Hebt gij reeds kennis gemaakt met het aangrijpende -/erhaal: DE KAPITEIN VAN DE ZWARTE GIER Ir. p. p. 1 MO. K.l/. FUTURE-LEIDEN --- PERS-KRONIEK OPGESCHROEFD. ! In het Alg. Weekblad geeft Dr. 1. A. von der Hake toe, dat er te veel studenten zijn, verwijt de ouders, dat zij veel te snel ep te graag hun kinderen naar de H. B. 8. èturen; wat natuurlijk ook wel een maatschappelijke oorzaak heeft, namelijk, dat «en nergens meer terecht komt zonder ftet einddiploma van een H. B. S. met Sjarigen cursus. . - j wil men daarvan nog bewijs, h|j neme Van /Vlameren's „Leidraad bij beroepskeuze" en leze daar eens na, wat men. ln iet bezit van het einddiploma, worden tan, of beter: zondes dat bezit niet worden tan. Het is vlakweg belachelijk. Ambten, tvaarvoor vroeger kunnen lezen, schrijven Én rekenen voldoende was — en ook nu natlunrlljk in werkelijkheid nog voldoende js — bereikt men niet zonder het einddiploma van de H. B. S. Dan gaat de schrijver na, hoe het loopt, tls de H. B. S. voor zoonlief is uitgezocht. Oocd, die vader doet zijn zoon op de H.8.5. —¦ aanvankelijk met geen andere bedoeling dan om hem later in zijn eigen zaak te nemen, Maar in de tweede, in de derde klas krijgt de jongen den smaak voor plantu» dierkunde ,voor scheikunde, voor wat ook te gakken. Een 8 jeen 9 op zijn rapport van den leeraar, die de liefde voor het vak weet bij te breiden. De jongen begint thuis «chuetl ter te praten over „studeeren". Vadcrtrots is gestreeld. Hij —• aanvankelijk ook nog Schuchter — naar den directeur. Die zegt: 5,Tja..... misschien zou 't Haan., nog eens zlen; zeker maakt de jongen' t aardig goed in dat vak". Vader thuis tot zjjn vrouw: j,De directeur i, er warm.voor, zegt dat Wjm een zeldzaam knappe jongen is", En ** besluit is klaar. Over het financieeïe» bezwaar wordt beengestapt —¦ hoe 't kan M «nap je nlet, maar 't kan altijd (ik 'wéét geen spreekwoord zoowaar, als dat 't in Onderman» boeken duister lezen Is) dc univers.teNsstad is niet ver weg, met den treln» te bereiken en de hoogeschool is ten student in de chemie, in de biologie» Si de technische wetenschappen rijker... ar» toer? Veel hoogleerar^en zeggen 't laatste. Nu lijn die 0015 niet precies de ju;st« beoordeelaars. Want, das is nu weer een wonderlijke .peling van het lot: terwijl naar men zegt, het peil van de kennis op de middelbare school daalt, al maar daalt, rijst het voortdurend aan de academie. Verwijt men de middelbare school toe» hemende oppervlakkigheid, men kan de academie met evenveel recht toenemende ver» dieping verwijten Er zijn ongetwijfeld de patste jaren te veel middelbare scheien ge» «omen; maar er komen even oneetwilfeld . k veel bijzondere hooglceraren. DE AANVAL O? NET HUWELIJK. Onder dit opschrift schrijft de Standaard: - De heer Wibaut tracht in een artikel in „Het Volk" zijn standpunt tegenover het huwelijk nader uiteen te zetten. Hij haalt er van alles bij aan, dat met de zaak bed wei» nig te maken heeft, bijv. den vertrouweMcn omgang tusschen jongens en meisje, ia de socialistische jeugdbeweging. Hij beweertdat dit aankweeken van goede verhoudingen be» rustend óp onderling vertrouwen "blj de R.» Kath. en een belangrijk deel der „pwtestantsch christelijker!" word gemist. Hij adht, dat het in ' het belang der menschheid zoude «Is dit • vertrouwen, zich uitend ln socialistische jeugdkringea, den grondslag werd van de verhoudingen tasschen jongens eu meisjes Wij wenschen hiervan goe.d no,^ kwaad te zeggen. De ««.aai-demoeratz.chc ouders mogen hier toezien. Met de zaak waarom het gaat, de beschouwing van het huwelijk heeft het, als het goed is, en wij nemen dat aan» hoegenaamd niets unit te staan. De huweliMsbescZhouwmg van den beer Wi baut komt echter ook in dit artikel zeer Hoed uit. Hij zegt: „Voor ons & het huwelijk een overeen - komst tusschen man en vrouw, die geen ander doel heeft dan liet werkelijke geluk van hen zelf en van 'de kinderen, in de mate die de ekonomisehe omstandigheden zullen mogelijk maken, te dienen. „Uit deze opvattingen ten opzichte van het huwelijk spruit voort, dat wij buitenhuwelijksehe verbintenissen, die gedragen worden door genegenheid en waardeering tusschen vrouw en man, hooger stellen dan huwelijksche verbintenissen waar die grondslag it «aan ontbreken. 'M.t deze opvattin» vloeit ook voort, dat wij de moeder van net kznd, begeerd zonder huwelijk, uit liefde voor het kind!, met lager stellen dan de gehuwde moeder. Het it deze, het OhriiteM huwelijk be» dreigende gedachte, Waartegen wlj. gewaar» behuwd «hebben. Het gaat hier niet om een oordeel over enkele personen. Het Haat hier om «n der grondslagen van het leven. En alleen reedt dit antjchristelijk standpunt der 3oc,aal»de' mocrat.e maakt haar krachtige bestrijding noodzakelijk. --- FEUILLETON. De Gevloekte Toren. OORSPRONKELIJKE ROMAN. 6) — Is er hier dan een in de buurt? — Ja, mijnheer, Ik denk. een half uprtje van hier. Als we in rechte lijn naar den toren gaan, komen we bijna langs hem heen. — Zou. Hoe weet gij dat? Kent gij den man? — Ik heb zijn woning toevallig eens gevonden mijnheer, toen ik hier eens rondzwierf om te zien of er veel wild in de vallei was.. Er wonen in de vallei nóg een paar van die keine boertjes, op grooten afstand van elkander.. — Waar leven die menschen van? — Zij hebben wat akkers en weiland, mijnheer Zij verbouwen hun graan en bakken er zelf brood van. Dan houden zij «en koe en een paar varkens en een groot aantal kippen.. Met de eieren gaan tij drie of vier maal in de maand naar kankroeska. — Hoe ver is dat wel niet? — Zes ot zeven uur loopen, mijnheer, «enk ik. — Geen kleinigheid.. Gij kent den man Dlis? *— Ja, .mijnheer — Nu, dan kunnen we van middag, als we van den toren terugkomen, nog wel een uurtje jagen. We neMen dan vandaag dc helft mee en de andere helft kl nt gij en Paolo morgen gaan halen. — vat gaat heal goed, mijnheer, antwoordde Andreo. De Engelschman had intusschen naar den grijzen toren gestaard, droomcrlp zijn pijp ronkend. — Hoe oud zou die toren zijn? vroeg hij nu, peinzend. — De hemel weet het. Ik kan haast niet aannemen, dat hij werkelijk nog door de Romeinen is gebouwd. Maar In alle geval schat ik hem toch op meer dan vijftien eeuwen. Er kan daar heel wat gebeurd zljn in zulk «en langen tijd. — Zonder twijfeL En in die oude tijden nog wel, toen Schwarzenberg een doorgangshuis was voor allerlei zwerven de volksstammen I Ik wil Andreo wel ge» looven, als hij zegt, dat er verschrikkelijke dingen zijn gbeurd. — i tink _.o. Hoe laat wilt gij op stap gaan? Zullen we een half uurtje rusten., na onze lunch? ' — Rightso! Dan gaan we over een half' uur verder. Hallo, wat s dat? Zij hoorden heel ver weg oen vaag geluid — Het lijkt wel of een hond blaft, meende Silvolio. — Het is de hond van den boer, mijnheer. bevestigde Andreo. tiet is 'n waak- zaam enlastig dier. ik hem hem met de kolf van mijn geweer van me af moeten honden, toen ik er voor het eerst kwam. — Wat leeft zoon man toch eenzaam zelde de bankier. Zoo midden in het woud op een klein stukje grond, dat zijn voorvaderen hebben ontgonnen. De man kond ten minste nog eens in Pankroeska. maar de vrouw ziet misschien in jaren geen ander mensch, behalve wellicht de paar buren, die op grooten afstand in het woud wonen. Zoudt gij dit kunnen uithouden, Forbes? — 1 don't know, antwoordde lle Engelschman. Als gij zoo zijt geboren en opgegroeid, wie weet? Voor ons, die te midden van de menschen leven, zou het niet gemakkelijk zijn, om zich daaraan aan te passen. — Gij hoort niets van wat er in de wereld gebeurt, zeide Silvolio. Er kunnen keizerrijken en koninkrijken te niet gaan. zonder dat men er iets van gewaar wordt — Ja. En een conrant verschijnt hier niet. Dat is in alle geval een groot voordeel. De couranten zijn verantwoordelijk voor drie kwart van de onrust, de herrie, de twisten en de ruzies, die er in dc wereld bestaan. Zij maken de menschen druk en opgewonden en zenuwachtig. Zonder de couranten zou het in de wereld veel kalmer toe gaan. — Vestig u dan hier ergens, zeide Sllvolio glimlachend. Ga bij den boer wonen of neem den ouden toren in bezit. Forbes antwoordde niet. Hij staarde droomerig naar boven en rookte behaag- lijk zijn pijp. I Een klein half uur later gingen de mannen verder. Zij hielden in rechte lijn op.den toren aan en kruisten dus de vallei van Noord na.'.r Zuid. Toen zij een poos hadden geloopen. hoorden zij in de nabijheid weer een hond blaffen: zij moesten dicht bij de boschhoeve zijn. En inderdaad werd het woud even verder onderbroken door een open plek. Dzar stond een oude, houten, armoedige woning met een stal er tegen aan gebouwd. Het was een uiterst sober en bescheiden tehuis en toch deed het den jagers vriendelijk en aangenaam aan na hun langen tocht door het eindelooze woud. Ziehier dan toch weer eens een mensehelijke woning. Door welke omstandigheden hier vele. vele jaren geleden een mensch was komen wonen om een stukje van het bosch te kappen, er een houten huis te bouwen, den grond vruchtbaar te maken en zich hier voor goed te vestigen — dat scheen een raadsel. In alle geval, hler woonden menschen. Er waren een paar akkers bij de kleine, armoedige hoeve en éen stuk weiland. Een beek vloeide langs het huis. Nauwelijks hadden zij de hoeve in het midden van de open plek zien liggen of een groote wolfshond kwam hun grommend tegemoet. En daar het een verbazend groot sterk dier was, bleven de mannen even staan. — Hallo! riep Silvolio met luide stem. Natuurlijk waren zij al lang gezien door de bewoners dezer eenzame hoeve; de hond had hen door zijn blaffen op de nadering van vreemdelingen attent gemaakt Van achter de raampjes moesten zij leeds de vreemde mannen hebben gezien. Even later kwam de boschboer naar bulten; een groote, forsche man met het strakke, strenge gezicht van hen, die in harden arbeid en eenzaamheid leven Hij zag, dat er geen onheil te vreezen was van de twee jagers met hun opzieners en hij riep den hond terug. Hel dier gehoorzaamde dadelijk, maar bleet grommen en de vreemdelingen met ecu onvriendelijken blik aankijken. De vreemdelingen kwamen nader. — Goeden middag, zeide Silvolio. — Goeden dag, antwordde de boschboer, de mannen met scherpen blik opnemend. — Het doet ons genoegen weer eens 'n mensch te zien na al die eenzaam» heid in het woud, hernam Sivolio. De boer gaf geen antwoord. Hij was zwijgzaam, zooals de omgeving van, zljn leven meebracht. — Kunnen wij dit voor een uurtje hier. laten liggen? vroeg de bankier, op deji jachtbuit wijzend, waaronder zij hadden gezwoegd. Wij willen nog even verder. Op den terugweg komen wij het dan halen. Gij kunt een vet stukje voor S zelf er uit houden, voegde hij er bij. De man knikte, {Wordt- vervolgt./. --- CHEMISCHE OORLOG Hierover lezen wij in de Zwolsche ?»*/.* In tijdschriften uit het laatste kwart van de vorige eeuw vindt men soms die reeks van prentjes opgenomen, die toen in trek waren, en waarin -een geval geleidelijk werd ontwikkeld. - Wij herinneren ons zulk een plaat, die in een reeks van plaatjes voorstelde de ontwikkeling van bet wapen. Hét begon met de ¦ vuist en de nagels, stok en knots, en kwam lang» piek en strijdbijl tot het musket, de bajonet op het geweer, en eindelijk tot de toen modernste geweren, het Pruisische naaldgeweer, dat de Pransche chassepot zoowel als den Oostenrijkschen achterlader overwon. Aan het slot plaatste de (Duitsche) teekenaar dan zijn toekomstbeeld van een machine, dle langs mechanlseben weg de legers vernietigde en zoo aan allen oorlog een einde maalde. , In de fantasie van dezen teekenaar van het jaar 1875, juist vijftig jaren geleden, was nog geen plaats voor wat thans voor onze kinderen de eenvoudig aanvaarde rea» liteit Is, het vliegtuig, en evenmin voor den chemischen oorlog, dien wij voor het eerst zagen toepassen m den oorlog, nu tien ja» '¦ ren geleden, inderdaad komt deze gasoorlog vrij dicht bij dc machinerie van een halve eeuw geleden, welke alle oorlogvoerenden uitroeide, zoodat de oorlog moest eindigen bij gebrek aan combattanten. Dezen gasoorlog wil men nu uitschakelen, omdat men terecht vreest, dat hij niet alleen de strijders, maar vooral ook de burgerlijke bevolking zal uitroeien, en omdat hij het mogelijk maakt, heel? steden te ontvoi-" ken, met een onnoodige wreedheid^ De internationale conferentie voor den wapenhandel te Genève heeft een belangrij» ken stap gedaan door het protocol op te stellen, waarbij het giftgaS en de ziektekiemen als strijdmiddelen verboden worden. De Duitsche delegatie heeft, zooals bekend Is, in deze materie een zeer opvallende verklaring afgelegd, en Frankrijk heeft nu dit pro» tocol door zijn gedelegeerde Paul Boncour, doen teekenen, waardoor het effectief wordt. Het verdrag, dat te Genève gesloten werd. Is een compromis-vorm, tusschen allerlei mogelijkheden, een uitweg ult moeilijkheden. Net afzonderlijke protocol echter is een nieuwigheid, die van veel grootere strekking «. In dit protocol heet het, dat — on» der aanneming dat het toepassen van bedwelmende gassen of vergiften of soortgelijk gassen, vloeistoffen of andere stoffen ln den oorlog door de openbare meenlng wordt veroordeeld: en dat het verbod van de toe» passing ervan is vastgelegd in verdragen, waartoe het grootste deel der mogendheden van de wereld Is toegetreden: e» met de bedoeling, dit verbod als een bestanddeel van het volkenrecht tot algemeene erkenning te brengen, — de onderteekenenöe mogendheden, voor zoovel* zI nog niet tot een der ver melde verdragen zijn toegetreden, verklaren dat zij dit verbod erkennen en bereid zijn, het ook uit te «breiden tot de middelen van den bacteriologische» oorlog, en dat zij zich door deze verklaring jegens elkander gebonden achten. Daarmee zal dan de chemische en bacteriologische oorlog afgedaan zijn. Altijd, wanneer de regeeringen hun ratificatie ga» ven aan de onderteekenmg door de gedelegeerden. Er ligt heel vee! aan, dat de regeeringen nu ook dezen tweeden stap doen. Niet alleen omdat daarmee de gruwelijke ffasoo-log