Advertentie WITGOED. --- Ontwikkeling en vooruitgang. Over ontwikkeling wordt veel gesproken en geschreven, ’t Is een van die woorden die ons misschien op de lippen bestor • yen liggen. De evolutiegedachte is vooral sedert de dagen van Darwin het denken gaan beheerschen. Wij zien tallooze dingen, tallooze gebeurtenissen, en wij zien ze niet alleen naast elkaar, maar wij zien ze ook ui t elkaar voortkomend. Hette • genwoordige zien wij ontwikkeld uit het Verleden en wij speuren na, hoe ’t heden uit het verleden is opgegroeid. Overal denken wij processen van ontwikkeling, „Panta rei”, (= alles vloeit), deze spreuk yan den ouden Griekschen wijsgeer, waar in hij kort geformuleerd zijn wereldbeschouwing samenvatte, vertolkt ook onze wijsheid; alles vloeit, alles is’ als een stroom die almaar beweegt, verder beweegt, en alles meevoert, ook ons meevoert, of beter gezegd; alles is stroom mee, ook wij zijn zelf stroom mee, wij vervloeien, al maar door, totdat Ja, nu komt de moeilijke vraag. Waar heen gaat de stroom? Waarheen vloeit allés? Alles is bestendig in onbestendige .ontwikkeling begrepen, waarheen ontwikkelt zich alles? Gaat het zoo maar voort, zonder koers, of ontwikkelt zich alles naar een doel ? ’t Gaat wel naar een verder punt, maar is dat verdere punt tevens doelpunt? Waarheen gaat alles? Waarheen gaan wij ? Ontwikkeling. Wij plaatsten er een ander woord naast: vooruitgang. Deze beide woorden worden zoo gemakkelijk in één adem genoemd. Alsof dat zoo van zelf sprak, dat het een vrijwel ’t zelfde was als het andei. Alsof de lijn van ontwikkeling ook de baan van vooruitgang was. Toch dekken deze beide woorden niet dezelfde bedoelihg. Ontwikkeling is feite lijk niets anders dan voortgang. Maar voortgang behoeft nog niet te zijn vooruitgang. Wie spreekt van ont – wikkeling of voortgang, constateert alleen een feit. Wij zien de gebeurtenissen. Er is voortgang, om ons, met ons. Wij zien lente worden tot zomer, zomer tot herfst. Wij zien menschen opgroeien van kind tot knaap, van knaap tot man. Wij zien in de maatschappij toestanden veranderen en verouderen en voorbijgaan en overgaan in nieuwe vormen van leven en sanienleven. WÜ zien regéeringsvbrmen zich wijzigen en overgaan in nieuwe vormen, in samenhang met toestanden die veranderen. Alom zien wij voortgang, wegens stilstand. Dit is een feit. En wie voortgang zegt, constateert het waargenomen feit. Wie echter vooruitgang zegt, zegt meer. Hij constateert niet slechts een feit, maar spreekt een waardeeringsoordeel uit. Hij ziet of neemt aan voortgang ins tij g,e n' d e lijn. Hij zegt niet alleen: wjj gaan verder, maar ’t gaat vooruit. Ook al gaat het schijnbaar soms achteruit, ook al gaat het misschien zigzag, ’t gaat toch vooruit, t Gaat naar een betere toekomst. Wie van Voortgang of ontwikkeling spreekt, zegt alleen: het wordt anders. Wie van vooruitgang spreekt, zegt: het wordt beter. De gedachte aan vooruitgang zullen wij niet best kunnen missen. Wij hebben haar noodig voor onzen moed en onze blijmoedigheid. Als wij niet weten dat alles vooruitgaat, als wij niet weten of ons werk dient een doel, of alle woelen en streven en strijd en moeite opgenomen is een plan, een bestek, dat bezig is te rijzen, dan werken en leven we ten slotte zonder perspectief. Dan is er geen perspectief. Dan is de toekomst zwart. Dan valt er geen licht op de gebeurtenissen van vroeger, van ’t heden, ’t Leven wordt troosteloos . Zonder geloof aan vooruitgang kunnen We niet. --- voor de kracht van ons streven, voor voor de kracht van ons streven, voor , troost van ons leven hebben wij noodig geloof aan een ideale doelstelling, en a: de zekerheid dat het doel zal worden fc reikt, dat eindpunt en doelpunt same vallen. En nu spreken wij er hier niet me over, waarop dat geloof aan vooruitga! steunt en steunen moet. Dat blijve vo later bewaard. Wij merken alleen o laten wij onderscheiden wat op elka lijkt, maar niet hetzelfde is. Voortgai en ontwikkeling is nog niet hetzelfde t vooruitgang. Feit èn waardeering v. een feit worden bij onze slordige mani ren van denken en spreken zoo ontzagli vaak dooreengeworpen. Bezinning op punt van onze woorden is zoo hoog noodi Socrates in oude dagen heeft zijn tij dg nooten onvermoeid tot die bezinning w len brengen. Socrates taak loopt no( ten einde. Want ’t gaat hier niet enl over woorden en woordgebruik, maar c de gedachten die zij aanduiden. Bezinnii op het woord is bezinning op, is in- – doordenken van de gedachten. Zoo moet het ook hier. Wij gaan voort ! Gaat het ook vooruit ? --- Advertentie GROOTE OPRUIMING! HEDENMIDDAG 3 UUR beginnen wij weer opnieuw, met onze geheele voorraad Dames- en Kinder°Confectie, Lingeries, Tricotages, Corsetten, enz , doch iet nog GOEDKOOP!! PRIJZEN. ~,,Üïi,,n KIMERJIRKEN *"*"*™*“ DAMES BLOUSES Blouses. vanaf 35 cl. “ IWO' Pan vo” Profiteert hiervan voor het te belachelijke prijzen weg, vanaf . , . COSTUUMROKKEN ,Q laa"s vanaf 3s ei. CCIII. Spotprijzen! 1 ! | Snnlichtzeep per M 34 cl„ Karaemelkzeep 6'2 cl. | 250 stuks 100 dozijn 150 dozijn DAMES ONDERJURKEN, KINDERSCHORTEN, prach- N ACM, hemden, damespantalons. vanaf f 1,29. tige borduursels, vanaf Zeldzame aanbieding, vanaf Fijne strooken vanaf fUinmilini/ni 39 ct. 1129. 59 cl. “ “«l Zult. Woll. Daiaikonsen Daies liptonen slechts Lappen 79 ct. 39 ct. -F Hoeren Sakken vo sr Meisjes Broekjes, loepje • wit Katoen-9'j2 Ct. 29 Ct. Flanel. I Tricot Goederen voor Dames, Heeren en Kinderen Ongelooiiljke prijzen, '*** Ziet Etalage Vlsscbersdifk. 1 50 DOZIJN 75 DOZIJN 100 DOZIJN 15 Stukken IMITATIE LINNEN GRASLINNEN BEDLA- SLOOPEN, pracht kwaliteit, 10/4 GRASLINNEN VOOR BEDLAKENS KENS vanaf vanaf LAKENS, vanaf f 1 45. f 1.49. 39 ct. 48 ct. 1 IS IS EK <33 IS ES 22 KI ES 23 GE EE3 Koopt ZOOVeel mo* Zl@l OHZBff ifUlllffSS 6eduren Groofe Opruiming aelijk inde mor- _ in Juni en Juli zijn wij tusschen genuren. TtltiM, 'l2 en 130 u“r «e»1*1*"- ■ CS CS ES EB ES 123 QB Ka EB GS 23 EB f 23 23 EB £3 21QQGB EB 23 EB 23 2} 21 1 mrocffiuKmCECECBeECBEIamOEaB Rottinghuis & Co., WINSCHOTEN. --- Uit Oud-Winschoten. XXVIII. . . . De vroegere gilden. (1.) Dit opschrift voert onze gedachten 1 rug naar het dorpje waar wij de dagen o zer jeugd mochten door brengen. Ook da was een gilde en werden bij sterfgeval! de noodige diensten door de buren vt richt. Volgens ongeschreven regelen waren 1 paalde personen aangewezen aangifte y. het overlijden te doen ten Raadhuize in hoofdplaats der gemeente, anderen mot ten zorgen voor het ontkleeden en kist van het lijk, weer anderen voor klokluide grafdelven, enz. Houders van een paard en wagen war van evengenoemde diensten vrij geste maar hadden beurt om beurt den wage dienst, d.w.z. zij dienden öf de lijkkist v den stelmaker te halen, of het lijk naar laatste rustplaats te vervoeren. De aanzegging van te doene gildedie sten aan de daarvoor in aanmerking k mende personen, geschiedde door een p» vrouwtje, dat voor haar werk per huisg zin en per iaar een dubbeltje ontving. L bedrag werd uitbetaald op de gildeverg dering, welke op een der kerstdagen in 1 school plaats vond. Als dan werd teye een jongeman verkozen ter vervangu van den aftreden den oudennan, terwijl • aanblijvende jongeman ouderman werd. Het was geen wettelijke verplichtii gildediensten te doen; hij die zulks w< gerde was niet strafbaar. Dat er dan cm vaak strubbelingen voorvielen, laat zi< denken. De veldwachter van het dorpje we: dan te hulp geroepen en deze wist mess tijds wel de weigerachtigen te overred» om te doen wat gevraagd werd, mede or dat anders veelal het Burgerlijk Armb stuur zou hebben moeten bij springen : de begrafeniskosten door de gemeen zouden moeten zijn betaald. Zooals het in het besproken dorpje gin zal het ook wel elders zijn gegaan. Tha; behooren nagenoeg alle gilden tot het ve ledene. Wij zeggen nagenoeg, want ’t ons bekend dat de gilden in de buurischa pen Hessenbril, St. Vitusholt en Ooste einde nog altijd bestaan. Laatstgenoeirn gilde vierde onlangs zelfs op een luiste rijke wijze haar honderdjarig bestaa Vermoedelijk bestaan er ook nog gilden < andere kleine plaatsen. Maar vrij alg meen zijn zij opgedoekt en opgevolgd do fykwagenvereenigingen, welke beipaalc personen in dienst hebben, die — voe zaam gekleed — bij begrafenissen d; noodigen arbeid verrichten. Wij wenschen den vroegeren toestal niet terug. Maar billijkheidshalve mo ten wij constateeren dat — al hebben <, gilden haar schaduwzijde gehad — zij o< vaak nuttig werk hebben verricht, omd. onderling hulpbetoon de grondslag w; van hare daden. Het kwam ons wenschelijk voor het ve ledene nog eens te herdenken. Wij ku nen dit het gevoeglijkst doen aan de har van de gegevens, welke wij omtrent < vroegere gilden te Winschoten vonden. Door Borgemeesteren en Raadt van ( Stad Groningen werden op 4 Decembi 1721 regelen omtrent de gilden vasfg steld. Tot onze teleurstelling zijn on: ïgen om die regelen te bemachtigen hteloos gebleven. eds vele jaren voor 1721 schijnt bier gilde te hebben bestaan. Althans in >udste gildeboek aangelegd in 1677 ronden wij het volgend relaas aange-3nd. )p ondergetd. dato hebben de Oldertien Wilko Berents en de Geert Jans eninge gedaan van hair ontfangst en ive en de is gebleecken dat in suijver 3 gevonden wierde achtehalve gulden, van genomen een gulden, vijf stuijver iet verven van de doodtbaren, blijftin overieh ses gulden, vijf stuijver, met een tonne en drie vierendeels biers, ke ainstonts inde gilde sijn verteert, ï heft berent Lemes Leitsen Hatsema de kop slagen, zonder Rede te wieten, ke3st. Voorts is in plaits van de af~ tde Olderman Wilko Berents mit meisitemmen tot Olderman gekoozen Jan . Schoenmaker en het bouck anstonts gedraghen an Geert Jans Glasemaker. ctum Winschoot den 16 Junij 1677. 1 ijlko Beerents. eert Jans Glasemaker, Olderman. Dit mark heeft Jan Jans Schoenmagetoogen. . Mees, als getuijge. r. Haselhoff, getuij ge. lbert Jans. erk Pieters, als getuijge." it dit relaas valt af te leiden aai er reeds voor 1677 gildediensten zijn verte reeds genoemde regelen waren oorz dat er,in 1722 voor ieder der vier ten te Winschoten een gilde werd ineld. eze waren: de gilde van de Zuiderkluft. (Bhj • i sterstraat.) de gilde van de Binnen- en Buitenïe (Noorder- of Hoogemolengilde.) de gilde van de Witte vrouwenstraat, ngestraat). de gilde van de Torenstraat. (Toorn i 2-) uiten de vier gilden om schijnen de in-1 ■tenen van Bovenbuien en te St. Viiolt elkaar bij nood en dood te hebben estaan. :der der vier gilden had een afzonderreglement, waaraan men zich te houhad. Het reglement voor de Zui dert is door ons niet gevonden en aan dat de gilde van Binnen- en Buitenvenne :t de tand des tijds in die mate geigd, dat het onleesbaar is geworden. moeien ons daarom bij de te doene edeelingen bepalen tot de gilden van Vitte vrouwenstraat en de Torenstraaff oor dezen keer is evenwel voldoende ihreven. et volgend artikel zullen wij benutten de opneming van het reglement van Vitte vrouwenstraat-gilde. e jongere generatie wordt door dele; daarvan eenigszins op de hoogte ge;ht van de wyze waarop men elkander jger in droeve dagen hulp en bijstand eende. ij de lezing hou de men evenwel in het dat de begraving van lijken destijds .ts vond op de vroegere begraafplaats, tegenwoordige Marktplein. Deze is ingang van 1 Januari 1829 buiten geik gesteld. Op dien datum werd de raafplaats te St. Vitusholt in gebruik i omen, omdat „de Koninklijke wet" ’ rschreef de dooden buiten de kom der ! ïeente te begraven. 'ra een „passabelen" weg voor het verr der dooden naar „het kerkhof te heb”, werden in 1828 het grootste deel de Binnenvenne en de geheele Buitenne bestraat met „vlinten.” Vij komen.hierop later wel eens terug. --- FEUILLETON. VASTGKETEND. HOOFDSTUK XI. 3°-) i jen lange japen waren niet voorbijgegaan •zonder hunne sporen bij hem achter te laten. Zijn gelaat had den gloed, het vuur en de ronde lijnen der jeugd verloren* JBleek was hij altijd geweest, maar nu was zijne bleekheid aan marmer gelijk, alsof het warme bloed, dat eens door zijne 'aderen had gestroomd, plotseling was bevroren; evenals de eerste aanraking van den winter de vrije, onstuimige wateren in hunnen' loop stuit en lien tot ijs doet verstijven, 'Het was nog het gekat vaneen man met een vasten wil en sterke hartstochten, miaar vaneen wil, die hem veel strijd had gebracht en van hartstochten, die' 'misschien voor altijd aan banden waren gelegd. „Gij hebt daar ginds veel góeds gedaan, de Vigne”, begon ..Sabretasche, om de stilte te verbreken, die langzamerhand ontslaan was. „Op mijn woord, we zijn wat trotpch! iop u! Wat zijt ge dapper geweest F’ „Ik sc heen dapper, omdat ik mii onder lafaards bevond- Maar ik' neb toch iveel goeds gedaan, hoewel met zpovuicï als ik wel zou gewild heibberi. Ah, bij jjupiler! ik hteb daar ginds ten minste gevoeld wat leven was/ Dat aanhoudend gevaar, die altoosdurende waakzaamheid, dat «rrije levein, die vele gevjechlen wonden mij SIP en gaven mij èen verlangen om te blijven; even, welk verlangen ik vo,or gjoted dacht verloren te hebben-.” „Nonsens, nonsens!” riep de kolonel. „Gezuil langzamerhand uw levenslust wel terug krijgen. Niemand kan, tegen de veertig, .voor altijd met alle gpluk hebben afgere,- kend.” „Behalve wanneer ééne noodlottige daad onze Irots gedood en onze eer geknakt! heeft”, mompelde de Vigne tu°schen de tanden. „Wel, Sabrelaschte, wat hebt gij al dien tijd uitgevoerd ? De dames het hof gemaakt, schilderijen gekocht, en ze {gekopieerd, de mode geleid en nieuwe kunstenaars gecriliseerd, zooals gpwo.onlijk ?” „Spreek niel van tijd!” riep Sabretasche, zijne wenkbrauwen fronsende. „Als ik morgen beleef, wordt ik vijf en veertig! Het ia vervelend, o;ud te worden. ; Iemand bteglint aan zijne aantrekkelijkheden te twijfelen!” „Gij zijl nog jong genoeg en toch — het is eene groole dwaasheid, dat de tijd bij jaren telt. Iemftnd wordt oud naar gelang' zijner leefwijze, niet naar de lengte Zijner dagen." „Ik hoorde gisterenavond, hoe Violet Molyneux m vferbdl.de, kolonel, dat ge in den bloed van uwen jnannelijken leeftijd waart. Troost u daarmtedte”, zeide ik. Hij lachte. „Arme, kleine dwaas!" mom-, pelde hij achter zijne knevels. „Violet Molyrieux ? — wie is vroeg de Vigne. „Dat is een nieuwe naam voor’ mij, Is rij een dochter van Jockey Jack, zooals wij hem plachten te noemen?” „Ja”, antwoordde ik f,en een allerliefst meisje. Zij is eene fnssche schoonheid» en een nieuwe vlam van Sabretasche, diei haar cop eerbiedige wijze aanbidt, voöWalt sedert zij dezen morgen in zijn atelier kwam! kot zijne nieuwe ichiklerji .van Esmorald* j : en Djali te bewonderen”. „Spreek geen nonsens, Arthur”, zeide Sabretasche ongeduldig. „Jackey Jack heeft eene dochter, die gezellig praat en zoo goed zingt, dat liet mij' bevalt Jtwee zeldzaamheden, zooals ge begrijpt, de Vignte) maar, waarlijk, verder gU ik nïel. Wat ik deze tien jaren gedaan heb r Aan dozijnten vrouwen het hof gemaakt, mijn tijd zoek glebracht met marmer en penseel, feesten georganiseerd, „voilh teut!” Bah, het vermoeit en verveelt mei” „Waarom doet ge het dan ?” _ „Omdat ik niets beters weet. Onze roeping h, ons zelven te amuseeren, en onze, medemenschen als tijdverdrijf te gebruiken, eh Heen is al even goed als het ander.” „Onze medemenschen .als tijdverdrijf gebruiken,” riep de Vigne. „Kom, kohty spreek een weinigpeerbiedider. Vechten als Britten — voor de eer onzer vlag sterven, noem ik wel zoo paëtisch en vaderlandslievend!” „ t Is het zelfde, mijn waarde de Vigne, maar op een andere manier uilgpdiruktl”’ „Gij zoudt hetzelfde leven willen leiden, als uw hond, kolonel", zeidde ik: „Jekker eten, warm slapen, op kussens uatgpstjiektj liggen, zonder dat iemand het u lastig maakt en uw* wild dooiden, wanneer ge eir lust in hebt,” „En oprecht beminnen en mijn plicht doen vooir zoover dat noodig is? Neen, neen, Arthur, dat valt in ’t geheel niet in mijns smaak; dat past niet in mijn rol.” „Gij zbudt op de Cid s graf kunnen' schrijven ‘, zeide de Vigne, „wat Byren schreef op het graf van Boiots.wain: Bij zjp leveh de trouwste vriend. De eerste om mij welkom te, heeten, de eerste cm mij te verdedigen.” „Ja waarlijk en ook: Ik had noodt meer dan één trouwen vriend, hiér ligt hij.” „De Cid,” zeide Sabretasch', terwijl hij! de ooren van dien hond in zijne handen nam| — de Cid is de ecnige, die iets om mij geeft.” — „Om u, de lieveling aller dames dér „cher ami” van alle schoonheden, de vraagbaak -van lederen Aan ?n de stad! Waarom zegt ge, dat alleen teen hond iets oni u baak van iederen man in de stad! Waarvtn.” „Ik meen, wat ik zeg. Goede herntel! hoe weinig kent olrs dikwijls de wereld!" „Zeer weinig”, zeide de Vigne en hen,-. Waarvan ze het minst weet, beweert ze altijd het btest te kennen. Die vreemdeling, die naast u San tafel zit, is dikwijljs oneindig beter op de hoogte van uw doen en laten dan fij zelf. We kuiken wel spoedig van uw1 uwe! ijk hooïten — hoe is haar naam oolo «eer ? — mej. Violet Molyneux!” „Dal nooit”, hernam "Sabretasche; *al hioort ge er pok van spreken, ge kunt ©r akker van zijn, dat ik zal leven eh Sterven als! hiertoe >— alleen! Wie zou iets omi praatjes geven? Ik kan mij jsven goed voorstellen ,dat ik voor een onschuldig vlindertje uit den weg zou gaan, aïs dat ik mijn {gedrag veranderen zou om de praatjes, die over mij in omloop zijn. Het beste Is, niets Ür ernst op te nemen. Mannen en vrouwen i zijn marionetten; leer de werking van hum: Ui uwen en draden kennen, maak ze Ufliynk» lijk van uwen wi!ê n ge kunt alles ?v:e loepen, zocats gij -Venriesl. Het measütu iijü van uwen wil en gfe kunt alles late een verstandig mensch zichzelvcn amuseer he-t geeft prettige platen voor hec oog, war neer gij gloed weet de schudden. Wannec ge echter aan ’t ontleden komt, onl iekl' g< dal het niets zijn dan stukjes kurk en ge brand glas, en ge ziet. dat het niets dan L>e dreg *s — wat is daaraan te doen ? – y-j kunt het niet beter maken.” „Wel mogelijk, maar ik zal mij niel 1? ten fappen.” „Beste jongen, ik voor mij geloof, da juist de tijd, dat wij ons laten bedriegc: de gelukkigste van ons leven is. „’tKan zijn. De jongen schept geeu b: hagen meer in zijn speelgoed, wanneer h( gebroken is, en hij ziet, dat er niets gc heimlzinnigs in schuilde! Maar hoe ino is het ? Ik houd u toch niet terug va: de ecne of andere afspraak ?” ging de Vign voort. „Ir 1 geheel niet”, antwoordde Sa brei; sthe, „en g]e blijft natuurlijk nog een.; uren, waar ge zijl. „Geef mij een au dere sigaar en neem nog wat brandy. Dacli ge, dat we u weer zouden laten gaan?"' We lieten hem niet gaan, en 3e klok ha reeds, vijf geslagen, Voor we waren iiiCge praat; het vuur brandde nog: helder cn d Cid lag in zijne volle lengte voor ons uit gestrekt, met zijn snuit tusschen zijne vooj poolen, terwijl de Vigne ons verhaalde va zijnen tocht in Indië, zoodat zelfs Sabrefcs sche er opgewonden van werd en mijn blo© werd aangevuurd, alsof trompetgeschal m reeds ten strijde riep! dWordt vervoled. --- Advertentie Dweilen, Zeemleer, Sponsen. L POUCK, Latigestraat 100 Winboten. ---