DE WILDE WESSEL. Inde onmiddellijke nabijheid van station Vogelenzang staat de landelijke herberg van Van Teylingen. Inden gevel prijkt, met het gezicht gewend naar het aloude huis te Vogelenzang, waar hij zoo gaarne vertoefde, om zich aan het jachtvermaak te wijden, de beeltenis vangraaf Flores V. Op dat portret tiet de Vorst er met zijn ebbenhouten knevel en kinbaard, zijn hoog voorhoofd, zijn donkeren oogopslag en zijn bruinen tint lang niet zoo levenlustig uit als we geneigd zijn hem ons uit de geschiedenis voor te stellen, zoodat men geneigd zou zijn te gelooven, dat de beeldhouwer nogal eenige speling aan zijne fantaisie heeft gelaten. In die herberg, die des zomers door tal van wandelaars uit de stad wordt bezocht, vereenigen zich des winters een paar avonden inde week eenige boeren uit den omtrek bij domino of pandoer. Maar het laatste half uurtje, lat ze er blijven, wordt aan gezellige kout gewijd. Dan zetten zij zich in een breeden kring om «vrindjan» ven groote oudenvetsche spaarkachel, waar Van Teylingen dan nog een «klontjes opdoet —, stoppen een ver,4che pijp, trekken de klompen uit en vetten de voeten op den blank ge'chuurden ijzeren ring, die op dito oooten om de kachel staat. Dan hoort men van tijd tot tijd een opmerking over de «heele avonden» of vver «die zwart-bonte van me» en over «die daggelders, die tegenwoordig swinters net zooveel zouën willen verdienen als ’s zomers, al zgn ’t maar halve dagen». Dit niet al te levendig gesprek wordt hechts afgewisseld door herhaalde vragen: «Van Teylingen gee’ me nog 'een bittertie» en door het poken van dezen kastelein, die er van houdt dat fijn gasten warm zitten ea vrindjan yroolijk snort. Doch gnnsch wat levendiger is het in die gelagkamer als de stormwind door de hoornen en over de duinen loeit of door den schoorsteen heen zijne krachten meet met die van het fel opylammende vuur inde kachel. Eenige minuten lang zitten zij dan zwijgend elkander aan te staren, zonder zelfs de gewone exclamaties te doen hooren, maar als eindelijk Van Teylingen, na een woest poken, als wilde hij het vuur helpen in zijnen strijd tegen den stormwind, als terloops opmerkt: «jongen, jongen, dat wordt van avond atwrenar. nTffi r nnn 'jnrrwiw air ftiTi •.**»*»»«** ga»» agfy net een weertje voor hem» — dan werpen allen plotseling een bijgeloovigen blik op de klok en zien daarna elkander weer gerustgesteld aan, daar zij zagen, dat het nog ver van middernacht was. Toch heeft dat enkele woord van den kastelein onrust in de gemoederen gebracht. Men hoortherhaaldelijk pijpen uitkloppen op den ijzeren voetenring, de vragen om «nog een bittertie» vermenigvuldigen zich onrustbarend en eindelijk zegt ook de oudste van het gezelschap, een dikke, zware landman, met enkele grijze haarsprieten over een bjjna kaal hoofd en met een niet door verstand uitblinkend gezicht: «ja, gee’ mijn der dan ook nog maar een». En hij zegt dit op een toon, dat ieder begrijpt, dat er eenige beteekenis achter schuilt en allen hem dan ook tegelijkertijd — misschien wel voor de honderdste maal in hun leven — vragend aankjjken. Hjj gevoelt blijkbaar het gewicht van zjjn persoon op dit oogenblik, doet een paar geduchte trekken aan zijn kort steenen pijpje, zoodat hjj eene wijl voor zijne belangstellende aanschouwers in een geheimzinnig waas van tabaksrook half verborgen is, en valt dan plotseling uit, terwijl hij zijne pijp op de hand leegklopt: «Voor geen duizend gulden !» En drie, vier der omzittenden vroegen tegaljjk: «Wat voor geen duizend gulden?» Daar hjj op die vragen zweeg, als golden zjj hem niet, herhaalde Van Teylingen nog eens dezelfde vraag zeggende: «Nou Jan oom, wat doe je voor geen duizend gulden, jong?» «Meen, nog voor geen tienduizend gulden, zoo waar as ik hier voor je zit. Zou j\j ’tdoen!» «Jongen, jongen, tienduizend gulden is een boel geld. ’t Zou al heel wat geks moeten zijn, als ik die niet zou willen verdienen», sprak Van Teylingen. «Zoo? Maar zou jij daarvoor, tusschen twaalven en éénen bjj zoo’n noodweer door Woestduin willen loopen, hè?» «Ik zou je schoon bedanken», sprak de kastelein. «Nog niet, al liep mijn grootmoeder zaliger vlak achter me met twee pastoors en een kapelaan», Er ging een huivering door het gezelschap bij deze ijzingwekkende woorden. Sommigen keken vóór zich, anderen schurkten zich de schouders en wreven zich de handen, alsof ze het koud hadden bij de gloeiende kachel, en één lichtzinnige was er, die half zacht zeide: «gee’ mjj-nog maar een bittertie». Dit woord haalde hem een grimmigen blik van Janoom, die blijkbaar beleedigd was door zooveel onverschilligheid, en een «asjeblieft» van den kastelein, die volstrekt niet beleedigd was, op den hals. «Ja, jij gelooft er niet aan, Teun; jij hoort in Afrika thuis bij de heidenen en Morremonen; die ook aan niks niemendal gelooven, maar niet onder fesoenlijke christenmenschen. En toch verwed ik mijn bruine merrie teugen jou geit, dat jjj ’t ’em van nacht ook niet lapt». «Aangenomen!» riep Teun. Maarde kastelein, die zulk een slot van den avond niet gewenscht vond, viel in: «Geen gedobbel in mijn huis, Janoom, dat weet je wel 1 Daar is al zoo menigeen ongelukkig mee geworden, daar mag ik als mensch niet toe meewerken. Wil jullie een haas verbiljarten, gaat je gang; daar zal je niet armer of rijker van worden. Maar geen kostwinder van je huishouden verwedden. Vertel jij ’t liever nog maar eens aan Teun, dan zal die wel tot inkeer kommen!» Middelerwijl was een beambte van den spoorweg binnengekomen en had de laatste woorden gehoord. Terwijl hij een glas bier bestelde en inden kring plaats nam, zei hjj: «Wel ja, Janoom, vertel de geschiedenis eens! Ik heb er al zooveel van gehoord, maar nog nooit het rechte». En Janoom, gevleid, dat hij ook voor vreemde ooren, de ooren vaneen heer,zijn ijzingwekkend verhaal zou kunnen doen, schraapte zg‘n keel, deed een paar korte trekjes aan zijn neusbrander, legde dezen weg en dronk daarna met één teug zijn bittertje uit, waarbij hij een beteekenisvollen blik wierp op den spoorwegbeambte, dien deze met een knipoogje aan den kastelein overbracht, tengevolge waarvan het glaasje een oogenblik later weer gevuld was. Janoom begon! «Als mijn grootvader nog leefde, maarde man is wel al zeventig jaar dood en mijn vader heit’m nog maar eventjes gekend, dan zou die ’t je hier uit zijn eigen mond kunnen laten hooren, hoe die, als kleine jongen, van zjjn bloedeigen vader had hooren vertellen, dat die zijn grootvader op een nacht, net een nacht als het nou worden zal, zijn meisje, die achter Woestduin woonde, eens naar huis bracht en toen hij onderweg een oogenblik stilstond want als je nog aan ’t vrijen bent, dan let een mensch op geen droppeltje regen of een bietjie wind, dat weten we allemaal, net zoo goed as dat we weten, dattat gauw genoeg anders wordt nou, en toen hij dan daar zoo’n oogenblikkie stilstond met zyn meisie, toen kwam Wilde Wessel ineens uit het bosch en sprong over hen heen net alsof-tie met hen speelde!» «Hu», deed het gezelschap, terwijl het verbleekte, behalve de ambtenaar, die het verbleeken bij den spoorweg verleerd had, en behalve Teun, die «nog een bittertie» bestelde. «Wessel?» vroeg de man van het verkeersmiddel. «Wessel, wie is dat?» «Wessel! Weetje niet wie Wessel is, Wilde Wessel?» riep half verontwaardigd Janoom. En hij voegde er dadelijk aan toe: «Wessel was de valkenier van den Vogelenzang, van graaf Vloris V, die hier tegen den muur staat en dien ze zoo ultra gemeen vermoord hebben. Dat weet je toch zeker wel?! Zoo, weet je dat ten minste! En die Wessel deed later nog zijn best om die gemeene graaf Van Borstelen, dat ook zijn eigen vijand was, nog te redden uit de handen van het Delftsche volk, dat hem aan schoenrlempies snee. Maar ’t lukte hem niet en dat noemde hij zijn christenplicht en daar is tie gek van geworden en nou is tie veroordeeld om bij slecht weer hier door de bosschen te dwalen». «Ja», riep Teun spottend, «maar alleen ’s winters, als er wat te jagen valt». Janoom wierp den spotter een gramstorigen blik toe en had een scherp antwoord gereed, dat de kastelein echter behendig voorkwam. «Och laat hem nou maar kletsen, Janoom! Vertel jij nou maar door. Je bent gebleven, dat Wilde Wessel haasjeover sprong over dien grootvader van je». «O ja! Nou u begrijpt dat was een heele consternaassie en toen ze thuis kwamen zei de moeder van zijn meissie dadelijk dat daar nooit iets goeds van kon kommen. En het goeie mensch heit wel gelijk gehad. Van stonden afaan is het meisje aan het sukkelen geraakt en nog geen jaar daarna, nog voordat ze getrouwd waren, was ze al morsdood. Dat kwam van de schrik, die ’r onder d’r leejen was geslagen. En het kindje was gelukkig dood. En zoo zou ik je nog wel honderd dingen van Wilde Wessel kunnen vertellen. Waar is schele Mie d’r oog mee kwijtgeraakt?... Oinmers ook toen ze ’s nachts door Woestduin liep en metter kop tegen een boom aanstootte, ten minste ze dacht eerst dat het een boom was, maar toen die boom ineens begon te schateren van lachen zag ze wel dat het Wilde Wessel was, en voit was-’t-er oog, heelemaal vort, ook van de schrik. Schele Mie geloofde vroeger ook niet aan Wilde W’essel, maar vraag haar nu eens. Ze zou haar andere oog er niet graag aan wagen». «’t Is een rare kerel, die Wessel», zei Teun tot den spoorwegambtenaar. «Daar moet ie den jonker van den Vogelenzang maar eens naar vragen. Die zeit: als de boeren Wilde Wessel gezien hebben, dan krijg ik de koorts op mijn ljjf, want dan wordt er hier gestroopt en gestolen dat het zoo’n aard heeft». Janoom hief dreigend de vuist op en wilde er juist een flinken slag mede op de tafel geven, maarde kastelein, die de ruzie had voorgevoeld en daarom de klok ongemerkt een eindje vervóórd had, riep eensklaps: «Kerels, kerels, ’t is kwart voor twaalf, denk om Wilden Wessel!» En allen sprongen verschrikt overeind, rekenden af en haastten zich met Janoom aan het hoofd de deur uit. Alleen Teun en de ambtenaar bleven nog even en vonden niet de minste tegenwerping bij den kastelein op hun voorstel om r.og één afzakkertje ter eere en op de gezondheid van Wilden Wessel te nemen. ESKES. --- Eene noodlottige vergissing. Het was een heerlijke voorjaarsachtige nacht van April, en wel van dien door broedermoord zoo verschrikkelijken April in 1871. De stralen der maan vielen door het open raarn vaneen gezellig gemeubelde kamer en vermengden zich met den gloed van het houtvuur, dat op den haard brandde. Gouden en zilveren glimplichtjes flikkerden op de gordgnen en draperieën, dansten o'er de glimmende tegels van de vuurplaat en blonken op den wit marmeren schoorsteenmantel. Zij lieten den ouden rood fluweelen leunstoel zacht schitteren en fonkelden op den voet van de kolossale koperen lamp, welker overheerschend licht zich verloor inden kouden witten glans en den breeden rooden gloed, die de kamer verlevendigden. Deze gezellige kamer was een deel vaneen gezellig buisje, gelegen te Neuilly. Op nog geen 15 meter van den tuinmuur, aan den overkant van den weg, stroomde kalmpjes deSeine, met de bladerlooze boomen van het eiland «La Grande Jatte» als een zwart kantwerk tegen den diepblauwen hemel afstekend. Nu en dan werd de rustige stilte afgebroken door het gerucht van een geweerschot en werd men er aan herinnerd, dat er in deze vreedzame omgeving werd gevochten. Doch de vroolijke gloed van het houtvuur viel niet alleen op levenlooze voorwerpen; hij verlichtte ook twee jonge, fraaie gezichten. Een mooi jong vrouwtje zat op een kussen en keek met hare liefdevolle grijsblauwe oogen naar haren echtgenoot een knap man van omstreeks 25 of 26 jaren, donker, groot en sterk, met iets droomerigs en peinzends in zijne trekken, wat hem het uiterlijk gaf vaneen filosoof of dichter. Zijne donkere oogen dwaalden af van den stapel brieven naast hem op de schrijftafel, bleven rusten op zijn vrouwtje, dat aan zijns voeten zat,en haar fraai hoofdje tusschen zijne handen nemend, kuste hjj haar op den mond. «Ziezoo, dat is klaar; zoo gaan al mijne ca le vlammen dood», zeide hg, een rosé briefje aan stukjes scheurend boven een prullenmand, al half gevuld dooreen regen van dergeljjke fragmenten ; «maar Agnes, jg weet wel», voegde hij er bij, «dat er slechts één vlam voor mg bestaan heeft, lang, heel lang geleden»! En terwgl hg haar nog aankeek, nam zgne hand weder werktuigelijk een brief op, om dien denzelfden weg te doen opgaan als de anderen, toen tg hare hand zacht op de zgne legde, en half verschrikt, half vleiend, zeide: «Verscheur dien brief niet, Anicet, het is er een van mg». Hij beschouwde hem even en een gelukkige glimlach kwam op zgn gelaat. «Ja», zeide hg, «deze is er een vaa jou. Hg is kort; maar het is de heerlijkste, dien ik ooit kreeg. Luister: «Liefste schat, ik zal om 2 uur klaar zrjD, en je weet, de mairie is tot 4 uur open». Stellig had de beste schrijver het niet beter en in minder woorden kunnen zeggen. Je schreeitdatop den morgen, dat je Vaugirard verlies en denzelfden avond waren wg man en vrouw». «Ja», antwoordde zg, den anderen kant uitkijkend en alsof ze sprak in een droom, «ik schreef het den morgen, dat ik Vaugirard verliet». Zij sloeg een arm om hem heen, alsof zij bescherming bij hem zocht, en zuchtte: «Vaugirard, arme Lucien. Weet je wel, dat ik dikwijls dacht, wat hij wel moet gevoeld hebben, toen hijfontdekte, dat ik weg was? En dat ik nog soms bang ben, als ik eraan denk, wat hg zou zeggen en doen, als hg wist, dat ik jouw vrouw ben gewonlen. Dat van alle mannen ter wereld juist jij, zgn vriend mijn man zijt ?» «Hij weet het niet», hernam hg kalm, «en, beste, het is beter voor ons beiden, als hij het niet weet. Hg had je niet werkelijk lief, en het was toch ook jouw schuld niet,dat je mg bemindet in plaats van hem. Kon ik het helpen,dat ik jou liefhad, en kon ik dbn verdragen,dat je zijne vrouw zoudt worden ? en vrijwillig had hg je nooit afgestaan!» «Maar hg zal het eens ontdekken, hetzij vandaag of morgen, en dan....» «Dan, zeide hij, zijne schouders ophalend en gedwongen lachend, «wel, ian dan zal ik het met hem uitmaken. Op het oogenblik wensch ik dat nog lob ver mogelijk weg, want Lucien Andoche is een lastig mensch om mede te twisten, en zijn leven onder de communards zal hem niet zachter gestemd hebben. De hemel alléén weet wat hij doen zou, als hij ’t ooit merkte». Hq legde het brietje zorgvuldig op iqde en nam een ander, met dunne dames-lettertjes beschreven. Toen zij het zag, begonnen hare oogen te flikkeren en riep zij: «Geef mij dat ding, laat mij het in duizend stukjes scheuren en in het vuur gooien!» «Ben je nog zoo jaloersch van Eulaliet» «Jaloersch? zij is de vrouw, die je bemindet voor je mij zag! Zjj is de vrouw, die je in het ongeluk gestort zou hebben!» Het is eene slechte vrouw eene valsche vrouw!! en ik haat haar; zelfs nu nog!» «Maar nu ben je toch zeker niet bang meer voor haar? Ik verzeker je, hoor, dat je geen angst meer behoeft te hebben!» antwoordde hij lachend. «Zjj zou je van mij hebben vervreemd, als ze ’t had kunnen doen», hervatte zjj. «En meer dan dat: je hield van haar, en dat vergeef ik haar nooit, nooit! nooit!! . .. Doch», viel zij zich inde rede, «laten we over iets prettigers praten. Madame Eulalie de St. Sévère is niet waard dat we boos om haar worden». «Ik geloof niet, dat madame de St. Sévère ons nog veel lastig zal vallen», meende bq, «zij houdt zich schuil in Parijs en als de heeren van het Hotel de Vïlle haar vinden, zullen ze haar wel doodschieten of aan een lantaarn ophangen, of zoo iets». «Doodschieten, ophangen?» vroeg ze met iets angstigs in hare stem. «Wat heeft ze dan gedaan?» «Zij noemen haar een spion van Versailles», hernam Firmin. «Eergisteren hoorde ik aan de Porte Maillot het een en ander van haar. Andoche heeft daar het commando». Een vluchtig kloppen aan de deur deed hen opschikken. De oude knecht, blijkbaar een oud-soldaat, kwam binnen. «Het spijt mg, dat ik mijnheer stoor, maar . . .» «Nu wat is er, Basile?» vroeg Firmin. «Het is niet mijne schuld, maar... madame Eulalie wilde binnengelaten jworden». Tegelijkertijd stortte eene groote, zchoone vrouw, die haar eerste jeugd al voorbü was, naar binnen, het gebat half verborgen ineen grooten grijzen mantel: «Bed me! Anicet!» riep zij heesch. «Om godswil,red me! Zij zijn me op fi spoor 1 Ik ben ze maar juist ontkomen! Verberg me; ze zullen me Aooden, ze zullen me doodenü» Zjj wierp zich op hare knieën en vouwde ■meekend de handen. «Eens hadt ge me lief, Anicet», riep ■Q koortsig. «Om ’s hemels wil, red me nu!» Doch plotseling Agnesziende ■taan, richtte zjj zich trotsch op en zeide: «Gjj haat mq, mevrouw, ik weet, dat gq mij haat! Nu, gij zult niet lang te wachten hebben op uwe wraak! De communards zullen me hier vinden en doodschieten. Dan zult gij wel bljjde zijn, denk ikl» De jonge vrouw legde hare hand op baar mans schouder en zeide vastberaden: «Anicet, als ge deze vrouw kunt redden, doe het dan. Ik, uwe vrouw, vraag het u. En om te bewijzen, dat ik niet vrees, voor wat zij kan doen, zal ik u alleen laten, en u samen de plannen voor de vlucht laten maken». De vluchtelinge stamelde een woord van dank, doch Agnes zeide: «Ik verlang uwen dank niet», en haarman omhelzende: «Goedennacht, lieveling, God zegene je!» Toen zq weg was, vroeg hij woedend aan Eulalie: «Waarom komt ge hier, waarom komt ge mjjn vrede verstoren, gij, die hem mq vroeger al zoo lang hebt ontnomen?» «Heb medelijden», stamelde zij. «Heb medelijden metmjj, arme ongelukkige!» «Ik geloof niet, dat gij waard zijt», zeide hij, «dat mijn trouwe knecht en ik ons leven voor u wagen; maar nu mijne vrouw het wil, zal het gebeuren». «Basile», vervolgde hij, «gij zult uw best doen om met madame de St. Sévère de rivier over te zwemmen, en oppassen, dat gij niet stoot op patrouilles van Versailles, want in ’t donker zouden ze op u vuren. En gij, mevrouw, zult u aan den overkant moeten verbergen tot morgenochtend, en dan uwen weg zoeken over Courbenoie en St. Cloud naar Versailles. Dit zal het beste voor u zijn; en nu, goeden nacht!» «Het is eene gevaarlijke aardigheid», zei Basile, «maar als mijnheer het wenscht, zal ik het wel klaarspelen; en behalve dat zou ik toch alles ter wereld willen doen om die schelmen van communards een poetste bakken!... Drommels! Ik wou, dat ik 20 jaar jonger was, mijne vingers jeuken om weer eens een bajonet te hanteeren! Die ellendelingen, die zóó weinig begrip van eer en land hebben, dat ze die Duitsche stierenkoppen laten toekijken hoe de Franschen elkaar de keel afsnqden ! Kom, mevrouw, het zal een heele torn zqn, maar ik zal u helpen om die communards te misleiden, en desnoods den duivel erbij». Zij vouwde hare handen en opende de lippen om nog iets te zeggen, doch Anicet voorkwam haar en zeide : «Ga, mevrouw, ga zonder iets te zeggen. Gq vraagt me om uw leven, en ik geef het u, mijn eigen leven er bq wagend, ga 1» Op dit oogenblik hoorde men juist inde verte de signaalfluit der federalen klinken. «Laat ons spoedig gaan, mevrouw», sprak de oud-soldaat. «Die honden van communards zijn dichtbij. Wq hebben geen oogenblik te verliezen. Snel, vóór het te laat is !!» Met een gemoorden kreet vloog zjj de deur uit, den tuin in en even daarna hoorde Firmin de tuinpoort dichtklappen en meende hij een zwak geplas in ’t water waar te nemen. Toen trad weer dezelfde kalmte in van vroeger, echter nog steeds door verwqderd geweervuur afgebroken. Hij plaatste zich weder voor zijne schrijftafel en begon op nieuw met ijver aan den stapel briefjes. Maar langzamerhand werden zijne gedachten afgeleid en geheel in beslag genomen door allerlei herinneringen uit vroeger dagen, zoodat hij niets hoorde van de naderende voetstappen van mannen. Doch plotseling ontwaakte hq uit zqne mijmering en toen hij de stemmen vernam, sloop hij op de teenen naar het raam, met ingehouden adem luisterend. «Ben je er zeker van, dat ze hier is ingegaan ?» fluisterde een barsche stem. «Werkelqk, kapitein!» «Als je me bedriegt, snjjd ik je de ooren af, schelm!» «Ik wil u in ’t geheel niet bedriegen, mijnheer de kapitein, ze is hier ingegaan». «Wat duivel!» riep eensklaps de officier, «dit is Anicet Firmin’s huis. .luist de plaats waar ze hulp zou kunnen vinden! Ze denkt zeker, dat hq haar kan redden. Dat zullen we dan eens zien voor den drommel! Hier, Odin, klim over den muur en maak het deurtje open!» Firmin kon zien hoe de man over den muur klom en hoe de soldaten het geheele huis orflringden; en het raam openend, vroeg hij: «Heidaar! Lucien! ben je daar,wat moet je hier? Wat kom je me in mijn werk storen?» «Och», zeide deze lachend, «ik wilde je eens een visite komen maken. Mag ik even binnenkomen ? Hé ! sergeant Crépin, let op de mannen!» En nader komend tot vlak voor Firmin, vroeg hij hem zacht: «Zeg eens, is hier niet eene vrouw in huis?» Door deze plotselinge vraag verrast, en denkende dat het noodlottige oogenblik was gekomen, waarin hij zich en zijne vrouw moest verdedigen tegen de woede van Andoche, verbleekte hij even, doch was spoedig weer meester van zich zelven en zeide op verbaasden toon: «Wat meen je daarmee? Wat voor eene vrouw ?» «Kom, dat begrijp je wel; je hield vroeger nog al van haar ! En», vervolgde hij, plotseling ernstig wordend, «houd je nu maar niet van den domme, want ik weet zeker, dat ze hier is. Wq zijn oude vrienden, dat is waar, maar dat zal me niet verhinderen mijn plicht als soldaat te doen, ook al is het hinderlijk voor jou». «Maar zeg dan toch wie je zoekt?» «Ik zoek madame de St. Sévère en eisch haar op!» «Madame de St. Sévère is niet hier», antwoordde Anicet, gerustgesteld dat Andoche niet om Agnes kwam. «Weet je dat wel heel zeker? Men heeft haar hier zien ingaan». «En toch geef ik je mijn woord, dat ze hier niet is!» «Meen je dat werkelijk?» «Wat geeft je het recht, aan mijn eerewoord te twqfelen?» was het kalme en waardige antwoord. «Je hebt gelijk, aan je woord mag ik niet twijfelen; het is mijn plicht je te gelooven. Ik zal weggaan, maar ik stel het me tot een plicht om hier eenige mannen achter te laten. Zij zullen je niet hinderen ; het is zelfs wel goed om zoo’n bescherming te hebben in dezen tijd van onrust». En zonder verder afscheid te nemen, ging hij naar buiten. Inden tuin gekomen, riep hq zqn sergeant. «Sergeant Crépin», zeide bij, «er is hier in huis eene vrouw verborgen, ik ben er zeker van. De man, die hier woont, is een vriend van mij. Hij ontkent, dat er eene vrouw bq hem is, en het moet den schijn hebben, dat ik hem geloof. Daarom ga ik weg; maar als ik weg ben, ga dan door de kleine deur het huis binnen en doorzoek het goed, vooral de bovenverdieping. Als je er eene vrouw vindt, pak haar dan, zet haar tegen den muur en schiet haar dood zonder je verder er om te bekommeren. Zij is een spion van Versailles». «Dat is een kolfje naar mijne hand», antwoordde Crépin, met een halfdronken lach. «U kunt gerust op mij vertrouwen; zij zal nooit weer spionneeren, als ik haar inde gaten krijg!» Anicet was in geene aangename stemming achtergebleven. Hij begreep zeer goed, dat nu het geheim van zijn huwelijk weldra moest uitkomen. En dat hq dan zou moeten vechten, was zeker, in zoovere kende hij Andoche wel. «Welnu», zeide hq tot zichzelf, «dan zullen we vechten. Men kan geen ommeletten bakken zonder eieren te breken. Hoe eerder het dan gebeurt, hoe liever, want des te eerder is het achter den rug». Hij ging weer voor zqn bureau zitten, en begon weer te lezen in al die oude epistels; weldra brachten zij hem geheel in het rijk der herinnering, en steeds lezende en denkende geraakte hij weder spoedig in eene dergelijke verdooving als daar straks. Ook nu hoorde hij weer niet, dat er menschen door zqn huis liepen. Hij hoorde zelfs niet den spoedig gesmeorden gil van angst, dien zijne vrouw uitstiet bij de ontmoeting met sergeant Crépin. Plotseling vloog de deur open en opkijkende zag Anicet den dronken sergeant tegen de deurpost leunen. «Wat wilt ge hier?» vroeg hq verstoord. Een duivelsche lach kwam op het woeste gelaat van den ellendeling. «Niéts», antwoordde hij. «Welnu, als dat zoo is, ga dan heen!» «Waarde vriend»,zei Crépin spottend, «dat doe ik nou eens net zeoals ik wil; als ik gaan wil, dan ga ik, en als ik blijven wil, dan zal ik blijven». «Wacht maar tot je kapitein terugkomt, dan zullen wij je wel eens leeren beleefder te zijn!» «Wel, wel! zou je dat denken! Beleefd ! alle duivels! wij zijn niet verplicht om beleefd te zijn. Onze plicht is om verraders te dooden en verraderessen ook, en dat gaan we nu eens doen, en dan mag jij toekijken! We zullen haar tegen den muur aanzetten en dan: paf! Leve de commune!» Langzaam was Firmin opgestaan. Hij zag aschgrauw en zijne oogen staarden met ontzetting naar Crépin. «Gaat gij iemand tegen den muur zetten en doodschieten ?» vroeg hij sidderend. Een verschrikkelijk vermoeden rees bij hem op en verstikte hem bijna. «Gaat ge iemand tegen den muur zetten en dan doodschieten ?! Wien gaat ge doodschieten?» «Ha, ha, ha, alsof ge dat niet weet! Je dacht, dat je dien armen sukkel van een kapitein eens netjes voor het lapje hadt gehouden, hé? Maar die arme kapitein Andoche is nu niet juist zoo’n groote dwaas als jij wel dacht!» «Spreek man !» riep P’irmin, den comnr.unard naderende met bevende, uitgestrekte handen en puilende oogen. «Antwoord me, wien gaat ge doodschieten?» «Kom! Je bent lastig met die uitleggingen», zei Crépin smalend. «Ik zou haar geboorte-akte en huwelijksakte wel willen overleggen, maar ik heb geen tijd om die te halen; het spijt me wel, dat ik u daarmee niet kan dienen!» «Als je niet terstond spreekt», gilde Anicet buiten zichzelven, «zal ik de woorden uit je keel trekken !!» «Nou, nou, we worden onbeleefd», lachte de sergeant. «Ik dacht niet, dat dat met uwe waardigheid strookte! Maar als je er op staat, wil ik het wel zeggen. Het is volstrekt geen geheim: Wij gaan een spion van Versailles fusilleeren, madame de Sévère». Firmin had bijna de kracht niet meer om te zeggen, dat zij al lang niet meer daar was, en dat hij dat ook aan Andoche had gezegd. «Nu ja, dat heb-je gezegd, maar dat was natuurlijk niet waar; waarom nu nog langer die comedie gespeeld! Wij hebben ze hier boven gevonden. En luister», voegde hij er bij, terwijl men voetstappen inde gang hoorde, «nu gaan ze naar den tuin met haar, om haar te vonnissen!» Anicet vloog op de deur toe, doch Crépin pakte hem vast en smeet hem inde kamer terug. Hq sprong naar het raam,' maar daar wachtten hem een half dozijn bajonetten. «Wacht! houdt op !» riep hq in zijn doodsangst. «Om Godswil! Dat is madame de St. Sévère niet, dat is geen spion!» «Hebben we nog niet genoeg van die gekheid gehad! Wie is het dan, als zij het niet is?» «Het is mijne vrouw!» «Nu is het genoeg, mij houd-je niet voor den gek... Gij getrouwd? Wel, weet de heele wereld dan niet, dat je ongetrouwd zijt? Hebt ge niet altijd zelf gezegd, dat ge hier alleen leeft?... Het is nu wel heel mooi van je, dat je je oude liefje wilt redden, maar dat gaat niet; het is niet handig genoeg overlegd. Ik snapte het dadelijk !» «Als je mij niet wilt gelooven», riep Firmin in zijn angst, «roep dan je kapitein, die kent haar, en zal je zeggen wie ze is». «Ik ben dat gezanik nu moe, en ik heb de eer je goeden avond te wenschen». Met deze woorden sloeg Crépin de deur dicht. Dadelijk kwamen vier communards de kamer in, pakten Firmin vast en brachten hem achter inde kamer, niettegenstaande hij met de kracht der wanhoop worstelde om los te komen; doch evengoed had een kind tegen een reus kunnen worstelen! Zijn doodsangst verblindde hem en ontnam hem de spraak. De oogenblikken schenen hem dagen toe en hij had een gevoel alsof zijn eigen warm bloed uit zijne oogen stroomde. «Mijne arme, arme Agnes!» was alles, wat hij in staat waste stamelen. Het scherpe gekraak vaneen salvo drong tot hem door, en met een onrnenschelijken gil scheurde hij zich los en vloog naar het raam Aan den voet van den muur, in Anicet Firmin’s tuin, met glazige oogen, uiteen half dozijn wonden het bloed over haar witte japon stroomend, ligt het lichaam van de vermoorde. De witte muur boven haar is gemerkt met ongeveer een dozijn ronde gaten en met bloed bespat. Langs de eene zijde van den tuin staan in eene ongeregelde lqn, op hunne geweren rustend, een troep communards. Op het grasperk aan beide zijden van het grindpad staan Anicet Firmin en Lucien Andoche tegenover elkaar met de revolver inde hand, op een afstand van tien pas. Hun gelaat is wit, dat van den communard van woede; het andere door een soort droomachtige ontzetting. «Heeren 1» zegt een jong soldaat, die als secondant de zaken regelt, terwjjl hij achteloos zijn knevel opstrijkt, «ik zal u vragen: Zijt ge gereed? —Antwoord is niet noodig. Dan zal ik com mandeeren: een, twee, drie vuur! Bij het laatste woord, maar niet eerder, zijt ge vrjj om te vuren en, als ge kunt, elkaar al vurende te naderen». Er is een oogenblik stilte. Nu zegt de jonge soldaat: «Heeren, zqt ge gereed? Een, twee, drie vuur!» Twee schoten vallen tegelijk. Daarna nog een en nog een en nog weer een Vrij naar het Eng eisch, van Henri Herman, door A. C. --- FEUILLETON. REINE, (bekroond door de „Aoadémie Pranfaisa'' met den Montyon-prijs) Naar net Fransen VAN JEAN DE LA BRèTE, 8008 fl. i. LESTURGËON. 22 Des Maandagsmorgens stond ik in zalige stemming op. Des nachts had ik gedroomd van Paul de CoDprat en ik was met een kreet van vreugde ontwaakt. Het genot om voor de eerste maal een japon te mogen aantrekken, zoo keurig als ik er nog nooit een had aangehad, verhoogde nog mijn blijdschap en, toen ik gekleed was, beschouwde ik mijzelve langen tijd met stille bewondering inden spiegel. In de overmaat van mijn geluk, begon ik te dansen, te springen en als een tol rond te draaien, met het gevolg, dat ik, ineen der gangen gekomen, mijn oom bijna omver liep. «Waar ga je zoo heen, nichtje ?» «Naar beneden, oom, om me in alle spiegels te bekijken. Zie eens, hoe goed juk gr uitzie f» «Werkelijk niet kwaad». «Komt mijn taille niet mooi uit, in zoo’n goedgemaakte japon?» «Prachtig!» verklaarde meneer De Pavol, die verrukt scheen over mijn vreugde en mij, daarom zeker, zoo harteljjk op beide wangen kuste. «O, oom, wat ben ik gelukkig! M\j dunkt, zooals Perrine zou zeggen, dat het buitengewone geval zich nu weldra zal voordoen». Meteen was ik verdwenen en een oogenblik later stormde ik Juno’s kamer binnen. «Kijk toch eensl» riep ik uit, zóó snel ronddraaiende, dat mijn nicht niets zag als een wervelwind. «Wees een beetje minder druk, Reine», zeide zij met haar gewone kalmte. «Wanneer zul je toch eens wat bedaarder in je bewegingen worden? Ja, die japon staat je heel goed». «Kijk eens wat een klein voetje!» riep ik, mijn voet uitstrekkende. aO,coquet nest!» riep Blanche lachend uit. «Wie zou gedacht hebben, dat zoo’n gansje als jij het reeds zoo spoedig tot die hoogte zou brengen?» «Je zult nog wel andere diDge» zien», zeide ik ernstig. «Ik weet, zie-je, dat coquetterie eene goede eigenschap is, eene zeer goede eigenschap». «Dat is voor de eerste maal, dat ik het hoor. Wie heeft je dat gezegd? Toch niet je pastoor, denk ik?» «Neen, neen, maar iemand, die het zeer goed weet. Komen er nog andere personen dejeuneeren als de Conprats, Blanche?» «Ja, onze pastoor en twee vrienden van mijn vader». Wij begaven ons naar den salon, in afwachting van de komßt onzer gasten, en weldra verscheen mijn oom, vergezeld van den commandant De Conprat, aan wien hy my voorstelde. Wat eene flinke verschijning was de commandant! Hij had oogen, zoo helder en oprecht als die vaneen kind, terwijl zijn lange knevel en zijn haar sneeuwwit waren; en daarbij een gezicht zoo goedhartig, zoo welwillend, dat hij my aan heeroom herinnerde, ofschoon er in werkelijkheid geen enkele overeenkomst in uiterlijk tusschen hen bestond. fk gevoelde mij dadelijk tot hem aangetrokken en ik zag, dat de sympathie wederkeerig was. «Een kleine bloedverwante, van wie ik heb hooren spreken», zeide hij, mijn beide handen inde zijnen nemende, «laat me je eens hartelijk omhelzen, mijn kind ... Je vader en ik waren goede vrienden». Ik liet mij gewillig door hem omhelzen, bij mij zelve denkende, dat het nog wel zoo aangenaam zou wezen, als zijn zoon hem by die kiesche operatie verving. Eindelijk trad hij binnen 1... en ik zou wel mijn geheelen bruidsschat en mijn mooie japon op den koop toe hebben willen geven, voor het recht om naar hem toe te loopen en de armen om hem heen te slaan. Ilii r-af Blanche een handdruk en groette my daarentegen zoo vormelijk, dat ik sprakeloos bleef staan. «Geef my toch een hand!» zeide ik eindelijk geërgerd; «wy kennen elkander immers goed!» «Ik wachtte af, of het u zou behagen mij er een te geven, freule», antwoordde hij met eene buiging. «Wat ’n dwaasheid!» «Kom, Reine!» bromde mijn oom. «Een eenigszins wilde bloem», zei de commandant, mij vriendelijk aanziende, «maar een mooie bloem, op mijn woord!» Hoe goed die woorden mij ook deden, waren zij toch niet in staat om de ergernis, die ik, zonder eigenlijk te weten waarover, gevoelde, weg te nemen, en ik bleef eenigen tijd siil in mijn hoekje zitten, om meneer De Conprat, die vroolijk met Blanche praatte, op mijn gemak op te nemen. O, wat vond ik hem aardig! en hoe klopte mij het hart, toen ik dien prettigen, jovialen lach weder hoorde en die witte tanden en dat open oog, waarvan ik in tante’s afschuwelijk huis zoo vaak gedroomd bad, weerzag! En mijn tante, heeroom, Suzon, den verwaarloosden tuin, den kersenboom, waarin hy geklommen was, zag ik als vluchtige schaduwen in mijn geest voorbijtrekken. Het duurde niet lang of ik mengde mij in het gesprek en ik had mijn goed humeur grootendeels terug, toen wij naar de eetzaal gingen. Ik werd geplaatst tusschen den pastoor en meneer De Conprat, van wien ik mij terstond meester maakte. «Waarom is u nooit op den «Distel» teruggekomen?» vroeg ik. «Ik ben niet meester van mijn tyd geweest, nichtje». «Maar gij hebt er dan toch spyt over gevoeld ?» «Het heeft me zeer gespeten, dat verzeker ik u». «Waarom gaf n mij geen hand by uw binnenkomen?» «Maar het was immers aan u om dat te doen, freule, volgens deetiquette». «O, de etiquette ! nu, daaraan dacht u daar ginds toch niet!» riep ik teleurgesteld uit. «Wij verkeerden toen in bizondere omstandigheden en waren ver verwijderd van de wereld», antwoordde hij glimlachend. «Verhindert de wereld ons dan om lief te zijn». «Dat nu juist niet, maarde vormen, die wy behooren in achtte nemen, dwingen ons vaak om onze gevoelens in te toornen». «Dat vind ik heel dom!» zei ik kortaf. Ik was echter door zijne verklaring voldoende tevreden gesteld, om weder vroolijk te kunnen lachen en schertsen. Niettemin bemerkte ik al spoedig, dat hy volstrekt niet hetzelfde gewicht als ik had gehecht aan de woorden, die hij op den «Distel» tegen my had gesproken. Maar ik was zoo gelukkig, hem te zien en met hem te kunnen spreken, dat die kleine teleurstelling in dat oogenblik zeer weinig indruk achterliet. Meneer De Conprat vertelde ons, dat er inde maand October verscheiden» bals zouden zijn. «He, dat is heerlijk», zei Juno. «Zul-je my tegen dien tyd leeren dansen?» vroeg ik, al op myo stoel heen en weer springende. «Dan hoop ik het voorrecht te mogen hebben, dansmeester te zijn», riep Paul de Conprat uit. «Paul is een voortreffelijk walser», zei de commandant; «Alle dames verlangen er naar om met hem te dansen». «En daarbij is hy zoo mooi!» riep ik uit. De commandant en zijn zoon begonnen te lachen; de pastoor en de beide vrienden van mijn oom keken mij glimlachend aan en schudden op vaderlijke wijs het hoofd. Het gelaat echter van meneer De Pa vol nam eene ontevreden uitdrukking aan en Blanche trok hare wenkbrauwen op door eene beweging, die men steeds bij haar opmerkte, als er iets was, dat haar mishaagde. Daarin lag zoo veel minachting uitgedrukt, dat ik het pijnlijk gevoel had, eene domheid te hebben gezegd. Na het dejeuner, gingen wij eene wandeling maken door het boseb, dat bij het kasteel behoorde en er onmiddellijk aan grensde. Mijne onbevangenheid was geheel teruggekeerd en ik sprak even vrijuit als tevoren, mij vermakende met de houding en het accent vaneen onzer gasten, wiens eigenaardigheden mij hadden getroffen, na te bootsen. «Reine, wat ben je slecht opgevoedl.’ zeide Blanche, «Hg spreekt zooi, antwoordde ik, den neus toeknijpende om de stem van mqn slachtoffer weer te geven. Meneer De Conprat lachte, maar Juno nam eene houding van ongenaakbare waardigheid aan, waarmede zij mq echter in het geheel niet imponeerde. Een oogenblik bevond ik mij met De Conprat alleen, terwijl Blanche met •en onverschillig air voor ons uitliep. Ik bemerkte, dat bq veel naar haar keek. «Wat is zq mooi, hè?» zeide ik, in de onschuld van mijn hart. «Verrukkelijk mooi!» antwoordde hq met een ingehouden stem, die mij onwillekeurig deed beven. Een zekere twqfel en een voorgevoel maakten zich een oogenblik van mij meester, maar als men zestien jaar oud is, verdwijnen dergelijke gedachten even snel als vlinders, die om ons heen fladderen. Mgn vroolqkheid sloeg nu en dan tot uitgelatenheid over, tot het oogenblik was gekomen, waarop onze gasten afscheid namen. Toen zjj vertrokken waren, begaf mijn oom zich naar zijn studeerkamer, waar hq mg bij zich liet roepen. «Reine, je hebt je belachelqk aangesteld !> «Waarmêe toch, oom?» «Men zegt giet tegen een jongmensch, dat hq aardig of mooi is». «Maar als ik hem nu werkelijk zoo frtod, oom?» «Reden temeer om het hem niet t« zeggen»,' «Wat!» hernam ik, verbaasd. «Ik zou dus tegen hem moeten zeggen, dat ik hem niet aardig vind?» «Dat onderwerp mag je in het geheel niet aanroeren. Heb een meening, geheel zooals je verkiest, maar houd haar voor je». «Maar net is toch heel natuurlijk om te zeggen wat men denkt en meent, oom!» «Niet inde wereld, kind; daar gaat dat nu eenmaal niet. De hélft van den tijd moet men zeggen hetgeen men niet meent en verbergen hetgeen men wel meent». «Wat’n afschuwelijke stelregel briep ik verontwaardigd uit. «Ik zal hem nooit in praktijk kunnen brengen». «Je zult er wel eenmaal toe komen, maar gedraag je ten minste tot zoolang naar de regelen der welvoegelqkheid, naar de etiquette». «Alweer die etiquette!» antwoordde ik, in booze stemming weggaande. Des avonds, voor mijn venster staande droomen, zooals mijne gewoonte was geworden, werden mijn overpeinzingen gestoord dooreen zekere ongerustheid, die ik in mg voelde opkomen en waarvan ik tevergeefs de oorzaak trachtte op te sporen. Ik dacht na over den afgeloopen dag,dien ik met zooveel ongeduld had verbeid, en ik kon mij niet verhelen, dat de zaken niet zoo geloopen waren, als ik in stilte had gehoopt en verwacht. Ja, wfct had ik eigenlijk gehoopt en verwacht? Ik wist het niet, maar ik hield een lang gesprek met mezelve, om mq wqs te maken, dat meneer De Conprat verliefd op mg was en mijn peroratie eindigde met een onwêerstaanbare aanvechting om eens flink te huilen, een weekhartigheid, die weinig goeds voorspelde. Toen ik [den volgenden morgen opstond, waren mijn bange en duistere voorgevoelens geheel verdwenen, maar des namiddags ontving ik een langen brief van heeroom, een brief vol goede raadgevingen en vermaningen en aldus eindigende: j «Mijn kleine Reine, je brief is mij komen troosten en verblijden in mijn eenzaamheid. Vermoei je niet te zeer met mij te schrijven, doch blijf me van tijd tot op de hoogte houden van alles wat je zelve betreft. Ik gevoel mij zoo eenzaam zonder u, en ik durf niet naar den «Distel» te gaan, uit vrees van als een kind te zullen weenen. Ik verwijt mij mijn zelfzucht, omdat gij gelukkig zijt, maar, gelijk de Schrift zegt, het vleesch is zwak en mijn gemeente, mijn plichten, mgn gebeden hebben mij nog niet kunnen troosten. Vaarwel, lief goed kind, mijn laatste woord zal zijn om u te zeggen: Hoed u voor verbeelding!» En die zin maakte een onaangenamen indruk op mijn overspannen geest. XI. Ik was thans drie weken op «Kraaienburg» geïnstalleerd en mijn oom beweerde, dat ik in dien korten tijd zóó veel mooier was geworden, dat heeroom mij ónmogelijk zou hebben kunnen herkennen, als hg mg was tegengekomen. Hg vergeleek rog bij een aanblijvende plant, die ineen ondankbaren grond welig tiert, omdat er een gezonde kern inzit, doch wier schoonheid zich eerst ten volle ontwikkelt, als men haar overplant ineen grond, die beter voor haar aard geschikt is. Als ik mij inden spiegel bekeek, bemerkte ik tot mijn innige voldoening, dat mijn bruine oogen een vernieuwden glans hadden gekregen, dat mijn mond frisscher was geworden en dat mijn zuidelijk teint dooreen zacht, fijn blosje werd gekleurd, dat mij in mijn eigen oogen zeer aantrekkelijk maakte. Weinige dagen echter nahet dejeuner, waarvan ik straks heb gesproken, was ik tot de stellige overtuiging gekomen, dat ik mij, in mgn onnoozelheid, geheel vergist had inde gevoelens van meneer De Conprat en het er ten onrechte voor gehouden had, dat hij verliefd op mij was. Maar ik ben nooit pessimistisch geweest, en ik haastte me om mij door kalme redeneering te troosten. Ik zeide tot mijzelve, dat natuurlijk niet alle harten op dezelfde wgze konden zijn samengesteld, dat enkelen slechts één minuut noodig hebben om verliefd te worden en dat anderen eerst nadenken en studeeren vóór dat zij ontvlammen ; dat, als meneer De Conprat mij thans niet liefhad, hij er wel den een of anderen dag toe zou komen, aangenomen, dat er werkelijk een sterke overeenstemming tusschen ons bestond in smaak en karakter. Het gevolg was, dat, ofschoon ik de teleurstelling diep gevoelde, mijn rust gedurende een groot aantal dagen niet ernstig werd verstoord. En ik gevoelde mij zoo wèl te moede in die omgeving, waarin alles mij toelachte; ik koesterde mg inde stralen van mijn geluk, gelijk een hagedis zich warmt inde stralen der zon. Mijn nichtje was zeer muzikaal en speelde uitmuntend. De commandant, die een groot liefhebber was van muziek, kwam een paar keer ’s weeks op den «Kraaienburg», steeds vergezeld door zijn zoon. Hel huis stond bovendien altijd voor hem open, door de nauwe betrekking, waarin de beide families tot elkander stonden, en door zijn vriendschap met Blanche, die hij van kind af had gekend. Daarbij kwam, dat mijn oom die vertrouwelgkheid gaarne zag, omdat hij, in overeenstemming met den commandant en in strijd rnet zgn paradoxen omtrent het huwelgk, niets liever wilde dan zijn dochter zien trouwen met Paul de Conprat, zeker van oordeel zijnde, dat het hier een bizonder geval gold. Nu daarin had hg stellig geenongelijk. Ik hoorde eerst later van dat plan, tegelijk met andere feiten, die ik gemakkelijk zelve had kunnen ontdekken, als ik meer ervaring had gehad. Gewoonlgk kwamen de heeren tegen den tijd van het dejeuner. Paul, wiens onverzadigbaren eetlust men kent, at zeer overvloedig en gebruikte tegen drie uur nog eens een stevigenkouden maaltijd. Daarna gal Blanche mij, als wij alleen waren, les in het dansen, terwijl Paul een wals van eigen compositie speelde. Soms nam hg de taak van mijn nichtje over, Blanche zette zich dan voor de piano, de commandant en mgn oom stonden er met een vergenoegd gezicht naar te kgken, en ik draaide rond inde armen van meneer De Conprat. O, dat waren zalige uren! Wij maakten geen enkel plan zonder hem. Zijne aanstekclijke, gulle vroolijklieid, zijn onverstoorbare goede luim, zijn organiseerend talent en zijn vindingrijkheid maakten hem tot een alleraangenaamsten makker, dien wij als om strijd huldigden. Handig, ijverig, voorkomend, was hg voor alles goed en wist hij altijd en overal raad te schaffen. Als wij een horloge, een armband of iets dergelijks gebroken hadden, zeiden Blanche en ik tegen elkander: «Als Paul vandaag komt, zal hij het wel wêer voor ons maken». Hij schilderde druk en bracht ons dikwgls zgn werk mede. Dat is het eenige punt, waaromtrent ik het nooit met hem heb kunnen eens worden. Ik had een ingewortelden afkeer van kunst, maar vooral van muziek, omdat die ellendige etiquette ons verbiedt om de ooren dicht te stoppen, terwijl het gemakkelijk is om niet naar een schilderij te kijken of het den rug toe te draaien. Niettemin luisterde ik gaarne naar meneer De Conprat, als hg zijn walsen en mazurka’s speelde-, maar het was de speler, dien ik inde tonen liefhad, en niet de tonen zelven. Ik merk dit in het voorbijgaan op, omdat ik er op zekeren dag toe kwam mijn gevoel te ontleden, en die ontleding mij tot een qfttdelt; king leidde «Waarom schildert u toch boomen ?» vroeg ik. «De leeljjkste boom is immers •ltjjd nog beter dan die kleine klodders groene verf, die u op het doek •meert». «Is dat je opvatting van kunst, inchtje?» «Gelooft u niet, dat Juno duizend maal mooier is in werkelijkheid dan op haar portret?» «Zeker geloof ik dat». «En die kleine blauwe bloempjes, die s tusschen de bladeren steekt, wat isn dat?» «Maar dat is een stuk blauwe lucht, Reine! . . . Dat kun je toch wel zien!» Ik draaide op mijn teenen rond en riep op pathetischen toon uit: «O hemel, o boomen, o natuur! wat gruwelen worden er in uwen naam bedreven 1» Mijn oom had tal van vrienden te V.; hjj was verwant aan de meeste families uit den omtrek en hield steeds •pen tafel. Het was uitzondering, als wq niet een of meer gasten om twaalf sur of bq het diner hadden. Dat was •en goede gelegenheid voor mq om vormen te leeren en tevens om mq te •elenen in zelfbedwang en bescheidenheid. Maar ik moet zeggen, dat ik het to die beide deugden niet heel ver bracht en dat ik er niet in slaagde om mijn gedachten en gevoelens, die soms •van ongerqmd als onbeschaamd waren, verbergen. 1 Mqn oom en Juno, die beiden zeer streng op het stuk van vormen ■waren, Jkftmen mq herhaaldeljjk onder handen, maar al hun verwijten en vermaningen baatten niets. Ik was en ik bleef een onverbeterlqk kind. Met tergende stijfhoofdigheid, liet ik geen gelegenheid voorbijgaan om een flater te maken of een dwaasheid te zeggen. «Je bent zeer onbeleefd geweest tegen mevrouw A., Reine». «In welk opzicht, huichelachtige Juno? Ik heb haar alleen laten merken, dat zq mij niet aanstaat, dat is alles!» «Maar dat alles is juist zoo onbehoorlijk, nichtje». «Zjj is zoo atgrijselijk leelqk, oom! Weet u wat het is, ik gevoel mq niet aangetrokken tot de vrouwen; zij zqn zoo spotachtig, zoo boosaardig en zoo scherp; zij nemen iemand met een critischen blik van het hoofd tot de voeten op, als hadden zq met een merkwaardig dier of insect te doen». «Hoe kun jij haar verwijten, dat zq spotachtig zqn, Reine! Je doet zelve niet anders als haar voor den gek houden en ze nabauwen !» «Ja, maar ik ben mooi, en dus mag ik alles doen. Meneer C. heeft het mq dezer dagen nog gezegd». «Ik zie niet goed het verband tusschen het een en het ander... Maar, a propos, geloof je, dat de mannen je niet van het hoofd tot de voeten opnemen?» «Jawel, maar dat is alleen om me te bewonderen, terwijl de vrouwen al haar best doen om gebreken in mij te zoeken en kunnen zij er in mijzelve geen ontdekken, dan moet natuurlijk mijn toilet het ontgelden... U ziet, oom, dat ik al heel veel dingen heb opgemerkt». «Ja, dat zien we wel, nichtje, maar tracht te begrepen, dat eene goede houding en distinctie niet te verwerpen eigenschappen zjjn voor een jong meisje, dat inde wereld moet verschijnen». Als onze manlijke gasten jong waren, maakten zjj Blanche en mij het hof, hetgeen ik zeer amusant vond; waren het echter oude heeren, dan hoorde men niet anders als over politiek en staatszaken. Bah! wat vervelende discoursen waren dat! Ik heb er menig keer hoofdpijn van gekregen. Die goede luidjes kwamen met hoogroode gezichten aanzetten, diep verontwaardigd over den een of anderen maatregel van de regeering; zij spraken er eerst heel geheimzinnig onder elkander over, waarbij de eenden ander ophitste, totdat plotseling een vurig bonapartist uitriep, dat hij alle republikeinen wilde laten doodschieten. De naïveteit van den uitval bracht allen aan het lachen, maar die denkbeeldige moord was tevens het sein tot een algemeen spiegelgevecht van meeningen, die niet altijd van wartaal of zotteklap te onderscheiden waren. Wij zaten tot het einde van den maaltijd tot over de ooren inde politiek en iedereen was vervuld vaneen heiligen afschuw van republiek en republikeinen. (Wordt vervolgd.) ---