KUNSTKRONIEK 99. Drie oude dichters besproken. L. M. Hagen: „Jacobus Revius" M. Kamphuis: „Jan Luyken". II. A. Mulder: „Helman Dullaart". Ui tg. Bosch en Keunlng, Baarn. In de bekende Libellen-serie verschenen bovenstaande drie bloemlezingen over drie bekende Nederlandsche dichters, die alle drie van beteekenis zijn geweest voor de litteratuur van ons land. L M. Hagen schreef in zijn boekje o.a. over Revius : „De oude wraakpsalmen leven in hem, en waar hij, dag in, dag uit, moet hooren van nieuwe misdaden, nieuwe moorden, waar de brandstapels gloeien en schavotten kraken, daar kan het niet anders of de haat gaat branden in zijn vurig gemoed. Niet in de eerste plaats om zijn volk, dat zieltogend ligt in de greep van den vijand, maar omdat de Eer en de Naam des Heeren dag aan dag daardoor wordt gesmaad en gelasterd. — Zoo zijn zijn strijdliederen te verklaren, die deels zijn geïnspireerd op de wraak- en de boetepsalmen van zijn bijbel, deels op de geuzenliederen, die hij het volk hoort zingen in de straten. Zoo staan dan deze wraakliederen niet in tegensteling met zijn godsdienst, maar worden ze er geheel uit verklaard. Revius ls ook hierin man van zijn tijd. En nadien zijn vele eeuwen verloopen. Wij zijn de dingen inderdaad anders gaan zien en dat behoeft het begrijpen van Revius' standpunt nog niet uit te sluiten. Maar Revius is niet mensch in den diepen zin van 't woord. Van menschelijkheid die is van alle tijden. De stem van het hart, die de eeuwen door dezelfde ls, de roep om genade, om liefde, om ontferming. Die de eeuwige waarheden belijdt: zonde, genade, verlossing, dankbaarheid. Zeker, er is verschil. In opvatting, in denkwijze, in gevoel, maar daarboven uit gaat de eenheid. Het direct contact tusschen een hart en een ander hart, die zich beide één weten in God." Uit de bundel „Jan Luyken" lichten we het «lot van de inleiding, die van M. Kamphuis is : ,,Na zijn eerste bundel, die ongetwijfeld de meest poëtische waarde bezit, verschijnen er meerdere, met etsen van hem en zijn zoon Kasper verlucht. Naast de vurige, overgegevene „Vonken der Liefde Jezus" (1687) noemen we o.a. de innige „Zedelijke en Stichtelijke Zangen" (1704), de gemoedelijke didactische bundels „De Spiegels van het Menschelijk bedrijf' (1694), „De Bijkorf des Gemoeds" (1709) en „Het leerzaam Huisraad" (1709). Na zijn dood worden nog eenige bundels verzen en brieven van hem uitgegeven, waarvan het teere, kleine, voor Kaspers zoon Jan geschreven „Des Menschen Begin, Midden en Einde" vermeld dient te worden. In zijn poëzie beoogt Luyken nu enkel de stichting van zijn geestverwanten, doch dat neemt niet weg, dat achter deze dikwijls alledaagsche moralisaties de dichter niet verloren kan gaan en h(j dikwijls op de meest onverwachte oogenblikken, tusschen de slechtste verzen door, ons verrast door een enkele zuivere regel, een beeld, een klank, regelrecht uit het hart Zoo etsend en dichtend wiegt zich Luykens leven ten einde. Hij werkt hard, leeft zeer sober en eenvoudig, deelt aan ieder, die het noodig heeft van het zijne mede en sterkt zich geestelijk door de omgang met vrienden en geestverwanten, in wier gezelschap hij zijn korte reis door dit leven naar het eene doel aflegt, zooals hij ln een van zijn lange pelgrimsliederen zingt: „Om een, die zij beminnen Beminnen zij makkear, In hoop van 't overwinnen Al 't prjjkel en gevaar, En 't eeuwigdurend jubeljaar Alreeds te beginnen Dat eeuwig duurt hiernaar.'* Langzamerhand is er niets meer, dat hem aan 1 leven bindt, al het vergankelijke is slechts symbool, het verlangen van de ziel is te geraken „haar eerste oorzaak en grond." Deze verv ulling komt voor hem den 2den April van het jaar 1712, toen hij „zijn Geest aan Gode zijn Schepper overgaf, ons nalatende den liefelijken teuk van een heiligen wandel, waardoor hij nog lange in 't herte zijner vrienden zal leven, nadat ^5 dezen sterfelijken rok heeft uitgetrokken". H. A. Mulder opent zijn inleiding over Helman ^ullaart als voigt: „Heiman Dullaart behoort tot den nabloei van onze Gouden Eeuw. Het ^oge toevallig zijn, maar deze dichter heeft in 2jjn verzen werkelijk iets van de late bronzen kleuren van den herfst, iets van de verzadigde Upheid van gezwollen druiventrossen. Het is «'genlijk geen wonder, dat men hem in de 18de 19de eeuw op een enkele uitzondering na (Bellamy, Hinlopen) vrijwel vergeten heeft, en dat hij pas sinds 1898, het jaar, waarin Verwey e aandacht op hem vestigde, ls bekend gaan Worden. Voor de gladde, oppervlakkige verstechniek der 18e eeuw was de bouw zijner verben zeker te zwaar, voor haar schraal rationalisme z\jn geesteshouding te bovenverstandelijk, te Seladen, te mystiek. Nog in 1924 schrijft Kloos, jkt hij Dullaarts verzen wel eens heeft ingekeen > zonder er echter veel treffends in te vinden — al erkent hij anderzijds, dat deze verzen y°or weinig fijnproevers zijn, -— Wat dit laatste j treft, ook Verwey spreekt er over, dat Dul,aar ts verzen niet makkelijk, niet op het eerste €®zicht doorschouwbaar zijn. Daar staat echter tegenover, dat, wanneer men eenmaal de moeite genomen heeft en door herhaaldelijk lezen in deze poëzie is doorgedrongen, men er steeds nieuwe schoonheden in ontdekt. Vooral voor geestverwanten behoeft de geestelijke structuur van Dullaarts verzen bovendien niet zooveel moeilijkheden te bieden. Het voornaamste strijdmiddel immers, dat Dullaart gebruikt, de tegenstelling, de paradox, is hun uit den bijbel wel bekend." Bij deze drie fragmentjes laten we het We hebben uit elk boekje iets genomen om te laten zien, dat dit drie lezenswaardige verschijningen zijn, die den lezer nader brengen tot de drie zooverschillende, en toch ook weer overeenkomst vertoonende, belangrijke dichters uit de Nederlandsche litteratuur. (Nadruk verboden.) W. J. EELSSEMA. --- HET WEKELIJKSCHE VERHAAL EEN GLIMP VAN LENTE. Het elegante autootje stopte juist voor de streep, wachtte geduldig tot de verkeersagent het verkeer weer vrij zou geven. Rustig wachtten de beide Inzittenden dit af. Ze zaten achterover geleund in de kussens, vormden een schilderijtje, een kleurig prentje. Zij was een aantrekkelijke verschijning, dook weg achter haar vossebont, hij was sportief, had een wilskrachtig gelaat, iets, dat nog verhoogd werd door de wijze waarop hij zijn pijp, waaruit blauwe rookwolkjes kringelden, tusschen de lippen klemde. Vanuit de stroom voetgangers werd een arm opgestoken, de vrouw in den wagen groette terug, glimlachend, doch onmiddellijk daarop wegduikend achter haar bont Alsof ze zich onherkenbaar wilde maken, geen vrienden of vriendinnen meer wilde zien. De man naast haar, ofschoon hij niet ter zijde had gekeken, zijn aandacht bij den verkeersagent bepaalde, had den groet opgemerkt, vroeg : „Wie was dat Annie?" Even onverschillig met de schouders een beweging makend, was haar antwoord : „Och, een kennis. Niets bijzonders. Vervelend dat ze ons zagen. Gingen we maar verder." Hi) lachte even. Een sympathiek, vroolijk geluid en spotte : „Uw wensch is miJ een bevel, mevrouw. Zie, daar gaan we." En nadat hij het wagentje buiten het drukste verkeer had gebracht, het pittig ding over den breeden weg naar bulten liet snorren, merkte hij plagend op : „Weet je wel, Annie, dat je daar zoo straks wel erg complimenteus was. Je schaamde je zeker, bij mij in gezelschap te worden gezien." Heel even keek hi) ter zijde in de lieve, blauwe oogen van zijn gezellin, die verontwaardigd naar heim opkeek. Haar protest was : „Maar Jaap, hoe kim je dat nu zeggen. Je weet wel beter... Ik vond het even vervelend gezien te worden, omdat ik nu spoedig weer tekst en uitleg moet geven, om allerlei vervelende praatjes te ontkomen." Een beetje zorgeloos en overmoedig meende hij : „Lap die aan je laars, kind." „Gemakkelijker gezegd dan gedaan. Al is onze stad ook tamelijk groot een provincie-nest is het en blijft het En aan de sfeer daarvan ontkom je niet Je kunt een en ander niet aan je laars lappen, zooals jij dat uitdrukt je moet wel degelijk rekening er mee houden. Je moet niet vergeten, dat jij al een heel onafhankelijke positie bekleedt en dat jij heel goed doen en laten kunt wat je wilt" „Stil, Annie, laten we niet verder over dit onderwerp doorgaan. Ik begrijp het en daarmee basta. De dag is te mooi om die als 't ware te verwoesten met diepzinnige beschouwingen over de menschen en de maatschappij. Deze dag is de onze en dien willen we genieten." Annie ter Laan glimlachte... Dat wilde ook zfl. Dén dag genieten, om dien later als een kostbare herinnering te bewaren. Een herinnering aan een periode uit haar leven, die ze vanavond, wanneer ze terug was en op haar stille kamers zat afsloot. Annie ter Laan was niet sentimenteel aangelegd. Daarvoor had haar leven, dat hard en onverbiddelijk was geweest haar geen gelegenheid gelaten. Zoodoende kon 't gebeuren, dat, toen ze ouder werd, ze de dingen kon realiseeren, en dat ze dien stralenden voorjaarsdag ook realiseerde, dat ze een periode afsloot... Nog een keer was Jaap Houtinga in haar leven gekomen. Ze had het reeds gelezen in de annonces van de courant, dat hij met zijn band zou komen spelen gedurende een maand in een der eerste gelegenheden van de stad. Wel klonk de naam van den dirigent uitheemsch, doch ze wist, wie zich daar achter verschool. Besloten had ze om niet te gaan luisteren. Hem weerzien zou maar oude, pijnlijke herinneringen opwekken. Iets, dat ze niet wilde, juist nu ze de laatste jaren een schijnbaar-duurzame rust had gevonden, ze tevreden was geworden met haar bestaan en haar lot Ze was een vrouw geworden, die overbodige dingen, hoe graag zij ze ook wilde doen, uit haar leven kon weren... Een en ander was echter niet gebeurd, zooals zij zich dat had voorgenomen. Op een middag had hij voor haar gestaan, had hij haar de hand gereikt met de woorden, alsof ze elkaar de vorige week hadden gezien en er niet een jarenlange scheiding was geweest : „Hallo, Annie, hoe gaat het ? Ik herinnerde me, dat ik hier in deze stad nog een oude vriendin had wonen en kom haar eens bezoeken." Dat was het begin van een maand vreugde geweest waarin heel haar oude liefde voor den grooten, harden en schijnbaar-onverschilligen kerel, die Jaap Houtinga was, opvlamde. Een liefde, die ze echter nimm er uitte, die ze angstvallig verborg. Omdat ze maar al te goed wist, dat ze geen hoop behoefde te koesteren, noch voor die eene maand, noch voor later, voor de toekomst. Ze kende Jaap's gevoelens voor haar, die niets meer inhielden dan een trouwe vriendschap. Een trouwe vriendschap, die door de lange jaren van scheiding wel even had geleden, doch waarin ze al spoedig weer het oude contact vonden. Zoowel voor hem als voor haar waren het gezellige dagen geworden, dagen, die besloten werden met een auto-tocht op den laatsten datum van de maand, 's Avonds zou de band nog de afscheidsvoorstelling geven, om den volgenden morgen te vertrekken naar elders, om in langen, langen tijd niet weer terug te keeren, daar een buitenlandsch tournée zou worden ondernomen... Zacht zoemde de wagen door een dorpje, om die weldra achter zich te laten en voort te snellen over een eenzamen landweg, waaraan zoo hier en daar een verlaten woning lag. „Ik heb een nieuwe pianist gevonden", verbrak Jaap de droomerige stilte, „en ik geloof wel, dat ik het goed getroffen heb. Een pittige, frissche kerel met talent en ijver. Hij maakt van avond zijn debuut. Kom je naar hem luisteren?" Ze schudde het hoofd. „Je weet, wat ik je heb gezegd," merkte ze op. „Deze dag zonder de avond wilde ik nog bij je doorbrengen", en met een moeilijke scherts besloot ze : „Mannen zijn toch eigenlijk egoïstische wezens, vragen altijd meer dan hun is toegestaan." Ze had het reeds eerder geweigerd de afscheidsvoorstelling bij te wonen. Ze zou niet naar hem kunnen kijken en luisteren, terwijl ze wist, dat zij aan het slot nog even een hand en een groet zou krijgen, daar, waar er geen tijd meer restte om nog even ongestoord met elkaar te praten. Daarom had ze besloten 's avonds afscheid te nemen, wanneer Jaap haar met den wagen terugbracht... Kort en bondig moest het zijn. Niet lang, vol pijn voor hen beide. „Het is goed, Annie, ik zal het niet weer vragen. Jammer, want ik ben trotsch op mijn aanwinst" „En de andere pianist ?" vroeg Annie. „Wat moet daarvan worden?"... Jaap had haar verteld van zijn moeilijkheden met den ouden pianist, een jongen kerel, die niet bestand was tegen de verleiding van het uitgaansleven, te veel boemelde en zijn werk daardoor tenslotte slecht deed. Jaap had verteld Jüat hij dien pianist had moeten ontslaan, en Annie had hem verzocht het nog eens met den ongelukkige te probeeren, hem een ernstige waarschuwing te geven. En toen Jaap haar eenige dagen later vertelde dat de man toch ontslagen was, toen waren er voor het eerst in die maand harde woorden gevallen. Met een strenge trek rond den mond, een harde blik in de oogen, antwoordde Jaap : „Wat er van dien pianist moet worden ? Och, die vindt wel weer een betrekking, die zal wel weer ontslagen worden, telkens en telkens weer, tot hij geheel afgezakt is in een poel van ellende. Ik moest hem zijn congé wel geven, want hij bedierf het peil van mijn band, en bracht de toekomst van de andere leden in gevaar. Doch ik kan je de verzekering geven, Annie, dat ik het niet prettig vond, dit te doen." Annie ter Laan begreep op dat oogenblik, dat ze den bandleider verkeerd had beoordeeld. Heel even lei ze haar hand op zijn mouw en verzocht: „Vergeef me, Jaap, als ik je verkeerd beoordeelde. Ik weet nu, dat je niet anders kon handelen." Jaap Houtinga glimlachte even. „Het is goed, Annie, laten we er niet langer over spreken, laten we dezen dag genieten. Dit is onze dag, dit is onze laatste dag..." Ze genoten, omdat ze wilden genieten. Ze stalden de auto bij een eenvoudig herbergje, waar ze ook aten, en wandelden daarna lang, heel lang in de bossohen. En daar, hoewel ze nog bijna een uur noodig hadden om naar de stad terug te rijden, daar namen ze afscheid. Ze zaten naast elkaar op een heuveltje. „Ik weet niet, waarom jij niet getrouwd bent," zei Jaap. „Je zoudt een echte vrouw zijn. Een trouwe kameraad. Ik zal veel aan je denken, Annie, wanneer ik weer her- en derwaarts zwerf. Het afscheid valt me zwaar. Ik had, geloof ik, hier wel willen blijven." In die woorden en in het zwijgen van het meisje lag het afscheid. Het was niet een schroom, die Annie ter Laan terug hield om te spreken van haar liefde, het was enkel begrijpen. Ze wist, dat ze Jaap niet mocht binden, niet aan een huis, een haard. Want eens zou de oude rustelooze geest zich weer van hem meester maken, eens zou hij weer weg willen trekken van stad tot stad, van land naar land, en dan zou zfl hem maar in den weg staan. Wel zocht ze naar een oplossing, waardoor het toch nog mogelijk was, dat ze sprak van haar liefde, waardoor ze een mooie toekomst kon opbouwen, maar ze vond die oplossing niet Het eenige wat ze kon doen was zwijgen... Haar ongeweten offer... 's Avonds laat zat ze in haar kamer, een bosje voorjaarsbloemen, zijn laatste geschenk, in de handen... Nu kon ze oud worden. Nu was het geluk voorbij... Tranen sprongen haar in de oogen, toen ze de bloemen zag... Een glimp van de lente... Ook voor haar... (Nadruk verboden.) --- VAN BLOEMEN EN PLANTEN EENIGE ASPERGE-PLANTEN. Bij al onze planten en bloemen neemt de hangplant een bijzondere plaats in. Niet een overdrijving is het, wanneer de bewering geuit wordt dat we de hangplant niet kunnen missen. Het effect van een enkele plant is vaak verrassend, sierlijk en elegant vallen de uitloopers naar beneden, en vormen een watervalletje van eenvoudige natuurlijkheid. Vooral de asperge-planten zijn het, die een aantrekkelijkheid bieden voor het oog, wanneer ze staan op een console, een stander of aan den rand van een bloembak. In het groote, oude huis, waar ik woon is een holle, bijna-ongezellige gang, met geen mogelijkheid te meubileeren, te bekleeden. Hier vormden de Asperge-planten een ware uitkomst. Op vier verschillende standers en een console plaatste ik eenige soorten dezer planten, en het was waarlijk een verrassend resultaat, dat Ik daarmee bereikte : de ongezelligheid verdween, de gang werd een fleurig geheel, waardoor te wandelen niet meer een onaangename gewaarwording bracht maar vaak een genoegen. Een van de bekendste soorten der Asperge-planten is de Asperagus Sprengeri, die, zooals vele dezer planten afkomstig uit West-Afrika, sterk kan groeien en een groote omvang kan nemen. Men kan deze plant heel goed zelf kweeken en daaraan heel veel pleizier beleven. De Asperagus-Sprengeri bloeit met witte bloempjes, die zich ontwikkelen tot helderroode besjes, en welke besjes een paar gitzwarte zaadjes bevatten. Deze zaadjes, gedaan in een pot stevige, vruchtbare aarde en bedekt met 'n stukje glas, komen reeds na een week op, groeien voorspoedig. Als aarde zou men graszodenaarde kunnen gebruiken of gewone aarde en die door eenig kunstmest vruchtbaarheid doen toenemen. De volwassen Asperagus Sprengeri draagt phyllocladien, doorntjes zou men kunnen zeggen, die bij tweeën en vieren op de knoopen, waar de bladeren hadden te zitten, ontspringen. Eerst zijn deze phyllocladien licht-groen, bij volwassen-zijn echter donker-groen. Evenals bijna elke asperge-plant is de Asperagus Sprengeri dankbaar voor de zorg, die men aan haar besteedt. Men zorgt voor veel water, veel voedsel. Het verwaarloozen van deze plant beteekent, dat alle „naaldjes" afvallen, men weldra een ontredderde plant heeft Dit moest ik tot mijn groote ergernis constateeren, toen ik na een paar weken afwezigheid thuis terug kwam, en een van mijn mooiste Asperagus Sprengeri's gedorst had, omdat men de plant ln de hoogte op een console slechts met te veel moeite kon bereiken. En dat terwijl de Asperagus Sprengeri evenals de meeste andere Asperge-planten geen al-te-fijngevoelige plant is. Hiermee wordt bedoeld, dat ze geen planten zijn die voortdurend verzorging noodig hebben, of bij de geringste veronachtzaming het hoofd laten hangen, dreigen te sterven. Want de Asperagus Sprengeri is in het bezit van eigenaardige wortels, die haar voor al-te-vlug sterven behoeden. In deze wortels zitten melkwitte, knolachtige verdikkingen, waarin het vocht zich bij rijkelijk-besproeide dagen verzamelt en waarop geteerd wordt gedurende weinig-waterrijke tijden. Het wil wel eens voorkomen, dat een enkelen keer deze knollen zich zoo sterk uitzetten, dat de pot door de kracht barst. Enkele andere soorten asperge-planten zijn de Asperagus plumosus, die veel voor bloemenmanden wordt gebruikt, alsmede tusschen afgesneden bloemen wordt geplaatst evenals de zoogenaamde Fijne Pluim asperge en de Kaapsche Asperge. De Sikkel-Asperge, in vorm gelijkend op de Asperagus Sprengeri, is de reus onder onze asperge-planten, maar is evenals al de andere soorten, een dankbare kamerplant (Nadruk verboden.) F. LORA. --- VAN HOF EN VELD HET ONTWAAKT Wij buitenmenschen zijn optimistische lui, want zoodra we weten, dat de dagen lengen, zoodra we voelen, dat de zon langzaam aan kracht wint, dan denken we weldra al het leed van den winter reeds geleden. Dezen winter was er trouwens niet veel reden om te spreken van leed. We hebben dit jaar een winter meegemaakt die werkelijk een bijzonderheid'mag heeten. Met Kerstmis plukten we bloeiende, heusch, bloeiende Korenbloemen en Madeliefjes en eenige weken later konden we de eerste sneeuwklokjes binnen halen. Even voor de Kerstdagen plukte ik twee nieuwe uitloopers van de Indische Kers. Het is mijn gewoonte, — de echte tuinliefhebber zal zeggen, dat het een vreemde gewoonte is —, om mijn tuin niet eerder in orde voor den winter te maken, dan nadat de eerste nachtvorsten al het leven hebben gedood. Dit seizoen kon ik den tuin niet eerder dan na Kerstmis in orde maken, omdat toen eerst de winter even fel zijn intrede deed. En nog heb ik alle bloemperkjes niet in orde kunnen maken. Omdat er enkele zijn, waarvan de bloemen niet gestorven zijn. Daar is o.m. een perkje Leeuwenbekken, waarvan de planten wel eenigszins gebouwd gehavend, doch toch nog groen zijn en dus leven. Dat je aan Leeuwenbekken veel pleizier kunt beleven wist ik reeds, maar dat je er zooveel genoegen aan kunt ondergaan, gelijk dezen winter het geval is, dat wist lk niet Leeuwenbekken zijn planten, die in den Herfst nog kleur en fleur geven aan den tuin, die dan zijn grootste bloeiperiode achter den rug heeft. Ze geven nog kleur en fleur aan een klein plekje tot laat in September, tot het begin van October, en laten zich niet heel gauw door regen, storm of kou in letterlijken zin op den kop zitten. Dat bewijzen de Leeuwenbekken, die nu nog in mijn tuin staan, waarover kou en sneeuwstormen zijn geraasd. Werkelijk ik hoop, dat ze het winnen, deze harde strijders, tegen de overmacht, en dat ik mag zien, wat er hier uit groeit den komenden zomer. Een beetje bevreesd ben ik, dat ze ondanks alles toch nog zullen bezwijken, wanneer de warmte van de lente komt. Want het is vaak gebeurd, dat de bloemen, die zich tegen de kou verzetten, dit niet tegen de warmte kunnen doen, omdat dan als 't ware hun weerstandsvermogen geknakt wordt; één nachtvorstje onherstelbaar schade kan berokkenen. Eenzelfde geval is het vaak met bloemen, die heel laat bloeien. Wanneer die uit den tuin worden gehaald en geplaatst worden in een verwarmd vertrek, dan hangen ze weldra slap, zijn ze weldra geheel en al verwelkt Daarvoor was ik ook bang, toen ik een dag voor Kerstmis van het vorig jaar twee opnieuw-ontsproten ranken van de Indische Kers, die het tot zoo lang had volgehouden, na het verwelken van de oude plant opnieuw was begonnen te groeien, plukte en mee naar binnen nam, thuis in een vaasje zette. De nacht, die op dezen dag volgde, heb ik het vaasje met inhoud voor een open raam geplaatst en de beide ranken zoodoende langzaam maar zeker aan een verwarmde temperatuur gewend. Met het reusachtig gevolg, waarop ik eigenlijk zeer trotsch ben, dat de beide ranken op het oogenblik dat ik dit schrijf, in de maand Februari nog bestaan en zich verheugen in een blakende gezondheid. Dat zijn nu van die klein® gebeurtenissen, waarom de buitenmensch optimistisch is en blijft, en waardoor hij nimmer den moed laat zakken, noch in een strengen, noch in een zachten winter. Dat zijn van die kleine gebeurtenissen, waaraan hij zich verkwikt. Al ziet hij veel, dat ontbotte en bloeide in de mogelijk-al-te-zachte dagen, later ook weer verwoest en vernietigd. Zooals o.m. de bloeiende naakte Jasmijn, die ook reeds in December bloei vertoonde en nu kaal als elk jaar daarvoor staat Neen, de buitenmensch laat zich door niets uit het veld slaan. Einde Januari wandelde ik op een avond langs de vaart voorbij eenige boerderijen. En lag sneeuw op het pad en dat laagje sneeuw kraakte onder mijn voeten. Er was een zachte wind die uit het Oosten kwam, het water van de vaart, dat tusschen de wallen lag, niet bereikte, maar vreemd hol door de boomen spookte. En toch, ondanks al die wintersche teekenen kon ik niet gelooven, dat die tijd er nog was. Neen, toen ik aan het eind van het pad stil stond, van heel ver de dorpsgeluiden kwamen, toen geloofde ik aan de komst van de lente. Evenals eenige weken later, toen ik des avonds de post moest wegbrengen in een sneeuwstorm, de laan bedekt was met een laagje spiegelglad ijs. Zoo optimistisch is de buitenmensch. Hij is zoo optimistisch tot hij eindelijk mag gelooven. Gelooven in een helderen dag met een blauwen hemel, een stralende zon en weinig wind. Dan ziet hij de meezen dartelen in de boomen en in de bosschen, dan hoort hij de merel, dan staat hij op een beschut plekje in de zon en voelt de warmte als de streeling van een lieve hand, die hij zoo heel lang heeft gemist Dan raakt er iets in zijn gemoed, dan breekt de moed in hem los en overweldigt hem, als 't ware in een roes... Op zulk een dag ben ik den dooi-natten tuin ingeloopen en heb ik her- en derwaarts gespeurd naar nieuwe teekenen van ontwaken, van groei, van komen tot nieuw leven. En het ontwaakt overal ! Het springt uit de weeke aarde, het springt uit bosch en boom, het duwt aan de knoppen, het wil de eeuwen-oude, maar altijd weer zoo gretig verwachte boodschap brengen. Dan ben ik dankbaar voor elk teeken, dan zouden me de tranen in de oogen springen, dan zou ik wel in het vochtige gras willen knielen, om even met de vingers te streelen over zoo'n groen-glanzend, frisch, sierlijkvertakt blaadje van het pijpekruid, indien ik tenminste zou toegeven aan mijn ontroering, aan mijn sentimentaliteit. Rustig, beheerscht, uiterlijk onbewogen ga ik echter het hof door, den tuin rond. Mijn voeten treden in het frissche gras, over de rosetten van het pijpekruid, staan stil bij een bos sneeuwklokjes, zoeken naar de ontspruitende punten van de crocussen. En even dwalen de gedachten terug naar de oude boerderij, naar het ouderlijk huis, waar een groot grasveld vol crocussen was, waar onder de beknotte esschen ettelijke vierkante meters bezaaid waren met een zee van sneeuwklokjes..", en dan, vreemd, heel vreemd, daar, waar het hart nimmer haakte naar die oude omgeving, dan maakt een weemoedig gevoel zich even van mij meester... Echter even, slechts even, want dan vervolg ik mijn tocht. Ik zie de knoppen van de linde dikker geworden, ik voel aan de knoppen van de kastanje, die reeds weer kleverig aandoen, ik maak de balans op van den komenden oogst bij het perk rhododendrons, lk laat de hazelaarkatjes even door mijn vingers glijden,... ik doe nog veel meer van die kleine beuzelarijtjes, en ik voel, werkelijk waar, me volmaakt gelukkig. Want de lente komt. Het zit in de lucht, die dronken maakt na de vele trieste zonlooze dagen, het hangt over tak en twijg, het stijgt op uit den grond, het vat vol levenskracht, het zweeft over de velden, die roerloos onder den wijd-koepelenden hemel liggen, het is overal, niet tastbaar, maar te voelen : Het ontwaakt ! Het ontwaakt! (Nadruk verboden.) DE ZWERVER. ---