Advertentie ■ 2 Fauteuils, 4 /loeien 2 Clubfauteuils, veerend 1 Ledikant ) HE IbJP W I m ■ 1 /chuiftafel I f J || 1 Eiken Tafel, dubb. blad ' f Uil 1 Bedstel . .,. ., / I? III 1 Tafelkleed l I UM ** 1 Theemeubel, eiken ... ( I «1M " 1 Waschtafel ( I fc&rf m in Welderenstraat 116 1 Karpet 3 X 4 ) 1 ***• 1 /pieoel ' 1 IFU» 1 Nachtkastje I * Desgewenscht Week- of Maandbetaling --- VERSPREIDE BERICHTEN LADY WHITE. De weduwe van sir George Stuart White overlijdt op den verjaardag van het ontzet van Ladysmith. Lady White, de weduwe van veldmaarschalk sir George Stuart White, den verdediger van Ladysmith in den Boerenoorlog van 1900, is Donderdag, op den 35sten verjaardag van het ontzet van Ladysmith, op Hampton Court overleden. Haar man was haar reeds in 1912 voorgegaan. Lady White is 80 jaar oud geworden en slechts enkele dagen ziek geweest. Het bericht van lady White's overlijden op dezen gedenkdag herinnert ons weer aan de eerste maanden van den Boerenoorlog, toen het dappere legertje van de gefedereerde republieken de Engelschen te Ladysmith, Mafeking en Kimberley had ingesloten en alle pogingen om deze stellingen te ontzetten, wist te verijdelen. Het lukte den Boeren echter niet, hoe vaak zij ook het leger van sir Rcdvers Bulier, die White te hulp gesneld was, versloegen, het'verzet van generaal White te breken. Ook niet, toen de voorraden van de bezetting schaarsch werden. Ten slotte hieven zij eigener beweging het beleg op. gedwongen door de successen van Roberts en Kitchener op andere deelen van het oorlogsterrein. Voor de Engelschen is de dappere verdediging van Ladysmith in die voor hen zoo kwade dagen een lichtpunt geweest. De bewoners van het stadje hebben bij het ontzet plechtig beloofd, dien dag steeds hun dapperen verdediger te gedenken, en elk jaar wordt dan ook op kosten van de gemeente een krans gehecht aan sir George's ruiterstandbeeld op Portland Place te Londen. Voor het overige hebben de zooveel diepere indrukken van den grooten oorlog de herinnering aan den Boerenoorlog bij de Engelschen voor een goed deel uitgevaagd. Op een diner van de verdedigers van Ladysmith, Zaterdag te Londen gehouden, kon generaal sir Ian Hamilton met zekere bitterheid opmerken: „Wij zijn thans vergeten lieden". AMERIKAANSCH BANDIETISME Raymond Hamilton in het nauw gedreven. De titel „gemeenschapsvijand nummer één", die zoo langen tijd gedragen is door Dillinger, is thans overgegaan op den Amerikaanschen bandiet Raymond Hamilton. Deze is eenige maanden geleden, evenals zijn roemruchte voorganger, uitgebroken uit zijn gevangenis, en heeft zich sindsdien aan de wrekende hand der gerechtigheid kunnen onttrekken. Thans evenwel schijnt zijn einde nabij te zijn. Uit Terrell in Texas wordt gemeld, dat de politie er in geslaagd is, Hamilton te omsingelen in het'nabijgelegen plaatsje Peeltown. In allerijl begeven zich thans versterkingen, voorzien van machinegeweren, derwaarts. Dat de expeditie niet zonder gevaar is, bleek enkele dagen geleden, toen de politie eveneens bijna de hand op Hamilton had gelegd. Maar hoewel zijn auto door talrijke kogels werd getroffen, wist hij zich met zijn revolver een weg te banen door het cordon en te ontsnappen. Hamilton is ruimschoots voorzien van wapenen en munitie. Hij heeft namelijk onlangs een wapenopslagplaats der nationale garde te Beaumont in Texas geplunderd en daarbij acht geweren en een groote hoeveelheid patronen buit gemaakt. Men vreest, dat de desperado, die reeds wegens moord ter dood veroordee'd was, toen hij uit de gevangenis ontsnapte, zal trachten, zijn huid zoo duur mogelijk te verkoopen. Reeds heeft een filmmaatschappij 25.000 dollar geboden voor het recht, exclusieve opnamen te mogen maken van den beslissenden strijd, wanneer den fotografen zou worden toegestaan, deel uit te maken van de omsingelende politiemacht. Maar dit was den Amerikanen zelfs te bar, en het bod is van de hand gewezen. • HET WERKTE AANSTEKELIJK ! Opnieuw een zelfmoord uit vliegtuig. Gisteravond meldden zich te Bazel twee passagiers voor een vliegtocht je aan. Op den terugweg sprongen beiden boven Lausen uit het toestel, zonder dat de piloot zulks kon verhinderen. Het zijn een onderwijzer en een meisje, wier deerlijk verminkte lijken zijn gevonden. EEN MENSCHELIJKE VOGEL. 2500 M. met vleugels gevlogen. Uit Florida in de Vereenigde Staten verneemt de „Daily Express", dat Clem Sohn, een beroemd stunt-vlieger en parachutist, te Daytona Beach met volledig succes de vogels heeft geïmiteerd en veilig en wei weer op den beganen grond is terecht gekomen. Sohn ging met een vliegtuig, bestuurd door zijn vriend Arthur Davis, de lucht in. Hoog boven de wolken gekomen, klom hij op een der vleugels en daar bevestigde hij een paar wieken aan zijn armen en schouders van een meter breed en twee meter lang, vervaardigd van met sterk zeildoek overtrokken metaal. Hooger en hooger klom de machine, en op 4000 Meter gekomen gaf Sohn den bestuurder een teeken, en sprong in de gapende ruimte omlaag. Aanvankelijk hield hij zijn vleugels stijf langs zijn lichaam geklemd en de gapende menigte, die zich op het breede strar.d nad verzameld, zag vol ontzetting, hoe de waaghals bijna duizend meter als een steen omlaag plofte. Toen breidde hij plotseling zijn vleugels uit, en vloog. Met behulp van zijn wieken scheerde Sohn door het luchtruim als een reusachtige meeuw. Hij bootste de bewegingen van een vogel na, zweefde omhoog, omlaag, van links naar rechts; zelfs volbracht hij drie loopings Na nogmaals gestegen te zijn, daalde hij cirkelend, als een arend, die op zijn prooi neerschiet. Op deze wijze legde Sohn 2500 meter af. Toen vouwde hij hoog in de lucht zijn armen: zijn vleugels hingen weer langs zijn lichaam omlaag. Sohn trok aan het koord van zijn parachute en de laatste 600 meter zweefde hij langzaam omlaag, waarna hij veilig op zijn voeten landde Zoo opgewonden was hij over zijn geslaagd experiment, dat hij letterlijk juichte van pleizier „Het was een volkomen succes", zoo ver-klaarde hij tot den verslaggever der „Daily Express". „Ik had nog veel langer boven kunnen blijven, maar ik verkleumde van de kou. Toch ga ik het later nog eens doen. Dit is het begin van iets belangrijks. Het zou mij niet verwonderen, wanneer mijn uitvinding dermate wordt vervolmaakt, dat men niet langer met vliegtuigen, maar met vleugels zal vliegen." De vleugels, zoo vertelde Sohn vervolgens, zijn gemaakt van stalen buizen, met geolied doek overtrokken. Zij zijn met riemen aan mijn schouders, armen en polsen verbonden. Over mijn borst hangen dragers, ten einde t« voorkomen, dat de vleugels onder het vliegen te ver open gaan en mijn armen ontwrichten Tusschen mijn beenen en voeten is eveneens zeildoek bevestigd, waarmee ik sturen kan Door een van mijn beenen te bewegen, kan ik van richting veranderen. Voor mijn loopings heb ik mijn knieën een beetje opgetrokken en de vleugels wat bewogen. Het experiment van Sohn heeft in sterke mate de belangstelling getrokken van de luchtvaart-autoriteiten, die er bij tegenwoordig waren. --- KERKNIEUWS DR. NIC BARES. † Bisschop van Berlijn. De bisschop van Berlijn, dr. Nicolas Bares, is gisteren om 22 uur 15 in het St. Hedwigsziekenhuis te Berlijn overleden. Bisschop Berning van Osnabrück, die zich op het oogenblik te Berlijn ophoudt, heeft hem het laatste sacrament toegediend. Dr. Bares was op 24 Januari 1871 te Iden'heim (district Trier) geboren. Na het gymnasium te hebben bezocht studeerde hij van 1891 tot 1895 aan het priesterseminarie te Trier Philosophie en Theologie. In 1910 promoveerde hij te Breslau tot doctor in de Theologie. Van 1909 tot 1918 was hij professor in de theologie aan het priesterseminarie te Trier. In 1929 werd Dr. Bares bisschop van Hildesheim en in 1933 bisschop van Berlijn. --- THIJS IJS EN DE WINTERKONING 13. — Uit een hol, diep in den grond, kwam een marter en keek het winterrijk eens rond. Het vogeltje, dat Thijs had zien bevriezen, zat steeds nog op zijn tak, vanwaar het tot den marter sprak: „Zoo juist was Koning Winter hier, en hij bevroor Thijs Ijs, het arme dier. Thijs was hier verdwaald — nu^taat hij in het ijspa'eis en wordt er nooit meer uitgehaald. Daar moeten wij toch iets aan doen," besloot hij toen. „Ja," zei de marter, die ook een heel goed hart bezat, „maar zeg jij mij dan eens: wat?" --- De Saar weer Duitsch Uitbundige viering te Saarbrücken Een rede van Hitler Wij hebben gisteren onder de Laatste Berichten reeds een en ander verteld omtrent de overdracht van het Saargebied aan Duitschland. Het hoogtepunt van de feestviering werd bereikt, toen Hitier zijn autotocht door de stad maakte. Aan het slot daarvan ging de Leider naar hotel „Excelsior", teneinde een koffiemaaltijd te gebruiken. Een enthousiaste menigte had zich hier opgesteld, die niet moede werd om den Leider toe té juichen. Een défilé van twee uren. Hier vond het défilé plaats van alle militaire en burgerlijke vereenigingen, dat «twee uren duurde en waarbij Hitier ieder voorbijtrekkend vaandel groette. De 52 man der z.g. „Oude Garde", die in 1921 de vaan van het nationaalsocialisme in het Saargebied hadden geplant en aanvankelijk ongemoeid waren gelaten, omdat de bezettingsautoriteiten de nieuwe beweging niet au serieux namen, deze mannen, allen oorlogsveteranen en enkelen met sneeuwwitte baarden, werden het voorwerp van een geweldige ovatie, en Hitier en Göbbels klapten om het hardst mee. De eerste S.S.- en S.A.-formaties, die thans fier in hun bruine uniform defileerden, werden eveneens levendig toegejuicht en daarna volgde een afdeeling Hitler-jeugd, die reeds den „oorlog" had leeren kennen, want hun taak was in de 15 jaar der bezetting en vooral in de laatste maanden, om opschriften der marxisten en communisten 's nachts weer te verwijderen, en daarbij heeft menige jongen een flink pak slaag en sommigen een ernstige verwonding opgeloopen, bij de af deelingen St. Ingbert en Merzen, die ook tot de oudste organisaties behooren, bleek de bevolking dit niet vergeten te hebben, evenmin als de medewerking der afdeelingen Kaiserslautern, Zweibrücken, Mannheim en Ludwigshafen uit het aangrenzende Pfaltzgebied en Boden. Wanneer er een enkele maal 100 M. afstand tusschen twee groepen was ontstaan en Hitier een oogenblik onzichtbaar was — misschien was hij even gaan zitten —dan vormden zich onmiddellijk spreekkoren, die scherp gearticuleerd den wensch: „wij-willen-onzen-leider-zien" uitten, aan welk verzoek Hitier dan in de meeste gevallen weer onvervaard gehoor gaf door zich op te richten. De betooging op het Raadhuisplein. Nadat het défilé te ongeveer half vijf was afgeloopen, kwam men te zes uur opnieuw op het plein bijeen, waar Hess, Göbbels en Bürckel alle drie met een paar andere woorden precies hetzelfde zeiden, n.1. een compliment voor de vasthoudendheid en den Duitschen trouw der Saarbevolkigg gedurende zooveel jaren. Göbbels herinnerde nog aan de 60—70 pet. voor den Status quo, welken de emigrantenpers nog den Zondag voor den 13den Januari durfde voorspellen. Spr. wenschte omgekeerd de Saarlanders geluk, dat zij in een rijk terugkeeren, dat niet langer onder den smaad van Versailles, de Joden en de geldrepubliek zuchtte. „Leve het eeriige Duitschland! Sieg Heil!" besloot de minister voor Propaganda onder donderend applaus. Bürckel sprak over de mislukte poging cm natuurwetten te verkrachten door van de Saaiianders te verwachten, dat zij tegen de heerschende richting in hun eigen vaderland souden stemmen. De rede van Hitier. Tenslotte nam de Führer zelf het woord. Hij herinnerde aan zijn eerste rede voor een deel der Saarbevolking bij het gedenkteeken in het Niederwald in 1932. Een jaar later sprak ik, vervolgde Hitier, reeds voor 30.000 Saarlanders te Coblenz en toen hebt gij mij beloofd, Duitschland trouw te zullen blijven, en ik beloofde u van mijn kant, dat Duitschland u nooit in den steek zou laten. Nu voel ik mij gelukkig, in uw midden te zijn, en wij mogen den hemel wel danken, dat onze derde ontmoeting in het Duitsche Saarland geschiedt. Al regende het hard, wij hadden toch de zon in onze harten, want het is een geluksdag voor allen die hier zijn en voor de vele millioenen, die ons van hier tot Koningsbergen hooren. Maar het is, naar ik meen, ook een geluksdag voor heel Europa, want dit gebied had een eeuwige twistappel kunnen worden als men niet zoo verstandig was geweest, het aan Duitschland, waarbij het behoorde, terug te geven. Het herstel van natuurlijke grenzen en natuurlijk verstand zal de verstandhouding tusschen Duitschland en Frankrijk verbeteren Het moet mogelijk zijn, dat twee groote volken elkaar de hand reiken om samen te werken bij de afwending van de rampen, die Europa bedreigen. Laat deze dag' tevens een leer zijn voor hen, die gedacht hebben, dat zij een volk een deel van zijn eigen wezen konden ontnemen. Ten slotte is het bloed sterker en dikker dan alle papieren verdragen. Wie uit dit feit thans niet leeren wil, zal later in de geschiedenis niet meer genoemd worden. Uw trouw, Saarlanders, heeft mijn arbeid verlicht, een arbeid, die geen ander doel kent dan Duitschland weer vrij en groot te maken. Viert dus heden feest, maar morgen gaan wij weer aan het werk voor ons geliefd Duitschland, want dit werk is nog pas een aanvang van wat ons voor de oogen zweeft. Ergen nood hebben wij moeten lijden om eindelijk tot een ware volksgemeenschap te geraken, maar thans zijn wij toch zoo ver. Om getuige van deze volksgemeenschap te zijn, ben ik vandaag tot u gekomen, maar ook als strijder, want ons gioote doel is nog niet bereikt: ook de tegenstanders moeten dit Duitschland leeren zien zooals het is. Dit is slechts een eerste begroeting, ik kom tot u terug (stormachtige toejuich/ngen), maar het was mij onmogelijk vandaag te Berlijn of elders te blijven. Mijn hart heeft mij heden tot u gevoerd om u te zeggen hoe gelukkig het Duitsche volk is en ik zelf ben over uwen terugkeer. Ik verzoek u, de deugden, die gij 15 jaar bewaard hebt, ook aan Duitschland te geven, gelooft aan dit Duitschland, aan zijn vrijheid en zijn gr.iotheid. Blijft trouw aan het nationaal-socia.lisme, omdat wij de vaan van het Deutschtum hebben opgeheven toen het rijk zelf in zijn diepsten staat van vernedering verkeerde. En ten slotte: geeft Duitschland ook uw wil om voor 't algemeen belang te werken, om de natie meesteres van haar eigen lot te maken. Dit Duitschland zal onze eerste- gemeenschap ds '>'jke eed van trouw gelden. --- ONDERWIJS. PROF. DR. IR. J. VERSLUYS. † Buitengewoon hoogleeraar te Amsterdam. Gisteren is overleden, 54 jaar oud prof. dr. ir. J. Versluys, buitengewoon hoogleeraar aan de Universiteit van Amsterdam in de oeconomische geologie en oeconomische mineralogie. Prof. dr. ir. J. Versluys heeft zijn ambt slechts enkele jaren mogen bekleeden. In 1932 benoemd, sprak hij op 31 October van dat jaar zijn intree-rede uit over: De ontwikkeling der oeconomische geologie Hij was ook adviseur van de Bataafsche Petroleummaatschappij te 'sGravenhage en lid der Kon. Academie van Wetenschappen. In 1905 verwierf hij zijn diploma van mijn-ingenieur. Achtereenvolgens was hij daarna werkzaam: bij den dienst van het mijnwezen in Ned.Indië van 1906—1911, bij de Koloniale Petroleum Mij. te Batavia, bij het rijksbureau van drinkwatervoorziening als hydroloog van 1915—1920 en als directeur van de waterleiding te Soerabaja tot 1924. Daama werd hij, zooals boven vermeld, adviseur van de Bataafsche Petroleum Mij. en in deze functie bezocht hij ook Rumenië en Amerika. In 1916 promoveerde hij met lof op een proefschrift over: De capillaire werkingen in den bodem. Na 1916 is hij ook nog eenige jaren privaat docent aan de Technische hoogeschool geweest. Zeer groot is het aantal wetenschappelijke publicaties van zijn hand in binnen - en buitenlandsche tijdschriften. Behalve lid van de Kon. Academie van wetenschappen was hij lid van de Society of economie geology. --- KUNST EN LETTEREN DE GEVAARLIJKE HELLING. Ed. Veterman over de debatavonden van de Amst. Tooneelvereeniging. Het jongste nummer van de „Tooneelspiegel" (thans gecombineerd met „Het Tooneel") bevat een ernstige waarschuwing van Eduard Veterman aan het adres van de Amsterdamsche Tooneelvereeniging, naar aanleiding van de debat-avonden voor jongeren. Hij begint met , enkele behartigingswaardige opmerkingen over de neiging der Nederlanders, om alles wat uit het buitenland komt mooier te vinden dan het inheemsche, welk defaitisme de oorzaak ervan is, dat Van Dalsum en de zijnen nu al terug moeten grijpen naar oude stukken als „Freuleken" en „Pygmalion". „Ten einde raad heeft men naar een nieuw krachtmiddel gegrepen om publiek te kweeken. Men heeft gespeculeerd op de recalcitrantie van de jeugd en de gelegenheid opengesteld tot debat." Veterman begint met een protest tegen het feit, dat deze debatavonden zijn georganiseerd onder het mom een nationale organisatie van tooneelliefhebbers te stichten, waartoe „de erfenis van de in de wieg gesmoorde Ned. Theater Unie benut wordt." Over de debatavonden zelf schrijft hij dan verder: Men kan nu wel zeggen: dit wekt nieuwe belangstelling voor de tooneelkunst, maar dat is onjuist. De reputatie die Van Dalsum onder de jonge generaties ongetwijfeld geniet, werd niet veroverd met debat, maar met meeslepende voorstellingen als „Eindexamen", „Noach", „Ph#ea". De kwaliteiten van deze voorstellingen vormden voldoendeattractie om zonder verdere sensatie volle zalen te trekken. Het mist bovendien elke reëele waarde, zoo'n debat. De versche toeschouwersindrukken worden uitgewisseld met de voorbereide en ingewortelde opinie van den regisseur. Volkomen ongelijkwaardige grootheden. Een discussie over een medaille, waarvan één der partijen slechts één zijde heeft gezien, en de voorbereide partij dus steeds voldoende voorsprong heeft, om gelijk te krijgen. Er zit echter aan deze debat-attractie nog een ander gevaar verbonden. In ons land denken tallooze menschen genoeg van dramatische kunst te weten, om er over te kunnen oordeelen en schrijven. Het ligt in de lijn van do beminnelijke overmoedigheid, de jeugd van nature eigen, om in een openbaar debat met niemand minder dan Defresne een prerogatief te zien, dat bevoegdheid tot oordeelen over tooneelkunst breveteert. Ik vrees met groote vreeze, dat de sensationeele attractie waarmee de Amsterdamsche Tooneelvereeniging de belangstelling van de rijpere jeugd voor haar opvoeringen tot zich wil trekken, een boemerang zal blijken, die den .werper ernstig genoeg treft om alle voordeelen van zijn gestie verloren te doen gaan! --- VAN ONZE LEESTAFEL • We ontvingen alsnog ter aankondiging van de firma Bosch en Keuning te Baarn twee deeltjes van de Libellenserie, n.1.: Roeland Koning, een beeld van zijn werk in 15 reproducties, met een inleiding van Herman Hana, en Sari Goth, een beeld van haar werk in 15 reproducties, met een inleiding van haarzelf en een woord vooraf van Maria Viola. Met deze twee deeltjes betreden de uitgevers van de Libellen-serie een nieuw pad, n.1 het brengen van goedkoope werkjes over schilderkunst. De reproducties zijn zeer verdienstelijk. Vooral uit de afbeeldingen van schilderijen en teekeningen van Roeland Koning blijkt zijn zeer veelzijdig talent. De reproducties van Sari Goth zijn uit den aard der zaak eenzijdiger. Het zijn alle kinderportretten, maar zóó geschilderd, dat de liefde van de schilderes voor kinderen in' iedere lijn voelbaar is. Ook deze reproducties zijn goed gedrukt. Jammer is o.i., dat in de inleidingen noch van Roeland Koning, noch van Sari Goth iets verteld wordt over hun persoonlijkheid: hun jeugd, kunstontwikkeling, werkkring, woonplaats enz. Verder ontvingen we ter aankondiging Van de uitgevers W. J. Thieme en Cie. te Zutphen: Zelf aan de Microscoop, handleiding tot het zelf vervaardigen van eenvoudige preparaten voor onderzoek met de microscoop, door J, C, Alders. Van den uitgever G. W. den Boer te Middelburg: Friesland door de eeuwen heen, aflevering 5 Van de uitgeverij J. H. de Bussy te Amsterdam: „De huidige toestand van een nieuw standpunt bezien" door Mr. W. Wentholt. Van de uitgeverij N.V. „De Leidsche Courant" te Leiden: „Om den gaven gulden, voor of tegen devaluatie?" door Mr. H. F. A. Geise. Van de uitgeverij W. L. en J. Brusse te Rotterdam: „Het schoone boek", door A. A. M. Stols, verschenen in de reeks monografieën over hedendaagsche sier- en nijverheidskunst „De toegepaste Kunsten in Nederland". Van de Vereeniging „De vereenigde distillateurs" en de Ned. Ver. van distillateurs en likeurstokers te Schiedam: „Een bloemlezing uit de onderwereld". Wij hebben elders in ons blad aan deze uitgave een uitvoerige bespreking gewijd. Van het publicatiebureau van het Verbond voor Nationaal Herstel te 's Gravenhage: „Corporatieve ordening in overeenstemming met volkskarakter en historie", Fata Morgana of naderende werkelijkheid? door J. C. den Baars. Van de uitgeverij J. M. Meulenhoff te Amsterdam: „Heeren, Knechten en Vrouwen", de geschiedenis van een Amsterdamsche regentenfamilie in de jaren 1778 tot 1815 door Jo van AmmersKüller, vijfde druk. Dat zoo korten tijd na de uitgave van dezen roman reeds een 5e druk kon verschijnen, is wel een bewijs dat het boek in den smaak valt bij het Nederlandsche publiek. Van de uitgeverij C. A. J. van Dishoeck te Bussum: •» „De wetten des verstands en de ware wet van het denken" door Ir. A. J. Bergsma. In zijn voorwoord tot dit geschrift schrijft prof. J. Hessing o.a.: „Degenen, die zich het danken in den geest van Hegel en dan, zooals dit in ons vaderland, om te beginnen door den grootschen arbeid van G. J. P. J. Bolland aan onze taal, is blijven ontwikkelen, reeds eigen hebben gemaakt, wordt de lezing van dit geschrift een zeldzaam geestelijk genot". Door de sobere wijze van behandeling van het onderwerp is, meent de inleider, dit boekje bovendien bij uitstek geschikt om den beginner voor te bereiden op wat hem met de, het verstand zonder meer te boven gaande, redelijke denkwijze te wachten staat. SCHOOLUITGAVEN. Wij ontvingen ter aankondiging van de Uitgeverij J M. Meulenhoff te Amsterdam: „Le francais de tous les jours", par IJ. Dubosq, professeur a 1'a 2de H.B.S. a Amsterdam, et D. H. van Dam. „Trois chefs-d'oeuvre", Hugo: Une représentation de mystère en 1482; Balzac: le démasquement de Vautrin; Flaubert: Un Coeur Simple; annotés par G. G. Ellerbroek, professeur au lycée municipal d'Enschedé. „Lettres de mon Moulin" (Choix), par Alphons Daudet, accompagnees de notes et d'une carte par P. v. Duinen, revues par W. G. Kernkamp, directrice d'une école moyenne de jeunes filles a A 'daA. „Jacques, 1'Aviateur", roman par J. M. Hemmerle de Kuenheim, adapté et annote par Rosine. J. Simons, professeur de 1'enseignement primaire-secondaire a A 'dam. „Maria Stuart", Trauerspiel in fünf Aufzügen von Friedrich von Schiller, 'mit Anmerkungen von J. Kroon, Lehrer an „de 4e H. B. S. met 3-j. cursus in Amsterdam, fünfte Auflage. „Die Biene Maja" und ihre Abenteuer", von Waldemar Bonsels, Autorisierte Ausgabe für den Schulgebrauch herausgegeben von dr. G. Ras, Oberlehrer am Gymnasium in Haarlem, fünfte Auflage. „Pik reist nach Amerika". Eine lustige Schiffsgeschichte von Franz. Werner Schmidt. herausgegeben und mit Notitzen versehen von J. Carvalho, Studienrat an der 3 H. B. S. j. c. in A'dam. „Das Buch vom Fliegen", herausgegeben von J. H. Schouten, Oberlehrer am Chr. Gymnasium in Haag. „Das Wirtshaus im Spessart", von Wilhelm Hauff, herausgegeben und mit Bemerkungen und Worterklarungen versehen von J. J. H. Lamberman, Lehrer der deutschen Sprache und Literatur an der 2. Oberrealschule in Amsterdam. „Een bundel romantiek", balladen, proza, drama, verzameld en ingeleid door Dr. Am. Saalborn, leeraar aan het Barlaeus Gymnasium te Amsterdam. ---