NDIAANSCHE HELDENNMOED. In den tijd, dat de Franschen nog het tegenwoordige öanada in bezit hadden, moesten ze menigmaal oorlog voeren tegen Indiaansche stammen» Onder deze stammen waren de Irokeezen de heftigste vijanden van Frankrijk. Enkele Indianenstammen hadden zich aan de Franschen onderworpen, en hielpen nu met dezen hunne broeders de Roodhuiden bestrijden. Eens werd een Irokeezen-stam door de Franschen, met behulp van Indianen, verslagen, en het Opperhoofd, een bijna honderdjarige grijsaard,' gevangen genomen. > i „Doet met hem, wat gij wilt,” sprak de aanvoerder tot de hulpbenden der Indianen, en thans was de oude' man «an de uitgezochtste martelingen overgegeven. Hg verdroeg ze echter alle zonder eenige klacht te laten hooren, en verweet hun, dat ze lafaards waren en stoven der Franschen. ' Deze verwaten maakten een jongen Indiaan zoo woedend, dat hij zijn mes den grijsaard diep in de borst stak. • De dappere Irakees voelde, dat de wonde doodelijk was en zeide nu: „Je hebt onverstandig gedaan, jong mensch. Je had* me met zulk eene doodelijke .wonde moeten toebrengen, dan zoudt ge mg nog meer, martelingen hebben kunnen pandoen, en ge hadt meer tijd gehad dm nu, om te zien, hoe een jrtfg> weet ie sterven.” \ m tw* het mes uit de wond, smeet het fflSM verachtelijk gebaar neer, zeeg \nem ea mp dood. , A /•--■(Of—1 --- DOET ZIJN ZON OPGAAN OVER BOOZEN EN GOEDEN. Grote en lueeea waren overbuurmeisjes in het dorpje in de bergen. BOun ouders moesten hard werken , en dan verdienden ze nog maar ternauwernood de kost.. Hun Meertjes waren armoedig, wat hun vneeseMjik speet, want ze waren graag netjes en hun kennisjes hadden ’b Zondags soms zulke heldere blousjes of jurkjes aan. De vader van Grote bad echter een buitenkansje gehad en had nu voor Giete een paar nieuwe schoenen en een nieuwe jurk gekocht., 1 LWat was ze blij 1 Direct liep ze naar haar vriendin Ldesel toe om aan deze de heerlijke schatten te toonen en te vertellen hoe zij ze morgen zou aantrekken, bij het gaan naar de kerk» Maar Liesel sprongen de tranen in de oogen, toen zij die heerlijkheden zag en daciht aan haar eigen oude plunje. Hoe ze ook wilde — ze kon niet blij zijn met Grete. i .Wat had. Ldesql een verdriet gehad, toen Grete weg was, en ze nog eens haar eigen orde schoenen bekeken had. Vroeger waren ze zeker bruin geweest, maar nu kon je er geen kleur meer aan ontdekken ■ en bijna alle knoopjes ontbraken en haar teenen sta■ i ken door de gaten voor in de schoenen. J \ I T«hnt op de oude loapofcfco ecboeneui sou f ze moi^en naar cLe kerk moeten wandetetn, naast Grete in da heldér-ros© jurk en de schoenen met veters en glimmende koperen nestels. „Dat kon niet, dat kon niet !’’ Toen zag ze dat Grete de nieuwe schoenen buiten neerzette op de bank onder ’t afdakje naast de andere schoenen van vader en moeder en van baar broer Sepp. Eh als Sepp straks thuis, kwam uit het dorp met het brood voor den Zondag, zou hij alle schoenen gaan poetsen en borstelen, tot ze glommen en die van Grete zouden nog mooier worden. Grete was weer naar binnen gegaan, zeker om koffie te zetten, want haar moeder hielp Zaterdags schoonmaken in ’t'hotel. Liesel keek altijd maar naar de schoenen, al die schoenen; op ’t hoekje^ die van Grete, ze kon van de trap van haar huis, -waarop ze zat, de koperen nestels zien glimmen. Toen kwam er een zeer slechte gedachte in Liesel’s hoofdje. En ze stond plotseling op, keek om zich heen, sloop naar ’t andere huisje» pakte Grete’s schoenen en liep er zoo hard ze kon mee terug. Ze durfde, er niet naar te (kijken, maar ze vloog er mee naar het donkere gieitenstalletje en verstopte ze daar diep, diep in ’t hooi, dat al was verzameld voor wintervoor raad voor de geit. Toen ze- ’t gedaan- had, klopte alles aan haar, haar polsen, haar keeltje, baar hoofd, haar hart; alles hamerde zoo hand, dat ze moeite had gewoon te spreken. En in haar bed bleef ze héél lang met groote open pogen liggen kijken en toen ze,insliep, was ze zoo onrustig, dat ze telkens met een schrik rechtop zat en haar zusje boos werd, omdat ze dan aan de dunne deken trok en haar ook wakker maakte. En ’s morgens durfde ze heelemaal ■ ifliet naar Grete’s huis, en ze had aldoor een bang en schrikachtig gevoel. Grete kwam haar afhalen voor de kerk; ze zag er bedroefd uit en ze had oude, héél dikwijls verstelde schoenen aan. Ze vertelde Liesel dadelijk, dat ze de nieuwe schoenen gisteren onder ’t afdakje gezet had en toen Sepp kwam om ze te poetsen, waren ze weg geweest. Niemand had1 ze gezien en niemand had ze gevonden; ze hadden wel een uur gezocht. „Misschien,’- zei Liesel met een vuurroode kleur, „misschien heeft, de geit ze opgegeten. ” Ze zei ’t zoo zacht, dat'Grete vragen moest: „Wat zeg je?” „De geit misschien,” zei Lièèel en durfde niet ópkijken. Maar Grete schudde haar hoofd. „De geit was met Hans op de wei en de geit is veel te oud om schoenen te eten/’ Toen liepen ze zwijgend verder en ze hadden zulke , treurige ^ gedachten, dat ze geen van beiden iets zagen van de vroolijk stralende zon , en ’t schitterende beekje, de dansende bijen en vlinders en.de duizenden roode, - witte, gele en paarse bloemen langs den weg. In de kerk was ’t koel en donker na den langen zonnige weg. Ze kropen in een van de hooge banken, maar Liesel boorde niets van ’t voorgebed en ook niets van ’t eerste gezang. De dominé, sloeg den grooten bij bel op en las: „God doet Zijn zon opgaan over boozen en goeden”... Liesel luisterde niet verder, want bij ongeluk trapte ze tegen .GrateTs voet en toen bon z»o iveer rbergeins moer aan nemen dan aan. «jhoemen —- nieuwe schoenen, die verstopt waren onder ’t hooi en ze begreep nu pas hoe vreeselijk ’t was wat ze gedaan had; ze had de schoenen van Grete gestolen en toen had ze de leugen bedacht van de geit. ü, L’t was vreeselijk zoo slecht te zijn, zoo slecht tusschen al die menschen in te zitten en nergens anders aan te kunnen denken. Dominé, had het juast over de boozen en de goeden! Altijd, altijd bleven de nare gedachten, op den terugweg en in ’t dal, toen ze ’s middags speelden op de berghelling. Ze kon heelemaal geen pleizier meer hebben en na ’t avondeten sloop ze stil van de anderen weg; ’t was nog beter alleen te zijn dan bij al die anderen, die zoo’n grooten pret hadden bij ‘’t spel. Ze Hom de glooiing, achter de huisjes, op en ze keek naar ’t dal en naar de hoornen aan den overkant, waarvan de toppen nu verlicht waren door de avondzon. En daar achter, zoo groot en rustig, de gouden wolken die zacht voort dreven langs den lichten hemel. En de ondergaande zon, die al lager, al lager zonk. Wat had de dominé óofc weer gezegd over de zon? Ze bedacht» hef zich opeens : , ,God doet Zijn zon opgaan over boozen en goeden”, ‘’t Was ’t' eenige wat ze gehoord had'van ochtend. Nu deed God de zon ondergaan, maar morgen — morgen ochtend heel vroeg zou God Zijn zon doen opgaan over — boozen en goeden, over al. die menschen in de groote wereld, de goede menschen en de booze menschen. Ze, wist niet wie ze waren, al die goede menschen, ze wist alleen van één klein boos menschje, dat alléén zat boven op den berg, dat gestolen had en gelogen omdat ze jaloersoh Was op haar vriendinnetje en dat noodt meer pleizier zou hebben, omdat hef altijd moest denken aan al dat slechte. En morgen zou de zon, Gods stralende zon weer opgaan over zooveel goede menschen en ook over ’t kleine slechte meisje. Toen verborg ze haar. hoofdje in ’t lange gras en ze snikte over haar eigen slecht heid. De zon zonk steeds- lager en iedere minuut was ze dichter bij den morgen — den morgen dat ze weer op zou gaan over boozen en goeden. Die boozen, daar hoorde... ook zij bij! En toch zou God haar morgen zijn gouden zon weer geven! Wat was God goed! En zij... Toen hief bet Heine meisje haar hoofdje op en ze keek naar Gods zon, haar al ’t stralende zonnegoud, dat lag over de hoornen en over ’t dal, al dat reine zonnegoud langs den "wijden, wij1 den hemel. 0, morgen moest het een andere dag zijn, het mocht niet, dat al die zonnepr^cbb morgen op zou gaan over een meisje dat zooveel slechtheid in haar hart had. En op eens stond ze op en liep op een drafje den berg af. Toen Grete een half uur later moe van spelen op de berghelling thuis kwam, vond ze op de bank onder ’t afdak haar eigen nieuwe schoenen met de sterke veters en de blinkende koperen nestels. C. M. v.H.-G. -o— --- IE SLIMME BLINDE. Een ijverig vuurwerkmaker, die zeer kunètiee stukken vervaardigen kon, was eens 'txzz&g aan eene zon van vuurwerk, ‘toen door de eene of andere onvoorzichtigheid een weinig kruit ontplofte. De vlam sloeg juist in zijne oogen en toen de dokter deze bekeken had, zeide hg: „Een slecht bericht^ man. Uwe oogen zijn voor altgd weg en ge zijt blind.” De arme man schrikte geweldig, doch' troostte er zich weldra mede, dat hg toch nog zijn brood verdienen kon met, het stemmen van muziek-instrumenten, het jJakken van doozen, het maken van Mnderspeelgoed, enz. Met dat alles verdiende hg voor ziclizelven en zgn gezim het brood, en de driehonderd rijks/daalders, die hg overgegaard had, behoefde hg niet aan te spreken en kon hg bewaren als een appeltje voor den dorst Spaarbanken had. men in di