TENTOONSTELLING IN AMSTERDAM Bevrijding, beheersing en tomeloos experiment Stedelijk Museum maakt gebruik van de nieuwe tuinzaal C.A.S. Voor wie de nieuwe vleugel van het Stedelijk Museum van Amsterdam WaB jet hecft betreden, kan de Bevrydingstentoonstelling, die er deze terst wordt gehouden een gerede aanleiding zijn. Hij zal dan tevens exn kennis maken met eender waardigste kunstwerken van deze on»° * e’ meer dan levensgroot naast de entrée aan de van Baerlestraat hoi Steld: de zware monumentale vissersgestalte in brons van de beeldheeirii61 Wezelaar. Het is moeiijk aan te nemen, dat dit machtige en sobere wanr>eer het eenmaal inde ruimte en de wind staat, dicht bij zee * en treffende indruk zal maken. _ Losse schotten bieden vele voordelen t* nieuwe expositiezaal in haar een fieledingen, boven en beneden, Vin re°bthoekige, koele hal (stenen «ideren> met aan de twee lange ttlortn sla.s en nog eens glas> door Vonn^ne Islouzieën afgeschermd, is jj r haar doel ongetwijfeld geschikt. tUivn?rote v°ordeel is. dat de gehele kg]'?1® van de zaal wordt ingeschate n' aa* i°sse schotten, willekeurig delin°ePeren' een vermoeiende wanoni’.^as”- inde aria van Ger-Rpn= 11 h „Traviata” en de aria van \a utt „De Troubadour”. ’ £ de tenor Schock (op vele platerv,.-®n bij H.M.V.), de bariton Met-ch nu ook de bas Gottlob Frick. Van hem nam H.M.V. zeven fragmenten op. Frick heeft een imposant geluid, kernachtig, kloek en mannelijk, vol en sonoor, soms een orgel gelijk en met een voor een bas bijzonder grote souplesse. Daarbij is hij een kunstenaar, die doordringt tot het wezen van wat hij zingt en niet. alleen boeit door zijn stem maar ook door zijn uitbeelding. Natuurlijk zingt hij op deze plaat de aria van Sarastro uit „Die Zauberflöte”, maar ook horen wij hem als „Gremin” in „Eugen Onegin” en als Basilio in Rossini’s „Barbier”, een aria die ons wel bijzonder trof door de meeslepende voordracht. Verder zingt Frick uit „Don Carlos” „La Juive”, „Der Waffenschmied” en „Die lustigen Weiber” op deze plaat. Hij heeft er ons bijzonder mee geboeid. --- Regisseur Edwin Thomas naar Suriname — De regisseur Sufj"1 Thomas, die vorig jaar in 'Jaarnamo werkzaam is geweest en °-a. Mark Connelly’s „Grazige ','erpi? ,-en Maurits Dekker’s „De j eefl geen wachtkamer” rechsa ?de’. zal °P verzoek van de Sti-Sum oegin Februari opnieuw naar iet ”3*6 vertrekken ,waar hij on- van het Cultureel Cen-3aarJ?uriname gedurende anderhalf ais regisseur zal optreden. --- Mevr. De Vries-Hamburger naar de West de In opdracht van Atitii, CUsa is naar de Nederlandse Vjj'iian vertrokken mevr . L. de s'llamburger, lid van de gebontn Op Curacao °a zal zij door middel van letwa..en cursussen trachten de 8aat ??Jverheid te bevorderen. Dan zij naar Suriname. --- Ton Kuyl bij „Het nieuwe Comedia” geëngageerd — De onlangs op- Colnctlte toneelgroep „Het Nieuwe <50l edia” onder leiding van John en Guus Hermus, heeft de shspvs’-Ton gecontracteerd. Het zal op 9 September te ziJll eerste uitvoering --- Agenda voor Utrecht TONEEL ZATERDAG 4 JUNI, Stadsschouwburg 8 uur: Nederlandse Comedie met „Muiterij op de Caine”. ZONDAG 5 JUNI, Stadsschouwburg 8 uur: Nederlandse Comedie met „Muiterij op de Caine”. DONDERDAG 9 JUNI„ Stadsschouwburg 8 uur: Uitvoering leerlingen Toneelschool met fragmenten. VRIJDAG 10 JUNI, Stadsschouwburg 8 uur: Amateur Toneelgroep . Eduard Verkade met „Een andere taal 7”. ZATERDAG 11 JUNI, Stadsschouwburg 8 uur: Toneelgroep Theater met „Twee Flierefluiters in het Paradijs”. MUZIEK WOENSDAG 8 JUNI 8 uur: Feestconcert door koor en orkest, klassen van het Utrechts Conservatorium. Solis_ ten Corrie Bijster (sopraan) Nankie Noske Fabius (sopraan), Henk Meijer (tenor).. Guus Hoekman (bas) en Fred Mann (fluit) WOENSDAG 8 JUNI, Jacobikerk 8 u.: Orgelconcert Evaristos Glassner, Amsterdam. VRIJDAG 10 JUNI Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, 8 uur: Concert door hoofdleraren Utrechts Conservatorium. --- Amsterdamse agenda MUZIEK ZATERDAG 4 JUNI. Stadssch. 8 uur: De Nederlandse Opera voert Strauss’ operette Der Zigeunerbaron ten tonele, onder directie van Henk van Wielink. ZONDAG 5 JUNI. Stadssch. Suur: In Puccini’s La Bohème, gespeeld door de Nederlandse Opera 0.1.v. Cor Olthuis, treden 0..a. op Corry van Beckum, Justus Bonn (als gast), Paolo Gorin, Gerard Holthaüs Louise de Vries en Siemen Jongsma.' --- In vele Europese steden is het de In vele Europese steden is het de laatste tijd gewoonte inde zomermaanden muziek-uitvoeringen te organiseren van bijzonder gehalte. Op deze kaart geven wij een overzicht van de plaatsen waar deze festivals worden georganiseerd en gedurende welke perioden. Van half Juni tot half Juli wordt in Nederland het Holland-Festival gehouden. --- Expositie in Zeister Slot vestigt aandacht op affiche Ook ’t meest verwende oog kan hier nieuwe ontdekkingen doen C. A. S. Op de Kunstenaarsdag van de P. v.d. A. heeft W. Jos. de Gruyter in een referant, dat handelde over kunst in het dagelijks leven o.m. gewezen op het belang van goede affiche-kunst. Duizenden en nog eens duizenden, die van de evolutie der hedendaagse beeldende kunst niet de minste notie hebben, zien wèl de moderne affiches. En hoewel menigeen ook daaraan nog achteloos voorbijgaat, of hoogstens kennis neemt van de zakelijke aankondiging, die wordt geventileerd, zal toch de tekening een flauw schemerend besef kunnen wekken van wat de kunstenaar aan fantasie heeft gegeven. „Gek?” Goed, maar toch iets. En als deze dwaasheid meermalen terugkeert zal de toevallige kijker wellicht een attent beschouwer worden en zich met de vraag onledig houden: „waarom zo; wTat wil deze man en wat wil die moderne kunst toch eigenlijk?” Gang naar Zeist is de moeite waard Het bijeenbrengen vaneen aantal affiches uit verschillende tijdvakkên van de bakermat van het moderne affiche af, in het Zeister Slot is een gelukkige gedachte geweest. En deze gedachte is bovendien op gelukkige wijze uitgewerkt. Een zekere eenzijdigheid was bij de noodzakelijk opgelegde beperking onvermijdelijk en zeker niet alle perioden zijn naar hun representatie of betekenis gelijkwaardig tot hun recht gekomen. Aan de andere kant zal ook het meest verwende .ook hier, nieuwe ontdekkingen kunnen doen, zelfs uiteen tijd. die men als bekend veronderstelde. Uit de Franse beginperiode de „heroïsche” tijd van Toulouse Lautrec, Steinlen, Chéret, Pal en Willette is hier heel wat bijeen, aangevuld bovendien dooreen serie reproducties in kleur van affiches door de eerstgenoemde, maar ik had nog nimmer de plaat onder ogen gehad, die Willette vervaardigd heeft voor een Hollandse wereldfirma in cacao: een gezellige levensgrote Zeeuwse boerin, ten voeten uit, frontaal en precies inde as van het vlak. Ook de beroemde plaat, die Toorop maakte voor de Delftse slaolie is aanwezig plus een paar typische representanten van de „Nouveau Style”. Na 1900 is het met het artistieke affiche in ons land een tijdlang de dood inde pot, totdat Roland Holst en Cris Lebeau hun typisch aesthetische affiches maken voor toneelvoorstellingen meer Speciaal voor Royaards en Ver.kade en tot de Jaarbeurs komt met op- drachten aan Lion Cachet, Cordel, Jongert, Leo Gestel en enkelen méér. Ook hier blijft na de glorie van het begin een inzinking niet uit, die pas na de tweede wereldoorlog (ondanks incidentele successen inde jaren dertig) definitief is overwonnen. Gelukkig is Frankrijk, wat betreft de periode na de eerste wereldoorlog creatief vertegenwoordigd inde figuur van Cassandre, die vernieuwend werkte en misschien aan de wereld voor het eerst duidelijk maakte, wat een typisch modern affiche behoort te zijn. Hoe het artikel of het „object” zelf waarvoor de reclame is bedoeld, in decoratieve lijnen tot een suggestief beeld kan worden uitgewerkt. Jammer dat zijn knappe Franse tijdgenoten-collega’s als Solon, op deze expositie ontbreken. De tijd gaat voort en ook de bekoring, die van Cassandre uitging heeft men afgeschud, al zijnde normen, die hij stelde, wel nimmer geheel verloochend. De hedendaagse periode met haar uiteenlopende richtingen en methoden, toont een bezwaarlijk te definiëren beeld, al herkent men haar facetten terstond. Hét' affiche wordt eensdeels zakelijker, anderdeels minder streng decoratief, speelser, méér mededeling, .minder kunst, maar in haar functionele taal toch artistiek verantwoord. Het is waarschijnlijk louter toeval dat in deze groep het accent hier vooral komt te liggen op Zwitserland, al wil ik graag toegeven, dat de Zwitsers na de oorlog een belangrijke, ja zelfs leidende rol zijn gaan spelen. Ik noem als een van de mooiste de plaat van Swiss Air „Near East” met de schaduw van een kameel op het geribbelde woestijnzand. Gelukkig doen ook andere centra als Wenen weer mee, maar van Duitsland bemerkt men op de tentoonstelling weinig of niets, gn van de landen achter het Ijzeren Gordijn heb ik evenmin iets opgemerkt. Misschien wordt daar ook niet veel anders gemaakt dan „gemeenplaats”. Italië laat weer een eigen markant geluid horen („Tenta!”). Het zijn zeker niet de minste reclameplaten. die aan de propaganda voor een Italiaanse schrijfmachine te danken zijn. Die „dwaze” plaat b.v. met niets dan een morsige wirwar van cijfers en alleen in het midden de naam. Dwaas, irrationeel, kinderlijk, •en toch: het is iets, het doet wat. Van de Nederlandse affiches zijn vooral die, welke tentoonstellingen van kunst annonceren van belang en Dick Elffers is niet een van de minste creatieve geesten op dit gebied. Ik heb mij beperkt tot enkele indrukken. Voldoende hoop ik. om de lezer ervan te overtuigen, dat een gang naar het Zeister Slot de moeite waard is. Bijgaande foto geeft een idéé van de affiche-tentoonstelling, die in het Zeister Slot is ingericht en waarop de bezoeker een overzicht krijgt van de ontwikkeling van het moderne affiche sinds de klassieke periode van Toulouse-Lautrec. Met behulp van het materiaal, beschikbaar gesteld door de Ned. Kunststichting konden de affiches zodanig worden gehangen, dat ze gemakkelijk zijn te zien, van dichtbij én op een afstand. terwijl het geheel toch een rustige, overzichtelijke indruk maakt. --- MISBRUIK VAN DE PSYCHOLOGIE f)E GRONDLEGGER der moderne dieptepsychologie, Sigmund Freud, heeft er meer dan eens op gewézen, dat de grote schrijvers eigenlijk de leermeesters der psychologen zijn, doordat zij intuïtief in hun werk bepaalde essentiële menselijke gedragingen beschrijven, die pas later door de vakwetenschap kunnen worden geanalyseerd en geduid. Het voor de hand liggende voorbeeld is hier de Griekse tragedie-dichter Sophokles, die in zijn Oedipus-tragedie de figuur schiep van de man die, door het blinde noodlot gedreven, zijn vader vermoordt om daarna zijn moeder te huwen: een impuls die, naar Freud ontdekte en leerde, in onze monogame cultuur op een bepaalde leeftijd in ieder kind optreedt en die, bij minder harmonische ontwikkeling, op later leeftijd het grondpatroon kan vormen van allerlei psychische moeilijkheden. Ook de figuren van b.v. Shakespeare of Dostojewsky vertonen trekken, die als het ware exemplarisch zijn voor de afgronden, die de hedendaagse zielkunde inde mens heeft blootgelegd; men denke maar aan de lucide beschouwingen vaneen Sjestow naar aanleiding van Dostojewsky’s „keldermens”, de man uit het souterrain. (~yviGEKEERD heeft natuurlijk de v-/ moderne psychologie de dichters en prozaïsten niet onberoerd gelaten, en hebben zij vaak een dankbaar gebruik gemaakt van de resultaten dezer wetenschap. De romans die Vestdijk schreef over de kleine en opgroeiende Anton Wachter zouden zonder theoretische kennis der dieptepsychologie niet zijn ontstaan, en ook een zoveel ouder werk als Liefdeleven van Marcellus Emants (verschenen in 1915) is waarschijnlijk ondenkbaar zonder de onderzoekingen naar de aard der hysterie dooreen Charcot en een Freud, die reeds min o'f meer werden geaccepteerd, al hebben dan ook vele zielkundigen uit de oude school en zonderlingen als b.v. de arts Van Dieren (die de wereld een tijdlang overstelpte met brochures en dikke boekwerken tegen „Freud en het perverse gevaar”!) nog lang geprotesteerd tegen de vermeende ontluistering, die met name de theorie der psychoanalyse voor de mens als geestelijk wezen zou betekenen. Dat tegenwoordig de grondstellingen der dieptepsychologie hoe verschillend dan ook geïnterpreteerd en toegepast nauwelijks meer bestreden worden in vakkringen, is evenzeer een feit als dat zij meer en meer zijn doorgedrongen tot het ontwikkelde lekenpubliek. De enorme uitbreiding die b.v. het moderne maatschappelijke werk nog altijd ondergaat, brengt met zich mee dat velen die, vroeger afzijdig van de psychologie stonden, althans met de practische toepassing ervan worden geconfronteerd, en zelfs scholieren praten tegenwoordig mee over het minderwaardigheids- respectievelijk Oedipus-complex. De stroom van vooral Amerikaanse populaire toneelstukken en films, die zich op de een of andere wijze met de psychiatrie bemoeien, moge hier evenzeer gememoreerd worden als b.v. een „highbrow”-stuk van T. E. Eliot. De cocktailparty, waarin de psychiater geheel de plaats heeft ingenomen, die voor een vroeger geslacht door predikant of priester werd bezet. Hoe gevaarlijk en vervlakkend de popularisering vaneen toch nog altijd moeilijke en eigenlijk nog in de kinderschoenen staande wetenschap als de psychologie voor de romanliteratuur kan zijn, wordt duidelijk als men ook een boek leest als het romandebuut van de schrijfster Aya Zikken, „A1 sw ij groot zijn, dan misschien”, dat ongetwijfeld kwaliteiten heeft, waarover ik straks graag iets wil zeggen, maar dat als geheel toch bedorven wordt door de oppervlakkige en schematische wijze, waarop de schrijfster gemeend heeft een axioma uit deze wetenschap te moeten toepassen. Wij zijn hier niet alleen mijlen ver verwijderd van de intuïtieve, geniale psychologie der grootmeesters als Sophokles, Shakespeare of Dostojewsky dit zou men Aya Zikken wel inde allerlaatste plaats euvel mogen duiden! maar ook van de deskundige en subtiele wijze waarop een Emants en Vestdijk, elk op hun eigen wijze, hun rationeel verworven kennis van de afgronden der menselijke ziel in hun sehrijversinspiratie wisten in te vlechten. Wat toch is het geval? *]pOT de axioma’s der moderne zielkunde behoort het verschijnsel dat, iedere mens de belevenissen en speciaal de mislukkingen van zijn jeugd tracht te herbeleven in latere situaties; hij „projecteert” b.v. zyn vader in zijn werkgever, zijn moeder in zijn verloofde, een oudere broer die hem tyranniseerde in zijn chef, etc. De z.g. „Psychologie des zweiten Kindes” hangt met deze grondstelling samen, als ook de herhaalde waarschuwing, die de maatschappelijk werker wordt toegevoegd, zijn cliënten toch vooral niet, door toevallige gelijkenis, te associëren met bepaalde figuren uit zijn verleden, voor wie hij een bepaalde sympathie of antipathie koestert, die hij onbewust op de cliënt zou kunnen overdragen. Op deze wijsheid nu is de roman van Aya Zikken gebouwd. Zij beschrijft een echtpaar waarvan het huwelijk na tien jaar dreigt te mislukken, hetgeen beide partners zich pas duidelijk realiseren als zij ’n vacantie in ’t buitenland gaan doorbrengen. Op hun eerste bergtocht wordt de vrouw licht gewond en blijftin een hut achter, terwijl de man alleen een wandeling gaat maken. Beiden overdenken tijdens deze eenzaamheid hun verleden, ieder in een afzonderlijk uitvoerig hoofdstuk. De vrouw herinnert zich een jongen uit haar schooljaren, die op sadistische wijze de baas over haar speelde en hhar daardoor boeide; de man overpeinst zijn eerste huwelijk met een oudere, burgerlijke vrouw, die hem in zijn maatschappelijke carriëre dwarszat en vooral zijn artistieke en creatieve aspiraties inde grond boorde. Blijkbaar leiden bij beiden deze paar uren van zelfinkeer tot de conclusie dat hun huwelijk vooral scheefgaat doordat zij ieder voor zich de dominerende figuur uit het verleden inde andere partner hebben geprojecteerd, en wanneer zij tot deze conclusie zijn gekomen, is een slothoofdstuk van twee pagina’s voldoende om te suggereren dat nu alle problemen zijn opgelost: zij gaan tenminste vredig in eikaars armen op de rustbank liggen slapen! OET lijkt mij zonder meer dui-I■* delijk, dat de schrijfster zich in dit boek zozeer tot een caricaturaal schema vaneen op zichzelf wetenschappelijk aanvaard verschijnsel heeft laten verleiden,! dat ik er geen andere kwalificatie dan „misbruik van psychologie” voor bedenken kan. Daardoor heeft niet alleen de bedoeling die zij kennelijk met deze roman gehad heeft: een huwelijk nu eens niet definitief te laten stranden maar door redelijk inzicht te reïntegreren, schipbreuk geleden, maar is ook het boek als zodanig mislukt. De fragmenten waarin het uiteenvalt hangen als los zand aan elkaar en, zoals reeds werd opgemerkt, het slot is alles behalve overtuigend. Dit is jammer, omdat uit de fragmenten op zichzelf blijkt dat Aya Zikken een schrijfster is met grote mogelijkheden, die zowel levende personen als een bepaalde sfeer beeldend weet op te roepen. Leest men vooral de beide middelste hoofdstukken als afzonderlijke novellen, dan wordt dit zonder meer duidelijk. pERDER dan een romancière is ■*“' Aya Zikken een begaafde novelliste. Zij kan zich beter, binnen de grenzen van het kortere verhaal, door haar artistieke intuïtie laten leiden dan te pogen het hachelijke genre van de moderne roman te beoefenen, dat zoveel „vollediger” eisen' ook aan de „wetenschappelijke” onderbouw van de auteur stelt! Deze indruk wordt bij mij nog versterkt door de lectuur van „He t godsgeschenk onbegrep en”, ee:i op zichzelf staande novelle, die nog voor de roman werd gepubliceerd. In dit verhaal, dat ook overeen spaak lopend huwelijk handelt, vertelt de vrouwelijke hoofdpersoon haar ervaringen met haar echtgenoot aan twee vrienden, en het merkwaardige is dat beide verhalen even ver uit elkaar lopen als de karakters van de mannen tot wie zij zich richt. Zowel blijkens deze novelle als blijkens haar roman, is de schrijfster vooral geïntrigeerd door het probleem wat de mens eigenlijk is, behalve wat hij is inde ogen van zijn medemensen; een uiterst belangrijk probleem, dat niet zozeer de psychologie raakt, maar waarmee vooral de hedendaagse existentie-filosofen zich herhaalde 'k hebben bezig gehouden. Aya Zikken benadert het met zulk een fijnzinnige vrouwelijke intuïtie, dat men op grond hiervan van haar als schrijfster nog veel verwachten kan. Blijft zij trouw aan deze intuïtie, dan zal zij zich inde toekomst hopelijk vrijwaren van het wetenschappelijk dilettantisme dat- nu haar roman ontsiert en loopt zij zelfs misschien de kans, dat een toekomstige Freud ook van haar nog eens zal zeggen dat zij, dank zij haar artistieke begaafdheid, tot die schrijvers behoort, die men de leermeesters mag noemen van de wetenschappelijke ondèrzoekers, die na hen komen! AYA ZIKKEN --- LITTERAIRE KRONIEK A. MARJA over Aya Zikken „Als wij groot zijn, dan misschien”, roman; (ƒ 7.90) en „Het godsgeschenk onbegrepen”, novelle; (ƒ 1-90) Uitgave N.V. De Arbeiderspers, 1954. --- Zeist maakt kennis met de Utrechtse Progressieven Iets minder „abstract” C. A. S. De aan de exposities van affiches gekoppelde tentoonstelling van de Progressieven in het Zeister Slot, welke tot 18 Juni geopend blijft, biedt werk van ongeveer dezelfde mensen, die een aantal maanden geleden inde tuinzaal van het Utr. Centraal Museum aan bod waren. De zaal, waarin zij zijn ondergebracht heet de Eikenzaal, vermoedelijk naar de eikenhouten betimmering ,die zich hier bevindt, maar die volkomen schuilgaat achter de schotten,waarop de schilderijen zijn aangebracht. Stekelenburg maakt thans geen deel uit van het gezelschap, noch Luigi de Lerma, wellicht omdat Kunstliefde in Utrecht werk van hen bevat. Het zijn niet de minsten, die aldus verstek lieten gaan. Antoinette Gispen doet wel mee, maar distancieerde zich opzettelijk of niet toch enigermate door haar twee gouaches, bijzonder gaaf werk, inde vestibule van het Slot te laten hangen. Inderdaad is haar werk ook wel zeer afwijkend van het overige. Inde betrekkelijk kleine ruimte, waar lijst aan lijst, de schilderijen aan vier wanden zijn opgehangen, zullen de Zeistenaren, voorzover ze minder wegwijs zijn op de kronkelpaden van het moderne kunstlabyrinth wel eens een hartig woord laten horen; misschien zal meer dan één wel direct rechtsomkeerd maken ... Naar ik meen ten onrechte. Niet, omdat hier allemaal meesterwerken hangen, maar omdat de keuze zö is uitgevallen, dat ook minder getrainde beschouwers zich met een beetje moeite kunnen oriënteren. In het algemeen gesproken is het geëxposeerde werk minder „abstract” en meermalen (daardoor?) beter. Ik persoonlijk b.v. kan de inzending van Gerard Grassère, vooral de Machine en Het Atelier veel meer waarderen dan wat hij in het Centraal Museum liet zien en met mevr. An Fey is het eigenlijk niet veel anders. Ik hoop intussen, dat het donkerder palet van haar gouaches ook het bonte dito van haar schilderijen eens zal vervangen. Van Meine Jansen blijf ik Herfst zijn boeiendste prestatie vinden, Douwe van der Zweep heeft mij, waarschijnlijk juist door de felle kleur, het meest getroffen in het „Seinhuis” en „Stilleven met Boek”. Remko Watjes heeft mij overtuigd in zijn Verloren Zoon, een dramatisch gespannen visie, die ik, naar ik meen, al eens eerder van hem heb gezien. Ook E. I’Hoëst is hier méér te waarderen dan in zijn inzending in het Centraal Museum, maar minder dan in zijn werk op de recente tentoonstelling in Amersfoort. Het knappe glasrelief „Vissen” van Piet Krans was, als ik mij niet vergis, ook in Utrecht te zien „Jongen met hobbelpaard”, een van de aantrekkelijke doeken van Gerard Grassère, op de tentoonstelling van Stichtse Progressieven inde z.g. Eikenzaal van het Zeister Slot. ---