BINNENLAND. Zutphen, 2 Januari 1889. Inden avond van gisteren heeft een korporaal der huzaren in zijn brooddronkenheid op de openbare straat rustige burgers met zijn sabel gedreigd waarvoor hij zich tegenover zijn chef, de detachementscommandant alhier, zal moeten verantwoorden. Inde Hoven alhier heeft gisterenavond een beschonken dronkaard, T. N., vergezeld vaneen niet beter bekend staand persoon mishandeling gepleegd. Door de politie wordt in deze een onderzoek ingesteld. Maandag overleed te Arnhem, naar welke stad hij zich eerst kort geleden verplaatst had, een zeer bekend en populair oud-ingézetene van Zutphen, de heer Jan Wensink, inden ouderdom van 04 jaar. Hoeveler herinneringen uit de jeugd zijn niet met zijn naam saamgeweven ? Yele jaren lang heeft hij dansondenvijs in onze stad gegeven en door zijn geheel eigenaardige wijze van zijn en doen zich inde herinnering zijner oud-leerlingen en zijner vrienden doen voortleven. Ook na zijn verscheiden zal stellig zijn naam nog menigmaal op veler lippen zweven. Overzicht der Weergesteldheid te Zutphen, gedurende de maand Dec. Gedurende het grootste gedeelte der afgeloopen maand was de wind inden Zuidelijken hoek en was het weder, in ’t algemeen genomen, zacht voor den tijd van het jaar, eenige dagen omstreeks het midden der maand uitgezonderd. Geheel heldere dagen kwamen er slechts enkele voor, terwijl vooral op den 12den, löden, 18den en 19den, een dikke mist den roem der donkere dagen voor Kerstmis ophield. Harde winden of sneeuw, kwamen in December niet voor. Met Oostelijken wind en 8 graden vorst stond de barometer het hoogst, 776,0 mM., inden nacht van 12 op 13 December ; het laagst, mede met oostelijken wind, doch zacht weder, 747,8 mM. inden nacht van 21 op 22 December. Hoogste temperatuur des middags van den 2den December 48° Fahr., terwijl het het koudst was inden nacht van 12 op 13 December, 24° Falir. of 8° vorst. Gedurende twaalf dagen der maand bedroeg de gezamenlijke regenval, 33,8 mM., waarvan het grootste gedeelte inde laatste week neder viel, het meest inden nacht van 24 op 25 December, 8,1 mM. Inden avond van den 13den vertoonde zich een groote kringj om de maan, terwijl bij zons-opkomst en ondergang meermalen morgen- of avondrood werd waargenomen. Menschrijft ons uit B rum men: Evenals in andere plaatsen wordt ook in onze gemeente de Oudejaarsavond inden gezelligen familiekring gevierd, maar ook daarbuiten wordt menig offer aan Bachus gebracht, en met een vroolijke stemming gaat men het nieuwe jaar tegemoet. Zoo was het ook Maandagavond. Nauw had men zich evenwel ter ruste begeven ’t was ongeveer half twaalf of klokgelui wekte ons uit den eersten slaap. Wie nog meenen mocht, dat het oudejaar werd uitgeluid, kwam spoedig tot andere gedachten door den rossen vuurgloed, welke niet veel goeds voorspelde. Pas van den schrik bekomen, veroorzaakt door den brand bij den smid W. op jl. Zaterdagavond, spoedde men zich thans naar het bekende Sociëteitsgebouw „Concordia”, dat zich nog te midden der vuurmassa ongedeerd staande hield. Een belendend gebouw, bewoond door de Wed. W. alwaar vermoedelijk door eene onbekende oorzaak de brand is aangekomen stond in lichte laaie en was in weinig tijd tot den grond toe afgebrand, nadat het nog eerst het door Mevr. de V bewoonde gedeelte had aangestoken. Vanhier sloegen de vlammen eindelijk over op het Sociëteitsgebouw, dat eveneens haar prooi werd. Aan de windstilte en zeker ook aan de brandweer, welke thans flink haar plicht deed, is het zonder twijfel te wijten, dat de brand, welke aanvankelijk een dreigend aanzien kreeg, tot dit gebouw beperkt is gebleven. Van de inboedels heeft men zeer weinig kunnen redden; met moeite heeft de klerktelegrafist de W., welke bij de Wed. W. inwoonde, het brandende perceel kunnen verlaten. Het geheele meubilair der Sociëteit waaronder een pianino der zangvereeniging Caecilia —is verbrand. Het inde asch gelegde perceel, eigendom van den heer N. v. d. D., was verzekerd. Een paar moedige mannen begaven zich op het dak van liet naast gelegen hotel Kromhout en beschutten het door brandzeilen tegen de vlammen. Den burgmeester zag men tijdens den brand steeds inde eerste rijen en hij spoorde door zijn voorbeeld anderen tot krachtdadig optreden aan. En dit was inderdaad wel noodig, daar men aan verscheiden spuitgasten, vooral aan die uit de buurtschappen, wel merken kon, dat het Oudejaarsavond was. Vroolijk waren ze misschien onwetend – bij de ellende der van hun dak beroofde lieden, die hun spaarpenningen er bij inschoten. Dat men hen helpen zal dit waarborgt de naam van zoovelen onzer weldadige ingezetenen. Het Nieuwjaarßschieten heeft gisteren weder een slachtoffer geeischt. De * persoon van H. G., wonende alhier, had het ongeluk bij het afschieten vaneen pistool onder Gorsel zich deerlijk aan de hand te verwonden. De pink werd hem afgeschoten en de hand zoodanig verbrijzeld, dat hij waarschijnlijk voor langen tijd het gebruik zal moeten missen. Wanneer zal er toch eens met deze verouderde en gevaarlijke gewoonte gebroken worden? Gedurende het jaar 1888 zij n door den heer Commissaris des Konings verleend : 870 groote jachtakten , 2e soort; 548 groote vischakten; 730 kleine vischakten; 1926 kostelooze vergunningen om te visschen. Het Ge rechtshof te Arnhem, rechtdoende in hooger beroep in strafzaken, heeft gedurende het jaar 1888 in 39 zittingen behandeld 117 zaken, waarvan 35 afkomstig van de rechtbank te Zutphen, 31 van die te Arnhem, 26 van Almelo, 13 van Tiel en 12 van Zwolle. In die 117 zaken waren betrokken 130 personen. Ten aanzien van 78 hunner werd het vonnis, met of zonder wijziging der motieven, bevestigd; voor 16 werd de straf verminderd, voor zeven de straf verzwaard. Vijftien, die in eersten aanleg waren veroordeeld , werden in hooger beroep vrijgesproken, tegen 14, die in hooger beroep werden veroordeeld, na in eersten aanleg te zijn vrijgesproken. Men schrijft ons uit Wageningen: Het Nationaal Buksconcours, uitgeschreven door de „Vereeniging tot Vrijwillige Oefening inden Wapenhandel* alhier, verheugt zich aanvankelijk ineen bijzonder succes. Als om strijd worden de ruim 30 prijzen, voor den personeelen wedstrijd beschikbaar gesteld, ten zeerste geroemd. De inrichting van de nieuw gebouwde schietbaan draagt in hooge mate ieders goedkeuring weg en waarlijk zij kan wedijveren met de beste gelegenheden van dien aard in ons land. Verschillende vereenigingen hebben reeds te kennen gegeven aan den corps-wedstrijd, waarvoor een 3tal fraaie medailles zijn uitgeloofd, te zullen deelnemen. De Maatschappij tot Éxpl. van Staatsspoorwegen heeft voer bezoekers van het concours eene belangrijke reductie op hare lijnen verleend : ’t zelfde wordt van andere Spoorwegmaatschappijen nog verwacht. De wedstrijd is, zoowel personeel als voor corpsen, opengesteld op Zondag, Woensdag en Vrijdag van iedere week. Men schrijft ons uit Varsseveld : (Oudejaarsavond ’88.) Naar de „lempkeskerke** ga ’k niet en om den laatsten avond van ’t jaar zoek te maken in eene herberg staat me tegen, dus ’k blijf thuis ... Is er stof tot denken, tot schrijven misschien?... O ja, ’k zou haast zeggen : in overvloed! Ons Varseveld is wel klein en stil, doch niet zonder voor u it-strevende werkkrachten en ’BB was in menig opzicht een vruchtbaar jaar. Getuigt daarvan niet om met zaken van algemeen belang te beginnen de oprichting vaneen (de klemtoon valle op de eerste lettergreep van ’t woord.) Volksleesbibliotheek?.. Getuigt daarvan niet de plaatsing van brandputten op verschillende punten van ’t dorp?.. Getuigt daarvan niet... maar genoeg! —de aanleg van eene nieuwe straat, de verbetering van zandwegen, de oprichting van eene zangvereeniging voor gemengd koor, van een landbouwcursus ? De herstelling van den toren en wat niet al meer, houd ik in reserve voor ’t geval, dat men niet overtuigd mocht zijn. Een vruchtbaar jaar! Ongetwijfeld , maar ... niet zonder teleurstellingen. Kon ik het helpen, dat de gemeenteraad beloofde een deel van ons dorp en eene dichtbevolkte buurt ten gerieve den weg langs de begraafplaats naar het station te begrinten, en dat die belofte nog altoos op voldoening wacht! ? Kan ik het helpen, dat men, nu bijna twee jaar geleden, menig ouderen-paar en nog méér kinderhartjes blij maakte met het vooruitzicht op een jaarlijksch feest, een schoolfeest voor de leerlingen der openbare lagere school, en dat men nog altoos blijft vragen: „hoe zit ’ttoch met dat feest? Wij vernemen er niets van!..” ? Waarom dat dralen? Waarom die geheimzinnigheid ?.. Doch , basta ! ’B9 brenge licht! Een groot man besloot zijn aardsch bestaan met de veelzeggende woorden: „Licht, mehr Licht!” —ik kies die totnieuwjaarswensch! Men schrijft ons uit den Haag: „Geloof mij, mijnheer de Minister” zoo sprak de heer Fransen van de Putte inde zitting van Vrijdag 11. aan het slot zijner merkwaardige redevoering over koloniale politiek —• „op onzen leeftijd, wanneer wij iets tot stand willen brengen, moeten wij zoeken naar wat ons vereenigt en tijdelijk laten rusten wat ons te veel verdeelt. Wat ook uwe denkbeelden zijn over kwestiën van Staat, van school, van kerk, wees als Minister van Koloniën op staatkundig koloniaal gebied niet doleerend maar irenisch. Wijs ons niet af nu wij u tegemoet treden; geef ons een duidelijke, meer geruststellende, bevredigende verklaring wat de zending en de subsidiën voor het onderwijs betreft, opdat wij vrede kunnen hebben met de begrooting, die hier voor ons ligt. Dwing en dring ons niet onnoodig inde oppositie, die, ik behoef het niet te zeggen, dan niet anders dan ernstig kan zijn. „Stel u niet tevreden met onder allerlei reserves en voorbehoud, ja, met duidelijke uitdrukkingen van bezorgdheid en wantrouwen, tijdelijk geduld te hebben. Gij zoudt dan een ellendig ministerieel leven, uwer onwaardig, eenigen tijd kunnen rekken; ellendig omdat er niets van beklijven zou of van overblijven. „Krachteloos en machteloos als ge zoudt zijn als orgaan van het volk en der vertegenwoordiging bij de Kroon, krachteloos als vertegenwoordiger der Kroon in het Parlement, krachteloos inde minderheid, eerlang geïsoleerd inden Ministerraad , krachteloos tegenover de hoogere en lagere dragers van het gezag in Indië, die , in afwachting van de dingen die komen zullen, de aanschrijvingen en bevelen in advies zullen houden of wel om nadere inlichtingen zullen terugzenden. „Maak dat wij inden kalmen en bedaarden geest, deze Kamer eigen, niet alleen kunnen samenwerken, maar dat wij u ook in het belang van Indië, dat wij beiden liefhebben en waaraan wij onze beste levenskrachten wijdden, u met vertrouwen kunnen steunen. “ Zoo sprak de veteraan der liberale koloniale politiek, maar voordat de Minister nog kon antwoorden, nam ook eender veteranen van de conservatieve garde, de heer van Zuijlen van Nyvelt, het woord om eveneens den minister te verzoeken zóó te spreken, dat hij hem zou kannen steunen. En de Minister van Koloniën? Ineen lange rede heeft hij den volgenden dag opnietnv zijn standpunt uiteengezet •—of liever heeft hij de verschillende ter sprake gebrachte kwesties zoo toegelicht, dat ieder er iets van zijn gading in kon vinden; en dat de heeren van de Putte en van Zuijlen elk op hun standpunt reden van tevredenheid hadden. Aan den heer van de Putte antwoordde de Minister, dat hij werkelijk van planwas, op politiek gebied niet doleerend maar irenisch op te treden, dat hij de belangen van den inlander behartigen en zich van rechtstreeks che inmenging in het zendingswerk onthouden zou, en dat men zich ook over ’s Ministers eigenaardige hygiënische opvattingen niet meer ongerust behoefde te maken, want dat aan den Gouverneur Generaal volkomen vrijheid zou worden gelaten om de syphilis te bestrijden en de vaccine te bevorderen. Maar van den anderen kant kreeg ook de heer van Zuijlen een bevredigend antwoord. De dwangkoffiecultuur te handhaven en het monopolie te laten bestaan lag geheel in ’s ministers bedoeling. Zelfs was immers de staatscommissie in het leven geroepen om zonder grooteren druk van de bevolking voor de schatters nog meer voordeelen uit die dwangcultuur te trekken. En ook het echt conservatieve stokpaardje van toleenheid tusschen Nederland en Indië bleef de Min. verdedigen, ofschoon de heer Six duidelijk had aangetoond , dat de inlandsche bevolking daarvan de dupe moest worden. Inde Eerste Kamer bestaat de goede gewoonte om bijna nooit te repliceerên, en zoo bleek het dan ook niet welken indruk ’s ministers rede op de voornaamste woordvoerders had gemaakt. Alleen verklaarde de heer van Roijen, dat zijn vertrouwen inden minister, dat toch al niet groot was, nog meer was geschokt door diens verklaring, dat hij wel vrede wilde maar geen vrede ten koste van de waarheid, waaruit de Groninger afgevaardigde de conclusie trok, dat de Minister zijne doleerende opvatting van de waarheid, desnoods ten koste van de vrede , ook in Indië wilde propageeren. Mij dunkt, dat er in ’s ministers rede wel iets voorkwam , dat meer ergernis moest wekken. Uiteen gouvernementeel oogpunt acht ik vooral de passage, gewijd aan de beteekenis van ministerieele aanschrijvingen hoogst bedenkelijk. Er was o. a. door den heer Six beweerd geworden, dat ’s ministers onberekenbaarheid . die de natie telkens stelt voor verrassingen (?) en die eigenaardige methode van denken, waarover ook de heer van Houten zich reeds ongerust maakte, die te bedenkelijker en des te gevaarlijker zijn, omdat een minister van Koloniën een zoo kolossale macht heeft en over het lot van millioenen menschen beschikt. En wat antwoordde daarop de Minister ? In plaats van er op te wijzen, dat zij, die zoo bevreesd waren dat de Min. misbruik zou maken van zijn gezag en zijn macht, hem natuurlijk geen vertrouwen konden schenken, trachtte hij aan te toonen, dat het gevaar toch werkelijk niet zoo groot was, want dat ’s Ministers macht feitelijk zeer was beperkt door den invloed van den Raad van State en vooral door den Ministerraad, en dat zelfs ’s Ministers aanschrijvingen voor den Gouv.-Generaal geen bevelen waren, die uitgevoerd moesten worden maar adviezen, die de Indische landvoogd niet behoefde te volgen! Het is waar, dat een van ’s ministers vrinden hem inde Tweede Kamer ook reeds op deze wijze verdedigd heeft, maar dat een Min. zelf op die wijze zijne verdediging voert, grenst aan het belachelijke. Bovendien is de voorstelling onjuist. Rechtens is zeker de Gouv.-Generaal niet verplicht aan elke ministerieele aanschrijving gevolg te geven, maar als dat dikwijls gebeurt is botsing tusschen het Plein en Buitenzorg natuurlijk onvermijdelijk. En wat moet er terechtkomen van ’s Min’s. prestige, als aanschrijvingen, die de Min, zelf publiek maakt, in Indië onuitgevoerd blijven liggen ? Maar ergerlijker is nog de wijze waarop de Min. blijkbaar ook de belangen der inlandsche bevolking ondergeschikt maakt aan hoogere politiek. Het vorige jaar verzekerde de Min., dat zelfs de koffieplantende bevolking in Pasaroean nog niet de betaling ontvangt; waarop zij volgens het regeeringsreglement recht heeft, en nu zal uit de koffiecultuur nog meer moeten komen in do schatkist. En dat is slechts één voorbeeld uit velen. Inde Tweede Kamer zeide de Minister, dat hij het reglement op de inlandsche scholen niet zou wijzigen ; inde Eerste verklaarde hij even positief dat hij het wel zou doen. Niemand kan bij dezen Minister vooruitzien, waartoe zijne beginselen hem den volgenden dag zullen brengen. Men kan ook verwachten, dat in Januari inde Eerste Kamer bij Hoofdstuk X de strijd opnieuw zal worden hervat. De heeren Six en van Roijen hebben nu reeds verklaard aan dezen Min. niet het minste vertrouwen te kunnen schenken. Opmerkelijk is het echter, dat zoowel inde Eerste als inde Tweede Kamer de liberale koloniale specialiteiten zich bijna alle aan de zijde van deze Min. Keuchenius schoven. Blijkbaar hebben zij nog altijd het geloof, dat deze Min. wel iets goeds in het belang van Indië tot stand kan brengen, en in vergelijking met het door hen afgekeurde fiscale regime der afgetreden bewindvoerders vinden zij, met het oog op de Indische belangen zelfs het bestuur van den Min. Keuchenius nog een verademing. Voorst, 2 Jan. Dein December jl. gehouden collecte tot wering der nieuwj aarsbedelarij heeft dit jaar opgebracht f 131, waar voor gisteren aan ruim 300 personen één portie spek, brood en meel is verstrekt. Jammer dat nog zoo vele gezinnen die hiervan profiteeren een verkeerde schaamte terug houdt, het een en ander op het daarvoor bestemde middaguur in het wapen van Gelderland af te Halen: velen laten de voor hun bestemde portien, zeer ten ongerieve dergenen die zich geheel belangloos met de uitdeeling belasten , tot in den avond liggen, om alsdan daarmede heimelijk, in het donker, als een dief weg te sluipen, terwijl zij zich niet ontzien hunne kinderen op den nieuwjaarsdag nog langs de deuren der ingezetenen te laten rondslenteren om onder den vorm van nieuwjaarwenschen te bedelen. Dinxperlo, 31 Dec. Heden heeft alhier eene uitdeeling plaats gehad van levensmiddelen en kleedingstukken aan on- en minvermogende personen. Ongeveer f 110 was voor dat doel bijeen gebracht. Winterswijk, 30 Dec. In de Zaterdagavond gehouden algemeene vergadering van leden der sociëteit „de Eendracht**, deed de penningmeester rekening en verantwoording van zijn beheer over het afgeloopen jaar en bleek hieruit, dat de rekening sloot met een batig saldo van f40.69. In plaats van den heer E. F. ten Houten . die als directeur aftrad en niet direct herkiesbaar is, werd na een paar stemmingen de heer II. J. Manschot tot directeur verkozen, met 19 van de 37 uitgebrachte stemmen, Op den heer J. te Henepe werden 13 stemmen uitgebracht. --- FEUILLETON. Kaïn’s Legaat roman van Wilkie Collins. 5) In aanmerking genomen de treurige omstandigheden waaronder zij het kind naar de gevangenis had gebracht, verried de opzichtige kleur van haarjapon en haar hoed, gemis aan gevoel of een volslagen gemis aan smaak. Ik moet bekennen dat ik met het oog op de betrekking die zij vervulde, in onzekerheid verkeerde hoe ik haar dienaangaande moest beoordeelen. In geen geval was het een dame. De Gevangene had over haar gesproken als of zij een bediende was , die haar recht om met eenige onderscheiding behandeld te worden, geheel verbeurd had. Ik deed, wat we allen doen als we een raadsel niet weten op té lossen ik gaf het op. „Wat kan ik voor u doen ?!’ vroeg ik. „Misschien kunt u mij zeggen antwoordde zij, hoe lang het nog duren moet, voor ik kan heengaan.” „De beslissing hangt”, gaf ik ten antwoord, „niet van mij af.” „Van wien dan ?" De Predikant had ontegenzeggelijk in deze, alleen het recht om te beslissen. Het was aan hem om te zeggen, of die vrouw al dan niet op het kind moest blijven wachten, dat hij tot zich genomen had. Middelerwijl waarschuwde een zeker wantrouwen, dat ik voor die vrouw had opgevat, mij, om tegenover haar eene gereserveerde houding aan te nemen. Zij scheen door mijn stilzwijgen gebelgd te zijn. „Als de beslissing niet van u afhangt” vroeg zij, „waarom zeide u dan dat ik inde wachtkamer moest blijven?” „Gij hebt” hernam ik „het kleine meisje hier gebracht , was het zoo vreemd om te veronderstellen dat uw meesteres u nog zou kunnen noodig hebben ?” „Houd op , mijnheer !” Ik had haar blijkbaar beleedigd, en zweeg. „Niemand ter wereld”, zeide ze op hoogen toon, „heeft ooit het recht gehad zich mijne meesteres te mogen noemen. Uit eigen vrijen wil, mijnheer, droeg ik zorg voor het kind.” „Omdat gij zooveel van het kind houdt?” „Integendeel, ik haat het.” Heel onverstandig van mijn kant, protesteerde ik tegen zulk een gezegde. „Een kind haten, dat nauwlijks een jaar oud is ?” zeide ik. ~Haar kind!” Zij zeide dit op den toon vaneen vrouw, die een antwoord geeft , dat geen tegenspraak duldt. „Ik ben niemand rekenschap schuldig ’ begon zij weer. „Als ik er in heb toegestemd om mijzelf met dat kind last te bezorgen , deed ik dat door herinnering aan de vriendschap let w'el, dat ik zeg vriendschap voor den ongelukkigen vader.” Toen ik met elkander in verband ging brengen, wat ik nu hoorde, met hetgeen ik inde cel gezien had, ging er een licht voor mij op Deze vrouw, wier maatschappelijke positie voor mij tot dusver een onoplosbaar raadsel was gebleven ging ik nu beschouwen als eene van hen, die de jalousie hadden gaande gemaakt van de Gevangene , gedurende haar ongelukkig huwelijksleven. Een duister vermoeden kwam bij mij op omtrent den invloed, waaronder de bijzit van den echtgenoot gehandeld had, na diens dood. Ik Avilde daar het mijne van hebben. „Meent gij eenig recht op het kind te hebben ?” vroeg ik „Kecht?” hernam zij. „Ik weet van dat kind niet nreer af dan van u- Ik hoorde voor het eerst, dat het bestond, toen haar vader in zijn laatste oogenblikken mij liet roepen. Op zijn aandringen beloofde ik, zorg voor het kind te dragen, terwijl haar moeder, die slechte vrouw, het huis uitwas en in handen der Avet was gevallen. Ik heb aan mijne belofte voldaan. Als gij nu verwacht, dat, omdat ik het kind naar de gevangenis heb gebracht, ik het ook Aveer mede zal nemen, moet gij goed begrijpen, dat ik volstrekt niet verplicht hen mij met dat kind te belasten; ik zal het in handen stellen van het bestuur van het bestedelingenhuis. Weder verloor ik de heerschappij over mij zelf. „Ga de deur uit!” riep ik uit. Uwe onwaardige handen zullen het arme schepseltje niet meer bezoedelen. Voor het kind zal Avorden gezorgd.” „Ik geloof u niet!” barstte zij los. „Wie heeft het kind tot zich genomen ? Op bedaarden toon klonk het: „Ik heb dat gedaan.” Beiden schrikten wij op en zagen den Predikant inde opening van de deur staan, met het kind inde armen. De beproeving, die hij inde cel van de veroordeelde had moéten doorstaan, was op zijn gelaat te lezen; hij zag er geheel ontdaan uit. Ik Avas verlangend te weten of zijne Avoorden nog indruk op de Gevangene hadden gemaakt maar ter zelfder tijd zag ik er tegen op , om nu hij er zoo afgetobd uitzag, naar bijzonderheden te vragen. „Een enkele vraag slechts”, zeide ik. „Zijt gij voldaan over uw bezoek.” „Gods genade heeft mij ter zijde gestaan”, antwoorddehij. „Ik heb niet te vergeefs gesproken. Zij gelooft; zij heeft berouw ; zij heeft haar misdaad bekend.” Na mij de geschreven en door haar onderteekende bekentenis harer schuld te hebben overhandigd , naderde hij het venijnig schepsel, dat nog inde kamer was gebleven, om te hooren wat Avij zeiden. Voor ik het beletten kon, sprak hij tot haar, steeds inde meening verkeerende dat hij de dienstbode van de Gevangene voor zich had : „Ik vrees dat het u spijten zal, maar ik gevoel mij verplicht _ u te zeggen , dat uAve diensten niet langer noodig zijn. Ik heb er mijn redenen voor, om het kind aan de zorgen toe te vertrouwen vaneen kindermeid die ik zelf kiezen zal. Zij luisterde naar hem, terwijl een boosaardige glimlach om hare lippen speelde. „Ik kan best begrijpen, wie u die redenen aan de hand deed,” antwoordde zij. „Voor Avat mij betreft, zijn verontschuldigingen ounoodig. Als gij mij hadt voorgesteld om de zorg voor uav nieuw familielid op mij te nemen , zou ik het mijn plicht gerekend hebben om een weigerend antwoord te geven Ik ben geen kindermeid – ik ben een onafhankelijke alleen AA7onende vrouw. Ik zie aan uwe kleening dat gij een geestelijke zijt; vergun me dat ik mij aan u voorstel Ik ben Miss Elisabeth Ghance Mag ik het voorrecht hebben nu uav naam te mogen Aveten ?“ Te vermoeid en te vervuld van alles waarvan hij de laatste uren getuige had moeten zijn , om achtte slaan op den brutalen toon, waarop zij tot hem sprak, noemcle de Predikant zijn naam. „Ik ben benieuAvd te Aveten of het kind gedoopt is“, vervolgde hij, „misschien kunt u mij inlichting daaromtrent geven ?” Miss Elisabeth Chance schudde het hoofd op onbeschaamde wijze. „Ik heb nooit gehoord en ,om ude waarheid te zeggen, ben ik er ook volstrekt niet nieuwsgierig naar of het gedoopt is of niet. Noem haar-zoo als ge goedvindt, éèn ding kan ik u Avel zeggen – gij zult aan dat kind uav handen vol hebben De Predikant wendde zich tot mij. „Wat zou zij daarmede bedoelen ?” „Dat wil ik u wel zeggen”, viel miss Clmnce hem in de rede. „Daar gij Predikant zijt, weet gij Avie Debora Avas ? Zeer goed. Ik ben op ’t oogenblik Debora , en ik profeteer : (Op het kind wijzende :) „Geèf wel acht op hetgeen ik zeg, eerwaarde! Gij zult ondervinden dat de Avelp van de tijgerin, naar haar moeder zal aarden!” Na het spreken van deze woorden, verliet zij het vertrek {Wordt vervolgd). --- Advertentie Deze COURANT verschijnt dagelijks, uitgezonderd Zon- en Feestdagen. A dvortentiën en ingezonden stukken worden ingewacht tot ’s middags 1 uur aan het bureau van uitgave. Abonnementsprijs: f 1,50 per 3 maanden, franco per post f 1,871/2 , afzonderlijke nummers 5 cent. Advertentieprijs : I—4 regel f 0,60. Elke regel meer 15 cent, voor het buitenland 20 cent. Groote letters naar plaatsruimte. ---