Sta voedering van het rundvee Het is weer zo ver, dat het rundvee moet worden opgestald. En hiermede zitten we tevens rondom inde problemen van de veevoeding. Als de dieren inde weide lopen, zijn er practisch geen moeilijkheden; behoorlijk goed weidegras is immers in staat te zorgen voor een behoorlijke melkproductie, terwijl ook de conditie der dieren niet veel te wensen over zal laten. Maar nu op stal! Van uitsluitend groenvoer gaat het vee over op voeder van heex andere hoedanigheid en samenstelling. Hoeveel te geleidelijker deze overgang is, des te beter zal het voor de dieren zijn. Zo is het prachtig als men nog geruime tijd groenvoer aan de dierei kan geven inde vorm van knollen, spurrie, mergkool, boerenkool e.d. Alleen zal men in ’t algemeen de hoeveelheden hiervan niet moeten overdrijven. Het watergehalte van de genoemde producten is hoger dan dat van gras. En evengoed als een mens zijn natje en droogje graag op tijd mag hebben, evengoed moet men ei bij het vee om denken, dat waterrijk voer altijd vergezeld dient te gaan van droog voer, zoals hooi en stro. Goed hooi is de basl- van alle stalvoeding: pel dag en per dier zal ten minste 6 kg. beschikbaar moeten zijn. Hooi van goede kwaliteit is rijk aan eiwit, mineralen en vitaminen. Jammer genoeg weten maar weinig boeren hoe het met het gehalte van hun hooi aan verteerbaar ruw eiwit en zetmeelwaarde staat. En dit kan zo enorm uiteenlopen. Op een gift van 6 kg. hooi kan het wel een verschil in voederwaarde geven van 2 kg. krachtvoer, of men slecht of uitmuntend hooi heeft. Nu is het een geluk, dat de meeste landbouwers in Westerwolde lid zijn van de Stichting voor Bedrijfsvoorlichting combinatie Westerwolde. Het is daardoor voor hen al zeer gemakkelijk geworden hun hooi te laten onderzoeken aan het Bedrijfslaboratorium voor Grond- en Gevvassenonderzoek te Groningen. Men behoeft alleen maar met de assistent te spreken en de rest komt automatisch in orde. Dan is er nog zo’n twijfelachtig product, n.l. het ingekuilde gras. Ook hiervan kunnen de gehalten enorm variëren. En daar per dag vaak zo’n 20 kg. aan een dier wordt gegeven, maakt een paar procent meer of minder verteerbaar ruw eiwit een groot verschil. Ook dit kuilgras kan worden onderzocht. Gelukkig de man, die silo’s vol heeft met jong gras, ingekuild volgens de methode Hardeland. Hij zal geen hoge rekening krijgen voor krachtvoer. Het-is eigenlijk wel wat verwondering wekkend, dat na een behoorlijk intensieve propaganda, reeds daterende vanaf plm. 1935, er nog zo weinig silo’s in Westerwolde voorkomen. Waar zit hier de knoop? Er wordt vaak slecht gras ook nog slecht ingekuild. En het moet worden gezegd: wie rommel inkuilt, krijgt rommel terug! Een vast onderdeel van het menu vormen de voederbieten. Ook hiervan kan per dag zo'n 20 kg. worden toegediend, natuurlijk zonder zand. Wel schuurt zand de maag, volgens een bekend gezegde, maar a. te veel is ongezond. Bieten vormen een goed en gezond voer, al is het eiwitgehalte wat laag. En het zal nog wel enkele jaren duren, voor de proeven om bieten te kweken met een hoger eiwitgehalte, resultaat hebben. Een aardig grondrantsoen is dus zo’n 6 kg. hooi, een 20 kg. ingekuild gras en een 20 kg. bieten. Bij het opmaken van z’n bouwplan heeft men met deze hoeveelheden natuurlijk rekening gehouden. En nu het krachtvoer. Bij de toediening hiervan worden wel de meeste fouten gemaakt. Het voederprobleem op onze bedrijven is altijd haast een eiwitprobleem. Zetmeelwaarde geeft men als regel meer dan voldoende. Daarom heeft het zo weinig zin aan de dieren roggeof havermeel te voeren, omdat men de fout hierdoor nog groter maakt. Rogge-, haver- en ook gerstemeel zijn goede artikelen om te mesten, dus om de dieren een welgedaan uiterlijk te geven, maar de melkgift zal er bijna nooit door worden verhoogd. Men zal z’n toevlucht dan moeten nemen tot eiwitrijke krachtvoeders, die men zal moeten kopen of zelf verbouwen, bijv. inde vorm van zoete lupinen. Bij het nagaan van de rantsoenen blijkt ook dikwijls, dat te weinig verschil wordt gemaakt tussen hoog- en laagproductieve dieren, wat de te verstrekken hoeveelheid krachtvoer aangaat. Het is vaak zo, dat de hoog-productieve dieren te weinig eiwit krijgen en dus vermageren, terwijl de laag productieve koeien te veel eiwit ontvangen en dus te vet worden. Af te kalven koeien moeten in behoorlijk goede conditie zijn, maar melkvee is geen mestvee. Wie zich met zijn rantsoenen niet geheel safe gevoelt, zouden we willen aanraden eens te praten met de assistenten van de Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst, werkzaam bij de Combinatie Westerwolde. Zij zullen hun leden — en als er tijd over is ook de niet-leden — gaarne willen adviseren hoe een juist rantsoen op te stellen met behulp van de aanwezige voedermiddelen, al of niet aangevuld met aangekocht krachtvoer. J. S. V. --- Zummer, 1. De zunne schint, de wereld lacht, de róge fluustert: de zunne hêt kracht. 2. De iem’n soez’n mien kop veurbie en roek n dè bloum’n, geev’m d’ hunnig mie. 3. Elk daartje is bliede en hagewaait as boer gestoadig zien róge maait. 4. ’t Gevuilig haarte, zien vraide kracht, blui’n hailmoal oop’n nö zien róge hom wacht. 5. ’k Zai boer zien zichte, zien zunnehoud, zien vaste hand’n, zien leeb’msmoud. 6. Verloor'n m ’t gruinlaand ropt rauw ’n kou en de riepe róge zai zingt mie tou 7. ’n Hail óle wieze, hier heb ’k op wacht, de róge fluustert: de zunne geft kracht. •u WOIJJNGER. --- OLDAMBT EN WESTERWOLDE Hoe vaak horen we deze beide namen noemen. Twee geheel verschillende land-, schappen in het oosten van de provincie Groningen. Maar hoe groot de verschillen ook mogen zijn, één ding is er echter waarin geen verschil bestaat: het grootste deel van de bevolking vindt zijn bestaan inde landbouw; mag het bedrijfstype dan soms ook geheel van elkaar verschillen. Meerdere invloeden hebben hun stempel gezet op de aard der bevolking; o.a verschil in vruchtbaarheid van de bodem; invloeden van buitenaf: de Friese in het Oldambt, de Saksische in Westerwolde. Door dit verschil in vruchtbaarheid was er een achterstand in Westerwolde, die echter inde laatste tientallen jaren door kanalisatie, gebruik van kunstmeststoffen, ontginning der gronden, sterk is Ingekrompen, zo niet gehéél verdwenen. Veel is er door onze voorouders gewrocht, veel wordt er ook tegenwoordig gepresteerd. Ook kunnen betere resultaten worden behaald, doordat de landbouwwetenschap grote vorderingen heeft gemaakt en men de beschikking heeft over meerdere machines. Dit brengt met zich mee, dat er een grotere kennis hieronftrent nodig is, wat veel tijd in beslag neemt. Daarbij komt de meerdere bedrijfsadministratie . De vrije tijd komt daardoor in het gedrang. Het zakelijk gedeelte neemt een grote hoeveelheid tijd in beslag, waardoor het culturele gedeelte op de achtergrond dreigt te geraken. Te gemakkelijk wordt in onze tijd genoegen genomen met een goedkope ontspanning, welke weinig vormende waarde heeft. Welke ontspanning heeft dan wel deze vormende waarde, die zo belangrijk is voor mens en samenleving. Nu de lange winteravonden weer op komst zijn is er toch gelegenheid te over om ook eens weer aan die dingen te denken, welke ten nauwste met ons cultureel leven ten' plattelands in verband staan. Door de ontsluiting van het platteland, inde ruimste betekenis, dreigt er iets verloren te gaan, eigen streek of vereniging wordt dikwijls inde steek gelaten voor goedkoop vermaak. Het platteland zelf dient de jongeren deze gepaste ontspanning te geven. Dit kan door het vormen van rederijkerskamers. Een rederijkerskamer is een vereniging van mensen, welke zich als doel stellen de welsprekendheid te be vorderen (Het woord ~rede-rtjken” zegt dit duidelijk). Op deze bijeenkomsten kan men zich bekwamen in het goed gebruiken van de Nederlandse taal. Dit kan door middel van het voordragen van gedichten, het houden van inleidingen het spe'en van goede toneelstukjes. Verder kan men over allei-lei onderwerpen van gedachten wisselen. Er bestaan hier in het noorden van het land talrijke kamers, doch er kunnen er meer zijn. vooral in Westerwolde is er op dit gebied nog veel te doen Toen omstreeks 1850 verschillende kamers werden opgericht, voelde men a' spoedig de behoefte ook verder te kijker dan eigen dorp. nauwer samen te werken en vaker met elkaar in contact te komen. Zo werd op initiatief van enkele heren, leden van verschillende kamers besloten tot de oprichting vaneen bond van rederijkerskamers. Deze bond, ..Old ambt en Westerwolde”. kwam tot stand op 10 Augustus 1873 Een zeer gelukkige keuze wat de naam betreft, deze toont duidelijk de band tussen beide 'andschaopen. Het doel van de bond is het rederiiken te stimuleren door het Organiseren van wedstrijden in voordragen, toneelspelen, enz. Men heeft hierdoor de mogelijkheid het nuttige met het aangename te verenigen tot heil van de samenleving en tot nut van de leden. Tot besluit een citaat uiteen vers, geschreven dooreen oud-rederijker: Hoog in eer’ zullen wij houden, ’t Door de ouderen opgebouwd’ Dierbaar pand van onz’ landouwen, Als kleinood ons toevertrouwd. H. --- Herinneringen aan Westerwolde Mijn herinneringen gaan terug tot het eind van de 19e eeuw, toen ik woonde op een boerderij in Blijham en wij ook familie hadden in Vlagtwedde, Ellersinghuizen en Wollinghuizen. Wanneer wij kinderen dan op een Zaterdagavond vroeg naar bed werden verwezen, hadden we geen tegenwerpingen, want Zondagmorgen ir de vroegte zouden we met vader en moeder per koets naar Westerwolde gaan en dat betekende een waar feest. De koets was een echte ouderwetse op riemen, d.w.z. dc bak was niet door middel van veren op het onderste) geplaatst, doch met enige keren dubbel dikke leren riemen, die ook de stoten vrij goed opvingen. De tocht werd gemaakt met 1 paardekraeht; onze vos trok het rijtuig en was vertrouwd bij de weg, hetgeen hij thans bij leven en welzijn wel niet meer zou zijn. Vanwege de niet verharde laan begonnen we stapvoets, nadat de knecht en de meid een goede reis hadden gewenst. Op de grindweg werd de draf aangenomen en dan kwamen we langzamerhand op voor ons minder bekend terrein en werden allerlei vragen gesteld, waarop vader en moeder antwoord moesten geven, ’t Was voor ons een soort ontdekkingstocht. We konden schouwen over de uiterwaarden van de Westerwoldse A (de Meien) en de Wedderbergen en hadden veel aandacht voor de mooie blik op Wedde. Vóór we door die plaats kwamen, passeerden we de korenmolen van Bose, een geboren Pruis. We vonden, dat die man wel een rare naam had. Wanneer dan de weg naar Onstwedde kwam, werd de toren besproken. Die toren was n.l. geheel tot en met de spits van steen gemetseld en wanneer je erbij stond en omhoog keek, leek ie steeds op je te willen vallen. Dan zagen wede hoge bomen rond de Burcht te Wedde en nog vóór wede brug over de Westerwoldse A over waren doken reeds griezelverhalen over vroegere Burchtheren op. Tussen de bomen door probeerden we zoveel mogelijk van hst oude gebouw te zien, doch dat was niet veel. Daarna kwamen we voorbij de herberg „de Hongerige Wolf”, ’t Wast en een oud zwart gebouw en stond er eenzaam en dat werkte met de naam mee om ons allerlei fantastische mogelijkheden voor de geest te roepen. Die werden nog intenser, zodra we over de Krabbenbrug het weggetje naar „de Gieselbarg” voorbij kwamen.. Huiveringwekkende verhalen over geselingen van heksen enz. werden opgehaald, doch ook het verhaal hoe boer Krabbe de Burchtheer te vlug afwas, om als eerste over de nieuwe brug te gaan. We kwamen dan door Veele met zijn oude boerderijen en aan weerszijden begonnen de heidevelden zich te vertonen. In ’t oosten wisten wede vesting Boertange te liggen en de verhalen over Wild Prott en Bommen Berend kwamen in ons geheugen. Vlagtwedde ontving ons dan en daarna kregen we tot Wollinghuizen een zandweg. Die zandweg en de reeds af gelegde afstand was reden om de vos een rustte geven en te drenken en zelf een kop koffie te drinken; inde herberg van Dinkla als ik me wel herinner. Van Vlagtwedde herinner ik me nog de mooie boombeplanting rond de zeer oude Saksische boerderijen, welke willekeurig langs de weg en verderop stonden. Het dorp ziet er thans wel keuriger en florissanter uit; maar mooier? En zo begon dan over de F ’iten A het laatste, doch tevens het zwaarste deel van de tocht over zandweg naar Wollinghuizen. Het landschap was mooi; houtwallen, heidevelden, bomen en allerlei wilde bloemen, w.o. veel boerenwormkruid. ’t Veldhuis deed ons raden naar de oorsprong van de naam en „de Renneborg” wekte het vermoeden, dat daar vroeger een versterking (borg) zou hebten gestaan. Het golvende land met de Ruiten A maakte veel indruk, want zoiets zagen we bij ons niet. Vader had intussen al zijn aandacht bij de weg om de kuilen zoveel mogel(jK te vermijden. Niet altijd gelukte dat en werden we telkens flink heen en weer geschommeld. Doch ook daaraan awam een eind en reden we langs de schaapskooi het erf op, waar de gehele fé milie ons met open armen ontving. En dan kwam er een dag vol van afwisseling. We trokken de buurt door en zagen allerlei bijzonders. Hier was alles anders dan bij ons; de huizen, de schuren en ook zelfs de taal. De schaapskooien hadden natuurlijk onze aandacht, doch vooral het thuiskomen van de Westerwoldse schapen (heideschapen) was iets buitengewoons en we konden maar niet begrijpen hoe uit die zeer grote kudde telkens een troep zich vanzelf afscheidde om zijn eigen kooi binnen te gaan. Een zeer klein afzonderlijk gebouwtje op een 20 meter afstand van het huis had ook onze grote belangstelling en zelfs indien we „niet hoefden”, brachten we daar toch een bezoek. En als het Augustus/September was, dan konden we bramen zoeken, terwijl ook het fruit inde boomgaard niet te versmaden was. Er groeiden in ’t wild ook een soort kleine blauwe pruimpjes; ze werden meen ik sleien genoemd; waren niet lekker, nogal wrang. Als een uitsteeksel aan de gevel viel ons altijd weer op de bakoven en de daarin gebakken roggestoet was niet alleen een lekkernij, doch versterkte ons tegen de avond ook voor de terugreis. Die terugreis was veel minder luidruchtig dan die van ’s morgens. De zandweg begon ons op zijn manier te wiegen en de slaap liet niet na z’n aanval op ons te doen en wanneer we dan thuis kwamen, was het al donker en lagen we heel spoedig in bed en droomden van allerlei heerlijkheden en misschien ook nog van hardvochtige burchtheren. In ’t begin sprak ik overeen waar feest voor ons kinderen en al is alles intussen veranderd en gemoderniseerd, toch is na 50 è, 60 jaren een verblijf in het olde landschap voor mij nog steeds een waar feest; ’t is er nog zo mooi! Gaat U zich eens overtuigen. J. ROELFSING. --- COPIE VOLGEND NUMMER. Om voor plaatsing in hét volgend nummer In aanmerking te komen, dienen bijdragen uiterlijk 1 November a.s. in het bezit te zijn van de redactiecommissie „Westerwolde”, Wollinghuizen D 85. --- VAN DE REDACTIE Vlagtwedde is deze maand een instelling rijker geworden en wel de Avondnijverheidsschool. Deze school is gevestigd in het winkelpand van de heer Jonker. Dit pand was tot voor kort in gebruik bjj de Coöp. Aankoopvereniging uit de W.L.M., die haar winkel, kantoor en magazijn heeft overgebracht naast haar pakhuis bij de Vlagtweddersluis. Deze school is tot stand gekomen op initiatief van enkele werkgevers en in samenwerking met werknemers en vanzelfsprekend met het gemeentebestuur. Met een zestigtal leerlingen is begonnen en de heren Wiersma, Breider, de Groot en Molog zullen trachten van deze jongelui goed onderlegde vaklieden te maken. Hulde aan al degenen, die belangeloos aan de tot standkoming hebben medegewerkt. Moge een en ander een groot succes worden. Xn de afgelopen weken heeft de Coöp. Vereniging „De Combinatie” (Stroverkoopbureau en Strocartonfabriek Hooites Beukema) te Hoogezand een tweetai contactavonden belegd in Westerwolde, n.l. te Vlagtwedde en te Wedde. Beide vergaderingen stonden onder leiding van de heer Hesse te Weende, dagelijks bestuurslid van deze vereniging. De voorzitter, de heer Reinders ,en de secretaris, de heer Edzes, alsmede de controleur en de agenten uit de beide districten in Westerwolde waren mede aanwezig. Deze contactavonden worden in alle zestien districten gehouden en de bedoeling is, dat ieder district uit zijn eigen kring een tweetal candidaten naar voren brengt, waaruit de algemene vergadering binnenkort haar raad van commissarissen kan kiezen. Inde vergadering te Vlagtwedde werden als candidaten geplaatst de heren: 1. J. Drent te Woilinghuizen en 2. A. Timmer te Jipsinghuizen; in die te Wedde 1. W. Bruining te Bellingwolde en 2. A. Edens te Hamdijk. In beide vergaderingen gaf de heer Reinders een uiteenzetting van de stropositie en plaatsingsmogelijkheden; de heer Edzes van de cartonpositie en de fabricage. Na deze inleidingen ontspon zich een geanimeerde gedachtenwisseling, – waarbij bleek, dat het goed gezien is deze contactavonden te houden en dat het nog altijd broodnodig is, dat de verkoop van stro krachtdadig coöperatief ter hand genomen wordt. Het is jammer, dat nog zoveel boeren menen, dat zij in dezen wel apart zaken kunnen doen. Zeker, zij pikken op die manier wel eens een extra graantje, maar typerend is wel, dat wij zo nu en dan de vraag gesteld krijgen: „Hoe komt het toch, dat kopers van stro eenzelfde of nagenoeg eenzelfde prijs bieden?” Het antwoord hierop is voor degenen, die iets van de huidige strohandel af weet, niet zo moeilijk: „Het georganiseerd kopen en daartegenover past georganiseerd verkopen”. Voor ons liggen een tweetal boekjes. n.l. „Goed Grasland?”, uitgave der Ned. Kali Mij. te Amsterdam en „Zakboekje 1952”, uitgave van het Landbouw-Economisch Instituut te ’s Gravenliage. Zowel Innerlijk als ulterlijk zijnde boekjes zeer verschillend. „Goea grasland” is een keurig verzorgd uoekje, voorzien van talrijke mooie foto's. Niemand minder dan de president-directeur van de Ned. Heide Mij., de heer ir. H. J. A. Hendrikx, schreef een voorwoord. Op de suggestieve omslag staat aangegeven: „met praktische raadgevingen . van de Ned. Heide Mij.” Met belangstelling hebben wij dit boekje gelezen en wij zouden een ieder, die met grasland te maken heeft, dit boekje ter lezing willen aanbevelen. De Coöp. Aankoopvereniging uit de VV.L.M. heeft een aantal boekjes aangevraagd. Degene, die belangstelling voor dit boekje heeft, gelieve zich tot dit adres te wenden. „Zakboekje 1952” is wel goed verzorgd doch ziet er niet zo suggestief uit. Ook de inhoud leest niet zo gemakkeltjk, want het zijn cijfers en nog eens cijfers. De inhoud op te noemen is te veel, maar toch willen wijde hoofdgroepen noemen: klimaat, grond, bevolking, oppervlakte, veestapel, productie, invoer, uitvoer, verbruik, prijzen, kostprijzen, diversen. Een en ander heeft betrekking op de agrarische sector. Degene, die zich voor cijfermateriaal interesseert raden wfl aan dit boekje te bestellen bij het Landbouw-Economisch Instituut, van Stolkweg 29 te ’s Gravenhage, door overschrijving of storting op postgiro 412235 van één gulden met vermelding op het strookje van „Zakdoekje 1952”. P.S. Wij hadden tot nu toe var een zakboekje een andere voorstelling. Zakboekje 1952 lijkt ons wat groot voor zakboekje, althans voor onze zakken, die maar van gewoon formaat zijn. Dr. ir. J. E. Muntinga spreekt 12 November a.s. voor de W.L.M. te Vlagtwedde. Dr. Muntinga promoveerde enigs jaren geleden op een proefschrift getiteld „Westerwolde”, zodat wij moge*l aannemen, dat dr. M„ als kenner van Westerwolde, bij uitstek geschikt 19 over dit onderwerp te spreken. Wij bevelen ieder Westerwolder deze lezing nu reeds ten zeerste aan. --- Bommen Berend HISTORIE EN FOLKLORE m. Niet alleen in Westerwolde, maar ook in het daar ten noorden gelegen Oldambt en Reiderland hebben de Munsterse troepen vertoefd. Zo bezetten zij nog in de herfst van hetzelfde jaar 1665 Winschoten. Blijkbaar haS de vijand daar gebrek aan levensmiddelen, zoals overlopers aan de bevelhebber van de Staatse troepen meedeelden. Deze verzocht daarom aan de Staten-Generaal van onze Republiek om versterking van zijn leger, om nu de hongerige vijand met meer succes, te kunnen aantasten. Om de bisschoppelijke troepen te beletten hun koren te malen, had men verschillende molens in bovengenoemde gebieden vernield. Die te Beerta kostte meer moeite, omdat deze bezet was; na enige tijd slaagde men er echter in ook deze in brand te steken en totaal te vernielen. Ook de Munsterse troepen, die eerst in het zuiden van Westerwolde lagen en die onder aanvoering van de eerder genoemde Gorgas naar het noorden via Wedde naar Winschoten waren gekomen, leden gebrek; en moest hjj de ruiterij wegens het ontbreken van voeder voor de paarden, terugzenden. De vijand moest dan ook vrij spoedig en wel op 23 November tengevolge van genoemd gebrek en door ziekten onder de bezetting en bevolking, Winschoten verlaten. De terugtocht ging weer over Wedde naar het zuiden, vanaf Ter Apei gingen de bisschoppelijke soldaten over een veenbrug door het Boertanger moeras naar Meppen aan de Eems. Nogmaals echter vielen de Munstersen Westerwolde binnen en bezetten het slot te Wedde, doch ook hier dwong het voedselgebrek weer tot vertrek uit deze voor hen weinig gastvrije streken Het zal ieder duidelijk zijn, dat de vijand het arme Westerwolde practisch leeggeplunderd had; de wintervoorraden der bewoners waren vermoedelijk reeds grotendeels inde magen van de Munsterse soldaten verdwenen. Een droevige en bange winter heeft de Westerwoldse bevolking inde ban gehouden. Voortdurend was de nabijheid van de vijandelijke troepen een bedreiging van het landschap. We kunnen gerust aannemen, dat Bisschop Bernhard van Galen hier een weinig geliefd personage was. Geen wonder, dat hij inde volksverhalen van de bevolking geen bepaald mooie rol speelt. We komen hier nader op terug. Begin Januari 1666 hebben de bisschoppelijke troepen zich uit Wedde teruggetrokken, nadat zij uit pure baldadigheid de kerk aldaar in brand hadden gestoken. Ook de kerk en andere gebouwen in het naburige Loo werden een prooi der vlammen. Al met al hebben we wel kunnen nagaan, dat bisschop Bernhard van Galen geen succes heeft gehad, om de inwoners van het oude landschap Westerwolde weer onder Munsters gezag te brengen. Toch heeft hij blijkbaar nog niet genoeg last gehad in dit land, want in het rampjaar 1672 was hij weer van de partij. Misschien lag er nog een kans om zijn zin door te kunnen drijven. In de eerste plaats probeerde hij het met geld, wat hem vrij aardig gelukte; door omkoperij heeft hij zich een weg naar ’t noorden gebaand, vestingpoorten laten openen en gezaghebbers tot verraders gemaakt. In dit verband willen wede kranige bevelhebber van Boertange, kapitein Prott roemen, die ongevoelig was voor het goud, hem in grote hoeveelheid aangeboden. B. Lonsaln schreef eens aldus: „Te midden van zoveel lafheid en laksheid, van verraad en lafhartigheid, die de eerste maand van deze oorlog zo onrustbarend aan de dag treden, komt de vastberadenheid en onkreukbare eerlijkheid van Prott schitterend uit Inde bange dagen is Prott’s overwinning op de vijand speciaal voor de belegerde stad Groningen ongetwijfeld van grote morele betekenis geweest”. De ondervinding door hem in 1665 opgedaan, had de bisschop benut om zijn aanvalsplannen te wijzigen. Toen had hij immers een deel van zijn troepen gezonden over de Boertanger venen, maar dit was hem, zoals we weten, slecht bekomen. Bij Jipsinghuizen begon zijn ondergang! De, letterlijk inde modder verstikte, veldtocht van 1665 was de bisschop een les geweest. Daarom gaf hij nu in 1672 de voorkeur aan zolang mogelijk vaste grond onder de „voeten te houden. Hij verzamelde zijn leger van ongeveer 25.000 man in Westfalen en wachtte af. En toen de Fransen door hun behaald succes in het zuiden en midden van ons land reeds grote schrik onder de bevolking hadden teweeg gebracht, werd het zijn beurt. Hij viel met zijn leger in Overtjsel, om vandaar uit de noordelijke provinciën onder de voet te lopen. Aanvankelijk had hij geluk. Zonder veel moeite, somtijds weer door verraad en omkoping, kwam hij in ’t bezit van diverse plaatsen. Coevorden was de laatste; ook hier speelde verraad weer een grote rol. Ook in het noorden had hij aanvankelijk succes: enkele schansen in het oosten van onze provincie en het slot te Wedde werden door de bezetting zonder tegenweer ontruimd. Alleen Boertange werd, dank zij Prott, behouden. Met het ontzet van Groningen begon voor de bisschop de terugtocht. S. H. ACHTEROP. CHristoF Be rn hardt’,-+— --- Over ditjes en datjes De aardappeloogst loopt langzamer* hand al weer ten einde en de bisten* oogst is reeds weer begonnen. De verwachting is dat de laatste goed of zelf» zeer goed zal zijn. Hoewel we dit voorjaar ook wel van vorstschade in bieten hoorden, schijnt deze ten slotte over 't geheel wel te zijn meegevallen. Van de eerst genoemde oogst kan men dit niet zeggen. De groeityd was dekelijk voor de vorstschade en door het vroegtijdig optreden van de phytophtora te kort. De opbrengst zowel als het zetmeelgehalte werden daardoor gedrukt. Het gemiddeld onderwatergewicht van 5 kg. van alle fabrieksaardappelen die tot en met 4 October 1.1. waren verwerkt, ligt al beneden de 400 gr. en we mogen aannemen dat daar per week nog enkele grammeh afgaan. Niettemin lijkt mij de fabrleksaardappelteelt ook over 1952 nog wel weer lonend. Enkele fabrieken zijn met hun afrekening van oogst 1951 al weer klaar. Ook als we aannemen dat de fabriek „T. en O." met zijn uitkering van ƒ 8.05 per 100 kg.- weer aan de top zal liggen en de gemiddelde uitkering de ƒ 7.25 niet te boven zal gaan, is er zelfs bij een middelmatige oogst voor de fabrieksaardappelteler geen reden tot klagen. Wat echter wel reden tot ongerustheid geeft zijnde geruchten over de ontstellende uitbreiding van de aardappelmoeheid. Officiële cijfers zijn mij hierover ncfif niet bekend en laten we hopen dat we niet te erg zullen behoeven te schrikken als ze gepubliceerd worden. hoorde ik, de de Plantenziekentenkundige Dienst een ander systeem vo°r eisten onderzoek toepast dan vorig» jaren, waardoor de toestand zich nog iets ongunstiger laat aanzien dan hij 1Q werkelijkheid is. Naar wij vernam worden thans de percelen waarop dit jaar aardappels groeiden, onmiddellijK na de oogst bemonsterd, waardoor het cistengetal natuurlijk relatief hogermoet zijn. Dat er in Westerwolde sterk besmette gebieden voorkwamen, hoorden we tot dusver nog niet. Op zich zelf >3 het wel zeer te betreuren, dat de i&‘ brieksaardappelteelt zo gehandicapt is door de dreiging van het aardappel' aaltje, want de aardappelmeelmarkt schijnt nog steeds flinke hoeveelheden van dit product tegen de op het og»n' blik relatief hoge prijzen te kunnen opramen. Dat de uitkeringen van de fabrieken voor oogst 1952 lager zouden moeten zijn dan voor oogst 1951 lijkt mij °P dit moment niet erg waarschijnlijk. W®1 is waar zijnde productiekosten nog iets stijgende en met marktvoorspellingen moet men steeds zeer voorzichtig ztJll' Mogelijk bestaat er voor de Westef' wolders in dit schrijven aanleiding ofl* de volle % van hun bouwland in 19®-’ met aardappels te beplanten en praktisch boer lijkt mij dit onder de»» omstandigheden volkomen verantwoord-Voor het ontheffingsgebied voor wet op de aardappelmoeheid, waarondef ook Westerwolde viel, bestaan in 105? geen uitzonderingen meer. Voor aard' appelverbouw komt dus alleen ln aah' merking grond waar in 1951 en 19®* geen aardappels groeiden. „ Voor deze keer heb ik me wel erg de verbouw van één gewas bepaal»’ maar dat is inde maand October zek»r wel te vergeven. Een Westerwoldse boer. ---