Bekendmaking. Burgemeester en Wethouders der Stad 's Hertogenbosch brengen ter kennisse van de belanghebbenden : 1. dal de alphabetiscbe naamlijst der personen, die aan de loting voor de Schutterij in dezen jare moeten deel nemen, ter inzage ligt ter Secretarie Ie Bureau van af heden, 2. dat de loting zal plaats hebben ten stadhuize alhier op Maandag den 9 Julij 1855 des morgens ten 10 ure en 3. 'dat het onderzoek der reclames door gemelde lotelingen iutebrengen, zal plaats hebben op evengemelden 9 Julij, oniniddelijk na afloop der loting. 's Hertogenbosch , 2 Julij 1855. Burgemeester en Wethouders voornoemd , P. J. VERMEULEN. De Secretaris, J. B. VERHEDEN. --- Bekendmaking. De Commissie der Afdeeling 's Hertogenbosch van de Noordbrabantsche Maatschappij van Nijverheid, onder bescherming van Z. M. den Koning, belast met de regeling der dezer dagen gehouden Tentoonstelling van Landbouw en Nijverheid, heeft de eer bekend te maken, dat de Verloting der bij die Tentoonstelling, volgens bekend gemaakte plan en voorwaarden, zal plaats hebben op Maandag den 9 Julij eerstkomende, des avonds ten 7'/ 2 ure, in het lokaal der Maatschappij, op de bovenzaal van den heer Hobmann, groote markt, wordende alle belanghebbenden ter bijwoning daarvan uitgenoodigd. Hertogenbosch , 4 Julij 1855. De Commissie voornoemd, J. VAN ANDEL Hz. Voorzitter. J. VAN DER LINDE, Secretaris. --- Binnenlandsche Berigten. 'sllertog-enbosclt, Julij. Bij Zr. Ms. besluit van den 2 Julij 1855, No 50, zijn benoemd lot ridders der orde van den Nederl. Leeuw : Mr. J. B. baron van Hugenpoth tot den Beerenclaauw, advocaat-generaal bij het provinciaal gereglshof in Noordbrabant; Mr. R. Twiss Fz., officier van justitie bij de arrond. reglbank te 's Hertogenbosch , en Mr. S. J. van Lelyveld van Cingelshouck , raadsheer in het provinciaal gereglshof in Noordbrabant. Z. M. heeft de volgende pensioenen verleend als : aan L. 1'. Hoppenbrouwers arrondissements-directeur der directe belastingen, in- en uitgaande regten en accijnsen te Breda f2640; 11. Krijger commies der ]e klasse bij 'srijks belastingen te Helmond, f316; C. M. baronesse van Hceckeren, wed. van Mr. C. Pels Rijcken , in leven bewaarder der hypotheken en van het kadaster te Breda f268; H. van Dijck , wed. van J. W. Vreuls, in leven commies der le klasse bij 's rijks belastingen te Gastel f249; C. van Galen, wed. van L. H. Rijsterborgh, in leven agent van het domein te Klundert f 1470. — Uit eeo verslag door het hoofd-besluur der maatschappij tot verzachting van het lol van behoeftige kraamvrouwen en hare pas geboren kinderen in de provincie Noordbrabant, onder de bescherming en begunstiging van Hare Majesteit de koningin moeder der Nederlanden en onder voorzitting van mevrouw M. Borret, geb. Vermeulen, echtgenoot van den heer staatsraad, commissaris des konings in deze piovincie, omtrent den toestand der maatschappij bij het einde van het zes en twintigste jaar van haar beslaan opgemaakt, blijkt onder anderen dat door deze edele en liefdadige instelling in een tijdvak van zes en twintig jaren 8728 vrouwen en kinderen door het uitreiken van volledige pakjes goederen zijn bedeeld geworden en aan 9254 vrouwen ondersteuningen in behoeftige omstandigheden zijn verleend. — Te Tiel wordt eene maatschappij opgerigt voor eene geregelde stoombootvaart, tot vervoer van vee en goederen , tusschen die stad en Londen. — De Staats-Courant deelt den hoofdzakelijken inhoud mede van het proces-verbaal der zittingen van de commissie tot beraming der grondslagen van de verdeeling van de opbrengst der algemeene collecte tot ondersleuning van hulpbehoevenden ten gevolge van den watersnood in het voorjaar van 1855. Zulks wordt gevolgd door eene beschikking van den minister van Binnenlandsche Zaken, waarbij de thans reeds beschikbare som van f 509,000 wordt verdeeld als volgt: Noordbrabant f78,895, Gelderland f338,485, Zuidholland f22,905 en Utrecht f 68,715, terwijl Gedeputeerde Staten dezer provinciën zijn uitgenoodigd alsnu zoo spoedig mogelijk over te gaan tot de verdeeling, elk voor zoo veel hen aangaat, van het aandeel hunner provincie tusschen de noodlijdenden, dien het ontbreekt aan eigen middelen tot herstel van het verlies of tot voorziening in hunne behoeften. Breda, 2 Julij. Op beden is alhier berigt ontvangen, dat eergisteren, bij hel verplaatsen der locomotief aan het stationsgebouw te Moerdijk, de werkman W. de Graauw met beide beenen onder de wielen is geraakt, met het ongelukkig gevolg, dat hem dadelijk het linkerheen is geamputeerd geworden en den volgenden morgen de regter halve voet is afgezet. Men vreest voor het behoud van zijn leven. Tilburg, 2 Julij. Heden morgen geraakte het 3jarig dochtertje van zekeren V. A., alhier onder een zwaar geladen kar waardoor haar regterbeenlje geheel verbrijzeld werd. --- Staten-Generaal. ^Provinciale Staten. (Zie de Bijlage). Eerste Kamer. Zitting van 3 Julij . De eerste kamer der StatenGeneraal heeft in hare zitting van heden, waarin de beer Slichterman van den Brake als nieuw benoemd lid is toegelaten, achlervolgens zonder discussie met algemeene stemmen aangenomen: 1 , tien ontwerpen tot naturalisatie van even zoo vele personen; 2, verklaring van algemeen nut van den aanleg van een rijweg in de gemeente Veendam; 3, goedkeuring eener dading tusschen het bestuur der domeinen en de gemeente Kampen; 4. wijziging der wet op de brievenposterij; 5, daarna zijn de discussien gevoerd over het hoofdsluk marine. De heeren Lolsy, van Rijckevorsel, van Swinderen , Cost Jordens, van Beeck Vollenhoven en Insinger hebben lot ondersteuning en de boeren Cremers en van der Lek de Clercq tot bestrijders van het ontwerp het woord gevoerd. De voorstanders namen echter als standpunt aan het voorbehoud van vrij oordeel voor het vervolg over de sommen, die op latere begrootingen zullen gebragt worden. Het onderwerp is aangenomen met 31 tegen 2 sleminen. Tegen vrijdag zijn eenige andere ontwerpen aan de orde gesteld. De memorie van beantwoording, welke de regering heeft ingezonden op het voorloopig verslag der tweede kamer betrekkelijk het wetsontwerp, houdende bijdrage voor het uitwalerings-kanaal van Grave naar den Amer, luidt aldus: Na de breedvoerige ontwikkeling van bet wetsontwerp in de memorie van toelichting en de wederlegging van de legen de uitvoering ingebragte bezwaren in de memorie van beantwoording der vroegere verslagen, achtte de regering de malerie uitgeput. De opmerkingen en bedenkingen in het tegenwoordig verslag opgenomen rekent zij dat, in het algemeen, bij de vroeger gewisselde stukken reeds voldoende zijn toegelicht en opgelost. De Kamer veroorlove dus dat zij kort zij in de beantwoording van heigeen op nieuw , bij het weder ten derde male aanbieden van het wetsontwerp, ter sprake is gebragt. § 1. De regering meent aangaande de voor- en nadeelen van het ontworpen kanaal met betrekking tot de verdediging te moeten verwijzen naar het door haar medegedeelde in de memorie van beantwoording, No 5, op het voorloopig verslag van de Tweede Kamer der StatenGeneraal in de zitting 1853—1854. Zij heeft een nader onderzoek of het vragen van een advies aan het comité van defensie geheel onnoodig geacht, vermits de invloed van het kanaal op de middelen tot de verdediging, ten gevolge van het onderzoek van onderscheidene commissien , genoegzaam bekend is. Die invloed is bevonden niet zoo schadelijk te zijn voor de belangen der verdediging , om daarom het maken van het kanaal, voor andere belangen zoo noodzakelijk gerekend , onder de voorgestelde voorwaarden niet toe te laten. In sommige opzigten zal het zelfs voordeclig voor de verdediging zijn, indien het nadeel, dat er tevens door ontslaan zal, door het maken van een belangrijk werk bij den zoogenaainden Melkdijk worde verholpen. Zij evenwel, die alleen letten op de middelen tot verdediging , zonder de andere gewigtige belangen in aanmerking le nemen waarvoor het kanaal vereischt wordt, zullen voorzeker bet uitvoeren van het werk ontraden; maar, naar het gevoelen der regering, moeten de middelen tot verdeJiging worden ingerigt naar de gesteldheid deigronden , zoo als zij zal worden tengevolge van de uitvoering van werken voor het algemeen belang noodig , en mogen die werken niet worden nagelaten al werd de verdediging eenigzins moeijelijker, dan zij anders zou wezen. Indien dit niet het geval ware, dan zou voorzeker de uitvoering van vele openbare werken in het belang van handel en nijverheid achterwege moeten blijven. De regering acht het doen van mededeelingen , aangaande den invloed van liet kanaal op de verdediging van de stelling bij 's Hertogenbosch niet raadzaam , zij vermeent dat het een onderwerp is hetwelk niet in het openbaar mag worden behandeld en waaromtrent geene andere inlichtingen kunnen worden gegeven dan die reeds zijn medegedeeld. Zij herhaalt hetgeen vroeger door haar is gezegd, dat wanneer de gelden voor de geraamde kosten van verdedigingswerken worden toegestaan, genoegzaam voor de militaire belangen zal worden gezorgd. § 2. liet kanaal moet niet alleen dienen om eene geregelde afwatering te bezorgen aan de landerijen daar langs gelegen, en om 26,000 bunders land tijdig in hel voorjaar van het overtollige water te ontlasten, maar de uitvoering staat tevens in verband met de verbetering van de Aa en den Dommel en al de zich daarop ontlastende kleinere riviertjes, beeken of waterloopen, waaraan de landen , langs en in het gebied dier wateren gelegen, dringende behoefte hebben ten afvoer van de steeds toenemende massa bevloeijingswater uit de Belgische Kempen en van de geconcessioneerde landontginningen in Limburg en Noordbrabant. Meer dan 260,000 bunders bebouwd ol nog in cultuur te brengen landen zullen door die verbetering een gevolg van het maken van het kanaal, worden gebaat. De regering vraagt met vertrouwen, of aan een werk, dal in de geregelde afwatering van zoo vele bunders land "*? Nê voorziet, waardoor het bebouWen van zoo ve,le woeste - gronden wordt meene welvaart 1 ontzegd'? ^ vei# loor liet bebouweu van zoo vele woeste s bevorder/1 enJLoo vele bronnen van alge-_ worden £eopït}$, algemfi#n nut kan worden . ^ L fi. Moet algemeen nut worden ontkend omdat die gronden liet eigendom zijn van bijzondere personen, dan kan wel nimmer een uitwaterings-kanaal, al werden er ook een of meer gewesten door gebaat, gezegd worden een werk van algemeen nut te zijn. Over de verklaring van de Provinciale Staten van Noordbrabant, in hunne vergadering van 18 Julij 1852 afgelegd, en die ter bestrijding van dat algemeen nut wordt aangehaald, wil de regering zich liefst niet uitlaten. Zij acht den tegenstand , indien die een gevolg is van nadeelen , welke men uit de voorgenomen strekking van het kanaal voor de beneden-districten vreest, overdreven. Wat het kanaal van St. Andries betreft hetwelk op nieuw in het verslag ter sprake wordt gebragt, het is, gelijk reeds vroeger werd gezegd, met grond te verwachten , dat de digling eenen weldadigen invloed op de uitwatering der Maaspolders en op de landen in de omstreken van 's Hertogenbosch zal uitoefenen, doch op verre na niet in die mate, dat daardoor alle verdere kunstmatige ontlastingsmiddelen overbodig zullen worden. Eene verlaging van den waterspiegel bij mindelbaren zoinerstand, 2 lot 3 palm zal voor de tijdige afwatering der landen in de betrokken polders weinig baten en ter voorziening in die ontlasting zullen nog altijd kunstmiddelen worden vereischt. Onder die middelen blijft het kanaal steeds de voorkeur verdienen. Dat de Zuid-Willemsvaart thans door aanhoudenden sterken afvoer van het op het kanaal gelost wordende irrigatiewater voor de polders, op de Dieze uitwaterende, hinderlijk en nadeelig is, valt niet te betwijfelen ; ook van die zijde beveelt zich het werk aan, Ier opheffing van dit nadeel. § 3. Dat de keus der Provinciale Staten van Noordbrabant omtrent de rigting van het kanaal niet als eene vrije keus mag worden beschouwd, kan door de regering niet worden toegestemd. Zij verwijst ook bier weder naar de stemming der staten, die zich met 43 tegen 14 stemmen voor het plan hebben verklaard. Een nader onderzoek en overleg wordt ten eenen male onvruchtbaar gerekend. v § 4. Het is waar dat de verzanding en opslibliing op den Amer, alsmede op het Oude Maasje en op de Donge door de werking van het uitwaterings-kanaal niet geheel zullen worden belet, maar het kan niet betwist worden, dat eene geul zal onderhouden worden, waardoor de afloop van liet water aanzienlijk zal worden bevorderd, hetgeen niet anders dan gunstig op de uitwatering der verschillende polders werken kan en bij gemis van het kanaal niet te verwachten is. Door den afvoer van de zoo aanzienlijke massa bevloeijingswater langs den Dommel, beeft dal water niet meer de schraalheid, welke men daaraan toeschrijft; het is te veel met maaswater vermengd en dus voor de landerijen minder schadelijk. Buitendien worden de piasbennen in de kaden der polders langs het Oude Maasje en de Donge eerst in den winter gestoken en zoude mitsdien bij minder hoogen rivierstand het Dommel- en Aawater gedeeltelijk door de Donge op de Maas kunnen geleid worden. Bij hooge waterstanden van 4 el boven A. P. aan de peilschaal te 's Hertogenbosch begint de Baardwijksche Overlaat te werken en wordt toch hetzelfde Dommel- en Aawater met dat van de Maas naar het Oude Maasje afgevoerd. Nog nimmer zijn na de daarstelling der overlaten in 1765 daartegen eenige bepaalde bezwaren ingebragt, welke bij eene werking van den Beerschen Overlaat ook geenen beduidenden invloed op de bemesting der landen in de polders langs het Oude Maasje hebben kan, als zijnde dan te veel met vet Maaswater doormengd. Het is alleen bij lagere waterstanden dan van 4 el boven A. P. te 's Hertogenbosch, dat het misschien wenschelijk zoo zijn gedurende bet bestaan der zoogenaamde piasbermen in de kaden der polders, den afvoer van het overtollige water door het kanaal daarnaar te regelen , hetgeen zonder eenig bezwaar van de eene of andere zijde geschieden kan. De bezwaren door de boven-districten gemaakt, zijn ten aanzien van het kanaal zelf van weinig of geen belang. Zij schenen alleen te ontstaan uit vrees, van in de kosten van het kanaal naar hunne zienswijze te veel te zullen moeten bijdragen , vooral met het oog op het hangende proces ten aanzien van het openen van den Groenendijk of het gedurig doorsteken van dien dijk en van het Hamelspoel, door welko feitelijke handelingen zij doorgaans tijdig, tegen alle regt en billijkheid aan , van het overtollige water worden ontslagen. § 5. Toegegeven dat de tijd nog niet daar is om met het graven van het kanaal aan te vangen , dient intusscheu de onzekerheid , of het rijk zich al dan niet de zaak door het verleenen eener bijdrage zal aantrekken , niet langer te worden bestendigd. De voorgedragen wet levert den waarborg op , dat tot de uilkeering niet zal worden overgegaan dan nadat behoorlijke zekerheid zal zijn verkregen , dat de overige middelen tot uitvoering en voltooijing aanwezig zijn. Oit achl de regering volkomen voldoende. Eene beslissing, die met ongeduld in de belanghebbende districten wordt te gemoet gezien , behoeft overigens, naar het oordeel der regering, noch van de digting van het kanaal van St. Andries, noch van de algemeene rivierverbetering afhankelijk te worden gemaakt. § 6. Omtrent de wijze waarop tot het oprigten van het waterschap, voor de uitwatering van Grave naar den Amer is te werk gegaan , kan de regering niet anders dan zich gedragen aan heigeen dienaangaande op pagg. 7 en volgg. van de memorie van toelichting in de zitting van 1853 —1854 aangeboden en van die van beantwoording van 27 Junij 1854, bladz. 4 en 5 is gezegd. Zij weet er niets meer bij te voegen ter opruiming van de toen geopperde en thans weder op nieuw ter sprake gebragte bedenkingen. ---