No 33. No 33. Tweede Blad. --- Advertentie Advertentiën waarvan de plaatsing driemaal is opgegeven worden slechts tweemaal tn rekmitig gebracht. --- Buitengewone Vergadering. DER Provinciale Staten van Noord-Brabant, gehouden Dinsdag 9 Februari 1904, 's voormiddags 11 uur. Voorzitter: de Commissaris der Koningin, Mr. A. E. J. Baron Van V oorst tot Voorst. Griffier: Mr. W. M. Van Lanschot. Tegenwoordig: 60 leden. Afwezig: de leden Van Erp, Godschalx, Manders en Mommersteeg. 1. De Voorzitter, in naam der Koningin dese buitengewone zitting openende, wijst er op, dat sedert de laatste bijeenkomst der Staten geheel Nederland dankbaar heeft herdacht, dat vóór vijf-en-twintig jaren H. M. de Koningin-Moeder haar intrede deed in ons Vaderland. Spreker was overtuigd zeker niet te veel te zeggen, als hij verklaarde, dat H. M. de harten van alle aclitgeaarde Nederlanders in dat tijdsverloop heeft gewonnen en haar optrfiden van onberekenbaar nut en een zegen des volks is geweest. Spreker zal dit niet in 't breede ontvouwen, doch wil er toch op wijzen en er aan herinneren, hoe Koningin Emma als trouwe Gade haren Koninklijken Gemaal heeft ter zijde gestaan, hoe H. M. is geweest een liefderijke Moeder, een beleidvolle Regentes en na dien tijd steeds voor ons land en Volk een steun was in lief en leed. De Voorzitter zeide zeker aller wenschen uit te spreken, als liy hoopte, dat haar leven lang moge blijven gespaard tot steun van Koningin Wilhelmiua, tot heil van Nederland. ( Toejuiching). De Voorzitter geeft vervolgens te kennen, dat deze buitengewone zitting o. m. Boodig is geworden, ter aanvulling van •en zetel van het Gedeputeerd bestuur, opengevallen door het ontslag-nemen van Jhr. Jos. De la Court, wegens omstandigheden, die zeker allen betreuren. Gedurende een reeks van jaren door het onafgebroken hernieuwd vertrouwen der Staten geroepen een zetel in te nemen in 't dagelijksch bestuur der provincie, beeft hij steeds naar zyn beste weten zijn ambt vervuld. Daarom stelt spreker er prijs op, van deze plaats erkentelijkheid te betuigen voor alles wat Jhr. Jos. De la Court in 't belang der provincie heeft gedaan. Ten slotte wijst de Voorzitter op de hoogst belangrijke beslissing, die de vergadering ditmaal ten aanzien van het Wilhelmina-kanaal zal hebben te nemen. 2. De Voorzitter deelt mee, dat aan II. M. de Koningin-Moeder namens de Staten een adres van hulde is gericht. Aangenomen voor kennisgeving. 3. De Griffier geeft voorlezing van 't koninklijk besluit, waarbij de Voorzitter wordt gemachtigd dezer buitengewone zitting bijeen te roepen. Besluit alsvoor. 4. De Voorzitter stelt aan de orde het onderzoek der geloofsbrieven van het in 't distrikt 's-Hertogenboscli nieuwbenoemde lid Mr. VV. J. M. Ummels. Hy benoemt tot commissie van onderzoek de leden Van de Wiel, Eras, Middelkoop, Pistorius en G. F. Van de Westelaken en schorst inmiddels de vergadering. Bij heropening brengt het lid Van de Wiel verslag uit, strekkende tot toelating, daar alle stukken in orde zijn bevonden. Zonder beraadslaging of stemming wordt dienovereenkomstig besloten. Door den Griffier ter vergadering bin nengeleid, legt het lid Mr. Ummels in handen des Voorzitters de gevorderde eeden af en neemt, na door deze te zijn geluk gewenscht met het vertrouwen der kiezers, zitting. 5. ^ De Voorzitter deelt mee, dat het lid \ an Erp heeft kennis gegeven van zijn verhindering wegens ongesteldheid, om deze vergadering bij te wonen. Komen aan de orde: 6. Ontwerp-besluit van Gedeputeerde Sta ton om dezen te machtigen tot het aangaan eener overeenkomst met den Staat tot afstand van een gedeelte provincialen van Rozendaal naar Oud-Gastel, ten ohoeve v#n de verplaatsing en uitbreiding 7 a n t station en 't stations-emplacement te Rozendaal. Het lid C. J. Verheijen betoogt de ^ enschel ij kheid, dat aan de oostzijde van den spoorweg een duiker worde gelegd. , 0 Voorzitter zegt, dat hierop de aandacht zal worden gevestigd. ponder beraadslaging of stemming wordt net ontwerp goedgekeurd 7. Kanaal van de Zuid-Willemsvaart over Tilburg naar den Am er met een zijtak naar Breda en naar de haven van Oosterhout. Het lid Van Puyenbroek geeft te kennen, dat van al de zaken, in de laatste jaren door de Staten van Noord-Brabant behandeld, er wel niets is dat de gemoederen zoo in beroering gebracht heeft als het aanhangige kanaal-ontwerp, Behalve, om maar eens een greep te doen, de Kamers van Koophandel van Sneek en Nijmegen, hebben zich bijna al de dorpjes om Eindhoven, o. a. Lierop, Maarheeze, Oerle, geroepen geacht om over deze aangelegenheid hun licht te laten schijnen. Zelf industrieel en wonende in de onmiddellijke nabijheid van Tilburg, was hij zoo vrij het woord te vragen om van zijn standpunt ook het een en ander in het midden te brengen. Het heeft in deze niet aan voorlichting ontbroken; integendeel, behalve wat er vroeger aan voorafging, zijn er in de laatste drie maanden heel wat cijfers gebezigd, van de zijde der Statenleden, oin aan te toonen, dat het te brengen offer de finaucieele krachten der provincie te boven gaat, door Heeren Gedeputeerden, die meenen het tegendeel te mogen beweren. Hij wil voor Noord-Brabant hopen, dat Gedeputeerden het bij het rechte eind hebben, immers, anders zag het er al zeer treurig voor ons gewest uit! Bij ieder minder of meer belangrijk ontwerp, waarvoor subsidie benoodigd, dat er aan de orde kwam, tijdens de enkele jaren dat hij de eer heeft lid der Staten te zijn, heeft h\j er steeds de financieele draagkracht te pas hooien brengen, en toch, hoe vaak er ook over gesproken wordt, het is en blijft altijd appreciatie. Naar zijne bescheiden meening is het offer voor een grootsch werk, al zijn er ook millioenen mee gemoeid, nooit te groot, als maar met tamelijke zekerheid berekend kan worden, dat uit de voordeelen, die er mede te behalen zijn, rente, aflossing enz. ruimschoots gedekt kunnen worden. Een massa cijfers, wier groepeering heel wat hoofdbrekens gekost hebben, zijn ons voorgelegd. Hen, die daar een werkzaam aandeel in gehad hebben, bewondert hij en brengt hij bij deze gaarne zijne hulde, doch men heeft verzuimd onder cijfers te brengen de voordeelen, welke eventueel door dit kanaal voor handel, nijverheid en landbouw te behalen zullen zijn. Algemeenheden als „overtuigd van het groote voordeel, dat een kanaal als het ontworpene voor de provincie zal opleveren", voorkomende in bijna al de aangeboden adressen, hebben toch, op den keper beschouwd, zeer weinig te beteekenen. Herhaaldelijk was hij in de gelegenheid met Tilburgsche fabrikanten, ook met leden der Tilburgsche Kamer van Koophandel en Fabrieken te spreken. Op de vraag, welke de voordeelen waren, dio men van het Kanaal verwachtte, ontving hij steeds ten antwoord : „En de steenkolenvrachten dan?" Als hij dan op Helmond wees, welks industrieelen, trots de mooie ligging hunner fabrieken, langs de Zuid-Willemsvaart, toch hunne steenkolen per spoor betrekken, werd beweerd, dat Helmond dan veel lagere spoorvrachten te betalen zou hebben dan Tilburg. Om te onderzoeken wat er van deze bewering waar was, is hij op een goeden dag naar Helmond gereisd. Hij sprak met de voornaamste kolenverbruikers aldaar en uit de inlichtingen, welke men hem verstrekte, bleek, dat de Maatschappij tot Exploitatie van SS. voor Helmond geen speciale tarieven voor het vervoer van steenkolen er op na houdt. Neemt men nu in aanmerking, dat er te Helmond inrichtingen zijn, die circa 3 wagons steenkolen per dag gebruiken en de grootste fabriek van Tilburg niet meer dan ongeveer een wagon per dag, dan mag met grond betwijfeld worden, of voor Tilburg, indien dit kanaal tot stand komt, wel eene uitzondering gemaakt zal worden. Vijftig jaar geleden, toen er geen trams en er slechts enkele sporen waren, had een kanaal, zooals dit, voor locaal verkeer groote beteokeni8. Behalve voor goederenvervoer, kon het ook dienst doen voor vervoer van personen, een factor, die thans geheel over 't hoofd gezien wordt. Wie reist nu nog per boot wanneer de plaats van bestemming per spoor of per tram te bereiken is? Ook dient de aandacht er op gevestigd, dat op een kanaal, in den wintei, weinig te rekenen valt; zelfs in de zomermaanden is de scheepvaart dikwijls gestremd ter oorzake van herstellingswerken, welke in dat seizoen moeten plaats hebben. Sinds onze provincie doorkruist is met sporen en trams, welke in vergelijking met waterwegen veel minder kostbaar en voor locaal verkeer veel doelmatiger zijn, bestaat er z. i. geen behoefte meer aan nieuwe kanalen. Dat overigens eene industrie in de laatste 25 jaren ook zonder kanaal tot bloei is kunnen komen, Tilburg zelf levert daarvoor het bewijs I Enschede, Hengelo, met hunne grossartige kantoennijverheid,, hebben nooit een waterweg gehad. Zelfs Essen, de residentie van wijlen dan kanonnen-koning Krupp, heeft het zonder waterweg moeten doen, en wat eene reusachtige inrichting is dat niet geworden! Mijne Heeren! zegt spreker, laten we practisch zijn! In plaats van zulke groote sommen te verknoeien aan ] waterwegen, doen we, naar mijne overtuiging, verstandiger om behalve voor aanleg en verbetering van kunstwegen (dit met het oog op de moderne middelen van vervoer, welke in het bereik van iedereen liggen) onze gelden te besteden voor subsidieering van spoor- en tramwegen, deze bezorgen ons niet alleen concurreerend en vlug goederenvervoer, toch zijn ook dienstig voor het personenverkeer. Het lid Mr. Smits van Oyen brengt hulde aan de commissie van rapporteurs voor haar belangrijk verslag, waaruit blijkt, dat zij de geheele zaak met nauwgezetheid ; heeft onderzocht en overwogen. Zij komt tot de conclusie, dat de welvaart en de draagkracht $l£r provincie groot genoeg zijn om zich groote offers te getroosten, ten einde ook in de toekomst die welvaart te verzekeren en te bevorderen. Meenden hij en zijn mede-afgevaardigden van 't distrikt Eindhoven, hoezeer ook van oordeel, dat het noodzakelijk was dat ook getracht werd het kanaal te goede te doen komen aan de industrie van Eindhoven en omstreken, zich te moeten vereenigen met het aanhangige ontwerp om geen struikelblok voor het tot-staud-komen van 't kanaal op te werpen — sedert het schrijven van den Minister van Waterstaat van 30 Januari 11., waarin deze zich bereid verklaard, behulpzaam te zijn bij een onderzoek van een gewijzigde richting met een ombuiging naar Eindhoven, bestaat geen gevaar, dat door wijziging van richting de tot-standkoming van 't kanaal zal worden van de baan geschoven en hopen zj, dat de vergadering de door hen ingediende motie zal aannemen. Die motie, ingediend door de leden Mr. Smits van Oyen, Boex, Van den Heuvel, De Wit, Baken, G. F. Van de' Westelaken en Jhr. W. De la Court, luidt aldus: „De van Noord-Brabant: Gelet op de adressen van den Raad van Eindhoven en van de Kamer van Koophandel aldaar, om de industrie van de Meierij mede te doen deelen in de vruchten, welke het ontworpen Wilhelminakanaal voor een groot gedeelte van de provincie belooft op te leveren; Overwegende, dat in het stadium, waarin de zaak verkeert het onmogelijk is een gevestigd oordeel uit te spreken, omdat noch technisch,''noch financieel onderzocht is, of het mogelijk zou zijn aan de kenbaar gemaakte wenschen tegemoet te komen; Overwegende, dat na een langdurig en moeilijk overleg met de Regeering eindelijk overeenstemming is verkregen, zoowel omtrent de richting, welke aan het kanaal zal worden gegeven, als omtrent het bediag, dat van de zijde der Provincie in de kosten zal worden bijgedragen; Overwegende, dat het kanaal ook zooals het thans geprojecteerd is, van onberekenbaar nut voor de provincie zijn zal en dus de aanleg daarvan onder alle omstandigheden ten hoogste gewenscht moet worden geacht; dat zulks echter in nog veel sterker mate het geval zal zijn, indien bij de uitvooring het mogelijk zou blijken aan de wenschen van requestranten tegemoet te komen; Besluiten : Gedeputeerde Staten op te dragen : a. de Regeering te verzoeken, om, nadat het kanaalontwerp wet zal zijn geworden bij het uitwerken der kanaalplanneu te laten nagaan of het wenschelijk en technisch en financieel mogelijk is om ook de belangen van Eindhoven te behartigen, door aan een klein gedeelte van het ontworpen kanaal eene meer zuidelijke richting te geven ; b. zich bereid te verklaren tot nader overleg met de Hooge Regeering, wanneer het in te stellen onderzoek mocht aantooneu, dat de sub a bedoelde wijziging de kosten van aanleg mochten vermeerderen." Het lid Jhr. Mr. Van Sasse van Ysselt merkt op, dat zeer terecht door den Voorzitter bij den aanvang dezer vergadering is gezegd, dat het hier geldt een hoogst belangrijke beslissing. Daarvan toch zal afhangen of de financiën der provincie gedurende niet minder dan een halve eeuw worden vastgelegd voor dit kanaal. De commissie van rapporteurs stemt toe, dat het hier geheel en al een financieele kwestie geldt. Allen zijn het er over eens, dat het kanaal voordeel zal afwerpen, doch de vraag mag gedaan, of dat voordeel geëvenredigd is aan 't offer, dat wordt gebracht. Spreker heeft aanmerking op een tweetal passages van 't verslag der commissie van rapporteurs, 1. waar zij releveert, dat reeds in 1895 de Staten met algemeene stemmen het nut van dit kanaal hebben erkend en de bijdrage der provincie gevoteerd en 2. waar zij aan 't slot zegt, dat verdere aarzeling zou verdienen te heeten onverdedigbare kleinmoedigheid. Sprekerj is het er niet mee eens, 18 ton gouds voor dit kanaal te geven en betwijfelt met het lid Van Puijenbroek het onberekenbare voordeel van dezen waterweg, die bij de tegenwoordig bestaande spooren tramwegen niet meer zoo noodigls. Hij zegt dit, al zou hij dau ook tot de onverdedigbare kleinmoedigen worden gerekend. En wat het lid Van Puyenbroek heeft gezegd ten aanzien van de groot -industrie, geldt evenzeer voor den landbouw. Immers het kanaal te doen strekken tot irrigatie hangt zéér in twijfel en als men nagaat hoe groot de kosten zijn van het oppompen van water, zal het nut voor den landbouw al heel luttel zijn. Ook spreker zag daarom het geld der provincie liever besteed aan het subsidieeren van tramwegen. Hij wil echter daardoor geenszins zeggen, dat hij is tegen het kanaal, maar het offer van 18 ton is niet evenredig aan het voordeel, niet evenredig aan de draagkracht der provincie. Do commissie van rapporteurs getuigt zelf, dat Noord-Brabant bekomt tot de zwaarste belaste en hij voegt hieraan toe, dat waar deze provincie heft op de grondbelasting 22 -opcenten op de gebouwde en 24 op de ongebouwde eigendommen, alsmede 19 opcenten op de persoueele belasting, die cijfers voor Gelderland slechts zijn 7, 5 en 9, terwijl men in onze provincie nog heeft de paardenbelasting, die wel-is-waar een ekwivalent kan heeten voor de tollen, die echter veel meer opbrengt dan anders gemeentelijke en provinciale tollen zouden doen. Gedeputeerde Staten achten in de toekomst het behoud van 'de cijfers der opcenten noodig, doch beroepen zich op vermeerdering van de opbrengst der belastingen, waartegenover echter staat dat die opbrengst in de toekomst ook vermindering zou kennen aantoonen en dan is een offer van 18 ton te groot. Daarbij komt dat men staat voor een herziening der Provinciale Wet en dan is het lang niet zeker, dat de Staten van Noord-Brabant zullen behouden de bevoegdheid tot het heffen eener provinciale paardenbelasting, waarbij spreker aanhaalt het ontwerp van wet en de toelichting. Dit alles overwegende, is spreker huiverig om door de bijdrage van 18 ton toe te staan de financiën der provincie zoo'n aantal jaren vast te leggen voor dit kanaal en daardoor voor andere nuttige werken geen fondsen meer beschikbaar te hebben. Overigens vindt spreker het niet goed, de behartiging der belangen van Eindhoven en omstreken gehiel over te laten aan de zorg van 't rijk. Evenals bij de werken veor den Maasmond is geschied, moeten de Staten zelf het heft in handen houden. Spreker zou gaarne zien een ombuiging naar Eindhoven, waardoor het kanaal van veel meer nut zou worden dan nu. Het lid Mr. A. J. M. Smits, de algemeene rapporteur, zal niet beantwoorden wat gezegd is over het geringe belang van dit kanaal. Daarover is trouwens in de afdeelingen niets gezegd. Of de financiën der provincie het offer van 18 ton gedogen, zal hij overlaten aan de beantwoording vanwege Gedeputeorde Staten. Hij wenscht echter een antwoord te geven aan het lid Mr. Smits van Oyen, die is teruggekomen op diens vroegere zienswijze en dan wijst spreker er op, dat reeds op 22 December in de openbare vergadering van de Tweede Kamer door den minister aan den afgevaardigde van Eindhoven is meegedeeld, dat de minister zich over wijziging van de richting niet wenschte uit te laten, daar do zaak thans was in beslissing bij deze vergadering. Uit ondervinding wetende, dat de provincie Noord-Brabant door het rijk niet wordt verwend, heeft het Gedeputejrd bestuur zéér bescheiden, zéér voorzichtig, na het indienen der motie door de Eindhovensche afgevaardigden, zich tot den minister gewend en is door deze geantwoord dat by aanneming dier motie de indiening van een wetsontwerp vooreerst achterwege zou blijven, onder bereidverklaring lotgemeen overleg bij het onderzoek eener gewijzigde richting. Een toezegging om bij gewijzigde richting bereid te zijn en wetsontwerp in te dieneu, bevat die verklaring geenszins en daarom acht spreker de meening van de afgevaardigden uit Eindhoven te optimistisch. Wanneer de zaak afspringt, wat dan? Dan komt er zeker vooreerst geen kanaal en is dus Eindhoven evenmin gebaat. Die afgevaardigden etkennen intusschen het onberekenbaar nut van het Kanaal, ook bij de tegenwoordige richting en hun motie zou 's prekers voile sympathie trekken, indien het hem mogelijk scheen de belangen van Eindhoven te bevorderen zonder het Kanaal in gevaar te brengen. Ten aanzien van de opmerking van 't lid Jhr. Mr. Van Sasse van Ysselt merkt spreker op, dat hij het goed vindt het heft in handen te houden mits dat er aan het heft een bijl zit, opdat hij zoo noodig het wapen gebruiken kunne. Het lid Van Komonade wijst er op, dat Eindhoven zelf met zijn eigen Kanaal heeft ondervonden.dat door den veranderden toestand waterwegen tegenwoordig niet meer hot nut en de waarde bezitten van vroeger. Alvorens de beslissen over het toekennen van een provinciale bijdrage zou hij willen dat definitief vaststond de richting van het Kanaal en hij dient daartoe in de volgende motie: „Spreker heeft de eer aan de Staten voor te stellen, de richting van liet in behandeling zijnde kanaal, thans definitief vast te stellen." Het lid G. F. Van de Westelaken erkent, dat het hier geldt een zeeïgewichtige aangelegenheid, waarin hij zijn stem wenscht te motiveeren. Spreker behoort niet tot hen, die voor de toekomst den financieelen toestand der provincie donker inzien en hij wijst er op, dat reeds vóór jaren de Staten de bijdrage hebben goedgekeurd. Van waar vraagt hij, die veranderde zienswijze? Bezwaar kan dan toch alleen zijn het meerdere wat nu wordt gevorderd bij toen. Verder merkt hij op, dat al zou een geldleenig noodig zijn dezer aflossing loopt over 40 jaar. Dank zij de meedeelingen van Gedeputeerde Staten is een heldere blik verkregen in den financieelen toestand en daarbij herinnert spreker nog aan een vroeger woord van 't lid Mutsaers, die gezegd heeft, dat de vrees, dat groote offers voor nuttige werken de draagkracht der provincie zouden te boven gaan, steeds ongegrond is gebleken. Daarom is hij ook voor de tot-stand-koming van dit kanaal en hoezeer ook wenschende Eindhoven te helpen, zou hij de tot -standkoming er van niet willen opofferen, indien dit niet mogelijk bleek. Het lid Mr. Loeff zegt, dat hij zich kan vereenigen met veel, wat door het lid Jhr. Mr. Van Sasse van Ysselt is gezegd. Spreker gelooft dat èn de voorstanders pur sang en ook de andere voorstanders zich niet op het juiste standpunt plaatsen. Hij betwijfelt of op 't Binnenhof in Den Haag een meerderheid voor de thans aangegeven richting zal zijn te vinden, waar door een kleine ombuiging misschien zou kunnen worden geholpen de belangen der belangrijke industrie van Eindhoven. Ook de zienswijze der voorstanders eener ombuiging naar Eindhoven acht spreker onlogisch en onpractisch, indien hun motie wordt aangenomen, want dan zullen de Staten een richting aaggeven in hun besluit, doch tevens een motie aannemen, waarbij gezegd wordt, dat eigenlijk een andere richting beter is en wijzigt dan de minister do richting in den door hen gewenschten zin, dan zal opnieuw hier oen besluit moeten volgen om de provinciale bijdragen in die gewijzigde richting toe te kennen. Daarom acht spreker wenschelijk om te doen wat de minister reeds eenigszins aangeeft, namelijk een onderzoek in overleg met de regeering, of Eineboven is te helpen alvorens hier e' j n verder bosluit te nemen. Dienovereenkomstig dient spreker de volgende motie In: „De Staten van Noord-Brabant, gezien het schrijven van den minister van waterstaat, handel en nijverheid van 30 Januari 1904 La. Z.; overwegende dat de belangen van Eindhoven en zijne omstreken zeer zouden kunnen gebaat worden door een wijziging ln de richting van het kanaal van de ZuidWillemsvaart naar den Amer, zooals dat thans geprojecteerd is; overwegende dat de mogelijkheid niet is uitgesloten, ja de waarschijnlijkheid bestaat, dat die wijziging met weinig kosten en moeiten kan worden tot stand gebracht; overwegende, dat het in dezen stand dor zaak niet wenschelijk voorkomt subsidie aan het Rijk te voteeren in de kosten van het kanaal voor een bepaalde richting, waardoor men in de uitvoering aan die richting zou gebonden zijn; gelet op de bereidsverklariug in bedoeld ministerieel schrijven gedaan; besluiteu, alrorens eenige subsidie uit de provinciale kas voor een bepaalde richting, toe te kennen, tot heeren Gedeputeerde Staten het verzoek te richten met bekwamen spoed en met ministerieele medewerking het onderzoek te doen plaats vinden waarvan in dat schrijven de rede is." Tot toelichting zegt spreker, dat het heul niet juist voorkomt, dat de meedeeling des Ministers zoo weinig vastheid geeft. Waar de Minister zich bereid verklaard mee te werken tot nader onderzoek, ligt daarin opgesloten bereidverklaring om ook dan van rijkswege Xoord-Brabant te helpen. Daarmee zzl eenigo tijd zijn gemoeid, bijvoorbeeld een jaar, doch dit is toch geen bezwaar bij den langen duur, die voor de tot stand-koming van 't kanaal zal noodig zijn. Hot lid Mutsaers betoogt, dat het hier geldt een aangelegenheid, die reeds zoo wat een halve eeuw aanhangig is. Reikhalzend is reeds lang uitgezien naar de eindbeslissing en nu men deze nabij dacht, raakt men verward in allerlei adressen en moties. Spreker uoeuit het een stormachtige beweging, die tegen de voorgestelde richting is opgekomen. Tot zelfs de Kamer van Koophandel te .... Sneek bemoeit er zich mee. Spieker betreurt dit vooral waar het hier geldt een rijkswerk, waaromtrent Minister Lely indertijd heeft gezegd, dat geen andere provincie zich ooit zoo groote geldelijke offers heeft getroo.-t als hier Noord-Brabant en de betrokken gemeenten. Meer nog echter betreurt hij de woorden van 't lid Van Puijenbroek. De zooeven in deze vergaderzaal verspreide tijding van den eersten aanval van Japan op Rusland — (vervat in liet bulletin dezer courant) — heeft hem niet zoozeer verwondert als de aanval van genoemd lid op het nut van dat kanaal, welk lid zich heeft beroepen op de meening van industrieelen van Tilburg, zelfs van leden der Kamer van Koophandel, die nog dezer dagen — 1 Februari — met algemeene stemmen heeft besloten, zich andermaal, zij het ten overvloede, te wenden tot de staten om op de aanneming van dit ontwerp aan te dringen. Trouwens bewijst de houding van Eindhoven zelf niet het nut van een waterweg? Spreker brengt naast de hulde, door het lid Mr. Smits van Oyen gebracht aan de commissie van rapporteurs, hulde aan Gedeputeerde Staten en hun wakkeren voorzitter. Voorts betoogt hij, dat, zal ook al de motie der afgevaardigden van Eindhoven het kanaal niet geheel van de baan schuiven, het daarbij bedoelde nieuw onderzoek een langen tijd zal vorderen, daat men toch niet met één autoriteit, met één departement, maar met tal van autoriteiten te onderhandelen heeft. Weer zullen jaren er over heengaan, als liet kanaal nog ooit tot stand komt, wanneer men deze gelegenheid laat voorbijgaan. Spreker weerlegt vervolgens de bestrijding, door verschillende leden gevoord, daarbij wijzende op de duidelijke uiteenzetten door Gedeputeerde Staten van de boven twijfel verheven draagkracht der provincie. Hy erkent, dat Tilburg 's industrie zich ook zonder waterweg heeft staande gehouden en ontwikkeld, maar men vrage met hoe groote offers! Hoe dikwijls hoeft hij niet verzucht, tier langs de Zuid-Willemsvaart wandelende: och, had toch Tilburg eens zoo'n waterweg! Aan het lid Mr. Loeff merkt spreker op diens vraag, of in de Kamer een meerderheid voor aanneming van het wetsontwerp voor drt kanaal zal worden gevonden, op -— wie kan dit met zekerheid zeggen, doch vei trouwen doet spreker het wel. 8. De Voorzitter schorst de vergadering ten 1V 4 uur tot 2 uur. 9. Bij heropening «telt de Voorzitter aan de orde de verkiezing vaneen lid van Gedeputeerde Staten. Hij wijst tot stemopnemers aan de leden Mr. Van Dam, Schrauwen, Mr. Ummels en Jhr. Mr. E. Verheijen. Bij de eerste stemming verkregen de heeren Vincent Van den Heuvel 18, Mr. A. Van Rijckevorsel 15, ö. M. A. Coovels 10, W. J. F. Juten 9 en C. Hengst S stemmen. Bij de tweede vrije stemming verwierven genoemde heeren respectievelijk 19, 20, 7, 8 en 6 stemmen. Bij de herstemming tusschen de eerstgenoemde twee heeren werd gekozen de heer Mr. A. Van Rijckevorsel met 32 stemmen tegen 26 op den heer V. Van den Heuvel. Het lid Mr. Van Rijckevorsel verklaarde, op de desbetreffende vraag des Voorzitters, dat hij, onder dankbetuiging voor het groote blijk van vertrouwen, hem door de vergadering geschonken, zich bereid de betrekking te aanvaarden. 10. Voortzetting der beraadslaging over het Kanaal. Het lid Bressers wenscht namens Gedeputeerde Staten enkele opmerkingen over de provinciale financiën te beantwoorden en wijst er dan in de eerste plaats op, dat het lid Jhr. Mr. Van Sasse van Ysselt zonder bewijs bij te brengen heeft gezegd, dat de financiën der provincie gedurende 50 jaar worden vastgelegd voor het Kanaal. Volgens de overgelegde gegevens zou dit slechts voor 12 jaar het geval zijn. Na dien, in 1915, zou jaarlijks f 20.000 beschikbaar 'z»jn voor andere werken. Genoemde spreker zal opmerken: indien men rekent op toeneming der belasting-opbrengst, doch dan antwoorden Gedeputeerde Staten, dat dit veilig kan geschieden en daarbij is zeer matig voor % van de f 5000 gerekend op de vermeerdering bij giond- en personeele belasting en nu bazeeren zich Gedeputeerde Staten niet uitsluitend op eigen zienswijze, maar hebben inlichting ingewonnen bij een bevoegde autoriteit, den controleur der directe belastingen, welke die toeneming voor de eerste 10 jaar zeker acht. De overige f 1500 worden geacht te komen van de paardenbelasting, tot wier voortdurende heffing de provincie te zekerder wordt gemachtigd geacht, nadat zij den Minister heeft overtuigd dat, bij de opbrengst van f 160.000 ongeveer, door de provincie ruim f300.000 wordt ten koste gelegd aan aanleg en onderhoud van wegen. Zou de grondbelasting minder opbrengen in de toekomst dan zou zonder hinder van de belastingschuldigen het percentage kunnen worden verhoogd. Ten aanzien van het personeel heeft men een verklaring des Ministers Harte dat bij wijziging der wet de opbrengst in NoordBrabant eer vermeerdering dan vermindering zal geven. Een en ander bevestigt dat zonder belasting-verhooging de bijdrage aan 't kanaal kan worden verleend. liet lid Timmermans geeft te kennen, dat hy met veel belangstelling de verschillende stukken enz. betreffende het Wilhelhelmina-Kanaal en vooral het zaakrijk rapport der commissie heeft bestudeerd en de beraadslaging gevolgd. Een en ander heeft hem tot de overtuiging geleid, dat hij vóór het kanaal moet stemmen, omdat ook hij dit werk onmiskenbaar beschouwt als van groot en vrij algemeen provinciaal belang. Hy zou het kanaal alzoo gaarne tot stand zien komen en wel in den geest van het ontwerp van Ged. Staten en het rapport der commissie daar hij vreest, dat indien het voorstel van Eindhoven of van Mr. Loeff wordt aangenomen de zaak op de lange baan wordt geschoven en uitstel zou wel eens afstel kunnen worden. Hij heeft echter ook zijne grieven, de pécuniaire kwestie wordt wel wat al te optimistisch beschouwd en hij betreurt het, dat tengevolge van de enorme bijdrage die de provincie zich zal hebben te getroosten er vooreert geen subsidie zal kunnen worden verleend aan andere min of meer groote en nuttige werken. Tot dezulke beschouwt hij 0. a. do uitdieping en de verbreding der Waalwijksclie Ilaven en de daarstelling eener schutsluis in de monding dier haven, in verband met de werken van den Nieuwen Maasmond, waarvoor vroeger door de Staten financieelen steun is geweigerd, ondanks de krachtige adressen der gemeente Waalwijk en omstreken en van Tilburg en der Kamers van Koophandel van Tilburg en Waalwijk. Daarin toch werd met overtuiging betoogd, dat de Waalwijksche haven de waterweg bij uitnemendheid is voor Tilburg en voor een groot gedeelte der nijvere Langstraat. Maar 't is thans de tijd niet die grieven omtrent dit punt nader te motiveeren, daarop hoopt hij dus later terug te kunnen komen, maar hij wil een offer brengen zooals reeds gezegd, door zijne stem aan het kanaal te geven in de hoop, dat de Staten, dan ook later bij gelegenheid, als de afg'evaardigden van zijn district aankloppen, die belangen niet uit het oeg zullen verliezen, want dit werk, dat een paar millioen aan de provincie gaat koiten, levert ön voor 't Land van Heusden en Altena èn voor de Langstraat niet alleen geen voordeel op maar, o. a. in den vorm van belastingverhooging, niet anders dan nadeel. Het lid Jhr. Mr. F. Verheijen acht de financieele zijde voldoende toegelicht en ook de wenschelijkheid in beginsel van de tot-stand-koming van 't kanaal, doch waar hij het als de plicht der Staten leden beschouwt, zooveel mogelijk het algerrjeen provinciaol belang te dienen, moet hij zich aansluiten bij de motie van 't lid Mr. Loeff. Waar de Mini-ter zich heeft bereid verklaard 0111 zijn medewerking te verleenen tot onderzoek eener gewijzigde richting in den geest, zooals door Eindhoven en omstreken verlangd, had hij wel verwacht, dat èn Gedeputeerde Staten èn de commissie van rapporteurs daarmee zouden instemmen. Spreker meent, dat, indien zonder groote offers de mogelijkheid bestaat een ombuiging te verkrijgen in 't belang van Eindhoven, dat alle aanbeveling verdient, daar hij vreest, dat andeis een wetsontwerp gevaar loopt geen meerderheid in de StatenGeneraal te krijgen. Eenig uitstel acht spreker geen bezwaar en geenszins gevaarlijk na de bereidverklaring des Ministers om zijn medewerking tot nader onderzoek te verleenen, waarin ligt opgesloten de bereidverklaring om ook later in denzelfden geest als nu NoordBrabant te helpen. Spieker gelooft daarom dat het wensclielijk is, de motie van 't lid Mr. Loeff aan te nemen en voegt daaraan nog gaarne de plechtige verzekering toe, dat hij daarmee alleen beoogt voorzichtigheidshalve de totstand-koming van 't kanaal te bevorderen. Het lid G. F. Van de Westelaken verklaart zich tegen de motie van 't lid Mr. Loeff, omdat hy bang is voor de gevolgen van uitstel. Mocht nader door de regeering wijziging worden gebracht in de richting, dan zal de provincie wel bereid zijn die te aanvaarden. Het lid Van Puijenbroek wijst het lid Mutsaers er op, dat deze zijn bedoeling niet geheel juist heeft opgevat en licht die nader toe. Hij heeft juist bij leden der Kamer van Koophandel o. a. inlichtingen ingewonnen, die hebben hem gewezen op steenkolen-aanvoer, welke door den waterweg niet gebaat wordt blijkens het voorbeeld, dat Helmond hieromtrent geeft. Het lid Mutsaers betoogt, dat alle leden der Kamer van Koophandel te Tilburg de tot-stand-koming van 't kanaal steunen, niet ten aandien van steenkolen-aanvoer, maar om ! t groote voordeel in 't algemeen. Het lid Jhr. Mr. Van S rsse van Ysselt bestrijdt de meening van 't lid G. E. Van de Westelaken, dat de Staten nu evengoed als in 1895 moeten voteeren de bijdragen voor dit kanaal en zeker geldt dit spreker niet, die toen nog niet lid was. Ook 11a 't betoog van't lid Bressers blijft hij 18 ton bijdrage door de provincie bezwarend Jvinden. Het lid Van ICemenade en de commissie van rapporteurs hebben ieder een reeks cijfers gegeven, die door de vergadering niet geheel zijn te controleeren. Gedeputeerde Staten en de commissie van rapporteurs blijven rekenen op toeneming van de opbrengst der belastingen. Spreker wil het hopen, doch misrekening is niet uitgesloten en men mag niet er op bouwen, zelfs niet zoo weinig als ook maar Gedeputeerde Staten doen. Daarbij worden ook jaarlijks de uitgaven grooter en waar wij reeds hebben gehoord, dat de "Waalwijksche haven verbetering behoeft, zou dit nog met tal van andere zaken zijn aan te vullen, terwijl na opening van den Maasmond voorziening in werken voor verschillende gemeenten noodig zal zijn. En dan blijven nog de zeer hooge opcenten in deze provincie voortdurend, een halve eeuw lang, gehandhaafd. Spreker is een voorstander van 't kanaal, doch met geringer bijdrage van de provincie en met gewijzigde richting, opdat het ook Eindhoven en omstreken te goede kome. In antwoord aan 't lid Mr. A. J. M. Smits zegt spreker, dat deze zelf nog geen half jaar geleden getuigd heeft, dat het wijs was gehandeld door de provincie om het heft in lmnden te houden in zake don Maasmond, opdat het besten van Noord-Brabant niet schade zou lijden bij de redding van'toosten. Diezelfde wijsheid gebiedt voor de provincie nu ook hier de behartiging der verschillende belangen zelf te kunnen verrichten. Het lid Mr. Smits van Oyen beantwoordt verschillende opmerkingen over zijn vorig betoog en zegt dat de Eindhovensche afgevaardigden hun standpunt eerst hebben gewijzigd, toen de Minister zijn bereidverklaring gaf om over een nader onderzoek van een gewijzigde richting in overleg te treden. Voorts merkt spreker op, dat de motieVan Kemenade niets helpt, daar zij een volgende vergadering niet bindt en dat, gesteld ook dat het waar is, wat genoemd lid beweerde — dat Eindhoven vroeger zijn kanaal heeft verwaarloosd — dan is men nog niet gerechtvaardigd daarom liet tegenwoordige en de toekomende geslachten te benadeelen. De motie van Eindhovens afgevaardigden is in de zaak van dit kanaal een stuk geschiedenis. Omtrent haar is overleg gevolgd met Gedeputeerde Staten, zo hefft een antwoord uitgelokt van den Minister en waar nu de regeering de behulpzame hand toesteekt en zich bereid verklaart overleg te plegen over de keuzo van een eenigszins andere richting, die ook zoowel Gedeputeerde Staten als de commissie van rapporteurs feitelijk beter achten -- nu is er geen gevaar, dat door eenig uitstel het kanaal niet zal tot stand komen. Integendeel, zijn het gunstige voorteekens, to meer nog daar mag worden verwacht dat bij gewijzigde richting de nieuwe belanghebbenden zich ook niet met betrokking tot geldelijke bijdragen onbetuigd zullen laten. Namens zijn niede.-afgevaardigden uit het distrikt Eindhoven trekt spreker de ingediende motie in, om zich aan te sluiten bij die van 't lid Mr. Loeff. Het lid Van Schendel , voorzitter der commissie van rapporteurs, zegt dat de meerderheid der commissie vóór het schrijven des Ministers van 30 Jaiiuari was voor de motie van de afgevaardigden uit Eindhoven, doch nu niet meer, omdat zij vreest, dat bij uitstel der beslissing de tot-standkoming van 't kanaal gevaar loopt. Daarom is de commissie ook tegen de motie van 't lid Mr. Loeff, omdat zij, voor wie weet hoelang, uitstel zou betreuren na al den arbeid, die van zoovele zijden ten aanzien dezer zaak is verricht. Het lid Mutsaers hoeft liet lid Mr. Loeff liooren spreken van geringe meerdere kosten, doch hij is eenerzijds ingelicht dat do vermeerdei ing zou bedragen f 70.000, anderzijds 4 ton gouds. Het lid Mr. Smits van Oyen geeft te kennen, dat wordt de motie van 't lid Mr. Loeff niet aangenomen, hij er zijn uiedeaigevau.aigdea niet kunnen stemmen voor 't kanaal. Het lid Mr. Loeff merkt aan 't lid Mutsaers op, dat tegenover de zekerheid die genoemd lid meent ta hebben met betrekking tot de gezindheid der Kamerleden, de waarschijnlijkheid staat, dat velen uit de beraadslagingen, die hier heden zijn gevoerd, bezwaar zullen putten om voor een wet te stemmen waar een gewijzigde^ richting van 't kanaal misschien gewénscht was. Het lid Boex geeft zijn sympathie geheel aan de motie van 't lid Mr. Loeff en dankt 'tlid Jhr. Mr. F. Verheijen voor zijn krachtig aanprijzen er van. Het lid Van Kemenade, zijn motie handhavende, zegt dat hy de bedreiging der Eindhovensche afgevaardigden om tegen het kanaal te zullen stemmen niet had verwacht. Het lid Juten geeft te kennen, dat hij de door hem ingediende motie tot later wil aanhouden als die van 't lid Mr. i.oeii' wordt aangenomen. Anders gaf hij gaarne eenige toelichting. Die motie luidt: „De Staten van Noord-Brabant: Gehoord de debatten; zijn vau oordeel, dat het thans ontworpen sclieepvaartkanaal beter zou voorzien in de behoeften van den handel, de nijverheid en den landbouw der provincie, wanneer het in verbinding gebracht kon worden met de rivier de Schelde, noodigen hunnen voorzitter, den heer Gommissaris der Koningin uit eene commissie te benoemen, welke de wenschelijkheid, de uitvoerbaarheid en de wijze van uitvoering dezer verbinding nader zal overwegen en onderzoeken en de vergadering dienen van advies, zonder dat deze overweging en dit onderzoek op eenigerlei wijze de uitvoering van het thans voorgestelde plan behoeven te vertragen; Gaan over tot de orde van den dag." Het lid G. F. Van de "Westelaken geeft te kennen, dat hij niet is geraadpleegd bij de intrekking der motie door de Eindhovensche afgevaardigden. In stemming gebracht, wordt de motie van 'tlid Mr. Loeff ver worpen met 32 tegen 28 stemmen. Voor stemden de leden: Mr. Smits van Oyen, Van den Heuvel, Jhr. W. De la Court, Jhr. Mr. E. Verheijen, Jhr. Mr. Van Sasse van Ysselt, Mr. Ummels, Hengst, Honcoop, Baken, De Leijer, Maassen, Boex, Mr. Loeff, Van Puijenbroek, De Wit, Koenraadt, Juten, Van Gilse, Slrijbosch, O. J. Verheijen, Van de Wiel, Snoek, De Schamps, Branderhorst, Thijssen, Aarden, Van Wijnaerden en Mastboom. Het lid Juten, vorvolgens zijn motie toelichtende, zegt, dat hij is een groot voorstander van 't kanaal, omdat hij is overtuigd, dat dit de belangen van landbouw en industrie zal bevorderen. Het ligt dan ook geenszins in zijn bedoeling 0111 bij verwerping zijner motie tegen het kanaal te stem men. Hem en de andere voorstanders zijner motie komt het voor, dat in deze aangelegenheid alleen mag wegen het groote algemeen provinciaal belang, niet of eenig distrikt al dan niet wordt gebaat. Zijn motie bedoelt inde toekomst te verkrijgen doortrekking van het kanaal tot de Schelde. Reeds ten tijde van Napoleon I werd daarnaar getracht en het kan betrekkelijk gemakkelijk geschieden, daar de Mark ligt in 't verlengde van 't thans voorgestelde kanaal en verder op de Steenbergsche Vliet en dan tusschen Steenbergen 011 Bergen-op-Zoom, dicht bij laatstgenoemde plaats de oude waterloop van de vroegere inundatie-werken. Het lid Van Kemenade stelt een nadere motie voor, daarbij den voorzitter uitnoodigende een commissie te benoemen tot onderzoek van de waterwegen, die voor de provincie wensclielijk zijn. Het lid Mr. A. J. M. Smits zegt, dat hij met genoegen heeft kennis genomen van de houding van 'tlid Juten, die aan verwerping zijner motie niet verbindt tegenstemmen van 't kanaal, zooals wol de Eindhovensche leden doen, hoewel zij het onberekenbaar nut van 't kanaal erkennen. Het lid Mr. Smits van Oyen betoogt, dat bij ombuiging naar Eindhoven het voorgestelde kanaal nog van veel gróóter nut zou zijn en gold het nu het thans geprojecteerde kanaal of géén, dan zou de vorige spieker gelijk hebben, doch het geldt het onderwerpelijke öf een béter en dan wenscht spreker dat bétere. Het lid Rombouts zegt, dat hij met volle overtuiging heeft gestemd tegen de motie vau 't lid Mr. Loeff om het kanaal niet in gevaar te brengen, maar nu ook op dit oogenblik verdere uitbreiding van voor-tenemen plannen niet wensclielijk te achten. Het lid Juten wijzigt, 11a gemaakte opmerking, zijn motie aldus dat vooreerst het onderzoek wordt opgedragen aan Gedeputeerde Staten. Deze motie wordt aangenomen met 39 tegen 20 stemmen. Tegen stemden de leden: Schrauwen, Boex, Mr. Loeff, Van Puyenbroek, De Wit, Bolsius, Eras, Van Kemenade, Snoek, Branderhorst, Thijssen, Jhr. Mr. E. Verheijen, Joo»ten, Mol, Mr. Gerrits, Van den Heuvel, Rombouts, Jlir. Mr. F. Verheijen, Mr. Ummels en Fick. Bij deze en volgende stemmingen was behalve de aan 't hoofd dezes genoemde leden, afwezig 't lid Dr. Van der Steen. Het lid Mr. Loeff motiveert vervolgens zijn stem tegen het tegenwoordige ontwerp voor 't kanaal, omdat hem, nu Kindhoven niet wordt geholpen voor de groote uitgaaf van 18 ton het belang niet groot genoeg voorkomt. Het lid Van Kemenade trekt na de gevallen beslissingen zijn beide moties in. Het lid C. J. Verheijen vraagt heropenen der beraadslaging om het ontwerp van Gedeputeerde Staten artikelsgewijze te behandelen. Dit voorstel wordt met 46 tegen 13 stemmen verworpen. Voor stemden deleden: Mr. Loeff, Koenraadt, Juten, Van (iilse, C. J. Verheijen, Snoek, De Schamps, Brandorhorst, Aarden, M r. Smits van Oyen, Jlir.Mr.F. Verheijen, Jhr. Mr. Van Sasse van Ysselt en Mr. Ummels. Het lid C. J. Verheijen zegt, dat het ^ Hebben met Intrekkii TBn den 23n November zijn bedoeling was door nrükelsgcnïjzc i)ehandeling te beproeven een brug te slaan tusschen de tegenstrijdige meeningen. Dit is nu echter niet gelukt. Thans komt in stemming het ontwerp van Gedeputeerde Staten, luidende als volgt: De Staten van tfoord-Brabant, ing van hun besluit 1899 besloten : a. eene bijdrage te verleenen van twee en een half millioen gulden uit de provinciale kas in de kosten van aanleg vau een scheepvaartkanaal met groot profiel ter verbinding van de Zuid-Willemsvaart en de rivier de Mark onderling en niet de rivier de Amer, volgens het plan, bedoeld in de brieven vau den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid van 19 Mei 1903 La. M. en 13 October 1903 La D.; b. te waarborgen den kosteloozen afstand van de voor den aanleg van het kanaal benoodigde en toegezegde gemeentegronden; een en ander ondei de volgende voorwaarden : le. dat het kanaal door of van wege het Rijk worde aangelegd en onderhouden; 2e. dat de bijdrage over geen enkel jaar zal overschrijden de som van twee honderd en vijftig duizend gulden ; 3e. dat de bijdrage in eenig jaar evenmin zal overschrijden het 1/3 gedeelte van de som, welke in dat jaar aan het kanaal verwerkt is, tenzij door de provincie in eenig voorafgaand jaar ter oorzake van het bepaalde sub 2 J minder dan 1/3 van de in dat jaar verwerkte som is gerestitueerd, in welk geval de bijdrage over hot laatste jaar, behoudens het bepaalde sub 2', — dus tot de daar bedoelde f 250000 zal worden verhoogd tot verevening van het bedrag, dat in eenig vorig jaar beneden het 1/3 van de verwerkte som is bijgedragen; 4e. dat bijaldien de uitgaven voor den aanleg van het kanaal minder dan zeven en een half millioen gulden bedragen, de aanvulling der bijdrage van de provincie tot twee en- een half millioen gulden bij de geheele voltooiing van het werk zal plaats vinden; 5e. dat de Regeering, voor zooveel de scheepvaart en andere belangen dit naar haar oordeel toelaten, het kanaal ook ten dienste zal stellen voor irrigatiën, af- en aanvoer van water en andere doeleinden; 6e. dat dit besluit eerst van kracht zal zijn, nadat de gemeenten voor wat betreft de storting van hare toegezegde bijdragen in het door de provincie Noord-Brabant te storten bedrag van f 2500000 en het doen van kosteloozen afstand van gemeentegronden zich tegenover die provincie zullen hebben verbonden; 7. dat de door de provincie te storten bijdragen zullen worden betaald, telkens uiterlijk op 31 December van het jaar, volgende op het jaar, waarover de betaling moet geschieden; Se. dat dit besluit zal ophouden van kracht le zijn, wanneer niet voor den ln Juli 1905 de ter zake betrekkelijke wet zal zijn tot stand gekomen. Het wordt aangenomen met 45 tegen 14 stemmen. Tegen stemden de leden: C. J. Verheijen, Van Kemenade, Snoek, Branderhorst, Jooster, Mastboom, Mr. Smits van Oyen, Van den Heuvel, Jhr. Mr. Van Sasse van \ sselt, Baken, Boex, Mr. Loeff, Van Puijenbroek en De \\ it. 11. De Voorzitter zegt dat hiermee de werkzaamheden voor deze buitengewone zitting zijn geëindigd en sluit de vergadering, die op zijn initiatief uiteengaat met een : Leve de Koningin ! ---