De gewone audientie van den Com- De gewone audientie van den Commissaris des Konings in de provincie zal op Zaterdag 6 dezer, niet plaats hebben. --- Buitenlandsch Overzicht. UTRECHT. 4 April 1878. In Oostenrijk is de publieke opinie er blijkbaar mede ingenomen, dat in de cirkulaire van lord Salisbury het traktaat van San Stefan() aan zulk een vernietigende kritiek wordt onderworpen. Oostenrijks levensbelang toch eischt de wijziging van dat traktaat. Hetzij men in Rusland nog de hoop niet heeft opgegeven , dat lord Beaconsfield's energieke politiek zeer krachtigen tegenstand in het Parlement zal vinden en door de publieke opinie niet voldoende wordt gesteund, hetzij men nog wil beproeven , Oostenrijk ontzag in te boezeinen , nog altijd worden maatregelen genomen, alsof een Europeesche oorlog op handen was. Zoo _vernemen wij heden, dat een deel van het Russische leger uit Bulgarije naar Ruinenie wordt overgebracht. Dit kan tevens moeten dienen om pressie uit te oefenen op Uninenie, dat ook al wijziging van het traktaat van San Stefano verlangt. In zijn verzet tegen de wegneming van Bessarabien wordt het gesteund door Engeland. Oostenrijk verlangt, dat deze kwestie aan de beslissing van Europa zal wordén onderworpen en verklaart zich, niet minder dan Rumenie zelf, tegen een verblijf in het vorstendom der Russische troepen gedurende twee jaren. In Engeland hebben 120 liberale vereenigingen een deputatie naar de leiders der oppositie in beide Huizen gezonden; als een demonstratie ten gunste van den vrede. De lords. Granville en Hartington antwoordden , dat zij een oorlog wel niet konden verhinderen, als het goeverneinent dien wilde voeren, maar dat zij hun best zouden doen. De aartsbisschop van Clinterbu.ry, het hoofd der Engelsche staatskerk, heeft gebeden voor het behoud van den vrede verordend. Van Russische zijde is Engeland herhaalde malen bedreigd met een vloot kaperelrepen , die door Rusland in Anaerikaansehe havens zouden worden uitgerust. Of die bedreiging uitgevoerd zou kunnen worden. is echter zoo zeker niet, Vooreerst, maar dit schijnen de Russische bladen geen bezwaar te achten, heeft Rusland zich in 1856 te Parijs, evenals alle andere Europeesche mogendheden, verbonden, geen kaperbrieven uit te geven. De Vereenigde Staten hebben zich bij die overeenkomst niet aangesloten en zich derhalve het recht voorbehouden, kapers uit te zenden. Maar dit komt op het oogenblik niet in aanmerking, daar de Vereenigde Staten geen oorlog voeren en derhalve in het geheel geen kaperbrieven kunnen uitgeven. De vraag is, of zij het uitrusten en uitloopen van Russische kapers zouden toelaten. Volgens de ten gevolge van de Alabama-kwestie tusschen Engeland en Amerika vastgestelde bepalingen van Washington , kan dat niet. Toen hebben namelijk beide goevernementen bepaald, dat een onzijdig land verplicht is, het uitloopen of uitrusten van kaperschepen van een derde, oorlogvoerende -mogendheid te beletten, en dat het onzijdige land, dat dit verzuimt, aansprakelijk is voor de dior het kaperschip aangerichte schade. Op grond van deze bepaling is Engeland door het internationale scheidsgerecht te Genève veroordeeld tot schadeloosstelling voor het door de Alabama berokkend nadeel. Er zijn nog andere , praktische bezwaren, Een kaperschip kan alleen iets uitwerken door buitengewone snelheid en het moet daarom altijd een aanzienlijken voorraad steenkolen aan boord hebben. De Russische kusten, die aan den Sond en de Dardanellen zoo gemakkelijk af te sluiten zijn , zou het niet kunnen bereiken en aan de kolenstations van onzijdige mogendheden zou het niets kunnen krijgen. Ook zou het nergens zijn prijzen kunnen opbrengen ; het zou die moeten vernielen, waardoor veel van tien buit zou verloren gaan, die toch de voornaamste prikkel voor de kapers is. Eindelijk zou Amerika met er'istige represailles bedreigd worden en in geval van een konflikt net Engeland zich onberekenbare schade op den hals halen, terwijl ook een krachtig protest niet zou uitblijven van andere mogendheden b. v. van Duitschiand, dat nog volstrekt niet in staat is, in geval van oorlog. zijn koop-Vaardij vloot in alle zeeën te beschermen. De regeering van Frankrijk heeft streng en zonder talmen den klerikalen kommandant van Parijs gestraft voor een bijna onbegrijpelijke onbetamelijkheid, die hij zich tegenover bet algemeen stemrecht, bij een alleronbeduidendste aanleiding, had veroorloofd. --- Kamer- en Persnieuws. *- De behandeling van het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 1842 op het notariaat is gisteren in de voormiddagzitting van de Tweede Kamer ten einde gebracht. Tegen de bepalingen omtrent het disciplinair toezicht rees drieërlei bezwaar. De heer van Eek wilde niet, dat de schorsing van een notaris afhankelijk zou worden testeld ook van vroegere waarschuwing, zoner dat daarna eerst berisping heeft plaats gehad. De minister antwoordde echter,- dat Onder de tegenwoordige wet de grens tusschen berisping en waarschuwing niet kam worden getrokken, terwijl het voortaan aan den reet).- ter zal zijn overgelaten , om de schorsing uit te spreken. De heer van der Kaay had bezwaar tegen de uitzondering van de subsid. gevangenisstraf voor het geval van ontzetting van den notaris uit zijn ambt ; maar de bedoeling is, zeide de minister, oni wel te doen uitkomen, dat geen subsidiaire gevangenisstraf hoegenaamd ; aanleiding kan geven tot ambtsontzetting. Een derde bezwaar werd door den heer Sehdgen van Leeuwen gemaakt tegen het niettoelaten van hooger beroep op de waarschuwing en berisping. Hij wilde dat appèl, als korrektief tegen onrechtvaardige bejegening. De heeren Idzerda • Godefroi en van Eck ondersteunden het amendement, waarbij dit hooger beroep werd ingesteld. De heer Idzerda beriep zich daarbij op een adres van de afdeeling Heerenveen der broéderschap van notarissen en de heer Godefroi wees op art. 11 van het reglement van orde en discipline voor de ad vokaten en prokureurs. Dit tweeledig beroep werd echter door den minister gewraakt. Wat in andere verordeningen of, reglementen stond, woog bij den minister niet; men moet elke zaak en alle omstandigheden op zichtelven • beschouwen. Tegenover het adres van de afdeeling Ileerenveen stelde hij er een van het houfdbest ure der broederschap, dat zijn adhaesie had gegeven aan de hoofdbepalingen van dat wetsontwerp. Wat men hier verlangde, was bovendien niet rationeel. De bepaling, die bestreden werd, was juist gesteld in tiet belang der billijkheid. Onder de bestaande wet moet de schursin volgen na een vierde berisping. Volgens de tegenwoordige wijziging kan er alleen schorsing worden uitgesproken. terwijl van uitgesproken schorsing of ontzetting appèl wordt toegelaten. En terwijl nu de burgerlijke rechter, in raadkamer, waarschuwing of berisping zal uitspreken, zou 't gevolg van het toelaten van hooger beroep wezen, dat wat een intiem karakter behoort te behouden, aa..l de publiciteit zal worden prijs gegeven. Voor 't overige was de lankmoedigheid pan den Nederlancischen rechter waarborg genoeg tegen gevreesde onbillijkheid. De heer van Leeuwen verklaarde zich wel niet overtuigd_ door 's ministers antwoord, maar achtte 't toch verstandig den strijd op dit punt nu op te geven en trok zijn amendement in. Tegen de overbrenging van alle stukken uit het kantoor van den overleden , ontslagen, verplaatsten of afgezetten notaris, naar een ambtgenoot, had de heer v. Eck nog bedenking, omdat de partikulier altijd over zijne moet kunnen beschikken ; doch de minister deed hem opmerken , dat het hier, alleen bewaargeving betrof aan den tijdelijk aangewezen notaris, die natuurlijk over de stukken niet mag beschikken. De heer Geertsema voegde er nog bij , dat juist deze bepaling de strekking heeft om de rechten van de partikulieren te bevestigen. De heer van Eck bleef dan ook bij de stemming over dit artikel alleen staan, gelijk hij ook de eenige was van de toen aanwezige 69 leden, die zich , bij de eindstemming, tegen het geheele ontwerp verklaarde. De aanneming daarvan volgde echter niet, zonder dat de regeering nog een paar bela ngrij kt wijzigingen in het ontwerp had gebracht. Vooreerst onthief de minister de tegenwoor dige kandidaat-notarissen van de verplichting om de tweejarige stage te doorloopen. Ten tweede werd de termijn van invoering ' der wet bepaald op den 5. dag na hare afkondiging. De heer Godefroi zag hierin de strekking om de invoering te verschuiven en dat ontried hij zeer, omdat men zootloende een stortvloed van kandidaat-notarissen had te verwachten, die zich nog zouden haasten onder de bestaande wet het examen te doen. Daarom moest alles aangewend worden, ook met de oproeping van de Eerste Kamer. om de wet nog met 1 Mei in werking te brengen. Maar hiertegen verzette zich juist de heer Bastert. Hij meende, dat het niet van deferentie jegens de Eerste Kaaier getuigt out haar als 't ware zeker werk binnen een bepaalden tijd te bestellen; maar vooral zou hij 't onbillijk achten, wanneer den aanstaanden kandidaten, die zich daarop reeds lang voorbereid hebben, de gelegenheid werd benomen alsnog het examen volgens de wet van 1842 af te leggen. Daarom verheugde hij zich in de wijziging, die de minister in het artikel had gebracht. Deze blijdschap was echter van korten duur. liet ligt juist ook in de bedoeling van den minister om de wet zoo spoedig mogelijk in werking te brengen en wanneer hij niet een bepaalden datum had genoemd, was 't alleen omdat de loop der werkzaamheden van de Eerste Kamer onzeker was. Overigens had hij de verbindbaarneid eerst op den 5. dag na de af kondiging gesteld, om de verschillende belanghebbenden gelegenheid te geven zich op de hoogte stellen van den inhoud der wet. Na afdoening van dit wetsontwerp kwam dat betrekkelijk de beëedigde vertalers aan de orde. Onverwachter' tegenstand ontmoette dat wetsontwerp om hetgeen er niet in voorkwam. De heer Saayrnans Vader vroeg nl. of er geen authentieke kracht zal worden toegekend aan de translaten, zoo dat de rechter daarop recht zal mogen spreken. Dat moest z. i. voor sommige ge' vallen zoo zijn. De minister ontkende evenwel, dat de rechter zal, moeten recht spreken op een translaat , even alsof dat een oorspronkelijk stuk was. Het translaat zal slechts tot voorlichting van den- rechter strekken, even als in strafzaken de verklaring der deskundigen. Door die interpretatie echter verviel. naar het oordeel van den heer Godefroi , ook de eenige waarde van dat wetsontwerp, aangezien er, wat het buitenland betreft, geen enkele wet is aan te wijten, Welke alleen kracht toekent aan die translaten, die in het land zelf gemaakt 'orden , waar de betreffende zaak is behandeld. Die aanwijzing is ook werkelijk niet te doen, erkende de heer van der Loeff. Maar op grond zijner praktische ondervinding wist bij . dat het voor onze ingezetenen van groot belang is, dat men hier opgemaakte stukken , voorzien van een door een beeedigd translateur vervaardigd translaat, naar het buitenland kan zenden. In art. 1 vond de heer Heydentijek te weinig waarborgen voor de noodige bekwaamheid der translateurs. De minister meende evenwel, dat men 'theet doet, gelijk tot dusver, aan den rechter over te laten te beslissen, in hoever een translateur geschikt is , als zoodanig aangesteld te Werden, vooral omdat het hier op de rechterlijke terminologie aankomt. Juist daarom scheen de akte voor het middelbaar Onderwijs niét voldoende , zeide de heer tley denrijek. Volledige kennis van de vreemde taal , waarin de overbrenging moet geschieden, zal tevens geëischt worden, hernam de minister. Een levendige diskussie lokte bij art. 3 een amendement van den heer v. d. Kaay uit, om de bepaling' dat de eed of de belofte door ieder "naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid" moest worden afgelegd, te doen vervallen. Het argument , daarvoor door den vorigen minister aangevoerd, dat die bijvoeging een algemeene bepaling is, in onze wet.ge ving geldende , was niet overeen te brengen met het feit , dat zij in vele der wetten van de laatste jaren niet voorkwam. De minister van justitie, de juistheid dezer toelichting erkend hebbende , verklaarde zich al aanstonds bereid het amendement over -te nemen. De heer Mackay kwam daartegen in verzet. Zoodoende zou. aan den eed of de belofte de noodige kracht worden ontnomen. Dit ontkende echter de heer v. d. Kaay, die zijn voorstel grondde op art. 194 der grondwet, hetwelk aan ieder volkomen de vrijheid waarborgt om zijne godsdienstige meeningen te belijden , onverschillig of zij bevestigd worden door de leer van de kerkgenootschappen. Ook de heer Godefroi ontkende, dat de geest onzer algemeene wetgeving zou medebrengen, dat de keus van een eed of belofte in zich sluit losmaking van de leer eener godsdienstige gezindheid. Het tegenovergestelde beginsel wordt door onze wetboeken en door de grondwet gehuldigd. Wanneer, zooals men bij de algemeene beraadslaging gezegd had, de waarde der translaten alleen hierin gelegen is voor het buitendoor beëedigde vertalers worden lgeattnida,akdta,t zij waar bleef dan ook die waarde als men den eed ook nog wegnam? De beteekenis van die vraag, door den heer v. d. Hoeven gesteld , en door den heer van Berkhout nader aangedrongen, werd door den heer Wintgens scherp in 't licht gesteld. Voor dezen gold het de gewichtige vraag: of de staat zal behouden het beginsel, waarop steeds de eed heeft berust? Worden de bedoelde woorden weggelaten , dan wordt aan de maatschappij de waarborg der godsdienstige handeling ontnomen. Dan maakt men den staat tot een atheistisehen, hetgeen de Nederlandsche staat niet is. Zelfs voor de vertegenwoordiging , voegde de heer Ileydenrijck er bij, eischt de grondwet den eed naar de godsdienstige gezindheid, dle men belijdt; waarom zou dit dan niet voor het mindere het geval zijn? De heer van Houten kwam echtei op tegen de "verouderde" leer , dat zij. die opgehouden hebben lid te zijn van een kerkgenootschap, dat den eed admitteert, of die buiten eeltig kerkgenootschap staan , niet zouden kunnen volstaan met bet afleggen van een //belofte", gelijk aan die der Doopsgezinden (tot welker kerkgenootschap spr. nog behoorde, omdat het een zeer groote persoonlijke vrijheid toelaat) wier //belofte" volstrekt niet gelijk staat met een eed. De heer Mackay had inmiddels als arrend. voorgesteld om de woorden nop de wijze zijner gods lienstige gezindheid" (en niet: gezindte, om precies de letter van de grondwet te volgen) weder in het artikel op te nemen. Het werd ecater verworpen met 41 tegen 33 st. 1/Uw de heeren Brouwers, biafrijen, pion", van den Berph, de Beaufort, van der Schrieck, de ayinans Vader, van Zinnicq Bergman,j"Cgoe; ver Hooft, Rutgers, Godefroi, Barge, Teding van Berkhout, Latnbrechts, van Baar, de Bieberstein, Wintgens, Verheyen, Korens, van Aaen van Wijek, Ilaffmatts, Luyben, Roeit, Begram, van der Hoeven, de Casembroot, Mackay, Sein inmelpennittek van der Oye, Rastert, Reekers, Borret en Heydenrijek. Tegen de heeren : Dij cluneester, Blusse Idzerda, Bredius, Schepel, Burgesius, de Vos, v. pelden, v. d. Kaay, v. Ileukelom, Moerig, Geertseina, i Cremers, Mees, Hingst, v • rniY, v. Stolk, v. Houdmeira linedieorlie v., ten, v. d. Feltz. Bergsma, v. d. Loeft; Stieltjes, v. d. Putte de Bruijn Kops, v. Naamen, Vering Meinesz, Patija, de Jong, Ronibach. Steken, sGarandbetatnare,,Gzeyviekresr en d . v. Fik, J. Brediva, v. Kerkwijk, kj Voorzitter. Daarna werd het geheele wetsontwerp aangenomen met 50 tegen 24 st. De Kamer heeft neg afgedaan de wetsontwerpen : tot bekrachtiging van een provinciale heffing in Groningen en houdende nadere bepalingen omtrent den wijnakzijns (knnstwijn). Bij het eerste dezer beide ontwerpen zeide de min. van binnenl. zaken , om zich te verdedigen cp een hein verweten inkonsekwentie, dat eerst bij eeue wijziging van de wet van 1818 de kwestie kan vverden uitgemaakt omtrent de strafbedreigende bevoegdheid der Prov. Staten. Heden is 't eerst aan de orde het wetsontwerp, houdende verlenging van den termijn voor den aanslag van de beetwortelsuikerfabrikanten Ter zake van de hij dat ontwerp in de gewisselde stukken behandelde kwestie van den suilerakzijiis. was nog sedert eenige maanden eene interpellatie van den heer v. d. Putte aanhangig. Deze heeft echter verklaard van de voortzetting dier interpellatie af te zien. In den aanvang der zitting zijn ingekomen wetsontwerpen : L tot bekrachtiging van een dading betrekkelijk drie kribben in de Waal onder Zuilichem en 2. tot beschikbaarstelling van gelden wegens verstrekkingen door het dep. v. ()inlog voor den dienst van 1878. De nieuwbenoemde griffier, de heer Gort v. d. Linden, werd beëedigd en geïnstalleerd. Hij heeft vergunning gekregen om bij zijne betrekking de advokatie te blijven uitoefenen. Ter behandeling zijn gereed de wetsontwerpen tot wijziging van de wet op het hooger onderwijs en tot onteigening voor den spoorweg Amersfoort—Nijmegen. De 4rnh. Ct. oordeelt, dat de voorstanders van den leerplicht ten volle recht hebben den minister Kappeyne hard te vallen, omdat de leerplicht in zijn onderwijs-ontwerp wordt gemist. Was de heer Kappeyne uit beginsel een tegenstander van leerplicht; men zou het kunnen bejammeren, maar toch eerbied moeten hebben voor die overtuiging. Doch dit is geenszins het geval ; de regeering zou niet aarzelen den beslissenden stap te doen, indien zij niet .... met gemoedsbetwaren te rekenen had. Zulk een argument is, naar de meening der d. Ct., verrassend; de liberale zon schijnt hier de nevelen nog niet verdreven te hebben. De minister geeft eenige bepalingen om het schoolverzuim te weren, en geeft o. a. aan den gemeenteraad de bevoegdheid verbodsbepalingen vast te stellen omtrent het arbeiden van kinderen. Waarom, vraagt de 4. Ct., bij deze wet aan den gemeenteraad eene bevoegdheid verleend, die in de wet-v. Houten de staat zich heeft toegeëigend? Die wet bepaalt wel waar de kinderen niet mogen zijn, niet in de fabrieken , niet in de groote werkplaatsen, maar zij belet de exploitatie niet op het veld of buitenshuis; ongestraft mag een vader zijne kinderen weken lang van den vroegen morgen tot den laten avond up het veld doen arbeiden. En nu laat het ontwerp aan de gemeenteraden, waarvan op het platteland vele leden belang hebben bij dezen veldarbeid van kinderen, de macht, daartegen maatregelen te kunnen nemen. Ware het niet rationeeler te bepalen, waar het kind wel zal zijn (t.w. in de school) dan; op gevaar van duizenderlei uitvluchten, te bepalen waar het niet zal zijn? De minister heeft, volgens de d. Ct., één alles afdoend argument tegen den leerplicht vergeten. Het kon ongeveer aldus luiden: ~Daar het te voorzien is, dat na de invoering van deze wet het gebrek aan voldoend hulppersoneel zal blijven bestaan, zou het dwaasheid zijn de ouders te dwingen hunne kinderen naar de school te zenden, waar zij toch geen voldoend lager onderwijs ontvangen." //Hadden wij, vraagt de A. Ct., het ontwerp met meer welwillendheid moeten bejegenen? Uit volle overtuiging zeggen wij: neen! Het is voor de liberale pers een aangename zaak het ministerie harer partij zooveel mo.re lijk te ondersteunen. Doch wanneer die ondersteuning zou moeten gepaard gaan met verloochening van een der beginselen , waarvoor de partij jaren en jaren lang gestreden heeft; wanneer eene zoo belangrijke zaak als het lager onderwijs daaraan opgeofferd moet worden , dan is bestrijding plicht. Wij hebben recht te verwachten_, dat ook de liberale leden der Tweede Kamer hiervan doordrongen zullen wezen. Het avoorloopig verslag ," dat wij met belangstelling verbeiden , getuige , dat zij hunne zelfstandigheid en onafhankelijkheid ook tegenover het //eminente hoofd" weten te behouden en den moed hebben het evoorloopig verslag" over het ontwerp-Heemskerk, van 12 Maart 1877, onderteekend door het Kamerlid Kappeyne, te leggen naast het wetsontwerp van 1 Maart 1878 , onderteekend door den min. Kappeyne.', Door den heer ,l. C. H. van Nispen, afgevaardigde voor Nijmegen , is bij de Tweede Kamer' eene nota op het onderwijsontwerp ingediend. De schr. betoogt daarin, dat in ons land voor het openbaar onderwijs de konfessioneele school, zoo veel noodig aangevuld door de neutrale school, de voorkeur verdient. Naast deze konfessioneele school behoort de openbare neutrale school te bestaan : a. voor hen, die deze verlangen ; b. voor hen, die te weinig talrijk om eene konfessioneele school te voeden , zich met neutraal' onderwijs moeten bezig houden. Op deze wijze wordt voldaan aan onze grondwet, waar deze bij het openbaar onderwijs voorschrijft eerbiediging van teders godsdienstige begrippen. Met de openbare neutrale school daarentegen als regel, heeft de onverdraagzaamheid hier te lande steeds gebloeid ew neemt zij dagelijks toe. Waar intusschen de konfessioneele staatsschool niet te verkrijgen is, kan,naar de meening van den schr. , de van staatswege gesubsidieerde bijzondere school eenigermate als surrogaat daarvoor dienen. Hij bedoelt daarmee een bij de wet uit te werken stelsel van verplichte subsidiën, door dezelfde openbare kassen, waaruit de openbare school wordt bekostigd, uit te betalen voor elke bijzondere school , waarin op wettige wijze aan zeker minimum van leerlingen lager onderwijs gegeven wordt. Dit subsidie zou bijv. de helft moeten bedragen der kosten , die in gelijk geval werkelijk voor het openbaar onderwijs worden besteed en omvatten zoowel de bezoldiging der onderwijzers en hunne pensioenen als de kosten der schoolgebouwen enz. Het subsidiéeren van bijzondere scholen zou gepaard moeten gaan met de verplichting om in elke gemeente een of meer scholen te houden , waar openbaar neutraal onderwijs gegeven wordt en die de noodige zitplaatsen bevatten voor alle kinderen , wier ouders of voogden zoodanig onderwijs voor hen verlangen. Kombinatie voor naburige gemeenten, worde hier echter, onder de noodige waarborgen toegelaten. Een amendement. in den geest van het door den schrijver voorgestane stelsel, was door hem gereed gemaakt op het ontwerp Heemskerk en had toen de instemming verworven van onderscheidene zijner politieke geestverwanten. Het luidde als volgt: uArt. 1. Behoudens kombinatie van kleinere gemeenten, wordt in iedere gemeente van het rijk, van overheidswege met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen , lager onderwijs gegeven voor alle kinderen, wier ouders of voogden zoodanig onderwijs voor hen verlangen. Het bijzonder lager onderwijs wordt van overheidswege gesubsidieerd. Een en ander geschiedt overeenkomstig de regelen, te stellen bij de wet." Wellicht, zegt hij . zou het ook nu nog dienst kunnen doen om het beginsel te doen uitmaken. In hoofdzaak acht de schr. het nieuwe wetsontwerp onaannemelijk. De grieven , die bij een zeer groote minderheid, zoo niet bij de meerderheid der bevolking bestaan tegen de wet van 1857, worden bij dit nieuwe voorstel niet weggenomen , niet verminderd, ►naar in hoogs mate verergerd en vermeerderd. Toch had men en dit maakt de zaak vooral niet beter in de grootere kosten, die men wil aanwenden , en in het grooter getal on• derwijzers dat men wil bezigen , een middel te meer bij de hand om billijk te zijn jegens andersdenkenden. In weerwil daarvan is evenwel de Schr. niet blind voor de verbeteringen, die het ontwerp hièr en daar bevat, noch voor de juiste oplossing, daarbij aan sommige strijdvragen gegeven. --- BINNENLAND. Door Z. M. den Koning zijn de volgende besluiten genomen : Eervol ontslag vert. aan M. F. N. Rotteveel als 1. klerk bij de topografische inrichting; op ven. eervol aan den off. van gez. 3. kl. J. J. Haver-Droeze, van de landmacht; vergunning verleend aan den bij het leger in Ned. Indie dienenden foerier A. W. C. llorré tot -het dragen van het IJzeren Kruis 2. kl. en der Duitsche herinneringsinedalje voor den oorlog tegen Frankrijk, Als vice-konsól van Zweden en Noorwegen te Cheribon is erkend en toegelaten de heer W. K. A. Pare. Door den minister van waterstaat, handel en nijverheid is tot 1. klerk bij zijn depart. benoemd de 2. klerk 0. C. van Keetsveld. Van 24 Febr. tot 23 Maart zijn, blijkens ingekomen ambtsberichten. door longziekte aangetast 64 runderen, als 61 in Zuid-Holland, 1 in _Utrecht en 2 in Friesland. In het vorige tijdperk van vier weken waren 78 runderen door die ziekte aangetast. Bij de gister aan het dep. van waterstaat, handel en nijverheid gehouden aanbesteding voor de voltooiing der bedijking langs den linkeroever der Nieuwe nierwede met de uitvoering van al de daarmede in verband staande werkzaamheden, behoureude tot de werken der Merwede en Killen onder de gemeenten Made en Dreumelen en Hooge en Lage Zwaluwe, was minste inschrijver de heer C. Bot Cz. , te Sliedrecht , voor f 75.485. De Banque Franco Egyptienne te Parijs maakt bekend, dat zij de noodige dekking ontvangen heeft tot betaling der koepen van de obligatién der gekonsoltseerde Egyptische Daia &wielt schuld, welke, groot 12.50 fr., den 15en April a. te betaalbaar ia. Het uit de ktoile beige overgenomen be richt betreffende het kanaal van Terneuzen was een Aprilaardigheid van dat blad. De senaat der utrechtsche universiteit heeft aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal een adres gericht , betreffende het aanhangig ontwerp van wet tot wijziging van sommige bepalingen, de art. 7, 9. I/ en 84 , der wet van 28 April 1b76, Staatsblad no. 102, (hooger onderwijs.) De senaat stemt in met de wijziging van art. 9, 17 en 84 ; met art. 2 en 3 althans van het nieuwe ontwerp is hij het geheel eens; ook, onder eenig voorbehoud, met art. 4. De adviezen toch van de senaten der universiteiten zullen er ongetwijfeld toe bijdragen, om het leerplan zoo te omschrijven, dat het examenplan voor de universitei, ca, bij besluit erin 27 April 1877 vastgesteld, van kracht kan blijven, of slechts geringe wijzigingen behoeft te ondergaad, om volkomen in overeenstemming te zijn met de kennis, die bij het toelatings-examen tot de universiteit gewenscht en voorondersteld wordt. Toen echter de senaat de door art. 1 van het ontwerp op art. 7 der wet voorgestelde veranderingen naauvvkeuriger overwoog , kon hij wel de inleiding tot de inemor:e van toelichting, die het ontwerp van wet begeleidt overnemen en de algemeene beschouwing ge, heel beamen, omdat wel offermlnst de senaat eener universiteit vrijheid van beweging op het gebied van de ontwikkeling des geestes wil belemmeren; maar meende hij toch in het overig gedeelte dier memorie eene strekking te ontwaren , die hem noopte het ontwerp van wet in verband met de memorie van toeliehting tot een punt van nauwgezette beraadslaging te maken. De uitkomst van dat onderzoek is vervat in het uitvoerig adres. De strekking is het behoud van de dusgenaamde splitsing. De Senaat vraagt voor de aanstaande geneeskundigen en wis- en natuurkundigen niet alleen eene afzonderlijke opleiding na het vierde jaar, maar wenscht die ook zoo ingericht te zien, dat de jongelieden . na het vijfde jaar nog op het gymnasium te hebben doorgebracht, nu het voor hen bepaalde toelatingsexamen kunnen afleggen, terwijl de overigen nog twee jaren op het gymnasium blijven. Het is voor hen wenschelij k een jaar vroeger naar de Universiteit te vertrekken, omdat zij zich aldaar nog een jaar in de natuur- en scheikunde zullen moeten oefenen, alvorens tot hun eigenlijk vak over te gaan. Geeft men hun deze gelegenheid niet, en smaakt men geen splitsing, dan zou men van deLe jongelieden veel meer oefening in het Latijn en Grieksch eischen, dan zij die nu op goede gymnasia verkrijgen, en die men tot nu ti,e voor hen voldoende rekende en rekenen moet zij zouden daarentegen, in de eerste plaats van wiskunde, maar ook van natuurkundige vakken, veel minder leeren, dan iedereen erkent, dat zij , om aan de Universiteit de lessen goed te verstaan, tot voorbereiding voor hunne eigene studiën, meer bepaald behoeven. De noodzakelijkheid der splitsing achtende vast te staan, is de senaat van oordeel, dat aan het examen, na het vierde jaar van den zesjarigen gymnasialen kursus, het karakter van een staatsexamen gegeven moet worden, zoodat de leerlingen van de eene afdeeling niet meer in wiskunde en natuurkunde, die der andere afdeeling niet meer over oude letterkunde bij een later examen worden ondervraagd , maar beiden enkel over die vakken, welke zij na de splitsing in hunne afdeeling, hetzij alleen , hetzij nog met anderen gezamenlijk hebben gehoord. Het examen aan het einde van het vierde jaar moet waarborg geven voor de degelijkheid van het onderwijs aan de gymnasia ; het moet zorgen, dat de kennis der jongelieden opgevoerd worde tot zoodanige hoogte, waarop de splitsing toegelaten wordt ; het moet een voordeel geven aan hen, die het gymnasium geregeld bezoeken, boven hen, die elders hunne kundigheden opdoen. Op de aangevoerde gronden, vraagt de senaat dringend aan de vergadering, te willen verhoeden , dat eene in zijn oog goede bepaling uit de wet op het hooger onderwijs zou worden weggenomen. Uit de Volksstem, tot den 26. Februari uit Pretoria ontvangen, blijkt, dat men ijverig voortgaat met teekenen van adressen tegen de annexatie. Aan den heer Kruger en Jorissen wordt nu even als vroeger aan den president verweten, dat zij in Engeland van lord Carnar-, von geld ontvangen hebben voor reiskos-, ten, terwijl Jorissen bovendien nog traktement van de Engelsche regeering trok als staatsprokureur. Dit heeft de Transvalers woedend gemaakt en de petitie tegen de annexatie wordt dan ook nu bij duizenden geteekend. Nl oit is een volk zoo verkocht, als de Transvaalsche boeren zoo roept men uit! Hadden :zij , die nu teekenen en klagen over den toestand, de regeering gesteund toen het tijd was, en vooral ook tegen Sekokoeni, men zou het verlies zijner onafhankelijkheid zich thans niet te verwijten hebben. De tegenwoordige stand der Zulu-kwestie, zegt de Volksstem, , is alles behalve bevredigend. De berichten van de "grens zijn zoo tegenstrijdig , er is zulk een gebrek aan vertrouwen in onze tweeslachtige wijze van eene expeditie te besturen , waar de bevelhebber der troepen het bevel schijnt te deelen met den sekretaris voor inlandsche zaken en met onzen administrateur, die, dwaas genoeg, zijn vinger in de brij wil hebben, er is zulk een afzijn van eenigerlei begeerte aan de zijde der reffeering om de eigenlijke feiten der zaak te openbaren, dat we vervuld zijn van de ernstigste vrees voor den uitslag van den tegenwoordigen warboel. Hadden we nog onzen ouden Volksraad, dien we duidelijk en wettig gerechtigd waren te behouden, totdat de eene of andere vertegenwoordigende inrichting deszelfs plaats zou vervangen hebben, dan zou het volk in staat geweest zijn aan de regeerings-beambten vragen te doen over deze onderwerpen, welke die thans verwaande sinjeurs verplicht geweest zouden zijn te beantwoorden. Zooals 't is wordt de bevolking, die, volgens hedendaagsche Engelsche ideeën, het recht heeft tot eene stern, hoe gering ook, in het bestimr harer politieke aangelegenheden, praktisch in het duister gelaten , uitgenomen -wat de rapporten der beleedigingen door den Zoeloe-Koning op onzen administrateur gehoopt aantoonen , aangaande de onmiskenbare mislukking van ons plaatselijk bestuur in het onderhandelen met Kaffers een onderwerp dat tot heden toe geacht werd het bijzondere fort te zijn van onzen administrateur. We kunnen niet begrijpen , om welke mogelijkeredenen -van eenig publiek nut hij nog op de Zoeloegrens vertoeft, na eene afwezigheid- van vele maanden van zijn eigenlijke standplaats in de hoofdstad, nu de noodige gezaghebbenden voor civiele 'aangelegenheden in den persoon van den sekretaris voor inlandsche aangelegenhelen en den militaire kommandant beiden op hunne post in het front zijn. Indien de affaire in een oorlog eindigen moet, is 't duidelijk de plicht van den administrateur, om de geheele zaak te laten in handen van den militairen kommandant en we zijn niet zoo zeker dat dit niet de beste manier zonde wezen, om aan de moeielijkheid een einde te maken. We zouden zeker iets winnen door het laten varen van het buigen voor Ketchwayo, waarvan onze administrateur ons voortdurend proeven schijnt te leveren, en we zouden stellig vrij zijn van het verwijt van de naturellen te bevechten met hunne eigene wapenen door een stelsel van kaffer-diplomatie, waarop geen regtgeaard mensch trotsch kan zijn. Het stoomschip Conrad, kapt. Graadt van Roggen, van Nieuwediep naar Batavia, is 2 April des namiddags van Southampton vertrokken, alles wel. Het stoomschip Hampton, kapt. W. R. Mac Moutrey, van Rotterdam naar Batavia, vertrok 3 dezer des voortniddags van Port-Saïd. Het stoomschip Ava met berichten uit Batavia van 9 Maart. is op 1 April van Suez via, Port Said naar Marseille vertrokken en wordt aldaar den 9. dezer veryvacht, *— Met het stoomschip Conrad is gister nog naar Batavia vertrokken de heer K. H. Mertens. De offic. van het garnizoen te Leeuwar. den hebben den luit. Hanaming tot aandenken een fauteuil vereerd , bij zijn vertrek naar Deventer met het detachement huzaren. hetwelk sedert 1 November 11 aan de officieren onderricht in de rijkunst had gegeven. A. C. De kapt. J. G. Arenstna , van het 1. reg. inf., is benoemd tot adjudant bij dat korps, in plaats van den tot majoor bevorderden kapt.-adjudant H. F. Alings. De voormalige vestingwerken te Deventer, waarvan de loskomen le gronden Rijkseigendom blijven . zijn thans gesloopt. Daar hier groote behoefte aan bouwterrein is, hoopt men, dat ook spoedig de overige vestingwerken zullen worden opgeruimd. Bij de verkiezing van een lid der Provinciale Staten van Zuid-Holland in het kiesdistrikt Sliedrecht is gekozen de heer Murk Lels, met 354 stemmen : mr. A. H. van Tienhoven bekwam 137 stemmen. *— Men schrijft ons uit Amsterdam: De zitting van den gemeenteraad was heden vrij kalm , maar tevens uiterst langwijlig. Het belangrijkste was een missive van den heer W. Heineken c. 8., waarbij hij der kommissie, in het hoogste ressort beslissende over de aanslagen voor de inkomsten-belasting, verzocht verslag uit te brengen omtrent hare bevinding betreffende de reklames. Het stuk werd ter visie gelegd en er zal nader over worden gedebatteerd. Naar mijn inzien zal dit muisje een staartje" hebben , zooals het spreekwoord zegt, want men is 't volstrekt niet eens met de opgevijzelde verdiensten dezer belasting, die in sommige opzichten zeer arbitrair schijnt te zijn toegepast. Bij het in-voeren eener nieuwe belasting zijn altijd klachten te verwachten, dit spreekt van zelf. Maar nu duizenden en duizenden klagen, neemt de zaak een anderen keer. Van daar dan ook, dat sommige leden der kommissie protesteerden tegen het uitbrengen van een rapport. waarom? Het is toch eene zaak, die het publiek raakt. Hun protest steunde echter op geheimzinnige gronden; zij gaven geen redenen, waarom zij het stilzwijgen wenschen te zien bewaard. Te ontkennen is het niet, dat het stellen van zoodanig rapport bezwaar zal opleveren, maar de heer van Nierop herhaalde het tal van malen, men is niet voor zijn pleizier lid van den Amsterdamschen gemeenteraad. Eene tweede zaak trok de aandacht. Gij weet, dat men sinds jaar en dag een groentenmarkt etc. wenscht. Een voorstel om die te vestigen tegenover het te bouwen museum werd indertijd verworpen. De heer Tromp, wethouder van openbare werken. stelde voor een terrein, gelegen aan den Buitensingel bij de Raampoort. Ik noem dit geen futile kwestie, aangezien er een half millioen mede gemoeid is, maar het is toch wel wat al te bar om er een uur of wat mede zoek te brengen , zonder eenig ander resultaat dan dat de bloemenmarkt elders zal worden gevestigd , dan op de plaats„door B. & W. voorgesteld. 't Debat begon zelfs den voorzitter te vervelen ; nik zal 't nu maar in rondvraag brengen ," zei hij op zijn gewonen toon , en hierop besloot de Raad, ondanks de bedenkingen van den wethouder van finantién, een markt op te richten voor groenten, fruit en wild, een andere voor bloemen. Het debat bleef beneden peil. Geen enkel argument bleek steekhoudend. Na tal van voordrachten te hebben behandeld kwam aan de orde de vraag of men den grond, tegenover het museum gelegen, zou verkoopen. Neen, zei de heer Gosschalk, dat zou het aesthetisch gevoel kwetsen; men moet dat prachtige gebouw, dat zal verrijzen, kunnen bewonderen op een afstand. Er moet een avenue zijn. Zal men nu tegenover zulk een gebouw huizen gaan zetten, omringd door muren -- dit gaat niet aan. Volkomen juist, zei Mr: de Vries, en daarop verklaarde hij de nimmer betwistbare waarheid : ',dat men nimmer door muren kan heenzien," De fraze werd door den heer Schmitz gerepeteerd en zonder badinage //als volkomen juist" verklaard. De heer Gossehalk sprak nog over de doorzichtigheid van een muur, maar na het woord van den voorzitter: /Me vergaderingg een bezwaar?" vielen alle objektiën in het water. Laatstgenoemde spreker verklaarde •alleen te staan met zijn voorstel om aan het Rijk den grond aan te bieden, en de voordracht om de gronden te verkoopen, behoudens zekere bepalingen werd aangenomen. Zoo eindigde deze zitting, die gesloten werd, nadat men de beleefdheid had gehad, de benoemingen de doen", voordat men in komiteegeneraal overging. Ik zou echter eene onbillijkheid begaan te. genover den heer Tak. die de stad een dienst bewees door te bewerken , dat de voordracht van den heer Voorvoorn (stadsreinigings-dienst) eerst in de sektiën zal worden onderzocht,, alvorens aan de orde te worden gesteld. De gisteren gehouden verkiezingen voor het groot waterschap van Woerden hebben de volgende uitkomsten opgeleverd: in het 1. distrikt, hoofdplaats Woerden, gekozen tot hooflingeland de heer G. P. Baelde, en tot hoofdingeland-plaatsvervanger de heer C. Rijkelijkhuizen ; in het 2. distrikt, hoofdplaats Bodegraven, tot hoofdingeland de heer W. Boer en tot hoofdingeland-plaatsvervanger de heer S. Verlaan, en in het 6. distrikt, hoofdplaats Kamerik, tot hoof lingeland-plaatever vangen de heer J. v. d. Louw. N. R. Ct. *— De vennooten van het hotel Wagoningsche berg, hebben besloten het batig saldo van ruim f 500 over het afgeloopen jaar aan te wenden tot verbetering en verfraaing van het gebouw. De schilderachtige ligging van het hotel in de schoonste dreven van Gelderland zal ook zeker dit jaar weer tal van bezoekers lokken. Aan het diakeniebestuur der hervormde gemeente te Nijmegen is door wijlen mr. A. C. baron Snouckaert van Schauburg eenlegaat besproken groot f 1000. Montfoort, 3 April. Tot lid van den Raad dezer gemeente is gekozen de heer W. Peek _ ---