioen gulden nalatende.0 Toen het hoofd der familie Rothschild dit vernam, riep hij met een medelijdend schouderophalen uit: „Slechts vier-en-vijftig millioen gulden! Ik dacht altijd, dat de arme schelm er nog al goed in zat. Uit Philippine wordt gemeld, dat er vooïfcitzicht bestaat van gebrek aan mossels. Zij schijnen zich vastgehecht te hebben aan de ijsschollen, die bij vorst door de eb in de Schelde werden gebracht en bij vloed overal werden verspreid. Het mosselzaad is daardoor voor een groot gedeelte vernietigd. Daar de uitvoer nog al aanzienlijk is en een 400,000 tal tonnen beloopt, is deze omstandigheid niet zonder gewicht. Alleen te Parijs bedraagt het debiet omtrent 30,000 ton. ---