Markt- en handelsberichten. Deventer, 8 Jan. Aan de heden alhier gehouden veemarkt waren 173 runderen aangevoerd, waarin levendige handel was. Men besteedde voor drachtige koeien f 80 a fl2O, neurende f 70 a f 140, melkgev. f6O a f 90, guste f6O a f 80, neurende pinken f5O a f 70, drachtige f 40 a f 60, guste f 20 af3s, nuchtere f4a f 6 per stuk, vette kalveren fl6af24. Vette runderen golden 50 a 53 ct., guste 18 a24 ct., vette pinken 35 a3O ct., vette kalveren 24 a 32 et., vette varkens 38 a 49 ct. per kilo; biggen per week f 0,80 a f 1,-. Lichtenvoorde, 8 Jan. Bij zeer schoon winterweder was de veemarkt hier heden zeer druk bezocht. Bij zeer aanzienlijken aanvoer van vee was de handel levendig en de prijzen iets beter. Op de varkensmarkt was minder levendigheid, de prijzen evenwel stationair. De totale Grenzsperre schijnt op de markten hier ter stede wreinig invloed uit te oefenen. --- verksapingen , Aanbestedingen enz. Hengelo (G.), 8 Jan. Door Burg. en AVeth. is den 5 dezer verpacht de opbrengst van het Marktgeld over 1889, Door D. A. Denzler alhier werd het hoogst ingeschreven en wel voor de som van f241.60, aan wien het recht vergund is. --- Ijsberichten. De boot Burgemeester jhr. Coenen zit tusschen Kampen en het Katerveer in het ijs vast. Beneden de brug is de IJsel vrij. De stoomboot Deventer Racket, die Maandag van Amsterdam vertrok om Deventer te bereiken, is dien avond te Kampen aangekomen en daar gebleven, omdat zij niet verder door het ijs inden IJsel komen kon. De Deventer Stoomboot-maatschappij heeft de vaart naar Rotterdam wegens het vele drijiijs gestaakt. De rivier voor Rotterdam is heden over de helft harer breedte met licht drijfijs bedekt, voor de zeilvaart een weinig hinderlijk. De dikke mist vertraagde heden het vertrek en de aankomst van eenige stoombooten. Op de rivier voor Dordrecht bevond zich heden veel meer drijfijs dan gisteren , vooral onder den Zwijndrechtschen wal. Het ijs hindert de scheepvaart echter niet noemenswaard. Uit hoofde van den zwaren mist hebben eenige booten, waaronder die van dereederij Fop Smit & Co., den dienst moeten staken. De Urker postschippers konden, wegens het vele ijs tusschen Urk en den Ketel, Kampen niet bereiken ; daar wegens den westenwind de zee ten westen van Urk vrij van ijs was, zijn ze heden morgen te- Enkhuizen binnengeloopen. Door de zware ijsschotsen op de Rijn is te Eist (Utrecht) heden de pont moeten worden geborgen. De overtocht voor voetgangers geschiedt nog per roeiboot, voor voertuigen naar en van de Betuwe gestremd. Het Ganzediep bij Grafhorst is toegevroren. De overtocht naar het Kampereiland per pont dooreen geul. Voor Gorinchem is eenig ijs op de Merwede, dat voor de vaart eenigszins hinderlijk is. De [Jsel voor Deventer is voor Vi met licht drijfijs bedekt. Bij Kampen zit het ijs boven de brug over de halve breedte vast; overigens blank water. De dienst op de spoorweglijn Zevenaar-Kleef-Keulen is tengevolge van de vorst gestaakt. De vaart op de Linge is gestremd. De IJsel was gisteren bij het Katerveer voor de helft met drijiijs bedekt. De overtocht geschiedde als gewoonlijk. De Goudzee, het water tusschen Monnikendam 'en het eiland Marken, is voor de helft dichtgevroren en vertoont een spiegelgladde oppervlakte. Uit Amerongen : Door het toenemend ijs op den Rijn is de verbinding van hier met de Betuwe voor voertuigen gestremd. De pont aan het veeris geborgen. Voor Nijmegen drijft weinig ijs inde Waal. De pont op den Rijn bij Reenen is geborgen, daar het vele ijs den overtocht onmogelijk maakte. Overtocht voor personen per boot. Te AVageningen is de rivier bedekt met drijfijs. Aan het Lexkesveer is de overtocht voor rij- en voertuigen gestremd. Bij Opheusden geschiedt de overtocht eveneens alleen per roeiboot. Het water blijft vallende. Een knaapje van 6 jaren is te Nieuw-Beierland door het ijs gezakt en verdronken. In Heinkenszanci zakten drie meisjes tegelijk door het ijs, terwijl later een jongen hetzelfde overkwam. Met moeite werden zij gered. Ineen onbewaakt oogenblik geraakte Zondag het 273-jarig zoontje van den veehoeder v. S. te Sloten, ineen bijt en werd kort daarna levenloos opgehaald. Onder het schaatsenrijden viel te AVagenberg een zestienjarige jongen, J. M., zoodanig op het ijs , dat hij zijn arm brak en zware inwendige kneuzingen aan den schouder bekwam. --- Algemeene berichten. lnternationale wedstrijd op schaatsen. Men seint ons uit Amsterdam: De uitslag van den gisteren gehouden wedstrijd op schaatsen, uitgeschreven door de Amsterdamscke Sportclub, is als volgt: Van de 22 deelnemers bleven overwinnaars: A. von Panschin, van Petersburg, gouden medaille; K. Pander, Haarlem, zilverenmed.; Leveday, Engeland, bronzen med.; C. G. Tebbutt, Engeland, bronzen med. Heden voortzetting; strijd om het championaat der wereld. _ De politie te Utrecht heeft gisteren bij een schipper in beslag genomen de door hem aldaar opgevischte eigendomsbewijzen, hypotheekbewijzen en familie-papieren , die ten nadeele van den heer H. Bakker, inde Oudwijkerdwarsstraat aldaar, op 30 December 11. zijn ontvreemd, zoodat de daarvoor uitgeloofde belooning van f 26 zal kunnen uitgereikt worden. De effecten ontbreken nog; voor hunne terugbezorging wordt de uitgeloofde belooning gehandhaafd. Het Haagsche gemeentemuseum is verrijkt met een merkwaardig gedenkstuk, dat dooreen toeval aan de vergetelheid is on trukt. In Maart ’B7 werd nl. in het Dagblad een correspondentie gevoerd tusschen den directeur van het Gemeentemuseum en een correspondent van Het Centrum, over het eerste, althans liet eerst bekende slingeruurwerk van Christiaan Iluygens inden toren van Sclieveningen geplaatst. Twintig jaren geleden is dat torenuurwerk dooreen ander vervangen, doch enkele deelen, waaronder de slinger, werden door het Gemeentebestuur van die dagenaanhetstedelijk Museum afgestaan, waar ze zoo goed werden opgeborgen, dat.... men ze verloren waande. Dit bleek gelukkig niet het geval te zijn, en dank zij de ijverige bemoeiingen van den tegenwoordigen directeur, den heer A. J. Servaas van Rooyen, kan men nu in het Gemeentemuseum aan den Korten Vijverberg den ouden slinger zien hangen en zich bewegen, ongeveer zooals hij in Huygen’s tijd het Scheveningsche torenuurwerk in werking bracht. Doch niet alleen de slinger is nog te zien, maar ook het schakelrad en een ijzeren voorwerp inden vorm vaneen vogel merkwaardig om het smeedwerk terwijl ter verduidelijking nog zijn bijgemaakt de veer welke door Huygens werd aangebracht om een gelijkmatige slingerbeweging te Yerkrijgen en het gewicht, zooals het indertijd aan den slinger bevestigd was. Zeer eigenaardig is de eigenhandige aanteekening door Huygens omtrent het oorspronkelijke uurwerk gemeld. Die aanteekeningeu dateeren van 23 Januari 1658 en luiden: _ „Het werk op Scheveningen is tegenwoordig aan den gang: de bal (het gewicht was schuitvormig) is een gewicht van 50 pond, doch denke wat minder er aan te hangen en zijn veer en ketting wat anders te maken; het heeft naar gissing een quartier in 24 uren verloopen.“ Later bracht Huygens nog verschillende verbeteringen aan. Alleen zij nog vermeld, dat de eerder uitvinding destijds werd betwist door den Rotterdamschen horlogemaker Simon ioqliW ’ ’ gelijk het Album der Natuur, 1884 en 85 mededeelt, zich op gewelddadige manier toegang inden toren te Scheveningen verschafte. Daar het evenwel zeer moeilijk, ja bijna onmogelijk was, om de overgebleven stukken van het uurwerk zoo op te stellen, dat oningewijde bezoekers zich een heldere voorstelling konden maken van de werking, zijn door den bekwamen oud-stadsuurwerkmaker, den lieer Kaïser , bijgestaan door zijn zoon , naast de oude stukken, wier opstelling hun was opgedragen, nog een viertal modellen opgehangen, getuigende van de voortgaande verbeteringen der slinger-uurwerken , zoodat men de ontwikkeling gemakkelijk kan volgen. Hiermede heeft de heer Kaiser een hoogst "verdienstelijkenarbeid verricht en tevens een waardig monument opgericht, ter eere van den grooten wiskundige Christiaan Huygei» Naast de verschillende Wach ters Boden is thans ook een Katholieke Gicls op het vaderlandsch erf verschenen. De hhmr. Eug Gompertz en Th. A. Koelman zullen de leiders zijn en gesteund worden door een reeks meer of minder bekende mannen en vrouwen. De eerste aflevering behelst: I- Voorwoord; ll. De sociale vraag door (x. Scheiberling, pr.; lll. Van Jeruzalem naar Jericho (met platen) door B. B. Klönne, Pr-; IV. Het Bisschoppelijk Museum te Haarlem door F. L. Stracké Jz.; V. Een dag uit het leven van Prins Willem 111 door Mathilde; VI. Aan den Katholieken Gids door dr. H. J, A. M. Schaepman; VII. Eduard Drumont en de Joodsche quaestie I door Th. A. Koelman ; VIII. Maandelijksch overzicht door mr. Eug. Gompertz. De Katholieke Gids verschijnt maandelijks. De prijs is slechts f 3,60. Uit het „aan onze lezers11 blijkt, dat de redactie het tijdschrift bestemt meer voor den ontwikkelden dan voor den geleerden geloofsgenoot en dus geen studieboek wenscht te geven. Het tijdschrift zal zijn degelijk katholiek op het gebied van literatuur, kunst, wetenschap, politiek en critiek. Het artikel over de „Sociale Vraag14, waarmede het tijdschrijft debuteert, is een vertaling van de redevoering, uitgesproken door den secretaris-generaal van „Arbeiterwohl11 , op de laatste algemecne vergadering der katholieken in Duitschland te Ereiburg. De bijdrage van dr. Schaepman is een weinig „rijmelarij“. Een „gefolterd man“ , gelijk hij zichzelf noemt, kon niet meer geve*l-, Hij sptort de Gids aan steeds de breed ontplooide heirbanier op te heffen, die Hollands frissche kleuren draagt, door het glonestralend kruis gekroond. Het „Maandelijksch overzicht11, waarmede deze aflevering wordt gesloten, is in hoofdzaak een terugblik op het vorig jaar De schrijver maakt daarbij voor ons land melding van de optreding vaneen ministerie saamgesteld uit bezadigde mannen der antiïberale partij en, dat de schoone maar hoogst moeilijke taak te vervullen heeft „het InrWrAte reperen naar de beginselen van godsdienst, recht en orde.“ En ge lsche ondernemingsgeest tegenover Nederlandsche „lax”heid. Transvaal11 paï'tl<)u^ier schrijven vaneen naar Herhaaldelijk kwamen wij heele rissen os-SVmetnikmefi|oederen tegen‘ Die wagens mi!!,™!* ossen bespannen. Engelsche voorat68'!11- het “de boer goed schen w ïJle,veT, “Ogen ze nog de Engel-Wat ’ J-ant (Ie Engelschman laat hem nog zoolls d1?"? ’ “ Hollanders komen hier ’>' e.en Pen achter die oor“ Ach’ TO„f 1 – waaLik moet het bekennen, heerliik toek ezels i dat wij dit laten Joi d -gC ieel aan de Engelschen over halen vr winsten met emmers te komen jammer hier?ver later. Het is maar de TinnrU • men *n Holland zoo weinig op de de T> Ul^ln£’ dat men bij ons heel veel over kenn;araDßVaal Praat, maar oordeelt zonder ciea nJan zaken- Alles, alles, vond ikpremen Llerß-dan miï was medegedeeld. Laat slecht» vr11!1,6* Selooven in Holland, dat men slagen8 poliander behoeft te zijn om hier te dnn„ j kle Engelschen hebben den voorrang aoor de macht van ’t geld. naar T cja^mor£en vertrok ik uit Potchefstroom arrivpp?.^ann?B^urS waar ik dienzelfden avond ziin tn J^6, -leder die Johannesburg ziet moet Waar xr 6n van bewondering in elkaar slaan, liet nu °°r noSi geen 2 jaar geen huis stond, den dpree-o van 30i000 inwoners temid-Men rrmia'J <;0 Soudvelden van Witwaterstrand. dernomi,, vvaai’bjk ontzag hebben voor den onememmgsgeeat der Engelschen. 18 door Engelsch kapitaal bijeengebracht. Yoor geen enkel Hollandsche penning wordt hier gedelfd en terwijl het goud hier door Engelschen met emmers wordt weggehaald. De gezamenlijke maandelijksche opbrengst der riffen (alleen van Johannesburg) is 120,000 p. st. Wat biedt dit heerlijke land niet tal van kansen aan voor Hollandsche kapitalisten, die hier schatten konden verdienen !! (Wereldburger). --- INDISCHE TOESTANDEN. 25 Men heeft echter goed gevonden een geheel anderen weg in te slaan, Inde begrooting voor 1888 werd als onder afdeeling 37a opgenomen een post van 2 millioen gulden, luidende: Uitgaven in het belang van de inlandsche bevolking van Java en Madura, te bestrijden uit het excedent van het hoofdgeld van heerendienstpliclitigen over vroegere jaren. Op grond hiervan wees de minister Sprenger van Eijk het voorstel van den heer Borgesius af om de koffie plantende bevolking tegemoet te komen wegens de minieme opbrengst van haar product. „Waarom nu“ zoo antwoordde de minister den heer Borgesius, „gaat de regeering er niet toe over om, zooals gevraagd is , alsnog geld uitte trekken ter tegemoetkoming aan te laag betaalde koffieplanters? Omdat zij het gedaan heeft inden post: uitgaven in het belang der inlandsche bevolking , te vinden uit het excedent van het hoofdgeld, waarop men ruim 3 millioen gulden kan uitgeven voor dat gedeelte van de bevolking, dat bij de koffiecultuur is ingedeeld, en dus heerenen cultuurdienstplichtig is, te helpen als het noodig is. Dit is een volkomen billijke bestem ming voor dat geld, want het is door de bevolking bijeengebracht en moet te haren bate besteed worden. Wat is dus billijker dan dat het gegeven wordt ten behoeve van dat gedeelte der bevolking, dat het meest gedrukt wordt door de verpichte diensten, waaronder de heercndiensten?" Moeielijk kan eene redenering kreupeler gaan. De koffieplantende bevolking is niet dezelfde als de heerendienstplichtige. De eerste woont slechts inde bergen, de laatste over geheel Java. En al ware het zo o, de slechte betaling voor de koffie is op zichzelf een misbruik dat moet hersteld worden, door de menschen beter te betalen, ook daarbij komen zij te kort; het heeft dus slot noch zin, te beweren, dat men hun dit te weinige zou vergoeden, door hen (en dan nog slechts gedeeltelijk) terug te geven wat zij ook op andere wijze (hoofdgeld) te veel hebben behaald. Maar wat nog het sterkst de valschheid der redeneering in het licht stelt; men geeft het hun niet terug. De bedoeling van die twee millioen is, hen, die er mee ondersteund worden, er behoorlijk voor te laten werken. Zoo althans is de uitvoering. De lieden, die de twee millioen ontvangen, zullen dus een daarmee in verband staanden arbeid moeten praesteeren. Wij hebben daartegen hooren aanvoeren, dat de voorgestelde werken anders toch zouden worden gemaakt, maar in onbetaalden heerendienst. Dit is echter, althans voor vele streken, niet juist. Verscheidene residenten toch hebben voorstellen ingediend voor werken, die wel is waar sedert jaren dringend noodig zijn, doch waarvan men niet, zoude gesproken hebben indien het excedent hoofdgeld niet te hulp was gekomen , en waartoe in geen geval de onbetaalde arbeid der bevolking zou mogen worden geëischt. Blijkt het dan ook niet zonneklaar , dat op deze wijze het onrecht niet wordt hersteld ? Want aangenomen al, dat hetgeen aan A, B en C te veel wegens hoofdgeld is afgenomen thans aan dezelfde A, B en C, en niet aan C , D en E werd besteed, dan zou nog slechts het volgende zonderlinge recht worden gedaan: wijl men A, B en G van eene ar-èekfe-belasting wil ontheffen, laat men hen een hoofdgeld betalen; men neemt hun drie millioen meer af, dan de arbeid , waarvan men heeft ontheven, waard is; en om hen nu die drie millioen te vergoeden, koopt men van hen voor een bedrag van twee millioen juist weer datgene , waarvan men hen wilde bevrijden: arbeid! Het is bovendien niet waar, dat de personen , die men nu wil laten werken voor 2 millioen, dezelfde zijn, die drie millioen te veel hebben betaald. Hoogstens zullen er enkele onder zijn. De slotsom is dus geene andere, dan: Hetgeen aan zekere mensehen te veel is afgenomen, wordt aan andere menschen gedeeltelijk terugbetaald, mits die andere er voor werken. Hiermede hebben wijde ons voorgestelde taak ten einde gebracht. Voor hen, die de Indische toestanden kennen, verrichtten wij haar natuurlijk niet; slechts hen, die geacht kunnen worden hieromtrent minder op de hoogte te zijn, en hun getal is niet gering, hadden wij op het oog. Of er onder deze vele worden gevonden, die ons tot den einde toe volgden, staat aan ons niet te beslissen. Onverschilligen zijn er anders , helaas ! nog genoeg. Zij, die zich deze geringe inspanning hebben getroost, zullen tot de overtuiging gekomen zijn, dat onze Indische toestanden in menig opzicht nog veel te wenschen overlaten. Daarvoor de oogen te openen, en zooveel mogelijk de belangstelling te verhoogen in onze prachtige en rijke Oost-Indische bezittingen, aan wier bloei ons zoo ontzaglijk veel gelegen is, ziedaar het doel van ons pogen. Wij meenden, dat een kort uittreksel uit het lijvig boekdeel van Mr. P. Brooshooft: „Memorie over den toestand in Indië“ daartoe goede diensten kon bewijzen. Mogen wij ons in die verwachting niet geheel zien teleurgesteld! ---