Land- en Zeemacht De kapt. T. B. J. Bremer, van het 3e rog. inf. te Bergen-op-Zoom, is afgekenrd voor den dienst, en zal dezen met pensioen verlaten. Dele lnit. kwartiermeester 0.-I. leger J. F. Eichholtz, wiens verlof naar Europa met 6 maanden werd verlengd, is bevorderd tot kapitein. De off. van gez. 2e kl. dr. J. D. Koster, van het 2e reg. veld-art. alhier, sedert 1 Oct. jl. gedetacheerd te Amsterdam tot het volgen vaneen curene inde chirnrgie bjj de nniversiteit aldaar keert onder eervolle ontheffing van die detaoheering op 21 Dec. a.s. bij zjjn korps terug. Zooals reeds gemeld, wordt dr. Koster eerstdaags bevorderd tot off. van gez. le kl. De 2e luit. M. G. Labrée, van het 5e reg. inf. te Utrecht, is voor een maand gedetacheerd te Woerden. Het vertrek van Hr. Mr. „Evertsen” en „Piet Hein” uit het Nieuwediep naar zee tot het houden vaneen proeftocht, is, naar men verneemt, vastgesteld op 5 December a.s. Aan den adjud.-onderofficier J. Yan Dillewjjn, van de Kon. Mil. Academie te Breda, is de zilveren medaille voor 24-jarigen trouwen dienst toegekend, welk eereteeken hem den lln dezer zal worden uitgereikt. --- ONDERWIJS. Hooger Onderwijs. Examens. Utrecht. Cand,-ex. theol. II: C. J. F. Hopster. Bevorderd te Utrecht tot doctor inde geneeskunde, met proefschrift: „Over Reflexen van de Hartekamer op het Hart van Rana”, de heer L. J. J. Muskens, geb. te Mook. Bevorderd tot doctor inde rechtswetenschap aan de Rjjks-Universiteit te Leiden de heer J. A. N. Esche, geb, te Plantoengan (Java), met „Stellingen”. Tot privaat docent in physische scheikunde aan de Universiteit van Amsterdam is toegelaten dr. E. Cohen, aldaar. B(j het Prov. Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen zjjn ingekomen vjjf prijsverhandelingen, ter beantwoording van vraag 9 van het programma van 1894 en van elke der vragen 11, 18, 18 en 21 van dit van 1895. Zjj zjjn geteekend met de kenspreuken: „Vederemo”,„Over-Al-Thniis" „Denk nooit aan Betje Wolff of denk aan Aagje Deken”, „Gratius ex ipso fonte bibunter aquae” en „Tont savoir c’est tont pardonner”. Middslbxas Owduswijs. Bg beschikking van den Minister van Binnenl. Zaken is, met ingang van 1 Januari 1897, benoemd tot opzichter bjj het bacteriologisch laboratorium aan de Polytechnische School te Delft L. J. Kokee, thans amannensis aan het RjjkslandbouwproefstatiGn te Groningen, en is hem met ingang van denzelfden datum eervol ontslag verleend uit laatstgenoemde betrekking. --- Lager Onderwijs. Benoemd tot onderwijzer aan de R.-K. school te Dnistervoorde Biesterbos, te Eist; tot hoofd van de bewaarschool der Nederl. Herv. gemeente te Dordrecht mej. G. M. De Klerk, aldaar. De heer H. Feitsma te Bolnes vierde gisteren zijn 40-jarig jubileum als hoofd der openbare school aldaar. Hjj ontving vele gelnkwenschen en geschenken. Te Assen heeft zich een commissie gevormd tot oprichting vaneen Fröbelschool. --- Teeken-akte-examens L. O. Rotterdam, 1 Dec. Geëxamineerd 6 cand. Geslaagd de heeren: W. C. Lafeber, te Leiden; J, H. Lasonder, te Rotterdam; P. Van Leenwen, te Haastrecht, en J. J. Lingeler, te Rotterdam. --- KERKNIEUWS. Nud. Herv. Kurk. Beroepen naar ’s Heerenhosk G. Smit, cand. te Utrecht; naar Beekbergen (toez.) dr. G. Veilenga te Kootwijk; naar Wirdum (toez.) B. T. Mossel, cand., te Groningen; naar Goïngarpp A. Rodenborg, cand, te Jutrjjp. Te Oene (G.) is overleden, 62 jaar oudj de heer D. T. Meinsma, pred. der Herv. gemeente aldaar. Ev. Luth. Kerk. Beroepen naar Zieriksee J. K. Knuttel, vroeger pred. in Ned.-Indië. Gir. Kbbkb». Bedankt voor Rumoerend M. Keulemans te Schoonhoven (kerk B). --- STATEN-GENERAAL. EERSTE KAMER. Avondvergadering van Dinsdag 1 Dec., De Voorzitter opent te 8| uur de vergadering en deelt mede, dat zijn ingekomen de geloofsbrieven van de nieuwgekozen leden de heeren mr. J. W. Van der Biesen, Noord-Brabant,, en mr. C. J. Sickesz, Noord-Holland. Gesteld in handen eener commissie van onderzoek, bestaande uit de heeren F. Van Nispen, Kist en Engelberts. De heer Van Nispen brengt, nadat de vergadering voor eenige oogenblikken is geschorst, namens deze commissie verslag uit, concludeerende tot toelating van beide nieuwgekozen leden. De heeren Vander Biesen en Sickesz, door den griffier inde vergaderzaal binnengeleid, leggen in handen van den Voorzitter, daartoe bij Kon. besluit gemachtigd, de gevorderde eeden af, waarna zij zitting nemen. Ingekomen een kennisgeving van het overlijden van mr. P. J. A. Smits, inleven lid der Kamer. De Voorzitter zegt ongeveer het volgende: Mijne Heeren! Vele jaren hebben wij het geluk gehad den ontslapene in ons midden te hebben. Zijn degelijke kunde en trouwe plichtsbetrachting maakten hem tot een verdienstelijk lid dezer Kamer. Zijn bescheidenheid en aangename omgang deden hem algemeen hoogachten, in het bijzonder door zijn medeleden dezer vergadering. Zijn onverwacht heengaan betreurende, zullen wij zijn nagedachtenis in blijvende herinnering houden. Voorts ingekomen het bericht van overlijden van mr. E. J. J. B. Cremers, Min. van Staat, lid dezer Kamer. De Voorzitter zegt: Op welsprekende wijze is reeds door mijn hooggeachten ambtgenoot inde Tweede Kamer naar waarheid gezegd, wat de ontslapene voor land en maatschappij is geweest. Ik zal dit niet herhalen. Wij, aan wie gedurende de laatste jaren het voorrecht vergund was met hem als lid dezer vergadering samen tel werken, wij waardeeren zijn bekwaamheid en ijver, zijn vastheid van karakter, zijn trouw aan beginselen. Noode zullen wjj hem missen. Zijn nagedachtenis zal bij ons in eere blijven. Moge de Almachtige zijn diepbedroelden betrekkingen de kracht schenken om het onherstelbaar Terlies met berusting te dragen. Beide berichten zijn beantwoord met brieven van rouwbeklag. De Voorzitter deed daarna mededeeling van onderscheiden bjj de Kamer ingekomen missives, stukken, boekwerken, adressen en de laatstelijk door de Tweede Kamer ingekomen wetsontwerpen. Deze laatste zijn verzonden naar de afdeelingen. De Kamer is hierop gescheiden vermoedeljjk tot Vrijdag a.s. TWEEDE KAMER. Vergadering van Woensdag 2 Dec. DeVoorzitter opent te 1,30 uur de vergadering. Aan de orde is de voortzetting der beraadslaging over de --- Staatsbegrooting voor 1897. en wel over Hoofdstuk H (Hooge Colleges van Staat en Kabinet der Koningin). Zonder discussie of stemming aangenomen. (Eindcijfer ƒ673.887). In behandeling komt Hoofdstuk 111, Depart. van Buitenl. Zaken. De heer VanKarnobeek bespreekt de zaai van de „Doelwijk”. In enkele dagen zal het prijsgerecht uitspraak doen. Wordt het schip vrijgegeven, dan is de zaak uit. Maar in het tegenovergesteld geval wijst hij op het groot nationaal belang, dat er bjj betrokken is. Het geldt hier de vraag der bescherming van onze neutrale vlag in oorlogstijd Er was hier een schip, dat tussehen twee neutrale havens vervoerde en nu moeten er al zeer sterke bewijzen zijn, om te beweren, dat het oorlogscontrabande vervoerde. Spr. wijst ook op het groot belang voor onze reederijen en spr. betoogt, dat in elk geval, zooals de zaken zich hebben toegedragen, het schip behoort te worden vrijgegeven, al is de lading terecht in beslag genomen. Die leer heeft ook het congres voor volkenrecht, dit jaar in Italië bijeengekomen, omhelsd. Niet om het speciale belang van deze zaak, maar om het grooter algemeen belang heeft de Reg. er voor te waken, dat in deze volledig recht tegenover ons geschiede. Inde tweede plaats behandelt spr. de Duitsehe verzekeringswetten, waaraan z.i. de Ned. Rijnschepen ten onrechte worden onderworpen, temeer omdat de verzekering in casu niet het beoogde doel bereikt. De verwijzing naar de Duitsehe bevoegde macht is het te biecht zenden der belanghebbenden bij den duivel. Het geldt hier een extra-belasting op de scheepvaart, een voor het doel nutteloozen, maar voor het bedrijf schadelijkendruk op de Nederlandsche Rijnvaart. De Reg. zegt, dat wij bij een eventueels verzekeringswet ook dergelijke bepalingen kunnen maken, maar liever dan deze represaille zou spr. wenschen, dat elk land, wat de ongeval-verzekeringen voor werklieden betreft, vrij bleef om de zaak voor zichzelf te regelen, zonder anderen er in te betrekken. Spr. dringt er op aan, da,t de Reg. de zaak niet uit het oog verlieze; goed voorgelicht zal de Duitsehe Reg. geen onbillijkheid bljjven eischen. De heer Borgesius wil niets afdingen op de gisteren aan den Min. van Buitenl. Zaken gebrachte hulde, Heel de Kamer deelt daarin en het Yoorl. Verslag der Kamer getuigt er van. Spr. komt nader op de zaak der Duitsehe verzekeringswetten, ten opzichte van onze Rijnschippers terug. Het „Reichsversicherungsamt” heeft in deze uitspraak gedaan; daarmee is z.i. de zaak voor de Duitsehe Reg. beslist Toch is deze quaestie er niet uit mee. Er zijn uu wijzigingen van de verzekeringswetten bij den Duitschen Rijksdag aanhangig en spr. had zeker verwacht, dat de Duitsehe, door onze Reg. voorgelicht, ook op dit punt verandering zou hebben voorgesteld. Vooral op drt punt moet verandering komen, dat men gedwongen wordt te betalen, maar geen uitkeering krijgt op grond, dat de verzekerden hier te lande gevestigd zijn. Dat is een stuitend onrecht Wordt Oostenrijk op gelijke wijze behandeld, dan werke men met de Reg. van dat Rijk samen, om opheffing van grieven te verkrijgen. Vrij algemeen is af gekeurd het gebeurde te Konstantinopel, het niet-intrekken van het verlof van den gezant tijdens de troebelen. De Min. had moeten erkennen, dat het beter geweest ware! als de gezant op zijn post ware gebleven of teruggekeerd, maar in plaats daarvan wil de Min. niet toegeven verkeerd te hebben gehandeld en hij schijnt voornemens aldus te bljjven handelen. Spr. is niet bevredigd. De meeste grieven zijn voldoende weerlegd, maar niet die wegens het nietterugkeeren van don gezant De Min. zegt: er zijn meer gezanten, die afwezig waren, maar dat is geen grond voor ons om ook verkeerd te handelen. In elk geval hadden dia gezanten plaatsvervangers, die geschikt waren. De terugroeping van den gezant op zijn post achtte de Min. onnoodig, omdat de Tnrksche troepen in twee dagen de orde reeds hadden hersteld; dit is feitelijk onjuist; dagen lang werden, nog Armeniërs mishandeld en vermoord; eerst na de vartoogen van de gezanten, die wel op hun post waren, hielden de gruwelen op. De Min. wachtte bljjkbaar op nadere berichten of het goed ging en of er geen Ned. belangen werden bedreigd. Dat was gewaagd. Indien het misgeloopen ware, «on niemand ’s Min. houding hebben verdedigd. Ais de Min, de aanwezigheid van des garant overbodig achtte, dan geeft hjj onze diplomatie een brevet van overbodigheid zelfs in moeiljjke tjjdem. De aanwezigheid van den gezant hier was niet noodig. Door het gebeurde is de lust der Kamer, om tot uitbreiding der diplomatie mee te werken, zeker niet grooter geworden. De heer Mutsaers wijst op de onbehoorlijke wjjxe waarop men een handeslagent, den heer Pinas, aan de Duitsche grens heeft bejegend. Spr. dringt op onderzoek en op voorkoming van dergelijke schandalen aan; te Herzogenrath door commiezen aangehouden, werd hij naar Aken gebracht en daar opgesloten, des nachts, in gezelschap van twee boerven; spr. vraagt wat de Min. heeft gedaan om herhaling van dergeljjke feiten te voorkomen. De heer HesselinkvanSnchtelen wijst op de moeilijkheden, die inden laatsten tjjd aan Nederlanders in Duitschland ondervonden, door den eisch, dat zij hier te lande hebben voldaan aan den werkelijken militaire dienst. Kunnen zij die bewijzen niet overleggen dan moeten zij öf Duitschland verlaten, öf zich als puitschers laten naturaliseeren, gelijk dan ook velen inde Rijnprovinciën en Westphalen doen. Zij worden dan onderworpen aan den militairen dienst; hier te lande terugkeerende, zijn ze vreemdelingen, zonder aanspraak oo hulp. Deze en meer dergelijke feiten wijzen op de onwelwillende, bijna inhumane behandeling die Nederlanders in Duitschland ondervinden. Spr. herinnert aan de belemmeringen van invoer van ons vee, van onze zuivelproducten, op de moeilijkheden die onze grensbewoners ondervinden. Spr. hoopt, dat de berichten oniuist, overdreven zijn en dat (wat hij zou toejuichen) de militie-dwang alleen wordt opgelegd aan hen die ons land verlieten om zich er aan te onttrekken. De Min. verklare wat er van deze berichten waar is en blijkt van vexatoire maatrgelen, dan wake de Min. daartegen. De heer Van Alphen erkent, dat wjj weinig te geven hebben; wjj vragen ook weinig. Waartoe dan onze diplomatie? Spr. wil ze toch behouden, mits ze Jan invloed uitoefene. En nn heeft zij niet kunnen verkrijgen in 20 jaren wat ons bij tractaat is verzekerd, de aansluiting van het kanaal Almelo—Nordhorn. Spr. zou verlangen, dat onze diplomatie ons een betere aansluiting wist te bezorgen met de sneltreinen van Amsterdam en Rotterdam naar Berlijn, Bremen, Hamburg. Er is geen onkunde hier in ’t spel, maar eigenbelang, medebrengende de goederen zoolang mogelijk op de Duitsche lijnen te houden. De heer Bahl ma n n spreekt, naar aanleiding van het consulair verslag van onzen consul te Kaapstad, den wenseh nit om de drie kruisers „Holland”, „Zeeland en ..Friesland”, die in 1897 gereed komen om naar Indië te vertrekken, den weg niet te doen nemen door het Suezkanaal, maar om de Kaap. De heer Staalman bespreekt de vraag welk nut de gezanten in ’t algemeen hebben, in verhouding tot de enorme kosten van dezen „vrolijk levenden vriendenschaar”. Het gebeurde te Konstantinopel heeft spr. opnieuw bewezen, dat onze diplomatie een weelde is, die hoe eer hoe beter moet verdwijnen. Onze gezant had ’t voorbeeld van velen zijner collega’s gevolgd en was met verlof gegaan toen er dag aan dag eenige gruwelen voorkwamen. De familiën der gezanten waren weg. Alleen de drogman bleef op zijn post en kreeg een wacht om te voorkomen, dat de Armeniërs, Grieken en Korden in ’t gezantschapsgebouw elkander niet in het haar vlogen. We konden het best met den drogman alleen stellen. Of we moesten het verstandige voorbeeld volgen van de Transvalere, die op zeer goedkoope en toch zoo uitstekende wijze zich door éen bekwaam man bjj alle Europeescho hoven doen vertegenwoordigen. Spr. acht de uitgaven voor onze gezanten weggeworpen geld en hij zal dan ook daartegen door zijn item protesteeren. De Min. vanßuit Zaken dankt de heeren Borgesius en HesseUnk voor hun welwillende woorden. Hij komt het eerst tot het onderwerp van eigenlijke eritiek: het gebeurde te Konstantinopel. Toegegeven is, dat de Min. op drie van de vier punten de grieven heeft weerlegd. Wat deze punten betreft doelt de Min. nog mede, dat de vlag des land» op den jaardag der Koningin van het gezantschap was uitgestoken. Of de Min. er zonder afkeuring zou zijn af gekomen, zoo de gevolgen niet gunstig waren geweest, is een moeilijk te bespreken vraag. Men moet de feiten naar de gevolgen booordeelen. Dat andere gezanten ook afwezig waren, pleit de Beg. niet vrij, zegt men. Andere gezanten waren goed vervangen. Maar dat erkent men ook van hem. die onzen gezant verving. De troebelen duurden voort. Maarde Reg. had daartegen niets te doen zjj had alleen de Nederlandsche belangen te beschermen. Zelfs al ware de gezant dadelijk vertrokken, dan nog zon hjj voor dat doel te laat zjjn gekomen. Is de diplomatie door het gebeurde overbodig geworkeu? België heeft in 1848 de diplomatie af geschaft en in 1851 werd zij hersteld; thans heeft België het talrjjkste corps diplomatique van de kleine Staten. In Zwitserland heeft men consuls niet lang geleden door diplomaten vervangen. Met voorbeelden toont de Min. aan, dat onze diplomatie wel degeljjk resultaten heeft bereikt, vóór anderen ; zoo te Konstantinopel waar vergoeding werd verkregen wegens lange jaren aan onze stoomschepen gedaan onrecht; zoo in Spanje, waar men bjj een afzonderlijke wet, ons land, zonder tractaat van de meestbegunstigde natie, ons met anderen heeft geljjk gesteld. Is net ook zonder beteekenis, dat onze naam is verbonden aan de bjjeenxoeping van het eerste congres voor internationaal privaatrecht? De Min. kan niet toegeven, dat het geld voor onze diplomatie is weggeworpen. Over de „Doelwjjk” kan en mag de Min. zich niet uitlaten. Del Reg. is geroepen onze vlag en onze reederjjen te beschermen; maar alleen voor zoover zij bescherming eischen naar de regelen van het volkenrecht. En nn zjjn er drie theoriën voor gevallen als het besprokene ; minder juist is het te meenen, dat de conferentie te Venetië de theorie heeft aanvaard, die de heer v. Kamebeek verdedigt In elk geval de Reg. kan niets toezeggen. Spr. zal handelen naar hetgeen het recht en ons belang ook in overzeesche gewesten vorderen. De zaak der Duitsche verzekeringswetten op onze Rijnvaart toegepast. De Iteg. heeft de zaak bij de Rijnvaart-commissie ter sprake gebracht. Te vergeefs. Ligt daarin nu een aanleiding om de Rijnvaartacte op te geven? Keen, daarvoor zijnde gronden niet voldoende ; bij de scheepvaartacte is alleen aan eigenlijke scheepvaartrechten gedacht, niet aan andere heffingen. Dat de uitspraken van het „Reichsversicherungsamt’' ~entgfiltig” zijn doet aan de onpartijdigheid niets af; ook de Duitsche Reg. zou aan haar beslissingen onderworpen zijn. De onbillijkheid der niet-uitkeering aan vreemdelingen erkent de Min. en het verheugt hem te kunnen mededeelen, dat er uitzicht bestaat, dat deze bepalingen althans ten deele zullen worden veranderd. Deßeg. zal zich daarbij niet neerleggen. Zij zal trachten meer tei verkrijgen. Indien de feiten door den heer Mutsaers gereleveerd waar zijn, kan er niet in worden berust. De gezant te Berlijn'is tot een zeer nauwkeurig onderzoek uitgenoodigd. De houding van Duitschland' tegenover Nederland is weinig tegemoet komend genoemd; ten aanzien van ’t veevervoer is dat eenigszins waar, maar ’t verbod van invoer van vleesch in sommige Duitsche, Kreisen is toch op- onze klachten ingetrokken. De klachten van Nederlanders in Duitschland, waarvan de heer Hesselink sprak, zijn zeer zeldzaam. Inden regel wordt in Duitschland alleen bewijs van Nederlanderschap gevorderd ; alleen zij die gevaarlijk worden geacht, worden uitgezet en dat is een recht van de Duitsche, gelijk van elke Reg. in eigen kring. Yan ’t vragen van bewijs van vervulling van militieplicht is nog niets gebleken ; dit punt wordt evenwel onderzocht. Het kanaal" Almelo—Nordhorn blijft het onderwerp van voortdurend overleg; aan onze diplomatie is echter het onuitgevoerd blijven van dit tractaat niet te wijten. Aan de bevordering van betere aansluiting aan de Duitsche sneltreinen zal de Reg. waar ’t pas geeft, haar aandacht schenken. De Min. zal het verzoek van den heer Bahlmann aan zijn ambtgenoot voor Marine overbrengen; de belangen van den dienst zullen echter inde eerste plaats moeten wegen. , j Na replieken van de heeren Borgesius, die wat de verzekerings-quaestie betreft voldaan zal zijn als men, bij betaling slechts recht op uitkeering verkrijgt, en die zich omtrent de afwezigheid van den gezant te Konstantinopel niet bevredigd verklaart; VanKarn eb e e k, die ook in ons eigen belang, met ’t oog op het Oosten, de handhaving der nieuwere leer, dat, zelfs als de lading wordt verbeurd verklaard, het schip vrjj is, verdedigt en die in zake de verzekering blijft pleiten voor zelfstandigheid van regeling voor elk land op zichzelf; Staalman, die de resultaten van onze diplomatie niet in verhouding blijft achten tot de groots uitgaven die er voor gedaan worden; en nadat de Mi nister de sprekers nog kortelijk had beantwoord, wijst de heer Z ij p op ’t bericht, dat de Fransche grens voor ons vee is gesloten. De schade zou zeer groot zijn. Is het feit waar? Wat heeft de Reg. dan gedaan om te vernemen of dit ’t gevolg is van invoer van besmet vee uit ons land en zoo ja, wie de schuldige daaraan is? De Minister verklaart, dat hij onmiddellijk toen ’t feit hem bekend werd onzen gezant per telegraaf onderzoek heeft gelast; deze heeft den consul-generaal er mede in kennis gesteld en ’t onderzoek is in gang. De Min. kan echter verzekeren, dat zoodra het mond- en klauwzeer uit onß land zal zijn geweken, de Fransche grens weder voor ons vee zal worden open gesteld. De discußfde wordt gesloten. Artt. I—l worden goedgekeurd. De heer VanKorneboek komt, na een vergelijking tusechem da tractememten van sommige gezanten en consuls die reep. 8 4 16 en 124 18 mille genieten op tegen d« dwalina. dat btaKÜdigde uoaxal* vqor caze belangen beter zijn dan. diplomatieke agenten. De opleiding der diplomaten is, roor de handelsbelangen niet minder, voor andere belangen beter dan die der consuls en ei- is dus geen grond toot een lagere bezoldiging. Dat alle diplomaten door eigen fortuin minder traktement zouden behoeven, is ook niet juist en geen grond voor lagere bezoldiging. Morgen te 11 uur voortzetting. --- Staatsbegrooting. Oorlog. Memorie van Antwoord. De Minister verklaart, dat het eindcijfer der* begrooting door hem zoo laag gehouden is als hem slechte eenigszins mogelijk was en komt er tegen op, dat de Reg. tegen een opdrijving van da oorlogsnitgaven niet opziet. Omtrent schadeloosstelling aan ouders van dienstplichtigen is de Minister nog niet tot een besluit gekomen. Een wetsontwerp wordt aangekondigd. waarbij de rechtspositie van het reservekader wordt geregeld. Voorshands komen maatregelen tot een scheiding der vesting- en bereden artillerie desh Min. niet wensehelijk voor. Ook is de Minister nog niet overtuigd van de wenschelijkheid van samensmelting der officierskaders van het leger h. t. 1. en van het Indische leger. Een nieuwe, in allo opzichten bevredigende regeling betrekkeliik de traktementen der subalterne officieren acht de Min. hoogst bezwaarlijk Aangaande het wangedrag van enkele officieren, o. a., bij het bekende geval van verzet tegen de politie te Amsterdam, merkt de Minister op, dat, waar omtrent deze zaak geen advies werd gevraagd vaneen raad van onderzoek, of er termen waren, om die officieren uit den dienst te ontslaan, daaruit mag worden afgeleid, dat er naar het gevoelen van den Minister geen termen waren te veronderstellen, dat zij onwaardig zijn langer als officier te dienen. De Minister kan niet beoordeelen de gegrondheid van den twijfel, dat niet al de bedoelde officieren gerechtelijk vervolgd zouden zijn. De Minister oordeelt nog steeds, dat het vloeken onder de militairen in omvang afneemt. Omtrent het dragen van wapenen buiten dienst blijft do Minister van gevoelen, dat het niet wenschelijk is den soldaten het recht te ontzeggen buiten dienst hun wapenen te dragen. De Min. kan niet toegeven, dat door werkzaamheden van militairen inde burgermaatschappij een onbillijke concurrentie zon worden aangedaan aan de arbeiders inde civiele maatschappij. Tegenover den aandrang tot wijziging inde algemeene voorwaarden voor de uitvoering van geniewerken, kan de Min. niet toegeven, dat de genie buitengewoon duur werkt, terwij 1 gebleken is, dat de aannemers gaarne voor de genie werken. Een algeheele scheiding tusschen de intendance en de militaire administratie ligt niet in ’s Ministers bedoeling. De Minister kan niet beamen, dat de toestand bij het Depót van Discipline ongunstig is te noemen, maar het is hem raadzaam voorgekomen een herhaalde detacheering bij dat Depót tot de zeldzaamheden te doen behooren en daarbij geen militairen beneden 18-jarigen leeftijd te detacheeren. Op een en ander heeft hij ordetr gesteld. De noodzakelijkheid van garnizoensverandering van het 3e reg. huzaren bestrijdt de Minister, en hij blijft vastb ouden aan de noodzakelijkheid van muziekkorpsen bij de regimenten infanterie. Kr is nog geen beslissing genomen ten aanzien van de nieuwe kleeding van officieren en manschappen. De rapporten betreffende de bij de infanterie te Amsterdam, Arnhem en Breda genomen proeven met eenige gewijzigde kleeding- en nitrustingsstnkken worden 1 Jan. bij het D. v. O. ingewacht. Het ligt vooralsnog niet in het voornemen voor de artillerie-officieren een geheel nieuwe uniform vast te stellen. Omtrent de klacht, dat bij een fourage-ievering onlangs aan buitenlandsche haver voorkeur is toegekend, deelt de Min. mede, dat voor de levering bij de laatstgehouden legeroefeningen geen aanbiedingen voor inlandsche haver zijn ontvangen. De Minister blijft het noodig achten een andere categorie van militaire wielrijders te vormen, dan de thans bestaande Het voornemen bestaat aan elk der regimenten infanterie 20 rijwielen se verstrekken. De binnenlandsche industrie zal bij de levering zooveel mogelijk worden bevoordeeld. Van aanschaffing van rjjwielen door officieren der intendance verwacht de Min. goede vruchten, en de Minister zal overwegen een regeling omtrent het gebruik van ry wielen door officieren van gezondheid. De Minister verdedigt het nut van veldoefeningen op groote schaal. Een beperking tot fortmanoeuvres zou zeer ongunstigen invloed op de geoefendheid van het leger uitoefenen. Uitvoerig betoogt de Min., dat de bestemming, door hem gegeven aan de subsidie van f 25.000 voor de paardenfokkerij, op goede gronden berustte. Dat de remonteering der artillerie geheel in het binnenland kan geschieden, kan de Minister niet toegeven. De kosten zonden aanzienlek hooger worden. Het overgangsexamen aan de Kon. MU. Academie van de cadetten afkomstig van de Cadettenschool Heeft een zeer gunstig resultaat gehad. De nadere overweging van het instellen vaneen examen voor Cadettenschool en Koninklijk Instituut voor d« Marine heeft den Minister versterkt inde meening, dat dit eerst dan in uitvoering kan komen, wanneer de opleiding tot zeeofficier geregeld was bij een wet welke rekening hield met de bepalingen der wet tot regeling van het militair onderwijs bij de landmacht enz. Dat de tucht aan de Cadettenschool te Alkmaar te wenschen overlaat is den Min. niet gebleken. Klachten omtrent de bereidingswijze van het voedsel der soldaten werden niet rdeer vernomen na de aangebrachte verbeteringen. Omtrent gunning van leverantiën aan de Nederlandsche industrie deelde de Minister mede, dat dit als regel geldt, waarvan alleen wordt afgeweken wanneer aanmorkelijk vooideeliger aanbiedingen inkomen. De Minister betoogt, dat er onder de gegeven omstandigheden van Regeeringswege geen nadere voorziening noodig is dan reeds gedaan wordt betreffende den steun aan oud-strijders van 1830. Over het nieuwe geweer verklaart de Minister zich zeer tevreden. De schietbanen en kogelvangers worden zooveel mogelijk veilig gemaakt De Minister blijft beter achten de aanvulling van wapenen voor het leger te verzekeren, alvorens de schutterij van nieuwe geweren te voorzien --- KAMER-O VERZICHT. Men, heeft het dleoa Minister van Buitenlamdsche Zaken niet moeilijk gemaakt. De eenige zaak, dia critiek uitlokte, was zijn houding tegenover de troebelen te K onstantinopeh Toch waren ook op dit punt, na dë uitvoerige inlichtingen in dia Memorie van Antwoord!, die grieven, tweemaal bij vorige gelegenheden geopperd, tot bescheiden afmeting geslonken. De heer Borgesius erkende, dat de Nederlandsche belangen in goede handen waren geweest en geen schade hadden geleden. Alleen bleef de grief, dat het verlof van den gezant niet was ingetrokken. Wij deelan del grief niet- Zeer tolrecht merkte de Minister op, dat het volstrekt onnoodig was geweest den geizant te doen terugkeeren, die, als hij voor Nederlandsche belangen noodig was, toch te laat zou zijn gekomen. Dat er later nog, moorden voorwielen, is zeker waar, maar ’t lag niet op den weg van onzen gezant, gelijk de heer Staalman scheen temeer nco, togen moorden op Armeniërs op te komen. De vraag is, of Nederlandsche belangen schade heben geleden en of zij later shad© zouden hebben kunnen lijden. De drogman, die den gezant verving, heeft kunnen waken voor het weinige, waarvoor te waken vcieh Hieruit valt nu echter nog niet dadelijk af te leiden, dat onze vertegenwoordiging bij den drogman in de beste handlen is- Uit corresponden tien uit d)e Turksche hoofdstad is voldoende gebleken, dat er redenen van twijfel zijn, of cteze ambtenaar in alle opzichten db aangewezen' man ia om de Nederlandsche belangen, te vertegenwoordigen. Doch uitbreiding van onze diplomatie behoeft daarom niet verlangd te worden. Do heer Staalman maakte die gevolgtrekking, waartoe hij al vroeger aanleiding vond, dat de gansche diplomatic wel opgodioekt kan worden. De Minister deedi aan dit ~principieele” standpunt de eer eener vrij uitvoerig© bestrijding aan. Onze diplomatie weet nog wel eena ieta te bereiken, aooals met enkele voorbeelden werd aangetoónd. Intueschen blijft haar nog wel ’b een en ander te doen over, zooals ook weder uit de Terßohillende wenken, heden den Minister gegeven, bleek. Bn nog liet men veel liggen hetgeen. amcfam jaarijjk* wordt aam genard. Heden was hjet de Duitsclie Regeatiüg, waarvan die meeste sprekers Eet een en -ander te vragen hadden. Het schijnt wed, dat de sehe Regeeiring scans te zwart wordt gemaakt-Althans tegenover den heer Hesseliak, <üe Jiicii tot tolk maakte van die klacht, dat Duitwk' land inden Laats ten tijd’ van aldaar vertoevende Nederlanders vordert een bewijs van volbrachten militairen dienst, op straffe van aaders uitgezet of genaturaliseerd te worden, verklaarde de Minister, dat geen enkele klacht vat dien aard bij zijn Departement was mgeka&eß' En ten aanzien dier ongevallenveraekeinßgi waaraan onze Rijnschippers moeten bijdtogeft zoneter er eventueel voordeel van te hebben» kon de Minister verklaren, dat in het tfe»9 aanhangige wijzigings-ontwerp tot op hoogte aan de grieven onzerzijds, was tegemoetgekomen. Dat was althans iets, maar ’t jammer, dat de Minister niet nader aanweW* hoever de tegemoetkoming ging. De heere® Vau Kamebeek en Borgesius, die deze zaak te* sprake brachten, hadden er inde mededeeling^1 inde Duitsche pers niets van bespeurd, en mOll zou zoo zeggen uit de wijze, waarop de Mildst?r zich uitliet, diat de tegemoetkoming niet zes ver gaat, althans niet voldoende is. Het is hopen, dat onze Regeering er in moge slag®' straks ook door het goede voorbeeld, het rècWj vaardige beginsel te doen zegevieren ,hrt®l door, zooals de heer Borgesius wilde, bijdragen van vreemdelingen te heffen, maar hen <>> dö voordieelen ten volle te doen genieten, hete) zooals de heer Yan Kamebeek wenschelijk achtte alleen nationalen treffen en helpen» zou het eerste meer toelachen. In andere opzichten is er nog wel reden meer toeschietelijkheid van de Duitsche Reg®6' ring te verlangen, zoo ten aanzien van hOl eeuwige kanaal van Almeloo* naar NoordtioJ-11’ door dien heer Van Alphen weder eens getob-0* duceerd, als ten aanzien van invoer van v®8 en landbouwproducten. De heer Mutsaeru voegde er het geval bij van den handelsretaiget, dl® door de douane op de Limburgsohe grens, der eenige reden, als een misdadiger echijlo behandeld te zijp. Deze zaak is in onder*o®*0®* j maarde Minister kon er nog niets van deelen. De heer Van Kamebeek bracht nog eetogj volkenrechtelijke beschouwingen over ’t der „Doelwijk” te berde, zondier dat recht b'l®o®'0®' wat hij van de Reigeering’ eigenlijk verlangt" Minister zag zich verplicht inden tegenwoo'-' dagen stand der zaak db uiterste reserve 111 achtte nemen. --- INGEZONDEN STUKKEN Een bestrijding? rv*«r iet lnhoud stelt de Redactie »lc« Mnapnüteiyic.] Ia „Hat Vaderland”, dd. 28 Nov. jl. kom* d« ft majoor der infanterie van het Ned.-IncL leger, ddhf9, Hagedoom, op tegen de voorstelling, die ft® ; ~Utr. Dagbl.”, dd. 19 Sept. gegeven heb van b® , ZOok van generaal Vetter aan Toekoe Necq van , raesa tijdens de inspectiereis door Z. Exc. in Deeop Atjeh gedaan. Mot „verbazing'’ zag Z.H.E.Gestr., dat ik zyn in verband met deze zaak had* genoemd. Nadere ging dezer „verbazing” geeft de schryver tot mi|n ® grootere verbazing evenwel niet. Ik schreef, dat raai Vetter en Toekoe Necq elkander ten hui®6 ~ den plaatselijken vul. kommandant van Oleh-leb, , majoor Hagedoom, ontmoetten. Dit erkent de ito", ver als te zijnde waarheid. Vanwaar uit nu dee ' „verbazing” moet worden afgeleid, verklaar* ik ‘jj. i kunnen begrypen. Ik deelde toch geen onwaarbe f mede? Hoewel ik mjjn artikelen over de Oemar-Vet*®”3*! gelegenheid, die in zoo hooge mate de verbazing majoor H. verwekten, ruim twee maanden gelede» IL bhceerde, acht de schrijver zich nu eerst, nadat ® gebleken is, dat de „Javaboda” met mij instemt, Vj plicht daartegen op te komen en de waarheid b, ~ te stellen. Ik twyfel er geenszins aan, of de , bode ’ zal dit waardeerend oordeel van maj. H h. waarde weten te schatten, maar* dit neemt niet dat het te betreuren is, dat de schryver niet vto®|U aa* dezen drang, on voor de waarheid op te gehoor gaf. Thans heeft het er allen schyn r» ® hij oude koeien uit de sloot wil halen. i, In het „Utrechtsch Dagblad”, dd., 19 Sept., *oeltt ik het bezoek van generaal Vetter aan T. uj „toevallig samentreffen”, de wijze waarop het P* had „een amusante combinatie”. Nu zegt de h®er v wel, dat deze opvatting niet juist is, maar uit het , je van den majoor H. in „Het Vaderland” over ‘Uj gebeurtenis blijkt ten duidelijkste, dat ik niet te ' gezegd heb. ‘ Ten bewjjze hiervan haal ik aan, wat deze schrï over* de zaak te zeggen heeft. a- Voigens hem komt generaal Vetter van Segli et „t bang op Oleh-leh terug en deelt de legerkom» hem mede, dat Z. Exo. den volgenden morge® T. Necq en daarna hem zelf een bezoek zal bre»gellV Het minzaam aanbod van den schrijver Z. Exc daan, of hij zijn huis hiertoe disponibel mag wordt door generaal Vetter afgeslagen, omdat g® jjii* Deijkerhoff zijn woning voor dit doel waarsto^ 1 ij k beschikbaar zal houden. Zonder dein majoor te waarschuwen, dat van dit afgerien is. komt generaal Vetter toch den volg6® „p morgen bij den pl. mil. kommandant van Oleh-*®” bezoek. ,p Nadat Z. Exc. even gezeten was, ziet de gasth eens den controleur in ambtsgewaad met T. Nte kernen. Natuurlijk begreep de heer H. toen on®1 lijk, dat de visite nog te zijnent zou plaats hebb®» ' Nu vraag ik den lezer, speelt bij dit bezoek hrt,/ val. althans het onverwachte niet een overweiy rol? Was mijn opmerking, dat dit een toevallig treffen was, dus te sterk gekleurd? ledereen zal bovendien moeten toegeven, dat A treden van generaal Vetter, om geen andere kr®®gp .* uitdrukking te bezigen, zeer eigenaardig is te ®k f«a een algemeen gesprek van 20 minuten, 100 uC | volgt de heer H„ vraagt Z. Exc. aan den contr I hoe lang T. Necq noodig heeft om diens woo»P tii' j te bereiken. De aangesprokene antwoordt 5 en krijgt daarop de opdracht met Necq naar die»9 te gaan Deze vraag van Z. Exc. was geheel overbodig* K f raai Vetter was niet voor de eerste maal op ¥ wist zeer goed op welken afstand Necq’s woni» gen was van majoor Hagedoorn’s huis. Het vi agen naar den bekenden weg, dat generaal later voortzette, toen hij ,T. Necq vroeg, hoe hf* / Toekoe Oemar gesteld was. Uit dit verhaal blij f v duidelijk, dat generaal Vetter ten huize van een komediestukje opvoerde, waarby de gaotT m/, bescheiden rol van figurant vervulde. De co®» jjJi' was in elk geval hoogst amusant, dat zal iedere® wel willen toegeven. Het verhandelde tusschen T. Necq en generaM is door mij zeer overdreven, zegt de heer H- BBf onbeduidend. Als eenig argument voor deze zijn bewering hij aan hetgeen T. Necq hem hierover vertel» Ik kan niets anders zeggen, dan dat ik dit zeer® waardig vind. Het tegendeel toch van hetgeen . maj. H. vertelde, zeide hij mij. Ik bezocht dit AVf $ hoofd te Penang cn onderhield mij geruimen t hem. jjef* Hij zeide mij toen met grooten omhaal van dat hij generaal Vetter gewaarschuwd had voor Oemai*. Ook deelde hij mij mede, dat generaal J) geen vriend was van T. Uemar. Z. Exc. had persoonlijk verzekerd. , . f Gaarne ben ik bereid aan te nemen, dat T. / I heel iets anders aan maj. H. dan aan mij Yert^l1i getuigenissen van inlanders zijn nu eenmaal go*l 1 betrouwbaar maai* het spreken van generaal I over Toekoe Oemar ten I nize van T. Necq, diep®'8 * vijand, b1 y f t sterk af te keuren. Een dergelO jjy| deling is overal, zoowel hier als in Indiê, onnie®* dig, onpolitiek en streng te veroordeelen. was het dus in geen geval. Trouwens als dit 200 V, ’n'B beteekenen had, hoe komt het »* 1' destijds iedereen er te Atjeh den mond over vol Verder betwijfelt de majoor H. of T. Necq “ handelde met generaal Vetter wel te Toekoe Oemar woonde, bekend zou hebben K Ook hier ontbreekt zijnorzyds alle argumen*B a V schryver is er van „overtuigd” en hiermede publiek maar genoegen nemen. Ik veT,neef:^^jl iedereen, die weet hoo spoedig nieuwtjes van op Atjeh verspreid geraken, er niet aan of T. Oemar wist; in ~no time” wat Z. Ex» i Necq over hem gesproken had. . Over *le sabelaanbieding op da pier te Oleh-I»» „ <* * kort zjjn De schryver beweert, dat ik hierv»* – v t keerde roorrtttUjjjg heb gesevea, Naar «yn aegS*^ generaal Vetter de eeresabeï "van Toekoe Oemar op „de gebruikelijke manier” aan. Of . air gebruikelijke manier ’, zooals generaal Vetter dat gewoonlijk opvatte, ook „de goede manier” is, zal roet bet oog op des generaals antecedenten door menigten met reden betwijfeld worden. De Minister van Koloniën zegt, dat generaal Vetter het geschenk gracieuselijk aooepteerde, hoewel dit Z. Exc. niet erg aangenaam was. Men bedenke wel, dat dit de bekende offieieele en zooals de Minister zelf zegt, onverdachte bron is, waaruit Z. Exc. het bericht putte. ~!A bon entendeur demi mot suffit.” Ten slotte merkt de heer H. nog op, dat door Z. Exc. tijdens zijn verbluf op Atjeh geen enkele poging gedaan is. om inde politiek van generaal Deijkerhoff verandering te brengen. Ook tot staving van deze bewering Worden door den schrijver geen argumenten aange▼oerd. Hoewel ik en zeker ook een groot gedeelte van het Publiek, gaarne bereid zijnde scherpzinnigheid en groote kennis van Atjehsche zaken van majoor H. te erkenden, zouden eenige bewijsgronden tot nadere bevestiging van deze zijn stelling hier zeker niet misplaatst geweest zijn. Nu kan ik niet anders doen, dan den. beer H verwijzen naar mijn artikelen over deze zaak in het •lUtrechtflch Dagblad”, dd. 14,15 en 19 Sept. Vat ik dus alla punten door den schrijver aangeroerd tezamen, dan blijkt daaruit ten duidelijkste, dat ik d ie t verkeerd ben ingelicht, en niet overdreven beb. Integendeel blijken, de door mij gereleveerde feiten juist te zijn, de door mij beschreven gebeurtenissen zich te hebben toegedragen overeenkomstig de waarheid. In alle hoofdzaken stemt het relaas van maj. H. overeen met mijn verhaal, gedeeltelijk vult het hier en daar het mijne aan, waarom ik niet kan nalaten den schrijver mijn dank te betuigen. En volgens zijn lezing èn volgens de mijne was het bezoek van generaal Vetter aan T. Kecq dus een toevallig samentreffen, de wijze waarop dit geschiedde een amusante combinatie. Beleefd verzoek ik de redaetite van het „Alg. Handelsblad” mijn antwoord aan maj. H. inde kolommen van haar veelgelezen blad te willen opnemen. In het ochtendblad van Zaterdag jl. stond een stukje van het stukje van maj. H., waaraan de redactie de opmerking vastknoopte, dat majoor H. ooggetuige is geweest van alles wat op Atjeh gebeurde tijdens het Vetterbezoek in Dec. ’95. Tot mijn spijt moet ik oonstateeren, dat het Amsterdamsche orgaan in zijn oordeel omtrent des majoors verrichtingen voorbarig is geweest. Majoor H. is n ie t een ooggetuige geweest van alles wat op Atjeh in dien tyd gebeurde. De rol door Z.H.E.Gestr. vervuld bij de verschillende gebeurtenissen, voorgevallen tijdens het merkwaardig bezoek van den legerkommandant, heb ik hier boven reeds duidelijk aangegeven. Bij het bezoek van generaal Vetter aan T. Oemar was hij niet tegenwoordig. Dit ter nadere informatie van het „Alsem. Handelsblad”. O. v. B. Den Haag, 29 Nov. 1896. --- Kantongerecht Amsterdam Bij het afdeelingsonderzoek van het desbetreffend ontwerp werd er op gewezen, dat bij de voorgestelde indeeling van het rechtsgebied der Kantongerechten te Amsterdam de grenslijnon voor een deel door het midden van stiaten en grachten zijn getrokken. Men vroeg of dit inde practyk niet tot moeilijkheden kon aanleiding geven. ---