Engeland en onze visscherij. Heden (Maandag) zou te IJmuiden een vergadering plaats hebben van de Vereeniging van Reeders van visschersvaartuigen aldaar, waarin de belangrijke kwestie betreffende de visscherijovereenkomst met Engeland zou behandeld worden. De Britsche overeenkomst waarover de besprekingen gevoerd zullen worden, komen naar onze berichtgever te IJmuiden verneemt, op het volgende neer: 1. Consenten voor vischuitvoer zullen uitsluitend worden afgegeven aan de leden der reeds gevestigde Coöperatieve , Vischafzetvereeniging, waartoe de reedersvereeniging dan zooveel mogelijk zou moeten zorgdragen. 2. De te verzenden Noordzeevisch, welke aangebracht is door de schepen onder controle der Vischafzetvereeniging, zal gedurende het tijdvak Sept.Oct. van dit jaar naar Duitschland niet meer dan zeven-dertiende van den geheelen aanvoer mogen zijn en de 2000 ton niet overschrijden. Ook de voor 1 November gevangen, doch nog niet uitgevoerde visch zal niet mogén worden uitgevoerd. 3. Geen schip mag na 31 Aug. ter haringvangst uitvaren. Met uitzondering voor de vangsten der schepen welke op 1 Sept. nog op de visscherij zouden zijn wordt geen bonus meer uitbetaald. Alle haring of producten daarvan gemaakt, welke na genoemden datum zullen worden aangevoerd, moeten uitsluitend in Nederland worden geconsumeerd of naar eene bestemming door de Britsche Regeering goedgevonden, worden uitgevoerd. Met ingang van 1 Sept. wordt het z.g. haringcontract opgeheven. De haring zal echter zooals thans reeds het geval is, onder contröle der Engelschen blijven. 4. Tot 31 Oct. 1917 zullen art. 7 en 11 van de trawlerovereenkomst aan dit contract worden toegevoegd.i 5. Teneinde dit contract na te komen zal de reedersvereeniging maatregelen treffen dat van de op heden stilliggende trawlloggers, 400 in aantal, niet meer aan de visscherij deelnemen en dat een verder aantal dezer schepen, 35% van het aantal der varende loggers uit de vaart zal worden genomen. Een deel der stoomtrawlervloot, niet minder dan 35 %, zal eveneens worden opgelegd. 6. 35 % van de thans nog varende t loggers zal (128), en hetzelfde percenr tage van de stoomtrawlers zal (75), van het vastgestel Je aantal omvatten. ; 7, Voor iederen stoomtrawler welke ; boven het bedoelde aantal van 75, en i iederen logger boven dit van 128, als i in art. 6 omschreven, zal door de Britsche Regeering resp. £ 200 en £ 70 - per maand worden uitbetaald, tot een j bedrag van £ 55.920 per maand. Van den toegestauen uitvoer van 2000 ton r visch naar Duitschland zal telkens een ï ton in mindering worden gebracht voor - elke £ 24, welke door de Engelsche 5 Regeering ingevolge dit art. wordt uitbetaald. , 8. De Bri » Caub . . 2.23 » 0.05 » val Keulen ... 2 09 » 0.05 » » Ruhrort. . . 1 17 » 0 09 » > --- SCHEEPVAARTBEWEGING. Van 9 Sept tot 16 %jpt. zijn volgens Q onze statistiek in den Nieuwen Water- Q weg aangekomen 37 schepen, waarvan j 6 zeilschepen, metende 21 445 netto reg. a tons, ee waarvan voor Zwijndrecht 1, a voor Delft 1, voor Raamsdonkveer 2 n en voor Rotterdam 33 schepen be- ^ stemd waren. a Sedert 1 Januari kwamen den t( Nieuwen Waterweg binnen 1200 schepen metende 1.043.924 netto reg. tons ^ tegen 2321 schepen, metende 2.365.402 netto reg. tons in dezelfde periode £ van verleden jaar, dus een vermindering van 1121 schepen en L321.478 netto reg. tons. ” * o Te IJmuiden kwamen in de af ge- s loopen week binnen : 8 stoomschepen, v 4 zeilschepen, - zeelichter, - bagger- b molen, - zeetjalk. - jachten, - d torpedobooten, - oorlogschepen, - v motorschoener, - motorschepen. e Vertrokken: 11 stoomschepen, - z zeilschip, 1 motorschip, - zeelichters, d - jachten, - oorlogschip, - torpedo- v booten, - zeetjalken, - baggermolen, - stoomhopper, - - motorschoener. b ———^^——■ n --- HOOGWATER 18 Sept. Middelb. tijd v. Amst. Ie getij 2e getij Vlissingen 2.17 v.m. 2.24 n.ir. Temeuzen .... 2.47 - 2 58 Brouwershaven. 3.11 * 3.30 * Hellevoetsluis. . 3.59 » 4.18 Hoek v. Holland. 3 08 » 3.32 Rotterdam.... 5.22 •< 5.19 « IJmuiden .... 4.04 » 4.23 « Oranjesluizen. . 2.04 * 2.21 « Helder (Marsd.). 4.51 » 4.54 Vlieland (haven) 9.36 * 9.55 Harlingen .... 10.31 » 1045 » Zoutkamp .... 11.11 « 11 39 « Delfzijl .... 0.19 0.22 » --- Schepenvorderingswet an wet op de Oorlogswinstbelasting. De Nederlandsche Reedersvereeniging heeft in een adres aan de ministers van landbouw en van financiën de aandacht gevestigd op de toekomst van onze handelsvloot. Het adres luidt: Inderdaad is onze vereeniging voor de toekomst met bezorgdheid vervuld. Het scheepvaartbedrijf is reeds in normale tijden, méér dan een ander, aan bizondere risico’s onderhevig Wij behoeven de geschiedenis der laatste 25 jaren niet op te halen om te laten zien, hoe groote schommelingen de resultaten van scheepvaartmaatschappijen plegen aan te wijzen. Brengen wij slechts in herinnering, hoe moeilijke tijden, nog betrekkelijk kort geleden, zelfs onze grootste ondernemingen, b.v. de Holland-Amerika Lijn, hebben doorgemaakt. Tengevolge van den oorlog hebben thans de Nederlandsche reederijen een paar voordeelige jaren gemaakt. Maar hoezeer dit voordeel zijn keerzijde heeft — onze vereeniging waarschuwde reeds een jaar geleden — gaat thans duidelijker aan den dag treden ; voor dengeen, wiens blik niet aan de oppervlakte blijft hangen, blijkt de toestand, die zich sinds einde 1916 heeft ontwikkeld en die voorgaat zich te ontwikkelen, aanleiding te geven tot buitengewoon ernstige bedenking Wij willen niet uitvoerig een vergelijking trekken tusschen hetgeen in andere neutrale landen de scheepvaart gedurende den oorlog heeft opgeleverd en hetgeen aan ons land ten deze is ten goede gekomen. Het jaarverslag 1916 van de Rotterdamsche Kamer van Koophandel behelst dienaangaande belangrijke gegevens. Zoo wordt ons verhaald (bladz. 231), dat het vracht- inkomen der Noorsche scheepvaart van 211 millioen Kronen in 1914, in 1915 steeg tot 600 millioen en in 1916 tot ruim een milliard Kronen; dat per bruto ton het vrachtmkomen bedroeg in 1909 65 Kr.; in 1913 88 Kr.; in 1915 239 Kr.; in 1916 361 Kr. Wij zijn op deze cijfers niet naijverig en weten, dat ze voor een goed deel gevolg zijn van een speculatiezin, welke gelukkig (al is dan ook de speculatie elders met gunstig finantieel gevolg bekroond geworden; ditmaal het Nederlandsche volk niet in die mate heeft bevangen als dat van andere neutrale landen. Nochtans, hoezeer men alle „speculatie” moge afkeuren, zoo blijft voor geen tegenspraak vatbaar, dat het hoofdzakelijk de verwachting winst-tezullen-maken is, die aandrijft tot het plaatsen van gelden in bepaalde ondernemingen en die mitsdien als economische hoofdfactor in onze samenleving wordt erkend. Aanteekening nu verdient hierbij, dat het scheepvaartbedrijf in menig opzicht in bizondere omstandigheid verkeert. Zijn het in den regel twee factoren, die de waarde van een aandeel in een handelsonderneming bepalen: de innerlijke waarde der participatie en de te verwachten winstuitkeering, zoo doet bij het scheepvaartbedrijf (als bij andere speculatieve bedrijven) de in de tweede plaats genoemde factor zich in bizondere mate gelden, méér dan voor een geleidelijk-normale en dus gezonde bedrijfsontwikkeling wenschelijk zou zijn. Stijgen de vrachten, zoo rijzen onmiddellijk dejnoteeringen derscheepvaart-aandeelen; een enkele ongunstige scheepstijding doet de marktwaarde onzer aandeelen in-zakken, üoewel toch het bezit der ondernemingen vóór en na hetzelfde bleef. Zoo valt ook te constateeren, dat ook de waarde onzer schepen zelf nauwer voeling houdt met stijging en daling der yrachten, dus met onmiddellijk te verwachten winst, of achteruitgang in verdienste, dan met het kapitaal in de onderneming belegd. Het gaat hier om een mee) of minder ingrijpenden invloed van den eenen factor op den ander; wij voeren een en ander slechts aan, zonder in verder gaande economische beschouwingen te treden, om de bizondere stelling van ons bedrijf, als van speculatieven aard, naar voren te brengen. Op de innerlijke versterking, op het behoud van onze bedrijven in de eerste plaats het oog houdende — in het algemeen trouwens hebben onze reederijen tijdens den oorlog deze financieele „politiek” gevolgd — zoo is het, dat wij voor de kapitaalspositie onzer ondernemingen uwe bizondere belangstelling vragen; voor hetgeen te verwachten is ten aanzien van nieuwe beschikbaarstelling van middelen voor de scheepvaart; voor een vergelijking van hetgeen ten onzent met hetgeen elders wordt wordt gedaan ter voorziening in het scheepvaartbedrijf na den oorlog; in het kort — voor de vooruitzichten onzer handelsvloot. Reeds nu staat wel vast, dat de bedrijfsresultaten onzer scheepvaartmaatschappijen over 1917 buitengewoon zullen achterstaan bij die over 1915 en 1916 Voor een tijdelijk neer-gaan der verdienste onzer maatschappijen zijn wij echter niet bevreesd; de innerlijke kracht onzer ondernemingen is voldoende om niet aanstonds te worden f ebroken, ook al mochten de dividenen teruggaan. Maar wij zijn van oordeel, dat men vérder moet zien, en zich niet enkel moet afvragen of de huidige financieele formatie der bestaande reederijen gezond is, maar óók of er genoegzame waarborg is, dat voor u tbreiding, althans voor handhaving onzer vloot voldoend kapitaal beschikbaar zal blijven. Er zijn reeds gevallen aanwijsbaar, dat aandeelhouders liever de gemaakte winst naar huis halen, dan ze in het wisselvallig bedrijf te laten. Mocht deze neiging veld winnen, onze handelsvloot zou er het slachtoffer van worden. Met niet minder nauwgezetheid dan de loop der vrachtenmarkt m andere landen, zal dan ook te volgen zijn hetgeen elders reeds wordt gedaan, of voorgenomen, met het oog op scheepvaartruimte na den oorlog. Frankrijk stelt frs. 160 millioen vooischot in uitzicht tot herstel der handelsvloot; Duitschland wil voor 1917 een bedrag van 300 millioen Mk. — op den duur meer dan 1.5 milliard Mk. aan subsidie voor de scheepvaart beschikbaar stellen (ontleend aan het hoofdartikel der Economische Statistische Berichten van 25 Juli 1917). Wij treden hier niet in beschouwingen over de vraag of het stelsel van rijkssubsidie, rijksvoorschotten, renteloos of niet, om een bedrijf te steunen, aanbeveling verdient. Maar wél ligt het o. i. zonder twijfel op den weg der regeèring: na te laten zoodanige maatregelen als waardoor belemmerd wordt, dat het bedrijf-zelf, uit eigen kracht, op peil blijve, zooals het belang der gemeenschap noodzakelijk zal vereischen. Wij zijn bevreesd, dat de tegenwoordige gang van zaken wél neiging in deze gewraakte richting vertoont. Ons bepalende tot de werking der wetten, in den aanvang van het request bizonderlijk genoemd, willen wij inet betrekking tot de Schepenvorderingswet constateeren, dat het (gelijk wij van den aanvang af hebben gevreesd) met den aankoop en aanbouw van schepen ter aanvulling onzer handelsvloot niet gaat, zooals moet worden gewenscht. Toen de Schepen-Uitvoer-Commissie aan onze vereeniging het verzoek deed onzi bemiddeling te verleenen, teneind. scheepsbouwmeesters, alvorens zij aan bieding n aan liet buitenland zoudei doen, in de gelegen heid te steller eerst dergelijke aanbiedingen aar Nederlandsche reeders voor te leggen hebben wij aanstonds ons bereic verklaard aan scheepsbouwers opgavt te doen van de reederijen, bij onz< vereeniging aangesloten, opdat rner zich met hen zouden verstaan To' nu toe heeft dit echter, voor zoovel onze vereeniging kan nagaan, eenig resultaat niet opgeleverd. Bij bespre' kingen nu, in onze vereeniging desweg« gehouden, is ons gebleken, dat hoofdoorzaak van dit verschijnsel moei worden gezocht in de bij onze leder . Bestaande onzekerheid, welke de toepassing der Schepenvorderingswet zal zijn voor schepen, die zij thans zouden willen koopen. Het is volkomen juist, dat nog in de Schepenvorderingswet is ingebracht de mogelijkheid, dat voor schepen, waarvoor na 1 Januari 1917 een zeebrief is uitsrereikt, wanneer zij worden opgevorderd, de vrachtberekening niet zal plaats vinden op den basis voor schepen van ouderen datum in de Schepenvorderingswet vervat. Maar wij moeten helaas constateeren, dat de enkele mogelijkheid van gunstiger bevrachtingsvoorwaarden, na de opgedane ondervindingen, niet voldoende is gebleken om den schroom te overwinnen groote kapitalen aan te wenden voor nieuwen aanbouw. Het is dan ook niet voor tegenspraak vatbaar, dat volgens de wet — al is het misschien niet bedoeld — zelfs de reeder, die thans voor buitengewoon hoogen prijs zich een schip verwerft, eraan bloot staat, gedwongen te worden voor een vracht, die met dien hoogen aankoopprijs niet of niet-voldoende rekening houdt. Zijn onze reederijen zoo voorzichtig den regel te volgen: in geval van twijfel zich te onthouden, zoo zoud n wij der regeering de vraag willen voorleggen of het niet op haar weg zou liggen dezen twijfel op te heffen, in het belang onzer vloot, door een duidelijke verklaring, tot welke wijze van vrachtberekening de regeering ten aanzien van schepen als de bedoelde bereid zou zijn. Alleen op die wijze zal de bestaande twijfel kunnen worden terzijde gesteld; zoolang ons de onzekerheid bedreigt, welke opvatting door de regeering — en bizonderlijk door de organen, met de uitvoering barer maatregelen belast — zal worden gevolgd, is te vreezen dat, tot groote schade van het gemeen belang, nieuwe aankoopen niet in voldoende mate zullen plaats hebben. Wij zeggen niet, dat met een regeeringsuiting, als d or ons verzocht, de zaak aanstonds in het rene zal zijn: er zijn nog verscheidene andere gezichtspunten, van waaruit het scheepsbouwvraagstulc zal zijn te bezien; de positie onzer scheepswerf en, de verwachtingen ten aanzien van den aanvoer van ijzer en andere materialen — het zijn onderwerpen, die ook de aandacht der regeering hebben. Voor zoover onze belangen hierbij zijn gemoeid, behouden wij ons vóór, op een en ander terug te komen. Voor thans wilden wij slechts gewagen van den remmenden invloed, dien de Schepenvorderingswet op plannen tot nieuwen aanbouw uitoefent. Onzekerheid ook, in groote mate, bestaat ten aanzien van de bedragen, waarover onze scheepvaartmaatschappijen voor nieuwen aanbouw of aankoop kunnen beschikken, in verband met de toepassing der Oorlogswinstbelastingwet. Dankbaar zijn wij den minister van financiën, die als zijn meening uitsprak, dat het bedrag, waarmede uitgekeerde assurantiepenningen, of vergoedingen van een vreemde mogendheid, de boekwaarden van te loor gegane schepen te boven gaan, niet mag worden beschouwd als oorlogswinst, voor zoover het surplus wordt aangewend tot vervanging der te loor gegane schepen. Edoch, ook bij de uitvoering der ministerieele aanschrijving op deze aangelegenheid betrekking hebbend, bleek ons, dat onzekerheid niet is uitgesloten. Zoo werd ten aanzien van een onzer leden het voornemen tot nieuwen aanbouw te zullen overgaan niet als voldoend-vaststaand aangenomen,'hoewel hij aanbood het bedrag der belasting over het door hem ontvangen surplus, totdat een bouwcontract zou zijn afgesloten, te deponeeren bij een bankinstelling ter keuze van den belastingambtenaar, onder beding, dat dit bedrag niet zou worden vrij gegeven dan met goedkeuring van den ambtenaar. Al verder bleek, dat een Raad yan Beroep met de ministerieele aanschrijving geen rekening houdt. Maar afgezien van dergelijk bizonder geval, blijkt ook verder de Wet op de Oorlogswinstbelasting 1916 onze reederijen voor groote onzekerheid en moeilijkheid stellen. Allereerst willen wij aanteekenen, dat bij teloorgaan van ee» schip — afgezien van daartegenover staande vergoedingen door assuradeuren of derden — onzeker worden geacht op welk bedrag het verlies door de betr. reederij geleden, moet worden aangenomen. Zou het meest rationeel zijn als verlies te laten gelden het bedrag der werkelijke waarde van het betr. schip, volgens taxatie door deskundigen ten tijde van het verlies, — in elk geval gaat het o.i. niet aan, de min of meer toevallige boekwaarde als uitgangspunt te nemen. Heeft een reederij vroeger meer dan normaal afgeschreven, zoo is het o. i. niet toelaatbaar, dat van dergelijke omstandigheid door den fiscus wordt geprofiteerd om het verlies geringer te stellen dan het feitelijk is. : Had indertijd de reederij in stede van : , af te schrijven op het schip een reserve• j fonds tot het bedrag der afschrijving i j gevormd, zoo zou,de de toepassing der i | wet door de betr. ambtenaren een i andere zijn geweest. Maar de O. W., belastingwet behoort toch piet te zijn een wet, die belasting heft op boeki houdingswijzen, inplaats van op oor: logswinstén. Wil nu eene reederij, die een schip heeft verloren, dit remplaceeren door een gelijksoortig, zoo rijst de vraag welke „afschrijving of reserve voor nieuwen aanbouw” moet worden toegelaten. Ons zou het billijk voorkomen, dat aanstonds op het nieuwe schip zou mogen worden afgeschreven tot de waarde, die het zóu hebben gehad in Juli 1914, terwijl, totdat een nieuw schip is verkregen, voorloopig vorming van een reservefonds zou moeten worden toegestaan. Alleen op die wijze komt de reederij .— zonder winst — in den vorigen toestand terug. Reeds genoeg verliest zij toch no