Rector J. Bots benoemd tot Deken van Gouda EEN ZEER VERDIENDE ONDERSCHEIDING Op hem wachtte nooit iemand tevergeefs; op hem deed niemand vergeefs een beroep Bemind sociaal priester Evenals eens met Mgr. Stroomer het geval was moet thans de hoofdstad in rector Bots een zijner beste geestelijke èeiders als deken aan de stad Gouda afstaan. Rector Bots viel de hooge onderscheiding te beurt door zijn bisschop tot deken van Gouda te worden benoemd. Vele jaren is hy, evenals zyn voorganger Mgr. Stroomer, de sociale priester der hoofdstad geweest die als geestelijk adviseur van zoovele sociale organisaties een ontzaglijken invloed ten goede heeft uitgeoefend. Katholiek Amsterdam ziet dezen toegewijden geestelijken werker en scherpzinnigen raadsman dan ook noode heengaan. Hij wordt opgevolgd door dr. A. A. Olierook. De zeereerw. heer J. P. A. Bots werd 5 December 1889 te Nieuwkoop in Zuid-Holland geboren. Na op de beide Seminaries van het bisdom zyn studies te hebben voltooid werd hij op 9 Augustus 1914 priester gewijd. Achtereenvolgens was hij kapelaan te Hoofddorp, te Amsterdam (H.H. Petrus en Paulus), Dordrecht (H. Bonifacius), Haarlem (Spaarnekerk). Sinds 1927 was hij rector van het St. Bernardusgesticht en tevens adviseur van taJryke sociale organisaties inde hoofdstad. Wy noemen de Alg. R. K. Werkgeversvereeniging, de Katholieke Jonge Werkgeversvereeniging. R. K. Middenstandsvereeniging „De Hanze". P- K. Volksbond, R. K. Handels, en Kantoorbediendenbond, R. K. Bond van Groote Gezinnen. Voorts is hü hoofdbestuurslid van de vereeniging „Katholiek Amsterdam”, van welke vooral de sociaal-economische groep zijn bijzondere zorg heeft. Van de uit deze vereeniging ge. vormde contact-commissie is Rector Bots de voorzitter, terwijl hij ook het voorzitterschap bekleedt van het 5.A.N.T.0.5.-fonds, een instelling van de Hanze tot steun aan tuberculeuze leden. ; Sprak Rector Bots in zijn kwaliteit van adviseur Veel op vergaderingen, ook in verschillende tijdschriften trof men vaak bijdragen van zijn hand aan, o.a. in het maandblad van „Katholiek Amsterdam” en in verscheidene Hanzeuitgaven Er zijn in Amsterdam vele rectoren. Ook hij, die piet de zielzorg van de tmyqnen-;’ den van Öd? St.' Bernardusgesticht is belast, heeft dien titel. Maar deze rector is toch, al vele jaren lang, de rector bij uitnemendheid. We hebben daar gekend rector Stroomer, later Mgr. Stroomer, deken van Amsterdam, rector Jansen, thans pastoor Jansen van de „Magdalena”, en nu rector Bots De rector, die daar zetelt, is tevens, dat is zoo ue traditie geworden, de algemeene geestelijke adviseur van de meeste hoofdstedeiyke en tevens van tal van diocesane organisaties. En- dien rector zien we dan ook meer buiten dan in het St. Bernardusgesticht, die is eigenlijk overal, die onderhoudt het contact tusschen de geestelijke en sociale instanties, tusschen de sociale instanties onderling, tusschen hoofdstad en heel het diocees. Zoo kent dan ook van den Helder tot Middelburg bijna elkeen, die ook maar iets met het Katholieke organisatieleven van doen heeft, den rector van St. Bernard, niet als zoodanig misschien, maar toch zeker als den man, naar wiens komst op iedere vergadering van eenige beteekenis wordt uitgezien, op wien bij al die bijeenkomsten een beroep wordt gedaan om een kemachtig woord van geesteiyke waarde vooral, maar toch ook van propagandistische kracht te spreken. En op Rector Bots heeft, gelooven we, niemand ooit vergeefs gewacht, op hem zal zelden een beroep zijn gedaan, dat hij niet, met een oolijken glimlach, terstond bereid was in te willigen. Die glimlach heeft velen inde war gebracht, vooral buiten Amsterdam. Men dacht wel eens: Nu gaat de Rector ons iets leuks vertellen, een kort redevoerinkje houden met wat Amsterdamschen humor doorspekt. En hij begon ook meestal met een Witz. Maar dan, onmerkbaar bijna, wist Rector Bots den overgang te vinden naar den ernst, naar het hocgere, naar het ideëele. Altijd bracht hij iets nieuws en als hij halverwege was. herkende bijna niemand meerden jovialen vergaderingbezoeker, die een half uur geleden nog geschertst had met deze en gene, die met wijde gebaren de soms wat al te groote minneiykheid aan de bestuurstafel had weggevaagd en weggelachen met zijn klare jongensachtige oogen, die enkel maar vreugde en jo-Uit en geluk schenen te kunnen uitstralen. Dan stond daar plots, óf gewoon achter de tafel, óf even overeen geïmproviseerden katheder gebogen een bezieler, een ziener, een menschenvriend, vervuld van groote liefde vooral, van zorg ook zoo vaak voor en om de menschen, zijn menschen, met wie hy zoo innig, fel meeleven kon. • Met bijna gesloten oogen, met vooruitgestoken lippen, die de woorden welhaast in iederen vergaderingbezoeker persoonlijk wilden doen indringen, kon hy ons dan mededeelen van de rijke gedachten, van de innerlijke roerselen, die in dit peinzend hoofd en in dit zoo hevig kloppend hart zich hadden opgestapeld, alleen maar om ze anderen te schenken. Zijn stem klonk meestal wat hard, wat stug, wat stroef, zijn gebaren waren geenszins bestudeerd en schaarsch, zijn mimiek was er heelemaal niet op gericht om zijn gehoor te grijpen en toch: als hy slechts enkele oogenblikken bezig waste spreken, had hij de zaal, hoe groot die ook zyn mocht. De bezoekers moesten wel luisteren, of ze wilden of niet, want achter ieder woord klopte de harteslag vaneen mensch, een goed en groot mensch, die zoo innig, zoo zielsveel hield van zyn medemensch, die niets anders en niets liever wilde dan dat alle menschen elkaar toch maar zouden begrijpen en in eendracht en vrede samen zouden opgaan tot God. Schoonheid, kunst, maar onderlinge liefde vooral, moesten de menschen brengen tot Hem, in Wiens dienst hij zelf zijn heele leven gesteld had. Kijk toch om u heen, maak u toch zooveel mogelijk los van het aardsche, van het peuterige, kleine gedoe, zie verder dan alleen in eigen kring, wees idealist, zoek en blijf zoeken naar die betere maatschappij, die eens komen moet, die er allang had kunnen zyn, als de menschen maar anders en beter waren. Dat leeraarde hij jaar-in, jaar-uit, week-in, weekuit, neen eiken dag. Dat leeraarde hij overal, voor iedereen, voor oud en jong, voor baas en knecht, in geleerd en in ongeletterd gezelschap. Rector Bots bleef zichzelf steeds gelijk en daarin ligt het geheim van de groote, van de onvergankelijke sympathie, die hij zich bij elkeen, zonder ook maar één uitzondering, heeft verworven. Hij moet er, dunkt ons, wel eens zijn hoofd over hebben geschud, hoe het toch kwam, dat, als er een „woordje van den rector” was aangekondigd, de zaal veel drukker was bezet dan anders, dat het applaus als hij geëindigd had, altijd heel anders klonk dan na redevoeringen van sprekers van naam, van „echte” sprekers, terwijl hij toch maar niet anders deed dan een „los woordje” zeggen, zonder rhetoriek, zonder galm, zonder effectbejag, zonder slagzinnen, zonder heel veel anders misschien nog maar met een hart achter ieder woord. Dat was het! Al wat zich in dat hart aan meevoelen, aan mee-lyden ook vaak, had opgekropt, al wat zich aan Gods liefde en deernis met de verscheurde menschheid in dat groote, dat volle, dat allen omvattende en omademende hart had opgestapeld kwam dan, vreemd van vorm misschien, hard van klank wellicht, maar mooi geworden en klankrijk gemaakt door zijn diepe, warme menschelijkheid tot al die trotschen, die de waarheid voelden, tot al die veinederden, die troost hoorden uit zijn woorden en een belofte opvingen van komende verlossing. Hij sprak en hij schreef en ieder woord, gezegd of gezet op papier, had zijn volle waarde. Hij las en studeerde, dacht en peinsde, brak zich het hoofd om te komen uit de benauwenissen van dezen tyd, steeg als een koene vlie- ger op, om door donkere wolken heen de zon te zoeken en van het licht, door haar ontvangen, straaltjes en sprankels uitte strooien onder al diegenen, die door vooroordeel, door onkunde, door onmacht, door zorgen, door narigheid het neergedrukte hoofd niet zelf opheffen konden om het licht te zien, dat een afstraling is van Gods heerlijkheid. Hy wilde de menschen, alle menschen zoo graag gelukkig zien, het verdroot hem zoo, dat er nog zoo vele honderd- en duizendtallen zijn, voor wie het leven met den dag zwarter werd in plaats van lichter, hij had zoo’n groot, zoo’n intens meelij met dat legioen van werkloozen, van wie hy wist en begreep hoe moeilijk het zijn moest te blijven hopen en vertrouwen op betere, op gelukkiger dagen. Waar hij verscheurdheid zag, bond hij tezaam, waar nood was wist hij te helpen en ook anderen voor die hulp wakker en warmte maken en dat alles met een blijmoedigheid, die een ieder wel moest meesleuren, met een volharding, die respect afdwong, met een ijver, die zyn weerga niet vond. Altyd was hij bereid, nooit was iets te veel, zyn rectorskamer stond open voor een ieder. Helpen was hem een vreugde, helpen en dienen. Vergaderingen, ze konden taai zijn en lang van duur en misschien onbelangrijk, hij was er en terWyl zijn zoekende geest en zijn werkgrage handen wellicht op dat oogenblik nuttiger en beter werk hadden kunnen vinden, was en bleef hij waar hij dacht te moeten zijn. Misschien zou hij toch nog een oogenblik weten te kiezen om met een woord, een daad, een voorstel, een advies, een wenk, een losse gedachte iets goeds te doen, iets bij té dragen, dat zou kunnen helpen, om de menschen toch maar dichter bij elkaar en dan tezamen dichter by O. L. Heer te brengen? Al moet het hem hebben leed gedaan, dat bij zoovelen de goede boodschap als het door den wind verstrooide zaad op de steenen is gevallen, hij verzaakte nooit, moedig hield hy vol, hij bleef zeggen en zijn menschen voorhouden wat hem goed leek. En als dan eindelijk de solidariteit der standen, het Katholieke opbouw-werk in geestelijken zin, een begin zal hebben gevonden, dan zullen wijden rector van St. Bernard, rector Bots gaan zien als den priester, die al de jaren van zijn sociaal-priesterlijken arbeid in de voorste rijen heeft gestaan met woord en daad, bezielend en aanvoerend, hopend vooral, en in die hoop sterk en onvermoeibaar, op het , eenmaal doorbreken van het licht van den Heiligen Geest, op de overwinning van de liefde van Gods Heilig Hart. Dr. A. A. Olierook De opvolger van rector Bots, de zeereerw. zeergeleerde heer dr. A. A. Olierook is 21 December 1890 te ’sGravenhage geboren en heeft eerst op lateren leeftyd te Rome zyn priesterstudies gemaakt. Hij is in het bezit van hoofdacte L. O. en van Middelbaar-acte Staatsinrichting. Aan het Atheneum Urbanum de Propaganda Fide te Rome deed hij zijn priesterstudies en behaalde in 1926 den graad van doctor inde philosophie en later nog het bacalaureaat inde theologie. Zijn priesterstudies voltooide hy te Warmond en werd 14 Juni 1930 door Z. H. Exc. Mgr. J. D. J. Aengenent tot priester gewijd. --- Engelsche avant-garde Programma der nieuwe filmliga Zoo hebben we dan, dank zij het initiatief van De Nieuwe Filmliga, kennis kunnen maken met enkele voortbrengselen van de huidige filmavant-garde in Engeland. Dr. Th. B. F. Hoyer, voorzitter der Nieuwe Filmliga, leidde het programma, dat inde groote zaal van de A. M. V. J. voor een talrijk gehoor werd gegeven, met een kort woord in. Hij wees er op, dat de N. F. L. zich niet tot taak stelde uitsluitend reprises van oudere films te geven, doch dat zij terdege pogingen doet om geheel nieuw en onbekend werk in vertooning te brengen. Vandaar dat de secretaris der Liga naar Engeland was overgestoken om met een gevarieerd programma terug te komen, waarbij geprofiteerd was van de adviezen van den bekenden avant-gardist Paul Rotha. Nog deelde de voorzitter mede, dat het bestuur der N. F. L. met plannen rondloopt om een bescheiden tijdschrift uitte geven, aan de onafhankelijke filmkunst gewijd. Het programma bevatte films van Paul Rotha, John Grierson, Len Lye enßasil Wright, bekende makers van documentaire films en tevens theoretici van beteekenis. Over het begrip „avant-garde” kan men meer dan één interpretatie tegenover elkaar zetten. Men kan onder dezen term alle filmers en theoretici vangen die de zuivere en radicale filmprincipes voorstaan en verdedigen. Men kan met méér recht de avantgarde noemen alle filmers die goede filmkunst voortbrengen en daardoor op de natuurlijkste en directe wijze de voorhoede vormen onder de filmmakers en den weg wijzen naar een ongestoorde en gezonde evolutie van de filmkunst. Ongetwijfeld behooren alle vier genoemde filmers tot de groep, die door de eerstgenoemde interpretatie wordt aangeduid, omdat allen kennelijk met toewijding zoeken naar een zuivere filmexpressie. Eén hunner echter, met name Basil Wright gaat, althans in zijn film „Night Mail” boven de begrenzing der eerste interpretatie uit en rangschikt zich daar stellig onder de filmkunstenaars, die rijpen arbeid vóórtbrengen. Zijn verbeelding van den posttrein, die door den nacht davert om in minimum tijd zijn traject af te jakkeren is niet alleen een zeer geslaagde synthese van de functie, die de trein te verrichten heeft, doch bovendien ziet en hoort men geboeid toe bij de dramatische spanningen, die zich hier in den nacht voltrekken. Wright bereikt deze spanningen niet alleen dooreen goede beeldcompositie, doch doet ook het gèluid een actieve rol spelen en wel zóó, dat uit beeld en geluid een taal ontstaat, die den rasechten filmer verraden en voor de zooveelste maal een pleidooi leveren voor de onafhankelijke filmexpressie, die door de schoone synthese van beeld en geluidscompositie ontstaat. Dit is dan ook inden waren zin avant-garde-werk. Deze film geeft het goede voorbeeld, niet door het gezonde inzicht alléén, doch door de rijpe toepassing bovendien. Met „Night Mail” hebben wede belangrijkste film van het programma genoemd. Alle andere beantwoorden weliswaar aan de eischen, die men een goede documentaire stellen mag, doch kwamen niet uit boven de goede pogingen die men in Nederland reeds presteerde. Ja zelfs komt men gemakkelijk tot de erkenning, dat de mannen van Visie, alsmede Jan Hin, Kees Strooband, Joris Ivens en anderen, jaren geleden beter werk hebben geleverd. Het eenige verschil in deze is de toevoeging van het geluid, tè weinig gerijpt evenwel om een aanwinst genoemd en zeker om met b.v. De Ballade van den hoogen Hged vergeleken te kunnen worden. Nochtans kan men bewondering hebben voor „Shipyard” en „Cover to Cover” van Paul Rotha waarvan respectievelijk de scheepsbouw en het boek de onderwerpen zijn, meer nog voor „Coal Face” van John Grierson, die Den mijnwerker als gegeven koos en voor „Colour Box” van Len Lye, die een gekleurd reclamefilmpje maakte voor de Engelsche posterijen. Rotha’s films voldeden het minst, voornamelijk wel, omdat hij het geluid misbruikte en al te kwistig wegschonk aan een spreekstem, die bovendien niet overal verstaanbaar was. Zijn films maakten dan ook méér den indruk stomme films te zijn, voorzien van geluid, dan wel geluidsfilms inden zin als hierboven bedoeld. Deze films laboreeren ook min of meer aan nuchterheid en nu moge nuchterheid niet geheel onopgemerkt aan documentair werk voorbij behoeven te gaan, er is toch een andere eigenschap, die prevaleert; om het duidelijk te zeggen, bij het gevoel van teleurstelling over deze nuchterheid denkt men onmiddellijk aan de bevrijdende fantasie vaneen Walter Ruttmann, die veel meer dan Rotha1 en zijn collega’s de kernen van zijn objekten weet op te vangen om ze ineen zwierig rhythme tot leven te brengen en ze aan de geestdriftige en verheugde belangstelling van den toeschouwer over te geven. De poëzie van Ruttmann ontbreekt Rotha. Wat tenslotte Len Lye’s „Colour Box” betreft, hier hebben we te doen met een speelsch gekleurd reclame filmpje, dat ongetwijfeld curieus te noemen is, doch dat men m.i. gemakkelijk overschat. De vaak grappige abstracte motieven, die op het rhythme van Rumba over het doek dwarrelen, afgewisseld door bibberende slingerlijnen, die plaats maken voor enkele teksten en kapitalen, kan men met een glimlach waardeeren, doch men zou een geestiger verband tusschen de wildheid van het begin en de afzwakking aan het einde toch meer gewaardeerd hebben. Het effect, dat Len Lye krachtens felheid van kleur, beweging en contrast bereikt is muzikaal een stuk minder dan de zwier en de gaafheid van b. v. Oskar Fischinger Al met al heeft de Nieuwe Filmliga haar leden ten zeerste verplicht door dezen avond van Engelsche avant-garde-films. De kennismaking was niet alleen nuttig, zij was goeddeels ook aangenaam en zeker instructief. Deze vertooning was alleszins verantwoord: we hebben kennis genomen vaneen arbeid, die ons onder andere omstandigheden vreemd was gebleven en het was een bemoedigende gewaarwording te zien, hoe niet alleen bij ons maar ook over zee met ernst, toewijding en talent gewerkt wordt aan een gezonde filmkunst. Dbg. XJit Shipyard van Paul Rotha --- UIT DEN OMTREK BENNEBROEK Viering van het Vorstelijk Huwelijk Zaterdag 12 December zullen de leden van het feestcomité met de muziekkorpsen een rondgang door het dorp maken en daarbij collecteeren. Aan de gemeente zal een subsidie worden gevraagd en aan dè beter gesitueerde ingezetenen zal een extra-bijdrage worden gevraagd. Het feest zal voornamelijk beperkt blijven tot het geven vaneen feestdag aan de schoolkinderen. De dag zal beginnen met het planten van een Oranje-boom. Vervolgens optreden van een goochelaar en vertooning van de poppenkast voor kinderen, waarbij dezen zullen worden onthaald. Te zeven uur ’s avonds fakkeloptocht, waaraan prijzen voor het mooiste geheel of versiering zullen worden toegekend. Bij gunstig weer een voetbalwedstrijd tusschen ~B. S. M.” en een sterk elftal om een zilveren beker. Indien mogelijk zullen eerepcorten worden gebouwd en zal het dorp extra worden verlicht. Zangers en zangeressen, die aan de openbare zanguitvoering wenschen deel te nemen, kunnen zich nu reeds opgeven bij het hoofd der school, den heer G. van Beek. De bekende musicus S. P. Visser uit Hillegom zal belangeloos repetities en uitvoering leiden. Het ligt inde bedoeling van het comité om, indien mogelijk, op dien dag aan werkloozen en kinderen, die daarvoor in aanmerking komen, een feestgave te verstrekken. K. K. Volksbond Donderdagavond gaf de plaatselijke afdeeling van den R. K. Volksbond aan haar leden een feestavond in het R. K. Vereenigingsgebouw bij gelegenheid van haar jaarfeest. De geheele avond werd gevuld met het draaien van vroolijke films terwijl „The Yoll.y. Fair”-band uit Bennebroek het muzikale gedeelte verzorgde. Tijdens de pauze werd gecollecteerd voor het St. Nicolaasfeest voor de kinderen. Burgerlijke Stand Getrouwd: P. H. Verlaan en C. J. van Lieshout. Overleden: C. A. Toeset, geb. Majoor, 87 jaar, J. Paasse, 83 jaar. --- ZANDVOORT Tooneeluitvoering Zondagavond werd in het patronaatsgebouw opgevoerd het blijspel: „Haar laatste wil” van J. W. v.d. Heiden Jr. en H. Bakker door de R.K. tooneelvereeniging „Utile Dulci”, alhier. Na een openingswoord van den heer M. M. J. van Seggelen als voorzitter van de feestcommissie, werd kort hierop met het eerste bedrijf een aanvang gemaakt en direct ontstond tusschen spelers en publiek de onontbeerlijke verbinding, hetgeen het spel ten goede kwam. De met aandacht gevolgde scènes en de werkelijk goed vertolkte en juist gespeelde tafereden volgden elkander zonder haperen op en een verdiend applaus was dan ook na ieder bedrijf de belooning. Tusschen de bedrijven zorgde The Green Band uit Haarlem voor de noodige afwisseling en deed dit zeer verdienstelijk. Na afloop betrad pastoor P. van Diepen het tooneel en met recht kon Zijneerw. zeggen, dat hij de tolk der aanwezigen was wanneer hij de spelers en speelsters dankte voor hun uitmuntend spel. Ook aan de feestcommissie werd dank gebracht en een bijzonder woord van dank viel ten deel aan den heer H. L. Dhooge voor zijn spelleiding. Verder sprak pastoor een dankwoord aan het talrijke publiek en hoopte, dat ook een volgenden keer de opkomst even groot zou zijn. Nadat de heer Van Seggelen aan den heer en mevrouw Dhooge een fruitmand had aangeboden en de „band” den lof had toegezwaaid , die zé toekwam, kwam het einde van dezen succesvolien avond. --- Architect H. Valk Viering van zijn SOsten verjaardag Op 18 November j.l. heeft de heer H. W. Valk, architect te ’s-Hertogenbosch, zijn vijftigsten verjaardag gevierd. Tevens werd daarbij het feit herdacht, dat 12,14 jaar geleden de eerste onder zijn leiding gebouwde kerk werd voltooid. Oorspronkelijk heeft architect Valk zich hoofdzakelijk toegelegd op den woningbouw en meer speciaal op den bouw van volkswoningen. Zoo bouwde hij o.a. meerdere woningcomplexen te Amsterdam en te ’s-Hertogenbosch. Zijn inzendingen op nationale en internationale tentoonstellingen behaalden de hoogste onderscheidingen. Zijn opleiding bij Dr. Cuypers dreef hem echter inde richting van den kerkbouw. In 1923 ontving hij zijn eerste opdracht tot den bouw vaneen Godshuis en wel van Pastoor Jorna S.J., die inde St. Aloysiusparochie te Utrecht een nieuw kerkgebouw moest stichten. Deze opdracht heeft Valk zijn juisten weg doen vinden. Reeds zijn eerste kerk toonde „dat Valk een plaats mag eischen inde voorste rijen van onze Nederlandsche kerkbouwers” (de Tijd, 6 Dec 1924). Onmiddellijk daarna bouwde architect Valk de majestueuze koepelkerk te Waalwijk. Hij had zijn naam gemaakt; de aandacht was op hem gevestigd. Inden loop der volgende jaren heeft hij over het geheele land nog ruim dertig kerken gebouwd. Daaronder Waren opdrachten, die een groot, ruim kerkgebouw vroegen, doch ook andere waar met een zeer bescheiden beurs moest worden gewerkt. Valk slaagde toch, bewijze o.a. zijn kerk aan den Graafschenweg te Den Bosch. Daar waar de geldmiddelen ruim waren, ook daar slaagde Valk, getuige b.v. de kerkte Waalwijk en de St. Jacobuskerk te Enschede. Valk bouwde inde grootstad (b.v. de St. Ignatiuskerk, Rozengracht, Amsterdam) en hij bouwde inde dorpen (o.a. de beide juweeltjes te Achteveld bij Amersfoort en te Haalderen bij Nijmegen). Overal paste het werk van den bouwmeester zich aan; Valk hield rekening met de plaats waar hij bouwde; hij Werkte nooit volgens schablonen. Steeds stond hij nieuw en frisch tegenover iedere opdracht; voor ieder geval onderzocht hij de eigen mogelijkheden en de eigen moeilijkheden. Zijn beginselen hebben hem begeesterd voor het herstel der ambachtelijke zuiverheid en voor de waardeering van de juiste materiaaltoepassing. Zijn hartstochtelijke studie over den kerkbouw heeft hem gebracht tot de Christocentrische Kruisbasiliek. Haalderen, Achteveld, Beek-en-Donk en Doetinchem zijn daarvan voorbeelden. Wie deze werken in tijdsvolgorde bestudeert, ziet duidelijk de ontwikkeling der denkbeelden van dezen architect. Eenige persoonlijke vrienden en bewonderaars van den heer Valk hebben gemeend den bouwmeester op zijn dubbel feestte moeten huldigen door de uitgave vaneen kunstcritische beschouwing van het werk en de studie van den arcnitect. Jan Engelman heeft zich bereid verklaard deze beschouwing te schrijven. Daarnaast zal..deze, uitgave bijdragen bevatten. van . eén aantal personen, die den feesteling: in-den loop der jaren bijzonder hebben leerën kennen. Wij .noemen, daarvan o.a. de eerste „kerkelijke” principaal Pastoor Jorna S.J., voorts Prof. de Korte van Warmond, Prof. Dr. Titus Brandsma 0.C., Nijmegen, Prof. Maere te Leuven, de heer W. van Beuningen te Vught