UIT DE PROVINCIE Te Dokkum is de wagenmaker v. d. A., uit Metslawier, bij het afrijden van het bolwerk, tegen een brug aangereden. De man werd Zwaar gewond en bleef bewusteloos liggen. In den laatsten vergadering van den gezneenteraad van Kollumerland ontspon zich een levendige discussie naar aanleiding an het feit dat de nieuwe aangekochte brandspuit te Westergeest zou worden gestationneerd, terwiji Kollumerz maag de oude spuit zou krijgen. Deze oude spuit moet nog met emmers gevuld worden. TereclA kwaaien de Kollutnerzwagers tegen dit antieke cadeau op en zij werden in den read door hunne leden pleategenoot en gesteund, evenwel zonder succes: met 2 stemmen meerderheid ging Westergeest met de nieuwe spuit strijken, terwijl Kol lu merz waag zijn museum-brandspuit thuis kreeg. De voor Hindeloopen gezonken aak Rijn en Zeevaart is door de firma A. J. van Wal & Zonen, van Harlingen, gelicht en te Kampen binnengebracht. Men meldt ons van Kimswerd : De jaarvergadering onzer kaatsclub was Donderdag bezocht door 13 leden. Deze herkozen tot lid van 't bestuur de heer W. T. Postma en tot keurmeester de heer C. Helfrich. De h.b. M. Helfrich en J. G. Dijkstra werden gekozen als keurmeester en als afgevaardigde. De kas van den penningmeester was leeg, want de uitgaven bedroegen f 5.60 meer dan duitkometen, u.l. ontvargsten f 212 57 en de uitgaven f 218.17. In Augustus zullen er 2 partijen worden gehouden, n.l. eene door parturen van 2 personen en een onder de leden. In de eerste partij mogen zich niet vereenigen, die in de laatste drie jaren een prijs te Franeker of Bolsward hebben gewonnen. --- FEUILLETON De Groote Oorlog. 26) De adem stokte Niels in de keel. Het was een locomotief, die van Ntirregaard kwam. Men zag duidelijk het glinsteren van de natte rails bij het schijnsel van het licht. Nu deelde zich het licht en kon men zien, dat het twee lantaarns waren waarvan men het licht zag. „Hoor je het rollen van de wielen?" vioeg Niels aan den huzaar. „Dat moet een lange trein zijn. Ik hoor het heel duidelijk." „Ziet ge nog niets van onze mannen?" vroeg hij aan den huzaar op de andere zijde der groeve. „Niets !" klonk het antwoord. En wederom keken zij naar de lantaarns der locomotief, die snel naderbij kwam. „Dadelijk komen zij op de plaats waar de springpatronen liggen," zeide Niels tot den huzaar, en een siddering liep hem over den rug. Op de locomotief stond de Deensche machinist, die door de Eugelschen gedwongen was geworden den trein naar Tondern te brengen. Aan weerskanten Engelsche officieren, die uitkijk hielden. Achter de locomotief een lange trein, volgepropt met kanonnen, munitie en manschappen. Een lichte batterij veldhouwitsers, die den vorigen avond, gedurende het onweer, te Esbjerg met veel moeite waren ontscheept, bevond zich op transport naar het front, ter versterking van de artilleriestelling tegenover den Stolzberg, waartoe zij telegrafisch bevel had ontvangen vgl den Engelschen opperbevelhebber. Daarachter volgden, op veel te kort genomen afstanden, nog twee treinen met veldartillerie. De batterijcommandant zelf bevond zich op de locomotief, die in den donkeren nacht voortreed en aan weerszijden, van post tot post, door lantaarnsignalen het bericht ontving: „All right." Nu passeerde men de post bij het berkenboschje. De lantaarn meldde: „Alles in orde!" „Wij rijden door geoccupeerd en dicht bezet terrein," zeide de batterijcommandant tot de officieren op de locomotief, „anders zou het een gevaarlijke geschiedenis worden. . ." Het was of de locomotief op eens een harden stout kreeg. Aan beide zijden verhief zich eensklaps een heete vuurgloed. Een gekraak, dat de ooren verdoofde. En in hetzelfde oogenblik, ook onder den eersten wagen, eenzelfde ontploffing. De locomotief viel op zijde. Met scherp gesis ontsnapte de stoom. Daarom weder een ontzettend gekraak. De ketel was gesprongen. De zwaar beladen trein, die een matige vaart had, reed op den eersten wagen en de locomotief. De wagens stortten om en hoopten op elkander. Een wild jammergeschrei klonk door den nacht en overstemde het kraken en splinteren der wagens. En nu vloog, tengevolge van den hevigen schok, een munitiewagen in het midden van den trein in de lucht. Een hagel van projectielen daalde aan weerszijden neder. De geheele trein stond in een oogenblik in brand. Hoe vlamden de houten deelen der wagens en het stroo, dat den manschappen tot ligplaats had gediend. En wederom ontplofte een munitiewagen. Het was Niels Hansen koud om het hart geworden, toen hij den knal der ontploffing en het knarsen en stommelen der wagens, en al dat jammeren en weeklagen hoorde. Het liefst zou hij dadelijk zijn opgevlogen om hulp te bieden. De huzaar naast hem prevelde zacht: ,Ach, die arme menschen !" Maar dat was dwaasheid. Zij moesten voor zichzelf zorgen. Kwam de onder- wachtmeester nu maar terug. Op eens zagen zij twee donkere gestalten in de tusschen nacht en grauw schemerende duisternis op hen toeloopen. ,Te paard! opzitten!" riep een stem. De onder-wachtmeester sprong haastig in de groeve en was bet volgende °ogenblik in den zadel. „Zij zitten ons achterna! Wij zijn overvallen I" stiet hij ademloos uit. Een zandheuvel verhiet zich voor de huzaren, begroeid met kreupelgewas en laag eikenhout. Rechts er langs heen Niels Hansen wenkte met de hand. Daar stiet hij plotseling op vijandelijke ruiters, die om den hoek kwamen. Zijn paard steigerde, toen het tegen dat van een dragonder aankwam, dat met een wilden zijsprong uitweek. De sabel getrokken! Lansen geveld 1 Niels Hansen sloeg als een bezetene om zich heen. Dicht naast zich zag hij den jongsten heer Von Bargen door drie ruiters bedreigd. Hij drong tot hem door en dekte zijn flank. Twee huzaren naast hem vielen van het paard. Slechts de onder-korporaal en Niels vochten nog aan de zijde van den onderwachtmeester. Onverwachts kreeg deze een houw op het hoofd. Hij viel voorover op den hals van het paard. Met de linkerhand greep Niels thans naar de teugels van het steigerende paard, en, met de sabel om zich heen slaande, maakte hij ruim baan. Achter zich zag hij den onder-korporaal vallen. Hij rende over de heide en nog steeds hield hij aan den teugel het paard met den gewonde. Een paar schoten knalden. Een hevig gevoel van pijn ging door het lichaam van Niels Hansen. Hij moest het paard van den onder-wachtmeester loslaten. Dit rende dwars over het veld, terwijl de gewonde zich aan de manen vastklemde. Niels Hansen was nu alleen. Zijn vos struikelde en viel op de knieën. De ruiter vloog, over het hoofd, midden in het heidekruid. Naast het doode paard bleef hij liggen het bewustzijn begaf hem. XIV. ZWAAR GEWOND. Het eskadron was vroeg in den morgen met afgematte paarden te Niebtill teruggekeerd. De huzaren hadden een glansrijken uitslag behaald. Zij hadden de spoorlijn van de lagune naar Tondern volkomen onbruikbaar gemaakt, en schitterend was de overrompeling van Hoyer geslaagd. Bij het eerste aanbreken van den dag waren zij plotseling in de stad verschenen, hadden de wachten overrompeld, de zwakke bezetting, die in den waan verkeerde dat zij door een overmachtigen vijand zou worden aangevallen, uiteengejaagd, de victualie-magazijnen in brand gestoken en twee langs de kade liggende kuststoomers met springpatronen doen zinken, zoodat aan de Engelschen een zwaar verlies was toegebracht. Toen verdwenen zij even snel als zij gekomen waren. Van de Noordwaarts opgezonden patrouille hadden zij nog niets vernomen. En gedurende den dag kwam er evenmin bericht. De patrouille was vernietigd. De lucht trilde van het gedonder der kanonnen. Lord Kitchener had nog eenmaal zijn geheele strijdmacht ingezet om de doorbraak te bewerkstelligen'. Langs het geheele front werkte de kanonnade. Onophoudelijk knetterde het Duitsche infanterievuur en daartusschen ratelden de mitrailleurs, die men per spoortrein had ontboden, omdat de beide legerkorpsen, die hier in het vuur waren, geen afzonderlijke afdeelingen mitrailleurs bezaten.. Grete Mansen had overal naar Niels Hansen gevraagd. Niemand kon zeggen waar hij was. Zij vertelden haar echter van den nachtelijken rit. Toen herinnerde zij zich hem naast den officier, met den grooten baard. Zonder dralen besloot zij bij dezen navraag te doen. „Niels Hansen ? Ja, meisjelief, het zou mij een lief ding waard zijn, als ik wist waar hij was. Ik vrees, dat hij dood of gewond is, of zich in handen van den vijand bevindt.' Zij liet zich nauwkeurig beschrijven, waar Niels Hansen het eskadron had verlaten. De ritmeester schudde het hoofd. ”Wat nut heeft dat, kind ? ' Ik wil Niels Hansen gaan zoeken," antwoordde zij kalm. Midden door de Gotteskoog, in welks schoot de door het zonlicht schitterende lagune lag, ging Grete MOhnsen haar weg. Zij bevond zich hier geheel alleen. De inwoners van het dorp waren allen gevlucht en in de verte, op den straatweg, in de richting der Noordzee, bewogen zich patrouilles van den verkenningsdienst. Grete Mohnsen zag de vlammen der brandende dorpen en de witte wolkjes in de lucht, waar granaatkartetsen sprongen. Het was een groote omweg, dien Grete nohnsen moest maken. Van Niebull naar Tondern was het langs den grooten weg slechts twee en een halve mijl. Dien nad zij soms wel in vijf uur afgelegd. Nu moest zij een grooten boog maken om de soldaten uit den weg te blijven. En nerens eenige schaduw. Al hooger en honger klom de zon aan den hemel. Van de lagune woei echter een licht keeltje. Tegen den middag had zij pas Neukirchen bereikt. Daar hoorde zij, dat er 's nachts Sleeswijksche huzaren waren geweest. Heel in de vroegte waren de Engelschen reeds afgetrokken. Na een korte rust ging zij verder. De weg werd nu gevaarlijker. Meermalen zag zij Engelsche soldaten in de verte. Zij sloop dan langs de dijken en den rand van slooten en, altijd in een grooten boog, om de dorpen heen. De voeten konden haar haast niet verder dragen. Zij sleepte zich voort en at van tijd tot tijd iets van het droge brood, dat zij bij zich had gestoken... Een paar maal moest zij rusten. Dan ging zij weer een eindje verder. Toen zij niet verder kon, zeide zij halfluid tot zichzelve : „Ik moet Niels vinden ik moet Niels vinden." Het was inmiddels avond geworden, toen zij haar geboortedorp zag liggen. Maar zij ging het niet binnen. Wat zou zij haar vader moeten zeggen Die wilde niets weten van de Duitschers. Zij beklom nu een heuvel, vanwaar zij een ruim uitzicht had en keek in de richting van Tondern. Daar zag de hemel rood van den vuu,-,rioed. Nog steeds woedde de slag. 01 h ontzettend! (Wordt vorookd.) --- Si EDELIJK NIEUW Woensdagavond trad in de Harmonie als spreker op Ds. H. G. Brink predikant te Buiterwold met het onderwerp: „Het nieuwe wereldbeeld." ~Voor onze vrijzinnig godsdienstige richting", &dus spreker, is het een hoogst belangrijke tijd. Na 2 stadiën doorloopen te hebben staan we thans voor de derde periode. De eerste is lang voorbij. Toen hield de ni iderne richting een glorievollen intocht in ons land. Sprekers hadden een groot gehoor, geschriften en brochures vonden grage lezers. Daarop volgde de 2e periode als een lijd van verflauwing van belangstelling. De predikanten klaagden over laksche gemeenten, de gemeenten over koele predikanten. Veel terrein werd toen verloren. Gelukkig behoort dit alles tot het verleden en is de derde periode ingeluid. Wel zijn we gebogen, doch niet gebroken. Door het vuur van beschaming zijn we gelouterd. We richten ons weer op en stijgend is de belangstelling voor de vrijzinnig godsdienstige beginselen. De vrijziunige elementen in de Herv. Kerk vereemgen zich met de bedoeling meer kracht uit te oefenen, wat reeds,het geval is. Friesland beeft de eer hierin te zijn voorgegaan. De orthodoxie ze moge al veel veranderd zijn, b.v. ten opzichte van bij bel-critiek, bij al haar moderniseering voldoet zij toch niet aan vele godsdienstigen. Anderzijds verliest ook het materialisme zijn groven vorm en helt meer over naar een vergeestelijkt naturalisme. Ook het agnosticisme verliest, daar het bij louter ontkenning niets geeft om te leven, meer en meer aanhangers. Om al deze redenen is het voor ons vrijzinnig godsdienstigen een heerlijke tijd om te leven, ook om zijn inwerking op het komende geslacht. Zal er evenwel voor ons een toekomst zijn, dan dient er gewerkt te worden uit alle macht. Dan dienen we Ons denk- en geloofsleven te verzorgen, opdat dit vrucht droge als kiemkrachtige tarwekorrels. Stellen we ons ten voorbeeld de eerste kloeke kampvechters voor het modernisme. Zij hadden een moedig geloof en een strijdvaardige getuigenis. Voor ons echter is de nieuwheid van de dingen af, die zij met vreugde ontdekten. Wij onderstellen ze reeds, wij zijn er bij groot geworden. Voor ons dan zijn er 2 nieuwe terreinen, die roepen om onzen arbeid. Ik bedoel den worstelstrijd onzer dagen en in de 2e plaats de verwerkelijking van nieuwe denkbeelden, ontstaan door de zich snel ontwikkelende natuurwetenschappen. Over dit laatste wil ik spreken. Ik wil het hebben over het nieuwe wereldbeeld. De tijd is voorbij, dat men'zich uit zwevende denkbeelden een wereldbeeld gaat vormen, dat door het denken kan worden aanvaard. Men wenscht daarbij thans uit te gaan van de volle werkelijkheid. Voorbij is ook de tijd, waarin men zich hemel en aarde dacht als twee gebieden. Op grond der werkelijkheid kan men aannemen, dat deze splitsing niet bestaat, De gotische wereld is ons, in het diepst van ons gevoel, God. Nog altijd staan we onder invloed der scheppingsverhalen van Genesis. De waarde hiervan ligt op een geheel ander gebied. De boeken Mozes zijn een dichtwerk, een grootsch Epos, dat nog heden ontroert en het zedelijk geweten vermag wakker te schudden. De uiterlijke kleuren zijn echter genomen in verband met de gebrekkige kennis der dingen en verschijnselen dier dagen. De bijbelschrij vers gaan uit van het beeld, dat de aarde een platte koek is met het uitspansel als een doek, waaraan sterren zon en maan zijn gehecht, daarboven. Hoe lag niet gedurende eeuwen dit wereldbeeld in de gedachten der menschen. Hoeveel moeite kostte het niet om aangenomen te krijgen, dat de aarde een bol is, zich bewegende om de zon en in het heelal een nietig stipje; dat er zijn tal van wereldstelsels, maar voor een deel gekend door de verststrekkende werktuigen. Ook de denkbeelden omtrent den tijd zijn veranderd. Men dient te vergeten, wat daar in oude catichisatieboekjes is neergeschreven : Schepping der wereld 4000 jaren voor ChriAus. Hoe geheel anders is thans het wereldbeeld. Millioenen jaren moeten zijn voorbijgegaan voor er van leven sprake kon zijn, daarna weer millioenen jaren voor de eerste wezens verschenen, terwijl nog weer millioenen jaren daarna eerst de mensch verscheen. 600 millioen jaren zijn noodig geweest voor de vorming der kalkgesteenten. Wordt Gods schepping, zoo vraagt spreker door dit nieuwe wereldbeeld ontkend? Niets is minder waar. Alleen zijn de dingen wijder genomen dan vroeger, doch zijn daarom niet minder verheven. Het plechtige en verhevene van Genesis is terug te vinden in de vele met zorg opgestelde gedachten omtrent de wereldwording. Spreker zet dit nader uiteen en kiest hier als voorbeeld een aanhaling uit Kalthof's geschriften. „Aan Darwin zijn we verplicht, dat we weten, dat niet alle diersoorten door alle tijden heen dezelfde zijn gebleven en steeds weer nieuwe vormen te voorschijn traden. Schreef Darwin dit toe aan teeltkeus, selectie, onzen landgenoot prof., De Vries komt de eer toe te hebben aangetoond, dat ook met sprongen, in eens nieuwe vormen te voorschijn kunnen treden. (Mutatieleer.) De groote natuuronderzoekers loochenen God niet, wel dwaze Godsvoorstellingen, die geen stand meer kunnen houden. Van dezen kant heeft men den doodsteek dus niet te duchten. Dit praatje is alleen in de wereld gekomen door de schijnwijze kracht- en stoftheoriëen, waarbij men zoo licht denkt, dat de menschelijke geest gelijk is aan een schuimbel op de oceaan. Integendeel groote natuurgeleerden prediken, dat niets van den Godsdienst verloren gaat, slechts een hoogere ontwikkelingstrap wordt bestegen. Daar is in alles een wonderbare wet van ontwikkeling. Alle smart, alle droefheid is er om te leiden tot hoogere harmonie. Niet kracht en stof maar geest en leven moet het heeten. Het kille materialisme beweert, dat de natuur den mensch onttroond heeft. Ge zijt niets dan stof en zult tot stof wederkeeren. Vergenoeg er u mee. Een andere beschouwing is deze: De mensch is altijd dezelfde gebleven. Nu echter verneemt hij iets nieuws Hij groeit boven hot gebied der voor-historie. Teruggaande blijkt, dat hij gaat tot alle diepten van tijden, dat alle natuurwetten in hem zijn. Hij is de natuur, hij omvat de geheele natuur, zuigt rugwaarts de geheele natuur in zich op. Hij heeft de Kunst uit zich geboren doen worden, heeft zich godsdienstige denkbeelden gevormd. Hij is het, die de groots verlossingsspreuk van het Evangelie gezonden heeft naar alle wereldstroken. Zoo blijft ook bij het nieuwe wereldbeeld de verrukkelijke waarheid, dat alles het onze is wij zijn van Christus en Christus geest van God. leder mensch is een wonderwerk Gods, dat er nooit tevoren geweest is en nooit terug zal keeren. Deze waarheid, nl., dat ieder mensch een persoonlijkheid is, wordt meer gevoeld dan ooit tevoren. Vroeger wisten dat alleen de heel grooten van geest, nu wordt het meer algemeen gevoeld. Deze gedachte der persoonlijkheid past goed in het nieuwe wereldbeeld. Zie naar een korenveld. Het lijkt een groote gelijkvormige massa. Neem twee der halmen en ze zijn niet gelijk, neem twee korrels ze verschillen in vorm, zwaarte en kiemkracht. Ditzelfde geldt van de zandkorrels der oceaan. Geen twee die gelijk zijn. Dat is de rijkdom in God. In de openbaring van Zijn leven treedt Hij nimmer in herhaling, overal oorspronkelijk leven. Welnu zou dan ook niet de menseh geroepen zijn tot zulk een leven? Mag hij b3vreesd zijn voor verscheidenheid van In eningen en denkbeelden? Nimmer Hij ZOU geestelijken zelfmoord plegen, van de wereld zich een beeld gaan vormen overdekt met een grauwe kleur. Moest de mensch zich houden voor een herhaling, hij zou zich overbodig gevoelen en dit gevoel vau er over te zijn is de ware ellende. Een wonderrijk Bijbelwoord luidt, dat eng de poort is en smal de weg, die tot het leven leidt. Zoo smal is de weg. zoo eng de poort dat er maar plaats is voor één mensch, voor hem zelven en hem alleen. Wil men dus gaan dien smallen weg en die einze poort, dan moet men zelfstandig gaan en niet duizelig worden bij het staren in de diepten rechts en links. Velen kiezen den breeden weg. Daar wandelen velen met hen op, in gelijken tred, met gelijke gedragingen, met gelijke beginselen. Geen een heeft eigen verantwoordelijkheid. Die werpt men van zich af op den leider, of op het stelsel der algemeen beleden beginselen. Men is dan kuddemensch. Men heeft geen eigen fondsen, men teert dan op het kapitaal, dat anderen hebben bijeen gebracht. Wilt ge den engen weg, zoo ga den weg der eenzaamheid en wend u af van de gezagaanbidders. Voor iedere gemeenschap zijn persoonlijkheden noodig, zal deze gedijen. Het plebs is gevaarlijk. Spreker bedoeld hier geen menschenstand. Of men er toe behoort, beslist de gezindheid. Er zijn voorname menschen, die niet uit zich zelf leven, niet zelf oordeelen, ze behooren tot het plebs. De heerschappij van dezulken is een gevaar, de massa die volgt, die steunt op anderen is gevaarlijk, want het leven is er niet in. De mensch heeft, al voor alle onderricht, voor alle onderwijs, een schat van God medegekregen. Deze schat moet zich mengen met wat er door het leven wordt ingebracht. Daarom is ons geloof zoo vol tegenstrijdigheden. Doch was het geloof ook on s geloof, dan was het sterk, omdat het dan van God is gegeven. Aanvaarden we het nieuwe wereldbeeld, dan kunnen we niet met een nummer worden aangewezen. De nieuwe wereldbeschouwing berooft ons niet van onzen Godsdienst, doch helpt ons recht te staan tegenover de allereerste eischen van het leven. --- VAN DE EILANDEN Van Terschelling wordt gemeld: De Vrij zin ige Kies vereen igi n g te Hoorn stelde candidaat voor den gemeenteraad (vacature ontstaan door het overlijden van den heer Dekker te Middland) den heer T. W. Smit te Landerum. Mej. A. C. Klots, onderwijzeres te Hoorn, richtte aldaar een cursus op in de Engelsche taal. Aanvankelijk volgen 15 leerlingen dezen cursus. In de vergadering van Gemeente- en Andere Belangen is besloten de candidaat van 0. Terschelling Tijs W. Smit, vacature J. W. Dekker over te nemen en te steunen. Donderdagavond werd de algem. jaarvergadering van de Schippersvereeniging alhier gehouden in het hotel Swart, onder presidium van den heer R. Klein. Na de opening door den Voorzitter werden de notulen der vorige vergadering door den Secretaris-Penningmeester de heer H. Droog voorgelezen en goedgekeurd. Door denzelfden heer werd verslag en verantwoording der Penningm. gedaan, door twee leden in orde bevonden en daarna goedgekeurd. Hierop volgde Bectuursverkiezing Voor den heer R. Klein en H. Droog, die niet meer in aantnerknig wenschten te komen, werden gekozen de h.h. D. de Jong en K. Reedeker respect. als Voorzitter en Secretaris-Penningmeester. Daarop werd de vergadering gesloten. ---