Gemeentelijke Schulden. Aam de woorden ..gemeentelijke schuld”, wordt dioor velen nog altijd een beteekenis gehecht, welke ver afstaat van de juiste opvatting. N-og zeer verbreid is de meening dat die schuld aanduidt eenig deficit, of, in het algemeen, het- bewijs is van een minder juist beheer. Dat oordeel wordt soms versterkt door het feit, dat er hier en daar een kleinere gemeente is, die er zich op kan beroepen in het geheel geen schuld te hebben. In oo eerste plaats heeft men zich bij de beoordeeling van den schuldenlast der gemeente geheel los te maken van den klank w'elke het woord schuld in het algemeen heeft ten opzichte van een particuliere huishouding. Maar ook een vergelijking te dezen opzichte met groote bedrijven van Vennootschappen e.d. gaat slechts voor een zeer klein gedeelte op. Er is gelijkheid in zooverre, dat ook bij groote particuliere bedrijven de bezittingen — vooral in de eerste tientallen jaren — een handelswaarde hebben, welke beduidend minder is dan de schulden welke er tegenover staan. Voor de gemeenten geldt dat gemis aan overeenstemming tusschen den totalen schuldenlast en den onmicfdellijk te bedingen prijs voor al de bezittingen nog minder, wijl vele publieke eigendommen geen waarde ia het handelsverkeer hebben, doch niettemin voor de uitvoering van de gemeentelijke taak van overwegend belang zijn (b.v. nieuwe wegen, vaarten, havens enz.) en bovendien van langen levensduur zijn. De gelijkstelling tusschen de overheidslichamen (o.a. de gemeenten) en alle overige rechtspersonen op het stuk van de schulden-politiek is daarom van den grond af reeds zoo verkeerd, wijl de overheid er is voor alle tijden — en dus ook de financieele politiek rustig kan bekijken in ’t licht van alle overwegingen welke ten deze van belang zijn, zonder vrees voor „concurrentie” of een beëindiging van haar bestaan — en aangezien de overheidslichamen een functie hebben te vervullen, waaraan zij zich niet kannen en niet mogen onttrekken. Natuurlijk moet ook de gemeente „zuinig” zijn, economisch werken, haar taak niet uitbreiden boven de grenzen van het kunnen, rekening houden met omstandigheden, in één woord zakelijk zijn, maar wie zich door het woord „zakelijk” laat verleiden tot een beoordeeling van de financiële politiek, in dit geval de schulden — of te wel de leeningspolitiek der gemeenten uitsluitend of hoofdzakelijk naar het voorbeeld van wat dit politiek dient te zijn voor een zaak, komt tot conclusies welke geen enkele waarde meer hebben. Toch worden op dergelijke wijze verkregen gevolgtrekkingen nog' al te dikwijls serieus gepubliceerd. Een misvatting van hetzelfde gehalte wordt begaan, wanneer men), — zooals ook de Redactie van de Nieuwe Hoornsche Courant heeft gedaan — wil zien, welke „bezittingen” tegenover de schulden staan, teneinde daarvan, dan het oordeel te laten afhangen. Het antwoord op die vraag is reeds daarom niet te geven, wijl aan verschillende van die bezittingen (b.v. het enorme straten-oppervlak 1), bezwaard met een drukkenden ond erlioudsIas t) in den handel — en dat zou de eenige maatstaf zijn ’— geen enkele waarde is toe te kennen, terwijl diezelfde „waardelooze” bezittingen eiken dag opnieuw van onberekenbaar nut zijn en daardoor.... een „waarde” hebben, welke moeilijk te hoog kan worden aangeslagen. Bovendien is de ondergrond van die wegen (van geen waarde zoolang de weg' „weg" blijft) onvergankelijk. Wanneer de N.H.C. dus weer de vraag stelt, wal tegenover gemeentelijke schulden staat, kan. zij geen ander antwoord verwachten dan dit: de geheele outillage, noodig voor de uitvoering van de overheidstaak, voor een groot deel onvergankelijk of van zeer langen levensduur, maar waarvoor — behoudens heel enkele uitzonderingen — geen beursnoteering of marktwaarde bestaat en de zuivere private bezittingen, welke slechts in enkele gemeenten heel veel beteekenen. In sommige gemeenten heeft men, eenige jaren terug, balansen gemaakt in optima forma. De samenstellers zelf hebben echter het eerst verklaard, dat deze slechts een zeer betrekkelijke waarde hebben. De taxatie hangt dusdanig af van persoonlijk inzicht, dat ook voor vergelijking onderling geen enkele basis aanwezig is. Het beleggend publiek wilde toen groote cijfers zien en aan dien wensch is tijdelijk voldaan. Zelfs werden gemeentelijke hypotheken — op de niet-ópenbare gebouwen en terreinen enz. — overwogen! Maar ook die waan is reeds voorbij. Een bewijs, dat de N.H.C. met haar opmerking eenige jaren ten achter is. 2) Natuurlijk mag ook de gemeente alleen leenen v^or kapitaals-uitgaven en voor andere buitengewone uitgaven (in oorlogstijd e.d.) en het toezicht van Ged. Staten is er borg voor, dat geen enkele gewone uitgaaf op de lange baan wordt geschoven door een leening. Als buitengewone uitgaven worden hier bedoeld de uitgaven waarvan het nut zich uitstrekt over een reeks van jaren, of die dienen voor de aanschaffing van zaken welke van blijvend nut zijn. Die grens moet natuurlijk met beleid worden getrokken; men blijve aan den veiligen kant. Maar het is even onjuist een zaak te financieren uit de belastingpenningen van één jaar of een paar jaar, indien het nut zich uitstrekt over veel meer jaren, dan wanneer men leent voor iets dat zeer spoedig versleten is of een jaarlijks terugkeerende uitgaaf is. Dat, boude men wel in het oog. Men zorge slechts, dat de leening is afgelost voordat — menschelijkerwijs gesproken — het bezit versleten is of de nuttigheid heeft opgehouden te bestaan of al te zeer gedaald is. Maar ook in dit opzicht is het toezicht van Ged. Staten ruim voldoende, al zal een misrekening hier en daar op een bepaald punt niet kunnen uitblijven. Leenen is voor openbare lichamen dus een zeer gewoon verschijnsel. De buitengewone uitgaven mogen (en moeten als regel) uit buitengewone middelen (d.zi leeningsgelden) worden gevonden. Dit is een stelsel; niets meer en niets minder. Wat „buitengewoon” is, daarover kan in concrete gevallen worden getwist, voor zoover het kleinigheden be treft Ook de grootte van, de gemeente is daarbij van invloed. Maar wanneer men gemeenten van ongeveer gelijke grootte naast elkaar zet — zooals wij zullen doen, — houdt ook dit laatste bezwaar op Men heeft wel eens gepropageerd om leeningen zooveel mogelijk te voorkomen, door „fondsen” te vormen. Op beperkte schaal kan dat aardig zijn, doch de snelle ontwikkeling van de maatschappij zou bij een consequente toepassing hiervoor noodig doen zijn een helderziendheid, waarover ook geen gemeentelijk bestuurder beschikt, al meent men soms daaraan de onmogelijkste eischen te mogen stellen. Het hier bedoeld hulpmiddel om vooruit voor bepaalde doeleinden fondsen bijeen te brengen, komt in zijn werking neer op het heffen van belasting voor kapitaalvorming (niet ten behoeve van de tegenwoordige belastingbetalers en hun nageslacht. doch ten behoeve van het geheele komende geslacht, d.w.z. van alle toekomstige belastingsbetalers) en kan dus in den gemeentelijken financieelen dienst slechts in zeer beperkte mate toepassing vinden. Een leening is vrijwel altud noodig voor de uitvoer irng van eem werk van eenigen omvang, wil men niet in het jaar waarin de uitvoering plaats heeft een — geheel onbillijke — adnormale belastingverhooging opleggen. Het sluiten van zoohi leening komt dus eenvoudig neer op het verdeelen van den last over meerdere jaren, waarift. mèn ook profijt trekt van de uitgaaf. Daarvoor is maar één middel: leeniing en dat zulks rente kost kan worden betreurd, maar niet voorkomen. In die verdeeling zit niets onbillijks. Voor de toekomstige belastingbetalers doet de overheid reeds genoeg, als zij al het mogelijke verricht voor de geestelijke en materieele opheffing van de bevolking, waardoor de draagkracht toeneemt. Regeeren, is voorzien. De tegenwoordige bestuurders dienen de mogelijkheid te schoppen voor een gestadige uitbreiding van alle cultureele ontwikkeling. Die preventie is een kenmerk van elke overheid, welke een zekere ontwikkeling heeft bereikt. Zij berust op de technische methode ter bevrediging van collectieve behoeften, waarbij, in tegenstelling tot de oudere vormen, de kapitaalfactor domineert en in, het, bijzonder het vaste kapitaal in het geheele maatschappelijk proces een steeds belangrijker plaats gaat innemen. Men streeft er naar om storingen in het staats-, rechts- en economisch leven zooveel mogelijk te voorkomen door algemeene en behoorlijk georganiseerde voorzieningen, welke echter zelve weer omvangrijke en kostbare kapitaalsvoorzieningen vragen. En wat is er nu billijker dan dat zij, die in volgende belastingjaren van de gedane uitgaven profiteeren, daaraan naar verhouding bijdragen? Terecht wee® Prof. van Gijn er dan ook kortgeleden op, dat men geen reden, heeft om te klagen over door vorige geslachten nagelaten, schulden, waartegenover tegenwoordig genot staat, en zulks te minder omdat de draagkracht sterk is toegenomen; dat het voldoen — zooveel als ©enigszins mogelijk is — van kapitaals-uitgaven uit den gewonen dienst (d.w.z. ten koste van de belastingpenningen van een bepaald jaar) zoude leiden tot een kapitaalvorming door publieke lichamen tot in het ongerijmde en het opleggen van lasten aan de ingezetenen, die de particuliere kapitaalvorming zeer sterk zou belemmeren en dat het van geen goed inzicht getuigt, te meenen dat elke generatie burgers van een publiek lichaam de kapitaalgoederen moet leveren en betalen die de volgende generaties noodig hebben en dus zich offers zouden moeten, opleggen in den vorm van hoogere belastingen dan noodig zijn om de diensten die zij zelf van dat lichaam genieten, te moeten betalen. Het vorenstaande ter verdediging van, de constante leeningspolitiek van alle openbare lichamen. Nu kan men alü es overdrijven, men kan ook te veel leenen, waardoor dan wel dé gemeenschap bezittingen! krijgt of het genot van iets, maar waardoor tevens rente en aflossing een te zware last worden. Waar geklaagd is over den, zwaren schuldenlast hier, zullen wij Hoorn in dat opzicht eens zetten naast verschillende andere gemeenten. Omdat elke gemeente — van een bepaald type — eenzelfde taak heeft en met ongeveer dezelfde moeilijkheden heeft te kampen, (waardoor die moeilijkheden voorloopig blijven bestendigd, hebben wij in ons vorig artikel aangetoond) kan het ,geoorloofde” van zekere „schuldenlast" voorshands ook alleen naar een dusdanige vergelijking worden* beoordeeld, al zijn wij er geenszins blind voor, dat plaatselijke omstandigheden* (als ligging b.v. ten opzichte van de rioleering, het bezit van veel oude gebouwen, een zeer dicht aaneengesloten bebouwing, een druk verkeer over veel gemeentelijke straten, wegen en kunstwegen* ad.) ook hier een rol kunnen spelen. Eerst weer eenige klein-stedelijke centra, die we zoo ongeveer naast Hoorn mogen plaatsen: Tnralp Si.hu den' SKtS tff W-ÏS ' Wtt 'sssSf yjr ' **'»“* es% aeilJ duizenden) 1. Hoorn 888 2155 213% 1242 140% Assen 1294 4918 380% 2003 155% Sneek 973 2146 221% 1205 124% Meppol 798 2752 345% 1647 206%’ Goes 047 2838 138% 1282 198% gemiddeld 325% 165% Gemakshalve zijn genomen de leeningscijfers van 1925, maar dat maakt voor deze vergelijking natuurlijk geen verschil. De schulden* voor woningbouw zijn afzonderlijk aangegeven, aangezien deze — door den grooten drang in den* oorlogstijd om in de nijpende woningbehoefte te voorzien — feitelijk zijn te beschouwen als verplichte schulden*, waar dan de waarde der woningen tegenover staat. Het zal den lezer opvallen* dat Hoorn, gelukkig, aan den lagen kant staat. Nu volgen weder eenige. steden) van wat minder beteekenis als centrum: II. Winschoten 1.051 3283 312 % 2527 240% Veendam 907 3383 373% 1979 218% Rijswijk 758 2314 305% 1140 218% Wageningen 881 4115 467% 1991 226% Enkhuizen* 587 1350 230% 679 116% Hoogeveen 527 1276 242 % 832 158% Steenwijk 494 2141 433% 1184 240% Hoogezand 488 1378 282 % 740 152% Katwijk 474 1776 375% 1010 213% Weesp 410 1319 322 % 588 143% gemiddeld 334% 186% Er mogen ook hier frappante verschillen blijken, het gemiddeld percentage wijkt niet zoo heel veel af van groep 1. De kleinere stedelijke gemeenten, hier bedoeld, zijn er, wat de leeningen betreft, dus vooral niet voordeeliger aan toe dan de iets belangrijker zustergémeenten. Ook de zniver plattelandsgemeenten en de halfplattelandsgemeenten van eenige beteekenis zijn lang niet zonder schuld, zooals hieronder blijkt: III. Ede 1090 4840 444% 1830 168% Haarl.meer 852 2542 298 % 2187 257% Alphen a/d Rijn 708 2294 324% 1342 189% Sliedrecht 681 2759 405% 1354 199% Nieuwer Amstel 593 1743 294 % 782 132% Ridderkerk 562 3068 546% 758 135% Tietjerksterad. 516 1385 268% 1009 196% Wijmbritserad. 438 884 202 % 639 146% Steenbergen 275 1151 419 % 602 219% gemiddeld 356% 182% Het resultaat is* hier een merkwaardige overeenstemming met groep II. Van de groepen II eh III blijkt derhalve het percentage (ten opzichte van het begrootingstotaal) zoowel van alle leeningen* als van het leeningsbedrag na aftrek van de woningbouwleeningen, te liggen boven dat van groep I. Om onze vergelijking te toetsen aan eenige grootere gemeenten, nemen* we t*en* slotte een drietal stedelijke gemeenten en een half-stedelijk gemeente van wat meer omvang: IV. Alkmaar 2867 7366 257 % 4590 160% Velsen 2199 7468 339 % 2999 136% Vlissingen* 1386 3629 262 % 2011 145% Roermond 1003 6520 650 % 4458 444% gemiddeld 286% 147% (zonder Roermond) Deze gemeenten staan er (uitgezonderd Roermond) — ook in verhouding tot hun draagkracht — beduidend veel beter voor dan die van de groepen II en III. Het gemiddelde vertoont meer overeenstemming met het percentage dat wij voor Hoorn vonden. En van al de 27 gemeenten (Roermond is ook hier buiten beschouwing gelaten*, omdat daar de schuld abnormaal hoog is) bedraagt het percentage (ten opzichte van de begroeting) voor alle schulden 334% en voor de schulden na aftrek van de woningbouwleeningen 176%. Voor Hoorn was het resp. 243% en 140%. Ook in dit opzicht bestaat dus voor een sombere voorstelling geen enkele reden. Hoorn gaat met baar tijd mee, doch het is er verre van, Dat rente en aflossingen vrijwel overal drukkend zijn, het kan niet worden ontkend, doch — wij toonden het den vorigen koer reeds aan — zoolang mende gemeenten belet om op meer reëele wijze dan thans aan de noodige middelen, te komen, zal zulks voorloopig zoo blijven. Ten gerieve van de Redactie van de N.H.C. deelen* wij nog mede, dat in de schulden van Hoorn een bedrag van f 289.600.-— begrepen is voor de productieve bedrijven, (gas- en electr. bedrijf), weike, naar matige raming, thans zeker alleen ai het driedubbele waard zijn. Ais slot moeien wij de Red. van de N. H. C. nog weder even terecht helpen. Hel betreft het onderschrift onder ons vorig artikel („Ons aanslagbiljet"). Voor zoover het ons- betreft, had d*e Red. voornoemd opgemerkt: le. dat het suggereerend staatje (betr. de secretarie) der Vrijz. Dem. bestuuraeren de waarheid bevatte; dat wij meenden dat die cijfers niet deugden en dat wij hun officieele cijfers nooit, hadden ingezien; 2e. dat bij een nieuwen opzet van de secretarie meer eenvoud zou kunnen, woruen betracht en een juistere bezetting ware te verkrijgen. In antwoord hierop diene: le. dat wij die cijfers nimmer hebben, aangevallen en (let wel! alleen de cijfers) steeds voor juist hebben gehouden, doch dat ze in hooge mate suggereerend waren door de ten eenenmare foutieve vergelijking, zooals wij in ons artikel van 17 Jan. volaoende hebben aangetoomd. De gegeven voorstelling van zaken — bij herhaling deugdelijk verklaard — was niets minder dan misleidend. En wat die inzage betreft.. ... och, de Red. weet thans zelf te goed, dat wij over een zee van gegevens beschikken en werkelijk niet bij een* der Vrijz. Dem. Bestuurders behoeven te zijn om een stuntelig staatje te controleeren. 3) 2e. dat bij een nieuwen opzet van de secretarie geen mindere bezetting, kwalitatief en kwantitatief verantwoord zou zijn. Ons uitvoerig overzicht bewees in eik opzicht, dat Hoorn, verhoudingsgewijs, vooral niet meer voor administratie uitgeeft dan, de overige gemeenten. Wij hebben gevraagd een deskundige aan het woord te laten en herhalen dat thans, nu men opnieuw — na ons gedocumenteerd artikel — op deze zaak terug komt. Wil de Red. van de N.H.C. daaraan niet voldoen, dan ontheft zulks de, adresseerende Vrijz. Dem. bestuursleden geenszins van den,zelfden plicht, die ook op hen blijft rusten. 4) De Redactie van de N.H.C. — die zich in haar no. van 4 Dec. 1926 nog erg nieuwsgierig toonde naar de samenstelling onzer begrooting, ook in verhouding tot andere gemeenten — deelde voorts mede, weinig studielust meer te hebben. Dat doet wel eigenaardig aan, nu we juist zijn, begonnen, aan de hand van de meest betrouwtbare gegevens een systematisch overzicht te geven* van alles wat ten deze voor den met zijn stad medelevenüen burger van belang is. En het is een veeg teeken vooral voor hen, die meenden dat bedoelde Redactie zich althans wel eenigszins van den toestand elders op de hoogte zou hebben gesteld vóór zij — vaak positief — haar critiek vrijmoedig gaf ten aanzien van alles en nog wat. De reactie komt wel snel na den aanval, evenals bij de Vrijz. Dem. bestuurderen,, die thans, ondanks onze herhaalde sommatie, blijven zwijgen in alle talen. “) Het Bestuur van de afdeeling Hoorn van het Nationaal Verbond van gemeenteambtenaren in Nederland, DOORNBOS, Secretaris. H. J. RODENHUIS, Secretaris. 1) Hebben wij het niet oveir gehad, alleen over de tastbare eigendommen, waarvoor men de straten zou kunnen taxeeren in doorsnede. ") Op een vraag van den heer Bekaar werd een staat van bezittingen toegezegd en daarnaar verwezen we. ' 3) Dan ware het beter geweest aan dergelijk stuntelig geschrijf geen aanstoot te nemen. De heeren toonen, met zich op allerlei zijpaden te begeven, dat zij niet de werkelijke beweegreden van de adresseerende afd. V. Dem. hebben begrepen. 4) Dat moeten natuurlijk de V.D.-ers weten, maar voor ons geldt altijd nog: bezetting ter secretarie kost in Hoorn in doorsnee anderhalf maal zooveel als elders. 5) Waarmee ze tegenover de verdedigers van eigen parochie o.i. groot gelijk hebben. We geven hierbij tevens onzen wensch te kennen, deze stukken óf te bekorten óf na te laten; er is ook nog iets anders te vermelden dan over deze zaak. Red. N. H. C. --- Blokker. Donderdag 10 dezer vergaderde de Raad der gemeente Blokker. Voorzitter burgemeester Oostveen, tevens sjecretaris. Afwezig de heer Lange. Alvorens de agenda in behandeling wordt genomen spreekt de voorzitter een toepasselijke openingsrede uit, in verband met de eerste vergadering in 1927, waarin hij raadsleden en pers dankt voor hunne medewerking en wegens de objectieve beschouwing van het verhande.de hier. In verband met het teneinde loopen der 4-jarige zittingsperiode overziet de voorzitter wat er alzoo door den Raad in de afgeloopen 4 jaar is besloten en gedaan. Hij ziet in de besluiten, die genomen werden, belangrijke stappen in het belang voor de ■ gemeentenaren, nu en in de toekomst. Met een beroep op een blijvende medewerking 1 en prettige samenwerking in dit jaar, verklaart de voorzitter de vergadering voor geopend. Wethouder Deken spreekt namens den Raad eenige hartelijke woorden aan het adres van den voorzitter, aan wiens practische leiding en door z’n humaan en vriéndelijk optreden tegenover geheel de burgerij het te danken is, dat Blokker er op kan bogen te zijn een bloeiende gemeente. Hij wenscht den burgemeester toe, dat God hem de kracht moge geven voort te gaan op dezen goeden weg en Z.Ed. nog lang met z’n tactische leiding aan het hoofd der gemeente mag staan. Daarna volgt voorlezing der potuien, welke on' gewijzigd worden vastgesteld. Ingekomen stukken: a. Dankbetuiging van de vereeniging voor pluimveeteelt in West-Friesland voor de verleende subsidie. b. Dankbetuiging van de Nutsvereeniging voor de verleende subsidie. c. Schrijven van de heeren Bosstad en J. Smit, waarin zij vragen verbetering in den toestand van de Koe wij zend. d. Proces-verbaal kasopname. Boeken en bescheiden acooord bevonden. e. Goedkeuring van Ged. Staten inzake het besluit tot verhuring woningen der hoofden van de lagere scholen. f. Van Ged. Staten de mededeeling, dat de lesrooster is goedgekeurd, waarbij vrije- en orde-oefeningen niet meer zullen worden onderwezen. De stukken worden voor kennisgeving aangenomen. Betreffende het schrijven van de heeren Bosstad ten Smit zal nader overlegd worden. 2. Voorstel om subsidie door ijsclub de Bangert. B. en W. stellen voor afwijzend te beschikken* omdat, indien tot toekennen wordt besloten, ook de andere ijsclubs zuilen komen en de financieel» toestand laat dergelijke uitgaven niet toe. Aldus besloten. 3. Voorstel tot wijziging begroeting, dienst '27. De wijziging behelst uitsluitend administratieve bepalingen. Goedgevonden. 4. Benoeming van een lid van het fonds „de, Boo tsge zeilen beurs ’ ’. Herbenoemd wordt de heer C. Deken. 5. Vaststelling van de rekening van het fonds „dé Bootsgezellenbeurs”, dienst 1927. De rekening voor het jaar 1926—1927 sluit in ontvangst op f1046.06, in uitgaaf op f 646.451/3, batig saldo f 399.601/2Dit bedrag wordt gereserveerd in verband met de plannen die er bestaan het Unjerpad te bestraten. D*e rekening wordt vastgesteld. 6. Voorstel tot verhooging der leening, aangegaan ter bestrijding der kosten reorganisatie brandweer. Indertijd werd besloten een geldleening aan te* gaan, groot f 5000, ter bestrijding der kosten, verbonden aan een algeheele reorganisatie van de brandweer, terwijl werd medegedoe-d, dat verschillende kosten een overschrijding van dit bedrag mogelijk zouden maken. Met inbegrip van de aangeschafte kleeding, bedragen de kosten thans f 5600. 7. Voorstel tot het verstrekken van een subsidie aan d*en brandraad voor 1927. Besloten wordt de geldleening met f 600 te verhoogen. Op de begrootdng is een subsidie voor den brandraad uitgetrokkem van f 400. B. en Wj. worden gemachtigd nog een subsidie van f 200 te verstrekken. 8. Voorstel tot opheffing van de beide Oi. L. scholen en tot het bouwen eener nieuwe school. De O. L. school te Ooster-Blokker telt op ’t oogenblik 36, die te Wester-Buokker 38 kinderen. Aan beide scholen mag dus alleen het hoofd werkzaam zijn als verpachte leerkracht. Omdat op 1 Juli '24 aan beide scholen nog een leerkracht werkzaam was, mogen deze daaraan verbanden blijven, to.dat zij de schooL verlaten. De gemeenteraad behoudt de bevoegdheid zelf een leerkracht aan te stellen bij eventueel ontslag, doch krijgt daarv-oor geen rijksvergbeding. De gemeente kan dus, in een dergelijk geval voor de keus komen te staan, een leerkracht te benoemen, in welk geval ook dé andere openbare schooi en de R.K. school recht hebben op een leerkracht, of de scholen in de toekomst eenmans-scho.en laten worden, hetgeen zeer in het nadeel van het onderwijs is. Dit is het voornaamste motief, waarom B. en W, komen met het voorstel tot opheffing der beide lagere scholen en daarvoor in de plaats te bouwen een nieuwe school voor beide dorpen. D*e heer De Boer heeft het voorstel rfiet met blijdschap ontvangen. 'Hij had den ouden toestand gaarne gehandhaafd gezien, doch de motieven, die ook B. en W. hebben geleid tot opheffing der bestaande onderwijsinrichingen en het stichten van een nieuwe school, zijn zoo duidelijk én gegrond, dat de heer De Boer zich niet blijvend kan verzetten en voor het voorstel van B. en W. zal stemme: Ook de heer Water had bestendiging van den bes taanden toestand ge wenscht geacht; doch ook hij was gezwicht voor de bezwaren, en bet belang van het onderwijs in bet oog houdend, wat met eventueele verlaging tot eenmans-scholen zeker niet gebaat zou zijn, sluit hij zich aan bij de redeneering van B. en W,. en zal voor het voorstel stemmen, De heer Schaper vraagt hoe hoog de kosten van eventueele restauratie zouden zijn. Hierover kan de voorzitter hem géén cijfers noemen, omdat dit bij indiening van het voorstel het zwaartepunt niet was. Den heer Dudink verheugt het, dat dit voorstel ter tafel komt, hetgeen volgens hem een stap in de goede richting is. Hij was het, die bij het besluiten tot den bouw van een nieuw raadhuis, reeds in deze richting den wensch had uitgesproken. Het voorstel wordt met algemeene stemmen aan** genomen. 9. Voorstel regelende de ijfaing der meters van het G. E. B. t Met 31 Dec. 1925 eindigde het contract mtet de fa. Schoiten en Pijper te Hoorn, betreffende het ijken der meters G. E. B. Tengevolge van allerlei omstandigheden werd in 1926 geen voorstel gedaan be.reffemée meterijking. Met de commissie van bijstand in bet beheer van het G. E. B. achten B. en W. het noodzakelijk! het ijken der meters geregeld voortgang te doen hebben. Door de fa. Kraak te Hoorn, den heer J. Belten te Blokker en den heer G. J. Klesser te Castricum zijn met dit doei aanbiedingen gedaan. De meerderheid der commissie (de heeren P. de Boer en C. Dudink) willen het werk (telkens voor één jaar) opgedragen zien aan de fa. Kraak te Hoorn, terwijl de minderheid (da heer C. Schouten) het werk zou willen doen verrichten door den heer J. Bolten (de kosten der meterijking zullen bedragen f2.50 per stuk per jaar). De heer Schaper vraagt of de genoemde heeren, bekwaam geacht worden ? Als dat bet geval is, dan zou hij de voorkeur geven aan een ingezetene. De voorzitter zegt, dat er tegen den ingezetene bezwaar is gemaakt, omdat deze administrateur is en het, in verband met de controle, dus niet de geschikte persoon werd gevonden. De heer Schaper vraagt of ijken noodzakelijk' is. Hij vindt de kosten nogal hoog. De voorzitter antwoordt, dat het niet noodzakelijk is, doch dat het belangrijk is wordt wel bewezen uit het feit, dat een stad als Amsterdam een speciale dienst heeft op dit gebied. De gemeente kan, zonder ijken, dus zonder controleerden, schade lijden. Het voorstel van de minderheid wordt daarna in stemming gebracht en verworpen met de stemmen van de heeren Schouten en Schaper voor. Het voorstel der meerderheid wordt aangenomen met de stemmen van genoemde heeren tegen. 10. Voorstel tot het ver leenen van een gratificatie voor verrichte nachtdiensten door de politie. De heer Schaper vraagt waarvoor die jaarlijksche gratificatie is ? VoorziLer antwoordt, dat dit betreft de extranachtdiensten. De heer Schaper stelt voor de gratificatie van f 25 op f 10 per persoon te brengen'. De heer Deken wijst op de groo.e activiteit van de politie te Blokker en pleit voor de voorgestelde gratificatie. De heer De Boer onderschrijft de meening van den heer Deken. Men moet het waardeeren, dat de heeren agenten zóó goed voor de veiligheid wakien. De heer Schouten vindt da gratificatie heelemaal niet hoog, als het hier werkzaamheden betreft buiten het gewone dienstverband om. Het voorstel van B. en W„ wordt aangenomen (met alleen de stem van den heer Schaper tegen. 11. Voorstel tot aansluiting1 bij de veteemging van Zuiderzesgemeentan. B. ©n W.. stellen voor tot lid van bovengenoemde vereeniging toe te treden tegen een jaarlijksche contribu.ie van fro (de minimum-contributie beidraagt f7.50). De heer Dudink vraagt of die contributie voor elke gemeente gelijk is ? Voorzitter deelt mede, dat het minimum f 7.50 is, doch de contributie afhangt van het aantal zielen, (maar vooral van het belang., dat een gemeente hij de droqgmaking heeft. De heer Schouten vraagt of man lid wordt voor het mi ïimum-bedrag Van f7.50, of steunt ïnen de vereeniging met jaarlijks f 1 o ? In het eerste geval zou ttte.t eventueel genoegen moeten nemen met J contributieverhooging. Voorzitter antwoordt, dat die gevolgtrekking niet juist is. Men kan toch ten allen tijde bedanken. De heer Deken is. voor aansluiting, overtuigd van het groote belang, dat elke gemeente bij het) Zudderzeevraagstuk heeft. Tenslotte wordt het voorstel aangenomen. 12. Voorstel tot wijziging der keur ings verorde ning voor Waren en een nieuw art. 4 a toe te voegen, luidende: „Het is verboden melk te verknopen met een vetgehalte lager dan 2.75%. B. en W. verzoeken machtiging aan de Kroon op grond van art. 15 5e Md der Warenwet, toestemming te vragen tot het stellen van dien eisch. De heer Schaper vraagt hoe de controle geschiedt ? „Zooals gewoonlijk”,, zegt de voorzitter, terwijl hij een nadere toe iehing van de Warenwet geeft. De heer De Boer meent, dat melk met een lager gehalte dan 2.75%, waard is af gekeurd te worden en is dus voor de verordening. De heer Schouten is van moening dat men, als het niet nood ig is, geen wettelijke bepalingen meer in het leven moet roepen. Op het laatst mag een mensch niet meer het hek uit loopen, wanneer hij wil, of rooken, als hem dat goeddunkt. De heeren Dudink en De Boer komen nog eens voor de belangen ,,an de consumenten op. Ook de heer Deken noemt het minimum vetgehalte van 2.75