Rijksbegroting 1955 bijna in evenwicht Op de lopende dienst nog slechts tekort van acht millioen In 1956 voor 500 tot 550 mln. gulden aan belastingverlagingen (Van onze parlementaire redacteur) Met een zucht van verlichting en een blij gemoed heeft minister Van de Kieft, die ’s lands gelden beheert, een streep onder de Rijksbegroting voor 1955 gezet, toen hij het moeilijke, langdurige en verantwoordelijke werk van de opstelling er van voltooid had. In vroegere jaren hebben hij en zijn voorgangers nog weleens op hun penhouder zitten kluiven bij het maken van berekeningen en becijferingen en desondanks konden zij inkomsten en uitgaven niet met elkaar in evenwicht brengen. De tiende begroting na de tweede wereldoorlog, die de Tweede Kamer der Staten-Generaal thans ter goedkeuring is aangeboden, sluit. En dat stemt uiteraard niet alleen de regering tot voldoening, maar ook en vooral alle gewone staatsburgers, die reikhalzend naar verlichting van lasten hebben zitten uitkijken. Jeen geordend huishouden moet de tering naar de nering gezet worden. Levert de „nering” weinig op, dan moet de „tering” ingekrompen worden; dat betekent leven op een lager welvaartsniveau. Voor de staat geldt hetzelfde beginsel. Als de minister van Financiën de eindjes niet aan elkaar weet te knopen, dan voelen wij dat allen op enigerlei wijze in onze portemonnaie. We mogen dus dankbaar zijn, dat de Rijksbegroting, waarin alle uitgaven en alle inkomsten van de staat tegenover elkaar gesteld zijn, aan beide zijden hetzelfde cijfer aanwijst. Of eigenlijk: bijna hetzelfde cijfer. Want de uitgaven zijn acht millioen hoger dan de inkomsten. Een respectabel bedrag voor iemand, die vaneen matig salaris leven moet, maar bijna te verwaarlozen op het totaalcijfer van de begroting: aan inkomsten ruim 6000 millioen en aan uitgaven dus enige millioenen meer. En in het niet verzinkend bij het bedrag van onze totale nationale schuld: bijna 22.000 millioen. Zou iemand niet de schrik om het hart slaan bij het horen van dat laatste cijfer? Per hoofd van de bevolking heeft Nederland een schuld van meer dan f 2000.—. Laten we er echter maar geen nacht onrustiger om slapen. Want niet alleen is die nationale schuld in vergelijking met een jaar geleden al weer gedaald met 1773 millioen en in vergelijking met het jaar 1947, toen ze heel erg hoog was, met bijna 5300 millioen, maar bovendien past het ineen voorzichtig en degelijk beleid om staatsschuld te maken. En wel als de staat grote werken gaat uitvoeren, zoals de aanleg van moderne wegen, de bouw van bruggen en tunnels, het graven van kanalen en het plaatsen van enorme gebouwen. Het nageslacht profiteert van al deze voorzieningen, laat het er dan ook aan meebetalen! Het behoeft niet in alle opzichten ten laste van de portemonnaie van de tegenwoordige belastingbetaler zijn bedje gespreid te vinden. Voor deze uitgaven, die de minister steeds afzonderlijk inde Rijksbegrotingen onder de benaming „buitengewone dienst II” vermeldt, mag gerust schuld gemaakt worden. Als dat spreekt vanzelf maar binnen de perken gebleven wordt en de staat geregeld aflost. --- Tekort op kapitaalsdienst 560 millioen Voor het jaar 1955 vermeldt de „buitengewone dienst II” een bedrag, dat er zijn mag, namelijk 994 millioen, waartegenover slechts 434 millioen aan inkomsten staat, zodat op deze dienst, ook „kapitaaldienst” genoemd, een tekort geboekt wordt van 560 millioen. Met de acht millioen tekort op de lopende dienst levert de rijksbegroting voor 1955 dus een totaal tekort van 568 millioen op. Het zal duidelijk zijn, dat we daarover niet inde zorgen behoeven te zitten al kan men beter overhouden dan tekort komen want de staat kan gemakkelijk het geld lenen bij verzekeringsmaatschappijen, spaarbanken en pensioenfondsen (met een mooi woord „institutionele beleggers” genoemd) en zij die na ons komen zullen meehelpen aan rentebetaling en aflossing. Nederland mag zich gelukkig prijzen, dat het zijn „lopende dienst” op acht miilioen na sluitend heeft. Onder deze „lopende dienst” vallen in de eerste plaats de steeds weer terugkerende uitgaven, die noodzakelijk zijn om de zaak draaiende te houden, zoals salarissen, sociale voorzieningen, huur, verlichting en verwarming van gebouwen, kosten van onderhoudswerken, enz., inde begroting samengevat onder „Gewone Dienst”. Voorts alle uitgaven, die voor het lijk voortvloeien uit de twee rampen, die Nederland iri de laatste vijitien jaar getroffen hebben de oorlog en de watersnood uitgaven dus van aflopend karakter, inde begroting vermeld onder „Buitengewone Dienst I”. ' Tenslotte vallen onder de lopenae uitgaven ook nog die, welke bestemd zijn om de tekorten van het Landbouw-Egalisatiefonds te dekken. Uit dit fonds steunt de overheid de landbouw en de veeteelt, als de prijzen laag zijn en houdt zij de prijzen van sommige producten voor de verbruiker binnen redelijke grenzen. De uitgaven van de lopende dienst bedragen in totaal 5589 miilioen, waarvan 4678 miilioen voor de Gewone Dienst, 847 voor de Buitengewone Dienst I (oorlog en watersnood) en 64 miilioen voor. het Landbouw-Egalisatiefonds. --- 143 millioen voor watersnoodramp Wat wil een regering, die sinds de oorlog met financiële moeilijkheden gekampt heeft, meer verlangen dan dat haar uitgaven in vergelijking met vorige jaren dalen en dat haar inkomsten stijgen? Voor uit de watersnood voortvloeiende herstellingen en andere voorzieningen wordt in 1954 ongeveer 40Ü miilioen uitgegeven; voor het komende jaar behoefde „slechts” 143 miilioen geraamd te worden. Sociale voorzieningen kosten in 1954: 958 miilioen en in 1955, doordat het niet meer nodig is een post voor achterstallige betalingen aan Indische oorlogsslachtoffers uitte trekken: 866 miilioen. De defensie-uitgaven zijn in het aanstaande begrotingsjaar 150 millioen lager — namelijk 1350 millioen in plaats van 1506 millioen — en de rentelast van de nationale schuld vermindert niet onaanzienlijk. . Al die verminderingen leveren een niet te versmaden voordeel op, dat in de honderden millioenen loopt. En dan komen de vermeerderde inkomsten daar nog bij! Het grote raadsel van de dag: de millioenennota van minister Van de Kielt, die hier gefotografeerd wordt op het moment, waarop hij de voor ons zo belangrijke stapel in het beroemde koffertje doet. --- Gunst ge betalingsbalans De stijging van het bedrag aan gelden, dat in het laatje van de staat vloeit, hebben we te danken aan de toenemende welvaart. We leven in een tijd van hoogconjunctuur. Van „super-hoogconjunctuur” heeft de minister van Economische Zaken, prof. Zijlstra, dezer dagen gezegd. Het gaat ons goed: Nederland produceert. verdient en verbruikt meer dan vorige jaren. De belegging van gelden in zich uitbreidende industrieën neemt toe en onze uitvoer breidt zich gestadig uit. De export van goederen en hst verrichten van diensten levert zoveel op, dat wij uit de opbrengst er van de invoer van grondstoffen en andere producten geheel kunnen betalen en zelfs nog wat overhouden. We sparen dus deviezen. In economische termen uitgedrukt: we hebben een gunstge betalingsbalans. Zoals gezegd: de gestegen welvaart weerspiegelt zich ineen toeneming van de inkomsten van de staat. Het grootste deel van die inkomsten wordt gevormd door de belastingen, die dan ook voor 1955 hoger geraamd zijn dan voor 1954 en wel op 5090 millioen tegen 4482 millioen (later herzien in 5074 millioen) voor 1954. Bovendien verwacht de regering uit rente en aflossing van credieten, die het rijk verleend heeft, 298 millioen; aan vergoeding voor bewezen diensten en opbrengst van verkochte goederen 135 millioen; aan baten uit liquidatie van vijandalijk vermogen 200 millioen; aan winsten uit staatsbedrijven 41 millioen en aan overige middelen 251 millioen; tezamen dus 925 millioen gulden. Het is niet onaardig behalve voor de Nederlandse booswichten te weten, dat het rijk in 1955 aan opbrengsten van verbeurd verklaarde goederen en aan boeten ongeveer 31 millioen denkt te ontvangen! Met de 5090 millioen aan belastingen kan het rijk dus op ruim 6000 millioen aan ontvangsten in 1955 rekenen. Zoals we hebben gezegd, is de begroting met een ongeveer gelijk bedrag aan uitgaven vrijwel in evenwicht. Deze grafiek laat zien hoe dooreen samenvoeging van de saldi der verschillende diensten een totaal negatief saldo van 568 miilioen wordt bereikt. --- Defensie: 1356 millioen We zouden sommige mensen niet graag met bijvoorbeeld f 1000.— op zak en de goede raad om ze nuttig te besteden op stap sturen.... Minister Van de Kieft beschikt voor 1955 overeen slordige zes milliard een bedrag, waarvan we ons geen voorstelling kunnen maken en hij zal ze oordeelkundig moeten uitgeven. Mocht hij gekke sprongen willen maken, dan zijn er honderd Tweeds-Kamerleden en vijftig Eerste-Kamerleden om hem op zijn vingers te tikken. Trouwens, hij heeft inde Millioenennota al vrij nauwkeurig aangegeven, waarvoor de 6000 miilioen gulden bestemd zijn. Naar defensie gaat 1356 miilioen, waarvan het leger 615 miilioen krijgt, de luchtmacht 280 miilioen en de marine 297 miilioen. De overige 164 miilioen zijn bestemd voor militaire pensioenen en wachtgelden (51,5 miilioen), algemene uitgaven (97,5 miilioen), en Bescherming Burgerbevolking (15 miilioen, tegen 5,8 miilioen in 1954). De verdediging van ons land tegen het water zal in ae toekomst, wanneer het Deltaplan wordt uitgevoerd, aanzienlijke bedragen vorderen. Op de begroting voor 1955 komen nog slechts kleine bedragen voor, die betrekking hebben op voorbereidende werkzaamheden voor verwezenlijking van het Deltaplan. De begroting voor 1956 zal wel hogere posten te zien geven. Dat neemt niet weg, dat Waterstaat op de begroting van 1955 een som van ruim 3000 millioen opslokt. Daar krijgen we dan ook wat voor: 87 millioen (waarvan 17 millioen ten behoeve van het Deltagebied) aan rivieren, rivierwerken, kanalen, vaarten en kustverdediging: 115 millioen aan aanleg en onderhoud van wegen, bruggen, veren, enz.; 57 millioen aan water- en landbouwkundige werken inde Noord-Oost Polder en 48 millioen voor de voortzetting van de inpolderingswerken van Oostelijk Flevoland. „Verkeer” vergt 190 millioen en „Sociale Zaken” 866 millioen. --- Ruim een milliard voor salarissen De roep om inkrimping van het staatsapparaat, die herhaaldelijk in het parlement is gehoord, moge zwak tot de regering doorgedrongen zijn, hij heeft in zoverre geen tastbaar resultaat gehad, dat het aantal burgerlijke rijksambtenaren is ingekrompen. Integendeel: de sterkte van het burgerlijk rijkspersoneel aan alle departementen, behalve Oorlog en Marine wordt voor 1955 geraamd op 81.641 man, tegen 80.604 voor 1954 en aan de departementen voor Oorlog en Marine voor 1955 op 32.705 tegen 29.489 in 1954. In totaal dus 114.346 in 1955, tegen 110.093 in 1954 of een toeneming van 4253 ambtenaren. In 1955 zal het rijk, naar geraamd is, ongeveer 1071 miilioen aan salarissen en sociale lasten moeten betalen. --- MIDDELEN EN UITGAVEN VOLGENS MILLIOENENNOTA 1955 Het totaal van de middelen (M) en uitgaven (U) wordt hier vergeleken, terwijl er voorts een onderverdeling wordt gemaakt over de verschillende soorten van inkomsten en uitgaven, terwijl de belangrijkste van deze middelen weer zijn onderverdeeld --- Woningbouw Voor de woningbouw is meer dan 300 millioen nodig. Met dit bedrag wordt de uitvoering vaneen woningbouwprogramma van 65.000 woningen mogelijk gemaakt. Gerekend is op 29.500 woningwetwoningen, 25.000 woningen in premiebouw, 7000 herbouw onder de Wet Materiële Oorlogsschaden, 1000 herbouw onder de Wet Watersnoodschade en 2500 vrije bouw. Naar Onderwijs gaat 668 millioen, welk bedrag besteed zal worden voor meer onderwijzend personeel, voor meer schoolgebouwen, voor de ontwikkeling van de wetenschap, voor natuurbescherming (3 millioen, dat is tienmaal zoveel als in 1954;, voor de televisie (5,6 millioen, dat is driemaal zoveel als in 1954), enz. Voor het eerst komt een bedrag van f 100.000.— op de begroting voor, dienende voor hen, die willen promoveren en voor het schrijven van een proefschrift een beurs nodig hebben. --- Belastingverlaging De verlichting van duizend en een zorgen en zorgjes van de staat wordt uit het bedrag van 6000 millioen, waarover de minister van Financiën in 1955 het beheer zal voeren, mogelijk gemaakt. Wat echter iedereen zich afvraagt is of de verhoogde welvaart en de daaruit voortspruitende nagenoeg sluitende begroting, behalve een loonsverhoging op korte termjjn, ook nog een belastingverlaging in het vooruitzicht stelt. Welnu, de regering verwacht voor 1955 een zich voortzettende gunstige ontwikkeling van het economisch leven en op grond daarvan stelt zjj zich voor in 1955 met een aantal voorstellen tot belastigverlaging te komen, welke verlaging echter pas op 1 Januari 1956 zal ingaan. In totaal zal zjj tot eem bedrag van 500 a 550 millioen gaan. Het mes zal aan twee kanten snijden: door de belastingverlaging zullen onze inkomsten stjjgen en de prjjzen van een aantal artikelen zullen door vermindering van de omzetbelasting dalen. De schaduw, die hieroverheen geworpen wordt, is dat de regering deze gevolgen nodig heeft om een nieuwe huurverhoging, die de kosten van levensonderhoud weer opvoert, te kunnen toestaan. Maar dan zijn we al weer ruim een jaar verder. Voorlopig past voldoening overeen rijksbegroting, die voor het eerst een zekere mate van optimisme toont. --- WERK AAN DE WINKEL Het rijk is voornemens in 1955, wanneer daarvoor de goedkeuring van het parlement verkregen wordt, een bedrag van 684 millioen te investeren in 219 projecten, dat is 90 millioen meer dan 1954. Zes en twintig militaire projecten zullen 212 millioen opeisen. Uit de lange rij noemen wjj er enkele: voor de tunnelbouw in Velsen, die in totaal meer dan 100 millioen vergt, waarvan reeds 30 millioen verwerkt is, komt op de begroting voor 1955 een post van 19 millioen voor. Voor de bouw vaneen groot rijkskantoorgebouw in het Bezuidenhoutkwartier in Den Haag kosten totaal 11 millioen wordt 3.5 millioen aangevraagd. Aan de uitbreiding van de Technische Hogeschool in Delft kosten totaal 32 millioen, waarvan reeds 10 millioen is verwerkt zal 7.5 millioen ten koste gelegd worden. De voortzetting van de bouw vaneen Rijksinstituut voor de Volksgezondheid in Bilthoven totale kosten 10 millioen, waarvan 1.5 millioen is verwerkt vraagt 1.3 millioen. Voor het leggen vaneen aardgasleiding tussen Pemis en Wanneperveen (in Overijsel) totale kosten 18.4 millioen is in 1955, 5.3 millioen nodig. --- Conservatief en gezond maar niet zonder teleurstellingen Waarom thans reeds geen belastingverlaging ? (Door onze economische medewerker) De begroting voor 1955 zal tot een zeer uiteenlopend commentaar aanleiding geven. Zij is sociaal-economisch bekeken kerngezond doch zij is voor de particulier, en dan in het bijzonder de zakenman, een teleurstelling, omdat zij geen belastingverlaging brengt. Niet tenminste direct. Ook de huiseigenaar zal langer moeten wachten, dan hij gedacht had. Deze begroting is de weerspiegeling van de hoogconjunctuur waarin wij leven. Sterker, zij is gebaseerd op de veronderstelling, dat die hoogconjunctuur ook het volgende jaar zal blijven bestaan. Niet alleen kunnen wij dit opmaken uit het feit, dat de belastingopbrensten zeer hoog geraamd worden maar ook uit het feit, dat de overheid het niet nodig acht reeds het komende jaar de nodige wapens ter beschikking te hebben om een terugslag in het economische leven te bestrijden. Een van die wapens zou dan een belastingverlaging zijn geweest. Dus vooral omdat de conjunctuur nog te goed is, acht minister Van de Kieft het niet nodig belastingverlaging met ingang van het volgende jaar in te voeren. Hij is integendeel zelfs bevreesd, dat dooreen belastingverlaging teveel koopkracht ontstaat, het bedrijfsleven teveel opdrachten zou krijgen, waaraan door de geringe werkloosheid toch niet voldaan zou kunnen worden. --- Zakenman te eurgesteld De gehele belastingverlaging wordt dus slechts gezien als een middel om de conjunctuurgolven rustiger te maken. Geen verlaging en koopkrachtinjectie in de hausse, wel een dergelijke injectie in de baisse. Speciaaleoonomisch is deze redenering o.i. zeer wel verdedigbaar. De zakenman die echter op zware lasten zit en die gehoopt had een compensatie voor zijn stijgende loonkosten te vinden, zal hevig teleurgesteld zijn. Hij zal redeneren: „Als het nu zo goed gaat, waarom dan niet wat meer armslag, opdat ik meer overhoud en ik ook meer kan investeren ? Dat komt toch de industrialisatie ten goede!” De minister zal hierop antwoorden: „De huidige omvang van de investeringen is bevredigend te achten”. De ministeriële opvattingen zullen op dit punt ongetwijfeld scherpe kritiek ontmoeten. De heer Van de Kieft acht het particuliere belang van de enkeling, in casu de zakenman, volkomen ondergeschikt aan de belangen van ’t geheel en dat geheel eist geen belastingverlaging. Deze redenering staat of valt echter met het uitgangspunt: dat in 1955 de conjunctuur gunstig zal blijven. Dit is evenwel niet zó gemakkelijk met zekerheid te zeggen, omdat Nederland nu eenmaal met handen en voeten aan het buitenland is geklonken. Gaat het daar slecht dan zullen ook wij onder het juk door moeten. Nederland is van de koopkracht in W.-Europa afhankelijk en gezamenlijk zijn wij weer afhankelijk van de conjunctuur inde V.S. Op die conjunctuur „over there” kunnen echter zóveel thans nog onberekenbare factoren inwerken, dat wij alleen maarde hoop kunnen uitspreken, dat minister Van de Kiefts optimisme gerechtvaardigd is. --- Verlagingen van 7,5 tot 16,5 pet. Het merkwaardige is, dat hij in 1956 kennelijk wel verandering ducht. In elk geval kondigt hij thans reeds aan, dat er voor dat jaar verlagingen op stapel staan, welke als een steun voor de conjunctuur gezien moeten worden. En het zijn inderdaad belangrijke verlagingen: inde sector van de kostprijsverhogende belastingen (waarvan de belangrijkste de omzetbelasting) komt een verlaging van plm. 7 »/2 %• En inde sfeer van de inkomsten-, loonen vermogensbelasting zelfs een van plm. 161/2 %. Dit is uiteraard een globaal percentage, zodat afgewacht moet worden, hoe die verlaging over de belastingplichtigen zal worden uitgesmeerd. Het valt overigens weer op, dat de ministeriële voorkeur uitgaat naar de enkeling en niet naar het bedrijfsleven, zoals dat in vennootschappen is georganiseerd. De verzwaring van de vennootschapsbelasting, die in 1951 is ingevoerd en die 1 Januari 1955 behoort te verdwijnen, blijft n.l. voor 60 millioen gulden bestaan, opdat door dit bedrag de verlaging van de inkomsten-, loon- en vermogensbelasting nog wat verder kan gaan. Wij behoeven geen profeet te zijn om ook op dit punt een storm van protesten te voorspellen. --- Huurverhoging Deze begroting is nog om een paar andere punten interessant: 1) de huurverhoging zal eerst in de loop van 1955 haar beslag krijgen,- hetgeen wel zal betekenen over ongeveer een jaar; 2) er wordt met geen woord over een mogelijkheid van convertibiliteit gesproken. Nu is dit inderdaad niet noodzakelijk, omdat uit andere verklaringen wel is gebleken, dat wij tot op bepaalde hoogte ’n convertibiliteit zouden kunnen invoeren, doch wij hadden desondanks toch wel een paar opwekkende woorden verwacht. Een vraag van geheel andere orde is of deze begroting ook inderdaad reëel zal blijken te zijn. Als wij zien hoe weinig er van de begroting van 1954 is overgebleven, dan wagen wij toch een vraagteken te zetten. Oorspronkelijk was er vorig jaar een begroting ingediend met een tekort van f995 millioen; later heeft men dit tekort op liefst f1199 millioen berekend doch thans wordt uit de doeken gedaan, dat wij er met een tekort van fB4l millioen af zullen komen. En dat onder meer dank zij het feit, dat tegenover hogere, onverwachte uitgaven de belastingen liefst f 600 millioen meer hebben opgebracht dan voor mogelijk werd gehouden. Deze „meevallertjes” zijn natuurlijk aardig, maar zij die om belastingverlaging zitten te springen, zullen wel met gemengde gevoelens naar de cijfers kijken, die er nu plotseling uit de bus blijken te kunnen komen. Resumerende moeten w(j zeggen, dat de minister met zijn begroting, die alleen maar op de kapitaaldienst een tekort geeft van f 568 millioen, een uitstekend figuur slaat. Zjj is conservatief en gezond. Ook al mogen vele enkelingen (sterk) teleurgesteld zijn, voor ons land als geheel genomen ls het een goede begroting, die op haar wijze een bevestiging vormt van Nederlands hoogconjunctuur. ---