VOOR DE JEUGD NEDERLAND, HET VADERLAND VAN DE STEENKOOL. DE MONNIKEN VAN ROLDUC, DE EERSTE MIJNWERKERS VAN EUROPA! Dat had je niet gedacht, dat Nederland het vaderland is van de steenkool, evengoed als van de turf. Wij bezitten maar enkele mijnen in Zuid-Limburg, en 't was niet bij je opgekomen, dat de eerste steenkolenontginning in Europa, en dus waarschijnlijk in geheel de wereld, in Nederland had plaats gehad. Dat hadden we natuurlijk verwacht in Engeland, in België of Duitschland, maar niet hier. En toch is het een feit. Giethoornsche monniken ontdekten in de 13e eeuw, dat veen een bruikbare brandstof vormt, en het waren weer monniken, maar nu die van Rolduc in Zuid-Limburg, die het eerst begonnen het „zwarte goud" te ontginnen. In de oudheid kende men geen steenkool. De Romeinen kenden waarschijnlijk wel de bruinkool, maar niet de steenkool; men heeft b.v. nergens ter wereld verlaten steenkoolgroeven gevonden, die herinneringen aan de Romeinen bevatten. De behoefte aan steenkool was in vroeger tijden niet groot; er was overal hout genoeg voor brandstof. Die behoefte deed zich het eerst gevoelen in zulke streken, waar voor het smidsbedrijf veel hout, of liever houtskool noodig was. De Belgische stad Luik nu was reeds in de vroege middeleeuwen bekend door zijn zeisen en wapenen; er woonden vele smeden, en de voorraad hout moest er dus sterk verminderen. En nu werd tot voor kort algemeen aangenomen, dat de eerste ontginning van steenkolen had plaats gehad in het Luikerland in het jaar 1198. In het laatst van de 12e eeuw ontmoette de smid Hullos uit het dorpje Plennevaulx bij Luik een stokoud man (volgens andere verhalen een engel) die hem vroeg hoe het met zijn bedrijf ging. „Er is werk in overvloed", antwoordde Hullos, „maar het is jammer, dat de cokis (houtskool) zoo duur is; daar gaat al de winst mee heen." „Wel", sprak de grijsaard, „ga dan eens graven in de heuvels van Pullemont; daar vindt ge -een laag zwarten steen, die nog beter is dan cokis." En daarmede was de grijsaard verdwenen. Dat geschiedde in het jaar 1198. Wat nu in dit verhaal geschiedenis is en wat legende, is moeilijk uit te maken, maar de naam van den smid is historisch. Naar hem draagt de steenkool in het Fransch den naam Houille. Wetenschappelijke nasporingen hebben dit feit vastgesteld en eveneens bevestigd, dat de steenkoolontginning in bet Luiksche land omstreeks 1198 begonnen is. En toch was hij niet de eerste in Europa, die de zwarte rots voor brandstof gebruikte! En ook was houille (Latijn: terra hulla) niet de eerstp naam voor steenkool! In de kronieken van het klooster Rolduc wordt al in het jaar 1113 gesproken van steenkool, en wel onder den naam terra kalkulen. Terra beteekent aarde, en kalkulen is een Limburgsch woord, dat kolenmijn beteekent. Nog heden ten dage wordt in Limburg een kolenmijn een koalkoel genoemd. Honderd jaar vroeger dan terra hulla in de oud-Luiksche litteratuur. werd hier voor steenkool terra kalkulen geschreven. In 1104 stichtte de monnik Ailbert, in de nabijheid van het tegenwoordige Herzogenrath. een klooster, dat Kloosterrode (Rolduc) genoemd werd. Op een kwartier afstands bouwde hij een kerk, waarbij een dorp ontstond onder den naam Kerkrode, tegenwoordig Kerkrade. Onmiddellijk bii de stichting van het klooster begonnen de monniken een school ter opleiding van geestelijken, die nog bestaat! En het merkwaardige is nu, dat deze oudste schoolmeesters van ons land, de monniken van Rolduc, tevens de eerste mijnwerkers van Europa zijn geweest. Heel diep behoefden ze niet te graven; de eerste steenkoollaag begon daar aan de oppervlakte. De verdienste van Ailbert en zijn monniken bestaat dus daarin, dat ze het eerst de steenkool al brandstof hebben gebruikt. En ze zij: de steenkool blijven delven tot 179 toe. Toen kwamen de bezittingen ii andere handen, maar de steenkolenproductie werd voortgezet. De geheele, tegenwoordig toch vri' belangrijke, Limburgsehe kolenindustrie is dus uit den pioniersarbeid van de monniken voortgekomen. Aardig om eens aan te denken als je vroeger of later, op vacantie-, voet- of fietstocht door deze oer-oude streken van or. onvolprezen Zuid-Limburg trekt! want doordat de krab in den pot gevallen was, was het water van de kook geraakt. „Te veel water" zei de pad dan en hij dronk er telkens een paar slokjes uit, opdat het water sneller zou gaan koken. Eindelijk werden de dieren ongeduldig. Ze drongen om den pot heen en riepen allemaal door elkaar: „Is hij al gekookt, is hij al gekookt?" Maar o schrik, toen de pot werd opengedaan, bleek hij heelemaal leeg te zijn! „Ik moet de krab bij ongeluk hebben ingeslikt!" zuchtte de pad. En toen werden alle dieren zóó vreeselijk boos, dat ze den pad uit alle macht begonnen te knijpen. En daarom heeft de pad nog altijd ziin rug vol wratten! Als je eens een pad ziet. moet je er stellig eens op letten! --- HOE DE PAD AAN ZIJN WRATTEN KOMT. Alle dieren en een oud vrouwtje werden vreeselijk boos op elkaar, maar de krab was de schuld van alles! Eens, heel lang geleden, woonde er in Indië een oude houthakker Hij was op een dag al urenlang bezig geweest met houthakken, zoodat zijn bijl stomp was geworden. „Ik zal een gladden steen zoeken" zei hij bij zichzelf „en mijn bijl slijpen". Terwijl hij hiermede bezig was, stak een kleine krab z'n kop uit het beekje,. waarbij de man zat én beet den houthakker in zijn voet. De man werd toen zoo woedend, dat hij een jong boompje omhakte. „Waarom hak je me om?'' riep het boompje, „nu moet ik mijn vrucht laten vallen!" En het boompje liet zijn vrucht, die ongeveer zoo groot was als een "meloen, precies op den rug van een kemphaantje vallen. Het kemphaantje, dat juist aan het graantjes pikken was, werd erg boos en zei tegen de vrucht: „Waarom val je net precies op m'n rug! Kun je niet op den grond vallen?" Toen liep het kemphaantje zoo kwaad en zoo hard weg. dat hii pardoes in een mierennest trapte. De mieren werden hier zoo kwaad om. dat zij een slan?. die juist voorbij kwam, begonnen te ste''en: ze meenden n.1.. dat hij het gedaan had. De slang werd zoo woedend, dat hij een wild varken beet en het wilde varken holde knorrend van pijn weg en rukte een plataan uit den grond. En in dien plataan hing juist een jong vleermuisje te slapen. Dit werd doodeliik verschrikt wakker, begon wild in 'trond te fladderen en kwam juist terecht in het oor van een olifant. Toen werd de olifant weer zoo boos, dat hii in reuzenvaart den heuvel afrende. In 't voorbijgaan rukte hii een boom uit den grond, die precies op het huisje van een oude vrouw terecht kwam. Het vrouwtje kwam naar buiten hollen. Zij was ook al boos. „U moet me scnadevergoeding betalen. meneer de olifant" riep ze uit, „nu heb ik geen huis meer om in te wonen". ,,'tls allemaal de schuld van de vleermuis. Hij vloog in mijn oor en het kriebelde zoo vreeselijk, dat ik niet meer wist was ik deed!" Toen ging het oude vrouwte naar de vleermuis, maar deze zei: ,,'tls allemaal de schuld van het wilde varken. Dan had hij miin boom maar niet moeten omgooien". Toen ging het oude vrouwtje naar het wilde varken en gaf hem de schuld. Maar het varken gaf de slang de schuld en de slang de mieren. En de mieren zeiden weer. dat het kemphaantje 't eigenlijk gedaan had. en het kemphaantje beschuldigde den vruchtboom en de boom den houthakker. En deze gaf weer op zijn beurt de schuld aan de krab. Nu. en de krab kon niemand anders beschuldigen dan zichzelf en dus liet hij het hoofd beschaamd hangen. Toen riepen ze allemaal tegelijk: „Jij hebt het kwaad bedreven en je zult gedood worden! Kies maar. of je in koud of in heet water zult worden verdronken". De kleine krab koos koud water. En de dieren namen hem op en gooiden hem in een vijver. Maar het krabbetje lachte ze stilletjes uit. Hii dook naar den bodem en bleef daar zitten. Toen riepen de dieren: „Kijk. hij houdt ons voor den gek! Haal hem eruit!" Maar niemand durfde een poot in den vijver te steken uit vrees, dat de krab hen bijten zou. Toen slurpte de olifant met zijn slurf den heelen vijver leeg en de pad pakte .de krab vlug beet en stopte hem in een pot met kokend water. Alle dieren gingen er omheen zitten. Iedere viif minuten tilde de pad het deksel op om te zien of de krab al gekookt was. Maar dat duurde erg lang, --- VOOR ONZE PUZZLESPECIALISTEN. Een gezellige, nieuwe opgaaf. De oplossing van het kruiswoordraadsel van de vorige week luidt als volgt: HORIZONTAAL 1. Mol, 3. Mak. 5. A. z. 7. Ka 8. Natie 11. Arrak 13. Regeering. 14. Rem. 15. Mee. 16. Ans. 18. Oho! 20. Apeldoorn. 22. Copra. 23. Regen. 25. Es. 26. Ne. 27. Lol. 28. Lek. VERTICAAL 1. Man. 2. Later. 3. Marne. 4. Kok. 6. Zigeuners. 7. Krielhoen. 9. Ar. 10. Eem. 11. Arm. 12. A. g. 16. Appel. 17. Sla. 18. Oor. 19. Orgel. 20. A. O. 21. Ne. 22. Cel. 24, Nek. De lettere: aaaaaaaaaabddeeeeeef ggiiiiilllllnnnnnooorrrr s s t 11 u u u w z. in de cirkels te plaatsen zoodanig dat de volgende woorden ontstaan: v 1 tot 2 eén prachtige vogel, waarop veel jacht gemaakt wordt. „2 „3 een soort wilde eend. „3 „4 wordt door het oor waargenomen. „ 4 „ 5 betrekking. „ 5 „ 6 Platvisch. „ 6 „ 1 getal. „ 1 „7 woedende vrouw. „ 2 „ 8 helling. „ 3 „ 9 wasdom. „ 4 „ 10 gedeeltelijk. „5 „ 11 moderne dans. „ 6 „ 12 blijk van smaak en vreugde, terwijl de letters in de cirkels 7, 8, 9, 10, 11, 12 den naam van een bekend uitvinder geven. Denk eraan, dat je flink je best doet, want deze opgaaf is niet gemakkelijk! Hier volgt de nieuwe opgaaf: --- DE SLAPERIGE HOFNAR. Een koning had eens een hofnar, die op een avond juist naar bed wilde gaan, toen zijn meester hem liet roepen om hem iets te hooren vertellen. De hofnar gaapte eens in stilte en begaf. zich toen naar 'skonings slaapvertrek. Hij vertelde de volgende geschiedenis: „Een boer kocht op de markt honderd schapen. Toen hij met deze kudde naar huis ging, was de beek, die hij moest doorwaden door een wolkbreuk zoo hoog gestegen, dat de doortocht levensgevaarlijk zou zijn. Wat te doen? Er was daar alleen maar een kleine roeiboot, waarin behalve voor den boer slechts voor één schaap plaats was". En nu vertelde de nar heel uitvoerig van de moeilijkheden, die de boer ondervinden moest om met zijn schaap aan den overkant te komen. Daarna zweeg hij. „En hoe ging het toen verder?" vroeg de koning. „Laten we hem op deze manier eerst alle schapen stuk voor stuk naar den overkant laten brengen", antwoordde de nar. „Wij kunnen intusschen naar bed gaan. En als morgen alle schapen er zijn, vertel ik verder". De koning moest lachen om dit listige bedenksel en gaf den nar zijn zin: hij .nocht dadelijk gaan slapen. --- EEN „SCHARENSLIEP", DIE KNAPPER WAS DAN ALLE PROFESSOREN! BERONICIUS, DE ZONDERLINGSTE MAN VAN DE ZEVENTIENDE EEUW. Als je nu ruim 250 jaar geleden, dus omstreeks 1670, een kijkje in Middelburg had kunnen nemen, dan zou je daar waarschijnlijk een heel eigenaardig type ontmoet hebben, dat in heel de stad èn beroemd èn berucht was. 't Was een dik, klein mannetje, met donker haar, in morsige, havelooze kleeren, kortom een echte straatslijper. Had je dan gevraagd wie die zwerver was, dan zou men geantwoord hebben: „O, dat is Beronicius, de dronkenlap, die knapper is dan een professor!" Een vreemd, raadselachtig mensch was deze Petrus Johannes Beronicius, zooals hij waarschijnlijk voluit heette. De een hield hem voor een verloopen Franschen hoogleeraar, de ander voor een gewezen Jezuïet of monnik, maar niemand wist iets van zijn afkomst of geschiedenis, 't Was dit onoogelijke mannetje hetzelfde of hij Pransch, Engeisch of Spaansch sprak; alles ging even vlot en vaardig. In oude talen was hij zelfs een meester. Dit taalkundig genie liep als een schooier door Middelburg en verbraste zijn geld in de herbergen. Nu eens ging hij langs de huizen als „scharesliep" dan weer bood hij zich aan om schoorsteenen te vegen. Maar het liefst speelde hij op de markt voor goochelaar. Natuurlijk trok zoo'n zonderlinge straatfiguur de aandacht, maar hoe men ook onderzoek deed, men weet tot op vandaag niets anders van hem, dan dat hij vele jaren in Frankrijk, Engeland en vooral in ons land, heeft omgezworven. Vele geleerden van zijn tijd hebben Beronicius' kennis op de proef gesteld, om te zien of hij werkelijk zoo knap was. Zoo sprak de beroemde hoogleeraar Gronivius Latijn met hem, maar hij hield spoedig op om niet door den schoorsteenveger op fouten betrapt te worden! Niet veel beter verging het professor Gymmich uit Duisburg, die hoogleeraar in het Jrieksch was, en weieens met Beronicius in die taal wou spreken. Toen zij een poosje gepraat hadden, riep de Middelburgsche „scharesliep" uit: „Professor, het begint mij te vervelen; waarlijk mijn leerlingen, die een jaar lang bij mij geweest zijn, spreken beter Grieksch dan U!" Alleen door les te geven aan rijke : ongelieden, had hij reeds een rijk betaan kunnen hebben. Maar de leeraar .ras soms dagenlang zoek of stond op de markt voor gek te spelen. Menigmaal werden hem hooge betrekkingen, zelfs een hoogleeraarsambt aangeboden, maar hij wees alle aanbiedingen af. „In zoo'n gewurm van leven heb ik geen zin!" zei hij dan. Als men hem er op wees dat hij 't toch zooveel beter hebben kon, dan antwoordde hij gewoonlijk met zijn lijfspreuk: „Natura parvo contenta", d.i.: „De Natuur is met weinig tevreden", Tegen zijn onwaardig levensgedrag en lompe manieren staken zijn kennis, belezenheid en geleerdheid wonderlijk af. Hij kende vele oude Grieksche en Latijnsche schrijvers uit het hoofd. Zooals Homerus, Aristophanes, Horatius, Virgilius, Juvenalis, Pluvius. Zijn geheugen was onbegrijpelijk sterk, zoodat hij gedeelten uit deze schrijvers met gemak wist aan te geven naar boekdeel, hoofdstuk en vers. Hij kon krantenberichten voor de vuist weg in Grieksch of Latijn overzetten, en dat was nog niet alles. Beronicius was n.1. ook dichter. Er bestaat van hem nog een bundel Latijnsche gedichten mèt Nederlandsche vertaling. Op zekeren dag bracht de vermaarde dichter Johannes Antonides van der Goes een bezoek aan Middelburg. In een voornaam gezelschap hoorde hij van den geleerden zonderling en op zijn verzoek, werd Beronicius van de straat gehaald en in het gezelschap gebracht. Uiterst slordig geReed, klein onaanzienlijk, zag Beronicius er niet efg professoraal uit. Maar van der Goes sprak hem beleefd aan en verzocht hem, indien zijn groote roep op waarheid berustte, het volgende grafschrift — een gedicht van Van der Goes zelf — te willen vertalen. „De Haze, een fiere leeuw in 't Brische zeegevecht, Stond pal in 't midden der gepreste waterhonden, Tot hem een kogel heeft vooruit naar • God gezonden Om wraak te vordren van 't geschonden waterrecht. Sta, vreemdeling, en zeg tot glorie van. de Zeeuwen, Dat hier De Hazen zelfs veranderen in Leeuwen". Beronicius bekeek het vers eenige oogenblikken, dacht een paar minuten na, en zette daarop dit moeilijke Nederlandsch in een fraai Latijnsch vers over, waarvan de tekst nog bestaat. Zonder te letten op de uitroepen van bewondering, vertaalde hij even daarna het gedicht in Grieksche verzen, die volgens deskundige toehoorders nog be'er waren dan het Latijnsche vers! iivt, plCüiulld ■ C* " naar ooggetuigen vertellen — „langer dan een kwartier uurs te lachen" om de stomme verbazing van het geleerde gezelschap. Als je nu of later iets van oude talen weet, dan begrijp je natuurlijk wel dat alleen een mensch van geniale taalkundige begaafdheid iets kan doen als Beronicius deed. Even daarna liep hij echter weer door Middelburg's straten te rinkelrooien. Droevig was het einde van dezen hoog begaafden mensch. Op zekeren dag begon men hem te missen; men zocht en vond zijn lijk in het water. Zoo eindigde dit „verdronken genie", een man, die groot en beroemd had kunnen zijn, en die nu onbekend en veracht ten grave ging. --- TOUWTJE SPRINGEN. Touwtje, touwtje, draai eens vlug, Dat ik fijn kan springen! Door de lucht langs den grond.. Aldoor, aldoor maar in 'trond! Stil toch Fikje, hou je mond: 'kGa een liedje zingen! Zonnetje, zonnetje schijn maar vrij. O, wat is 'tmooi weertje! In het frissche lentetij Zijn vast alle kind'ren blij! Moeder, Moeder, kijk naar mij 'kWaag het nog een keertje: Edelman, bedelman dokter, pastoor, 'k Oefen in m'n eentje. En 'k probeer het telkens weer, Hooger, hooger, keer op keer! Pas maar op.... óf ik het leer! Mis daar lag een steentje! Fikje, Fikje, stoute hond, Houd toch op met plagen! 'k Woro mee ik schei er uit! Ga je mee, jij kleme guit? Ja, trek maar een vroolijk snuit: We gaan een koekje vragen! MARIE MICHON. ---