Een blik rondom. Het is wijlen De Genestet niel alleen, die zich met zijn: 4 „O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen, Doorsijperd stukske grond, vol killen dauw en damp" i bleek te ergeren over de kille Vochtigheid van ons klimaat en den nevel, die er zooveel dagen en weken de zon voor ons verbergt. Ik heb een onzer bekendste letterkundigen van onzen tegcnwoordigen tijd Holland eens hooren karakteriseeren als de kelderverdieping in de woning der menscliheid, die de wijde wereld is. Het is allicht in zijn overdrijving niet heelemaal rechtvaardig'. We hebben het vorig jaar een zomer, gehad van zon en helderheid, die ons menigen mistigen, voclitigen winter en natten zomer kan doen vergeten. En bovendien, wij zijn het toch niet alleen, die van deze neveligheid en vochtigheid van Noordwest-Europa profiteeren. Juist in dezen winter worden we het gewaar, dat tot ver naar het Zuiden het Noordzeeklimaat zijn grillen doet voelen en een groot deel van Europa maanden aaneen in de ondoordringbaarheid van een niet aflatenden regen hult. Dat wij daarvan rijkelijk ons deel. krijgen, spreekt toch wel vanzelf. Op 30 December van het afgeloopen jaar werd aan het Koninklijk Meteorologisch Instituut te De Bilt reeds de grootste regenval geconstateerd, die ooit sinds het begin der waarnemingen in 1849 voor die maand was opgeteekend. Het bedroeg 152.8 m.M. in December 1854, 121.8 m.M. in December 1891, maar het vorig jaar, nog voor de maand geheel ten einde was, 155 m.M. Het is niet enkel het gevolg van dien abnormalen regenval, dat we in den oogenblikkelijken watersnood te verduren krijgen. De abnormaal zachte winter heeft de sneeuw op de bergen doen smelten, waardoor alle rivieren abnormaal gezwollen zijn. In Duitschland, Frankrijk, Engeland, België zijn ze dan ook overal buiten haar oevers getreden en hebben enorme schade en ellende ï - X r-v „ norronval ïïPpft. H i P veroorzaakt. De buitengewone regenval heeit die * watermassa's nog in belangrijke mate vermeerderd. En zoo is het begrijpelijk, dat ons land, dat ook de \vaterafvoerplaat3 een groot deel van West-Europa kan gelden, langzamerhand in een meer veranderd wordt. Groote en kleine dijken zijn doorgebroken. . En aan de Maas in Noord-Brabant, langs Rijn en Waal, ÏJssel en Lek, in Friesland en Zuid-Holland langs Vecht en Berkel en Regge en andere kleine rivieren, aan kanalen en vaarten, overal hebben de geweldige watermassa’s de lage landen overstroomd, huizen verwoest en huisraad meegesleurd en de bevolking vluchtend opgejaagd in angst voor het levensbehoud. Het Is een beeld van ellende overal. Maar te midden van die ellende, over de ondergeloopen landen en langs de verwoeste dorpen en boerde rijen, gaat daar onze Koningin, als liet vorstelijk symbool van de helpende liefde en de erbarming. Neen, het is niet noodig, dat ze in Utrecht, of waar dan ook, Oranjevereenigingen oprichten tot verdediging en bescherming van ons vorstenhuis. Dat huis heeft zich zelven de hechtste verdediging geschapen in de harten van het volk, waarmee het zooveel eeuwen lang alle leed doorstreden heeft. Zonder Oranjevereenigingsmannen gaat onze Koningin de provincies door. En wanneer iemand liaar kleed ziet aanraken, dan zou het alleen in eerbiedige hulde zijn voor het medelijden en de erbarming, die in haar hulp als verzinnebeeld staan. Want vhn overal hebben de menschen en corporaties zich opgemaakt om de zoo hoog noodige hulp te brengen. Het is nog zoo kort geleden, dat we werden opgeroepen om de dooi den cycloon, in Gelderland en Noord-Brabant vernielde dorpen en stadjes te hulp te komen. En het is daarom wel een zware eisch, die in dezen tijd van crisis en malaise aan het medelijden van ons land gesteld wordt, nu nog erger verwoestingen het land teisteren. Van buiten af kunnen we geen hulp verwachten. De ons omringende landen worden zelf geteisterd. Met eigen krachten moeten we het dus klaarspelen. Maar het moet. En als het moet, dan staat ons volkskarakter ons borg, dat het ook gebeuren zal. Dan klemmen we de tanden op elkaar, als onze voorvaderen de eeuwen door in hun strijd tegen het water gedaan hebben en pakken aan. De Koningin zelf en de Prins zijn ons voorgegaan. Dit maakt het volgen gemakkelijk. Het heet, dat ook de ministerraad aan dit onder werp al een buitengewone vergadering heeft gewijd Is het niet een beeld van trouwe plichtsbetrachting? Wie zou denken, dat de regeering in dezen tijd nog voor iets anders gedachten had, dan hoe ze zelf hel voege lijf moest redden? Niemand kwam dan op de gedachte van den watersnood en ieder bracht de buitengewone vergadering in verband met Dr. De Visser’s pogingen. Maar ditmaal bleek er iets zelfs sterker dan de politiek. Het schijnt trouwens, dat de heeren ministers zich niet druk meer behoeven te maken. Colijn, zegt men. keert terug met al zijn getrouwen. De gerezen moeilijkheid zou dan opgelost worden door de benoeming van een gezant te Weenen, die tevens gezant bij den Paus zou zijn. Men zou zoo zeggen, dat hiervoor al die drukte en de maandenlange stagnatie en de twist en de tallooze krantenartikelen en interviews toch eigenlijk niet noodig waren geweest. Maar in het politieke leven gebeuren meer dingen, die men niet begrijpt en men doet verstandig daarvan ook maar geen verklaring te geven. Het eenige, wat we nu nog wel graag zouden willen weten, is, hoe het clan verder met het Nederlandsch-Belgisch verdrag zal gaan, dat deze regeering ontwierp. We hebben nu pas een handelsverdrag met Duitschland gekregen, waar we niet te veel zij bij zullen spinnen. Maar dit tractant met België wordt toch een te groote strop. --- Reisindrukken. in. , Sneller dan de raven van Wodan”. ’t Schaatsenrijden zit den Fries in ’t bloed. Een kenmerkend verschijnsel, dat men in wintertijd reeds kinderen van vier, vijf jaar achter hun stoeltje op ’i ijs ziet scharrelen op hun kleine „rederkjes". Uit deze jeugdige liefhebbers ontwikkelen zich nu als vanzelve de schaatsenrijders van professie, vooral op het gebied van hardrijden en het maken van geweldig verre tochten. ’t Schijnt namelijk dat de Duitsche en Angelsaksische stammen meer uitmunten in het schoonrijden: het vormen van sierlijke figuren op de ijsbaan, terwijl de Friesche stammen van oudsher zijn geweest de hardrijders bij uitnemendheid. 't Is echter interessant eens de oude geschriften na te bladeren en daarin te lezen van de roemrijke verrichtingen van onderscheidene Friezen en Friezinnen op de schaats. Zoo vinden we als beroemden Eiiescben rijder uit vroeger dagen vermeld Atze Geerts, welke leefde in de eerste helft der vorige eeuw en wien men om zijn geduchte snelheid op de schaats den bijnaam had gegeven van „de ijzeren vVjuk" (de ijzeren vleugël). Of men vertelt U van den beroemden hardrijder Jkke Wijbes van den Berg, een eenvoudig landbouwer van beroep, wiens zonen en doenteren alle uitmuntten in enorme snelheid op de dunne ijzers. Okke Wijbes! — Hoe vol trots verhaalt de Friesche kroniekschrijver van hem, dat hij in 1879 bijna alle eerste prijzen op de korte baan (160), waaronder zelfs twee prijzen van 200 en 250 gulden, op de baan te Amsterdam gewonnen. Deze Friesche rijder was beroemd tot ver in het buitenland en herhaaldelijk bereikten hem van uit len vreemde uitnoodigingen om daar te komen rijlen. Zoo ontving hij verschillende invitaties tot deelleming aan wedstrijden te Londen. Maar Okke weigerde steeds met groote beslistheid. Zooals ik reeds opmerkte, waren ook zijn kinderen uitmuntende hardrijders. De jonge Pieter Jelles Troelstra, destijds nog student, wijdde in 1881 zelfs een aardig gedicht „Oan Thijs en Trijntoje van den Berg", welke bij een hardrijderij voor paren roemvol uit het strijdperk waren getreden. Naast verbazend snelle rijders waren de Friezen ook steeds geweldige springers op de schaats. Een hunner was de bekende Adam, welke in den volksmond gewoonlijk „Adam hirdrider" (hardrijder) werd genoemd. Op één zijner beroemde tochten langs oen der breede boezemwateren van Friesland, ziet hij zich eensklaps bij de zoogenaamde „Oude Schouw” te Akkrum geplaatst voor een zeer breede vaargeul in het ijs, opengehakt voor overvaart van •oen veerbootje. Deze „zool" had een breedte van 14 voet; voeg daarbij de daarnaast opgestapelde schorsen ijs, dan komt men tot een afstand van ongeveer 20 voet. „Adam hirdrider" versnelde eensklaps nog ijn vaart, nam een enormen sprong en kwam aan de overzijde in veiligheid. Een andere springer van professie was Wijbren Koopmans, brugemeester van Bolsward. In volle vaart rijdende per schaats naast een arreslede in j draf, verhief hij zich plotseling en sprong dan dwars over paard en slede heen. Als een voorbeeld van groote snelheid en geducht uithoudingsvermogen vinden we nog vermeld, dat lezelfde burgemeester-schaatsenrijder in den strengen winter van 1763—1764 een brief van stadhouder Willem IV te den Haag naar diens moeder Maria 'de bekende Maryke Mui) te Leeuwarden bracht. Deze tocht geschiedde in één dag via Enkhuizen— Stavoren over de Zuiderzee, een afstand van ongeveer 39 ft 40 uren gaans. De groote gebeurtenissen in wintertijd zijn in Friesland echter de geliefde hardrijderijen op de korte haan: van mannen, paren of ook wel van vrouwen. Van heinde en ver komen dan de beroepsrijders naar de plaats van den wedstrijd om te dingen naaide flinke prijzen, meestal bestaande uit contanten. Tedere hardrijder heeft gewoonlijk een tweetal of meer paren schaajsen bij zich, Waarvan de ijzers verschillen in breedte, al naar gelang van de gesteldheid van het ijs. Bij spiegelglad glashard ijs gebruikt men de schaatsen met smalle ijzertjes; bij dooi weer en zacht ijs die met breede ijzers, om het insnijden zooveel mogeliik te voorkomen. Het wedstrijdterrein is natuurlijk met vlaggen en wimpels versierd; de muziek vroolijkt. het feest op ’ a en honderden bij honderden bewegen zich op de g „bijbaan" om getuige te zijn van den meest span- V; nenden wedstrijd. n Zooals we reeds opmerkten komt men uit de om- | tl liggende dorpen Liet volksfeest bezoeken. Zoo terecht e zingt Le Francq van Berkhey: v g „Kom, mijn Gloorroos! Laat ons rijden