Dagteeken- en Knnstambachtsschool voor Meisjes. Vrijdag 25 September zal de Dagteeken- en Kunstambachtsschool voor meisjes, in de Gabriel Metsustraat geopend worden. Enkele dagen later begint dan de nieuwe cursus. Ter gelegenheid van de ingebruikneming van het nieuwe gebouw zal een tentoonstelling gehouden worden van werk, door de leerlingen vervaardigd. ’t Is hetzelfde werk dat ter gelegenheid van het internationaal congres voor teekenonderwijs te Londen werd geëxposeerd. --- Schotsche Zendingskerk. Reeds eenige tijd geleden deelden wij mede, dat er door verschillende personen pogingen in het werk werden gesteld om de Schotsche Zendingskerk, Amstel hoek Halvemaansteeg, te behouden. Deze pogingen zijn gelukt. Het gebouw werd aangekocht voor f 45,000. Thans is men bezig het gebouw te restaureeren, en zal het binnenkort in gebruik worden genomen. Het zal namelijk bestemd zijn voor de «Vereeniging onder Israël*. --- Nederiandsch Tooneel-Ensemble. Wij verwijzen onze lezers naar de advertentie tn dit blad, waarbij het Ned. Tooneel-Ensemble kennis geeft, dat in Gebouw »Plancius« opgevoerd zal worden »De Schelmen van Londen* --- Het gestolen paard. De politie heeft toch nog succes gehad met het paard, dat, zooals we gisteren meldden, ontvreemd werd, ten nadeele van den groenteboer J. G., aan de Marnixstraat, uit diens Btal aan den Middenweg, ondanks de stilzwijgendheid van mallen Martin. Ze slaagde erin, te Purmerend een harer bekenden, zekeren S., met een medeplichtige, nog in het bezit van paard en hoofdstel aan te houden. Ze zijn ter beschikking van de justitie gesteld en de groenteboer kreeg zijn paard terug. --- Brandseliade. Door den directeur van het expertise-bureau „Holland”, H. J. Hebert, wordt ons medegedeeld, dat hij, naar aanleiding van ingezonden stukken, een aanklacht heeft ingediend bij den officier van justitie tegen den heer J. Alderse Baes en de vijf onderteekenaren van bedoelde •tukken. --- Een zwerver. Vanmorgen zag een turfschipper bij den Westerdoksdijk een pet op den wal liggen. Vermoedend, dat een man te water lag, keek hij oplettend rond en zag weldra een man drijven. Met eenige moeite werd de drenkeling, die reeds bewusteloos was op het droge gebracht en aan de havenpolitie overgegeven, die er in slaagde de levensgeesten op te wekken. De man, — vermoedelijk een zwerver — werd daarna per brancard naar het Gasthuis overgebracht. --- De zwarte- en witte lijst Zwarte lijst. A. Door de navolgende slijters is als volle melk verkocht melk, niet voldoende aan matige eischen voor volle melk te stellen. De cijfers voor vet bedroegen bij de genoemde respectievelijk: 2.75; 2.65; 2.29; 1.32; 2.30; 2.70; 2.64. ’t Minimum cijfer is gesteld op 2.85. Witte 1 ij s t. B. Door de navolgende slijters, wonende in de omgeving der in A genoemde, is als volle melk verkocht melk, wel voldoende aan matige eischen voor volle melk te stellen. XXXVI. J. S. Eyking, Ruysdaelstraat 75. XXXVII. W. de Rijk, N. Looiersstraat 78. XXXVIII. J. van der Marei, Van Ostadestraat 350. XXXIX. A. Jonker, Kastanjeweg 36. XL ƒ Wed. S. Jonas, 2e V. Swindenstr. 69. tj. Nagel, » 55. XLI. G. de Mey, Dusartstraat 43. XLII. E. J. I. Sickman, Ferd. Bolstraat 105. XXXVI. P. Koomen, Ruysdaelstraat 11. XXXVII. S. van Kooy, N. Looiersstr. 118. XXXVIII. P. Koning, V. Ostadestr. 368. XXXIX. J. H. Komijn, Iepenweg 60. XL. P. G. v. Klooster, 2e v.Swindenstr. 29. XLI. P. Koopmans, Dusartstraat 56. XLII. N. Kieft Nzn. Ferdin. Bolstr. 160. --- Gevonden voorwerpen. Aan het bureau van politie, Muiderpoort, is op alle werkdagen tusschen 9—12 en 1—3 uur inlichting te bekomen omtrent de navolgende — tusschen 4—14 Sept. jl. — gevonden voorwerpen: een colbertjas, een papier met eenige centen, een postduif, een tien rittenboekje, een damesparapluie, vijf bankbiljetten, een bril in étui, een ijzeren koevoet, een koperen armband en een Schotsche herdershond. --- De oneerbare uitstalling als gevaar voor de jeugd. I. Door het lid van den gemeenteraad mr. De Vries is voorgesteld, in de Algemeene Politieverordening op te nemen een artikel, luidende: „Het is verboden, afbeeldingen, teekeningen of geschriften, die geschikt zijn om de zinnelijkheid van de jeugd te prikkelen, ten toon te stellen op zulk eene plaats, dat zij van den openbaren weg zichtbaar zijn of op voor het publiek toegankelijke plaatsen ten dienste van openbare middelen van vervoer.” De algemeene strekking van dit artikel is natuurlijk, bescherining van de jeugd tegen den verderflijken invloed van pornografische en soortgelijke uitstallingen; de meer bijzondere bedoeling — blijkens de toelichting —, die bescherming juist daar van kracht te doen zijn, waar het gevaar het grootst is, onafhankelijk van den wil en buiten de schuld van de ouders en de kinderen zelf, namelijk op de straat, waar de jeugd voortdurend moet vertoeven, en op stations en dergelijke, waar ook kinderen hoofdzakelijk komen, omdat zij er m o et e n zijn. Vóór wij dit voorstel iets nader bekijken, een woord over het tentoonstellen hier te lande van oneerbare producten in het algemeen, en de strafrechtelijke maatregelen daartegen. Dat het openlijk aanprijzen van geschriften en het te kijk leggen van afbeeldingen enz., die in meerdere of mindere mate het zedelijkheidsgevoel kwetsen, hier te lande welig tiert, kan voor niemand een geheim zijn. Niet slechts in de groote steden, waar uiteraard het moreele leven aan veelvuldiger aanranding bloot staat dan op het platteland, maar waar dan ook de bedoelde uitstalling een hoogtepunt van cynische brutaliteit heeft bereikt, doch evenzeer in kleinere plaatsen en op dorpen liggen voor de ramen van de boekwinkels allerlei werkjes te koop, die ln de handen van onvolwass'enen een zeer nadeelige uitwerking kunnen hebben. Ook de tegenwoordige manie der prentbriefkaarten, die in den vorm van aardigheden dikwijls uiterst platte voorstellingen bevatten, werkt mede, om het peil der openbare zedelijkheid onzer dagen te verlagen. In meerdere of mindere mate, schreven wij hierboven. Daarop leggen wij intusschen bijzonderen nadruk. Verreweg het meerendeel toch van die afbeeldingen enz., bedoelen geen positief zedelooze voorstelling te behandelen, geen uitsluitend zedelooze onderwerpen, niet, omdat ook dergelijk vuil niet wordt vervaardigd en verhandeld — sommige bij de jeugd bekende zaakjes in achterbuurten getuigen dat wel anders! —, maar omdat het openlijk aanprijzen daarvan valt onder de termen van art. 240 Wetb. van Strafrecht: „Hij, die eenige voor de eerbaarheid aanstootelijke afbeelding, of vliegend blaadje, waarvan hij den inhoud kent, verspreidt, openlijk ten toon stelt, aanslaat, of ter verspreiding in voorraad heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden, of geldboete, van ten hoogste driehonderd gulden”. In den regel liggen de geschriften enz., die wij hier bedoelen, op de grens van het beslist immoreele, en gaat de eigenlijke strekking schuil onder een air van wetenschappelijkheid, of wel, onder het schijnbaaronschuldlge waas van dartelen humor, welke omhullingen vaak met zooveel handigheid en zooveel kennis van de grens der strafrechtelijke bepaling worden aangebracht, dat het zoo goed ais onmogelijk is, met beslistheid te zeggen, of de eigenlijke strekking eene bepaalde onzedelijkheid is, dan wel eene wat men noemt „gewaagde” aardigheid. Ziedaar dan ook eene der redenen, waarom de strafrechter zoo zelden ten deze optreedt, zoo zelden eene veroordeeling uitspreeit, waar do geheele niet-rechtsgeleerde wereld een veroordeelend vonnis verwacht. De strafrechter mag zijn vonnis niet baseeren op eén meer of minder. Het doel der voorstelling moet wel bepaald zijn: aanstoot te geven, de eerbaarheid te kwetsen. En nu is er een wel subtiel, maar toch onloochenbaar onderscheid tusschen het aan den man brengen van „gewaagde” scherts en het geven van aanstoot. Het opdisschen b.v. van eene anecdote met eene onzedelijke strekking, maar met het onschuldige, lachende gezicht van iemand, die alleen de geestigheid op het oog heeft, heeft, tien tegen één, eene geheele andere uitwerking dan wanneer de anecdote zóó wordt voorgedragen, dat de toehoorder bemerkt, dat voornamelijk bedoeld wordt, hem de leelijke point te doen gevoelen. In dit laatste schuilt eene beleediging, en wel deze, dat vooruit aangenomen wordt, dat ’t kieschheidsgevoel van den toehoorder zoo geaard is, of zóó weinig verfijnd, dat hij ook lachen zal om eene anecdote, zelfs al is ze nog zoo laag van strekking. En daarop, op dat beleedigen van ’t kieschheidsgevoel, komt het aan voor den rechter; d^t is het geven van aanstoot, ’twelk hij als onontbee.rlijke basis voor zijn vcroordeelend vonnis noodig heeft. Dit, wat betreft de eigenlijke pornografie,, waarvan de handel meest wordt gedreven in haif-obscure winkels, die echter ook aan de hoofdstraten zijn gelegen. Maar ook op een geheel ander en veel grooter terrein staat de rechter in den regel machteloos. Dat is het breede, veld van de afbeeldingen en geschriften, die een artistieke of wetenschappelijke waarde hebben,en welker openbare uitstalling voor het zedelijke leven van sommige personen toch gevaarlijk kan zijn. Zoo hebben de z.g. anatomische atlassen, uitvouwbare plaatwerken waarin het „geheele” menschelijke lichaam wordt gedemonstreerd, wel degelijk als middel van aanschouwelijk onderwijs waarde, maar de openbare uitstalling van dat fraais is voor de jeugd volstrekt niet zonder gevaar. Dat laatste geldt zelfs van sommige werken met eene ontwijfelbaar hoogstaande wetenschappelijke beteekenis, werken, waarvan het gewoon bespottelijk zou zijn, te onderstellen, dat de schrijver ook min edele bedoelingen had. Wie zal dé hóoge artistieke waarde ontkennen van Zola’s „Nana”? Maar wie zal he.t ook in eenigen ouder misbillijken, als hij met ergernis gadeslaat, hoe de werken van den grooten meester zijnen kinderen, ook door den geringen prijs, worden opgedrongen, zooals ze daar bij de bekende titels opengeslagen te kijk liggen? Zoo liggen de voorbeelden voor het grijpen, niet het minst ook op het terrein der beeldende kunst. Welke rechter zal echter durven en kunnen beslissen, tot welke categorie kunstproducten van dit genre behooren: tot de onzedelijke in een artistiek kleed, of tot de kunstvolle met eene zedelooze strekking? De een ziet in die scheppingen kunstgewrochten, voor den ander zijn ze eenvoudig aanslagen op de publieke eerbaarheid. Volgens welken maatstaf moet de rechter uitmaken, wie van beiden gelijk heeft? Behalve echter deze wettelijke machteloosheid, vraagt nog een gewichtig feit de aandacht. En dat feit is het handelsbelang van die uitstalling. Dat belang wordt voortdurend te veel uit het oog verloren. Men behandelt dit onderwerp geregeld uitsluitend met het oog op hen,wier kieschheidsgevoel wordt gekwetst,zonder er zich veel over te bekommeren, dat voor den handel de uitstalling slechts een aanprijzingsmiddel is. Dat geldt ook voor de. eigenlijke pornografie, hoe weinig men hier van een eerlijk handelsbelang kan spreken, ’t ls echter een feit, dat het er ook den handelaar in de onzedelijkste producten niet om te doen is, bij de jeugd of bij wie ook, slechte gedachten wakker te roepen. Hij wil koope.rs lokken, net zoo goed als de magazijnhouder uit de voorname straat met zijne kunstschatten. Voor den geheelen handel is de uitstalling, ook al wekt ze nog zooveel rechtmatige ergernis, middel slechts, en geen doel. Dit verandert aan het bedenkelijke van den toestand nu wel niet, maar het leert iets. Het wijst er op, dat de fond der zaak dieper ligt dan in het enkele tentoonstellen. En wel in de begeerte van het publiek, om zich die voorwerpen aan te schaffen. Ook hier is de handelaar slechts de tusschenpersoon, de dienaar van de begeerte der menigte. In den laatsten tijd heeft men nogal eens de voorstelling vernomen, dat, wanneer maar eenmaal de uitstalling verboden was, de verkoop ook spoedig van de baan zou zijn. Een schoone, maar absoluut onjuiste theorie. De waarheid leert, dat de begeerte er nu eenmaal is, dat de handel er duB moet zijn, en dat de uitstalling een der eerste factoren is tot den bloei van den handel. In deze omstandigheid ligt dan ook de verklaring van de geringe medewerking, van den tegenstand, van de. zijde der winkeliers, die zich met een glimlach ö. la Mephistopheles, op het publiek kunnen beroepen. Zij geeft ook de verklaring van de betrekkelijke onvruchtbaarheid van elk werken op dit gebied, ook van dat van mr. De Vries. Uiterlijk wordt aan de zaak iets verbeterd, innerlijk blijft zij in haar volle verderflijke kracht. En die uiterlijke verbetering is ook nog relatief; de memschelijke geest, en vooral de geest der reclame, is vindingrijk genoeg, om voor de uitstalling een ander, en misschien nog effectvoiler aanprijzingsmlddel ln de plaats te stellen. Resumeerend, kunnen wij dus zeggen, dat de rechter tegenover de geheeld oneerbare uitstalling zoo goed als machteloos staat, tenminste ander de werking der wet, zooals zij thans luidt, en dat, zoolang de „smaak” van de groote menigte geen zuiveringsproces heeft ondergaan, de handel de uitstalling onmogelijk kan missen, en men zich dus hij het in toepassing brengen van belemmerende bepalingen op een heftigen en langdurigen tegenstand moet voorbereiden. --- Van het Loo. Binnenlandse!) Nieuws. Men meldt ons uit Apeldoorn d.d. 17 Sept.: Z.. K. H. Prins Hendrik vertrok hedenavond, vergezeld van zijn adjudant, naar Den Haag. De D-trein was 30 minuten te laat. In Victoria met hofjager kwam Z. K. H. aan het station Apeldoorn en begaf zich terstond naar het tweede perron, waar hij een oogenblik bleef wachten op den trein. Zooals bekend, zal Z. K. H. morgen ter jacht gaan en Zaterdag den eersten steen leggen te IJmuiden. ’s Avonds keert Z. IC. H. te 11 uur hier terug. H. M. de Koningin-Moeder wordt reeds Zaterdag weer hier verwacht. --- Banken voor den middenstand. De regeering meent dat met geldelijke bijdragen in de kosten van oprichting van banken voor den Middenstand nog niet het laatste woord op dit gebied gesproken is, en na overleg met het bestuur van den Nederlandschen Bond van Vereenigingen voor den Handeldrijvenden en Industrieelen Middenstand gelegenheid behoort te bestaan, om, behalve door het toekennen van subsidies in de kosten van oprichting van banken, ook op andere wijze een betere regeling van het kredietwezen van dein middenstand te bevorderen. Daarom bestaat het plan om, aanvankelijk bij wijze van proef, een of meer personen te belasten met het verstrekken van voorlichting op het gebied van het credietwezen, en, waar gelang dit noodig en mogelijk zal blijken, ook omtrent andere vraagstukken den Middenstand betreffende, bijv. de organisatie en de inrichting van het bedrijf, zoo op comptabel als technisch gebied. Teneinde proefnemingen in deze richting mogelijk te maken is.liet bedrag op f 8000 gebracht. --- Rijksverzekerfngsbank Men meldt aan de „N. R. Ct.”: De Rijksverzekeringsbank te Amsterdam zal, bij wijze van proef, decentralisatie-bureaux oprichten in Friesland, Groningen, Drente en Rotterdam. Het bestuur der bank is reeds begonnen met het organiseeren van de administratie voor de te vestigen bureaux. Dat te Rotterdam zal vermoedelijk in het voorjaar 1909 gereed zijn en diensten van circa 150 ambtenaren en beambten vorderen. --- Nederland en Venezuela. Onder verwijzing naar het Reuter-telegram over de organisatie van een vreemdelingenlegioen voor Venezuela, door zekeren Joubert, deelen we het volgende mede, uit de „NewYork Herald”: Met het oog op een mogelijken oorlog tusschen Nederland en Venezuela, worden in de Vereenigde Staten lieden aangeworven, die bestemd zijn, op te treden voor geheime diensten in Venezuela, in het belang van Nederland, tot het oogenblik, dat de vijandelijkheden uitbreken, waarna genoemde lieden de leiding zullen nemen van een „vreemdelingenlegioen”, dat zal hebben te strijden tegen Castro. Door P. P. Joubert, die in het Astor-Hotel, te New-York, Is afgestapt, werd de juistheid van dat bericht bevestigd. Onder den naam Fisher, plaatste hij de volgende advertentie ln de „New-York Herald”: Op avonturen-beluste jonge Amerikanen worden verzocht, mij te melden, of ze bereid zijn naar een tropisch gewest te gaan, in dienst van een onderneming, waaraan nogal gevaren verbonden zijn. Verlangd worden welgeschapen jonge lieden, berekend voor den militairen dienst en uit goede familie enz. De „New-York Herald” publiceert den volgenden brief, ontvangen als antwoord op een schrijven aan den steller der advertentie. Waarde heer! In antwoord op uw schrijven deelen we u mede, dat we gaarne zoo spoedig mogelijk een ontmoeting met u zonden hebben. Ons plan is hoogst eenvoudig. Mr. P. P. Joubert, Astor-Hotel, ls de Fisher van de advertentie. Hij is een oud-Boerenstrijder, die in relatie staat met rijke Holiandsche heeren, wier doel is, in Amerika lieden aan te werven voor den strijd ln Venezuela. Deze lieden moeten van groote geestkracht en moed zijn en zullen over heel Venezuela worden verspreid, met het doel zich op de hoogte te stellen r zieken bleven regelmatig naar school gaan, en mogelijk heeft bij tusschenpoozen een enkele zieke zelf, zoodra die wat beter scheen, de school óók bezocht. Kans op verbreiding der infectie was dus groot. Toch is bij slechts 430 schoolgaande kinderen — verdeeld over 211 der 403 scholen — roodvonk geconstateerd, en dat op een totaal van meer dan 10.700, dus een buitengewoon gering percentage zieken, verdeeld over een buitengewoon hoog percentage scholen. Ware de school de groote verbreldster ▼an infectie, dan zouden er meer gevallen hebben moeten zijn, verdeeld over minder scholen. Natuurlijk is het in hoofdzaak aan de velerlei maatregelen tot desinfectie en evacuatie, door den goed georganiseerden gezondheidsdienst toegepast, te danken, dat de besmetting bij de verschillende infectieziekten binnen zoo enge grenzen beperkt bleef. Al het mogelijke wordt gedaan, om uitbreiding te voorkomen. Is b.v. een typhoïdlijder melkslijter, dan wordt allereerst de patiënt naar ’t gasthuis vervoerd,wordt de aanwezige melk opgekocht en vernietigd, de vaten gedesinfecteerd. Voortdurend wordt er nauwgezet notitie van genomen, waar een ge| val van typhoïd voorkomt, van wien de lijder melk betrekt, enz. En zoodoende is ’t zelfs voorgekomen, dat bij ziektegevallen, waar de diagnose moeilijk te stellen was, vanwege den gezondheidsdienst de arts gewezen werd op de waarschijnlijkheid, dat er typhoïd in ’t spel was. Een aantal typhoïdgevallen, in eenzelfde buurt, waar men melk gebruikte van eenzelfden slijter, had de directie van den gezondheidsdienst tot haar vermoeden geleid, en zij bleek tevens juist te hebben geoordeeld. Gezien den uitnemend ingerichten informatiedienst, waarover te beschikken valt — van alle zijden worden inlichtingen verstrekt —, 't isoleeren van patiënten, vooral hatend bij eerste gevallen, desinfectie van woning, meubilair, kleeding, kan Amsterdam gerust zijn en behoeft ’t geenszins te vreezen voor ’t ontstaan van ernstige epidemieën, zooals die vroeger geheerscht hebben. Dit uitdrukkelijk te verklaren, schijnt ons niet overbodig, gezien de bijna onzinnige angst van velen, die b.v. dadelijk een epidemie verwachten van Genickstarre, zoodra zich een enkel geval heeft voorgedaan — welk laatste trouwens sinds jaren ’t geval is. Geneeskundige en gezondheidsdienst, beide deel der medische politie, werken bij de bestrijding van besmettelijke ziekten met de meeste harmonie samen. Een tweetal feiten uit den met zoo goed gevolg aangebonden strijd tegen infectieziekten willen we nog memoreeren, ten einde te bewijzen, hoe consciëntieus die strijd gevoerd wordt, met welke buitengewone volharding, en... hoe men, trots dit al, soms voor bijna onoverkomelijke moeilijkheden komt te staan. Zoo werd b.v. op 2 Juli roodvonk geconstateerd bij een inwonend en een uitwonend kind van een gesticht, waar ongeveer 200 kinderen inwonen en bovendien een 400-tal uitwonende kinderen onderwijs ontvangen. In een kort tijdsverloop kwamen verscheidene roodvonkgevallen onder de inwonende kinderen voor. Dadelijk werd toén de school gesloten, ’t bezoeken van de inwonende kinderen aan hun familie verboden, de zieken naar gasthuizen vervoerd; schoollokalen, groote slaapzaal, kleine eetzaal en eenige andere vertrekken werden ontsmet en in de overige vertrekken de „groote schoonmaak” gehouden, waarbij alle muren en plafonds gewit en de vloeren met ’n cresolzeepoplossing werden afgewasschen. Aitemaal maatregelen, die een verder verbreiden der ziekte noodzakelijk stuiten moéten, zou men zoo denken. En, inderdaad, 2% maand lang deden zich geen nieuwe roodvonk-gevalien voor. Helaas, op 14 Oct. waren er weer twee. De laatste drie weken hadden de patiënten geen bezoeken in de stad afgelegd, zoodat ze niet dóór geïnfecteerd konden zijn geworden. En de herstelde kinderen van de eerste infectieperiode waren reeds een week of zes in ’t gesticht terug. Op 25 Oct. weer 3 patiënten en op 3 Dec. nog een. Vanwaar nu de infectie? Bij ’t baden der kinderen werd volle aandacht gewijd aan zich voordoende ontvellingen bij kinderen, die van roodvonk hersteld waren. Van dezen zou besmetting kénnen uilgaan. Werkelijk werden bij een kind, dat tijdens de eerste infectie-periode aan roodvonk lijdende was geweest, geringe verveningen geconstateerd 1 an beide beenen... en de hiervoren genoemde patiënt van 3 Dec. verkeerde op de slaapzaal in de onmiddellijke nabijheid van ’t kind, bij wie de verveningen bestonden. De gevolgtrekking zal ieder duidelijk zijn. Belangwekkender nog zijn de ondervindingen, opgedaan bij maatregelen bij een diphtherie-infeotie onder kinderen van een particuliere school. In Oct. 1906 veertien dagen na elkaar twee gevallen; in Dec. op cirie elkaar volgende dagen drie gevallen. Op 13 Dec, werd de school gesloten, en gedurende 14 dagen gedesinfecteerd: 11 lokalen, gangen, portalen, privaten, schoolmeubelen en leermiddelen. Op 3 Jan. 1307 werd de school heropend; op 28 Jan. waren er drie nieuwe gevallen. Opnieuw Bluitiag der school, van 1 Febr. tot 4 Maart. Nogmaals algeheele desinfectie. Alle boeken en papieren uit de klassen, waar zich gevallen hadden voorgedaan, werden vernietigd, die uit de andere klassen ontsmet. Aan de ouders werd verzocht de bovenkleeren, waarin de leerlingen hadden schoolgegaan, te laten ontsmetten. Kinderen uit besmet geweest zijnde gezinnen konden eerst terugkeeren na overlegging van een verklaring, afgegeven door den huisarts, waaruit bleek, dat er na bacteriologisch onderzoek geen gevaar voor besmetting meer bestond. De vloeren der school werden gestopt en geolied, en de gemeenschappelijke drinkwaterkroezen vervangen door een „purira”-drinkwaterfontein. Ten overvloede, uit overmaat van voorzichtigheid, werd het geheele persom-el der school bacteriologisch onderzocht. Twee onderwijzeressen bleken „bacilien-draagsters”, d.w.z., ze waren zelf gezond, doch in de keelholte werden dipht.herie-bacillen gevonden. Deze twee werden nu van de school uitgesloten, wijl zij infectie zouden kénnen ver-orzaken. En nóg had men het pleit niet gewonnen. Na heropening der school op 4 Maart kwamen er op 18 en 27 Maart weer twee diphtherie<-gevallen voor. Na al wat gedaan was voor de desinfectie en de verbetering van het gebouw, lag ’t voor de hand, thans in de oer.rie plaats te denken aan een contact-infectie, hetzij uitgaanJ* van het personeel, hetzïi van de kinderen. Bij onderzoek bleek, dat één der patiëntje* in ’1 tusschen-uur thuis was opgepast door de zuster van een der bovenbedoelde „bacilien-draagsters”. Die zuster zelf bleek evenwel vrij van diphtherie-bacillen te zijn. Opnieuw achtte me» ’t nu noodzakelijk een bacteriologisch onderzoek in te stellen bij élle kinderen uit de klasse, waar zich de laatste gevallen hadden voorgedaan, en nogmaals bij het geheele personeel. Inmiddels bleef de school gesloten. Bij dit onderzoek, dat bij twijfel herhaald werd, werden bij één (gezond) der 33 kinderen en bij nog ééne der (eveneens gezonde) onderwijzeressen dier klasse diphtheriebacillen gevonden. Ook deze bacilien-draagsters werden niet tot de school toegelatcn. Denkt men er nu aan, dat deze beiden dagelijks verkeerden in de klasse, waar de twee laatste gevallen zich voordeden, dan ligt ’t vermoeden voor de hand, dat zij ’t waren, die de besmetting hebben verbreid. In de andere klassen, waar geen bacillendrager» waren, bleken na 27 Jan. geen nieuwe gevallen te zijn voorgekomen. En na ’t verwijderen der bewuste bovenbedoelde bacilien-draagsters uit de laagste» klasse kwam nü 27 Maart onder de leerlingen dier klasse evenmin diphtherie meer voor. Is dit einde niet een mooie belooning voor al de volharding en inspanning, voortdurend getoond, en dat, terwijl de omstandigheden er toe schenen te leiden MIe aangewende pogingen vruchteloos te doen zijn? Achteraf is ’t gemakkelijk te zeggen: men had dit moeteji doen en om dat moeten denken — wie aldus redeneert, heeft blijkbaar niet ’t minste begrip van den ernst der moeilijkheden, waarvoor men soms komt te staan. Alles lijkt bij wijlen een chaos, nergens is eenig lichtpunt; overal moet gezocht en allerlei pogingen aangewend. Trota fille voorzorgen, blijkt later één enkel nietig puntje aan de aandacht ontsnapt te zijn, en juist daarvan wist de ziekte gebruik te maken. Dan evenwel: ook hiér een betrappen, gevolgd door overmeestering van ’t kwaad. Een Inderdaad welverdiend succes! Ié. BüCKMANN* ---