COURTHS-MAHLER OP DE BARRICADEN DE GEVOLGEN VAN EEN „GROOTSCHEN OPZET" Een dichter- die proza met fouten schrijft Ilteul» de Vries, __««_» (van Ix-gbwn Slaterus. Arnhem 1934) Meun de Vries, Aardgeest (Rozenheek & Venemans. Hilversum 1934) 'De «groote revolutieroman* was in Neder» ll»d nog ongeschreven en daarom moest bij Hot iederen prijs geschreven worden. In dit 'simpele zinnetje vindt men waarschijnlijk de verklaring van het feit dat thans voor on, ligt een dikke turf, getiteld Eroica en geschreven door Theun de Vries, reeds vermaard door zijn even dikken, maar zeker minder slechten roman _l.embrandt, verschillende gedichtenbundels (waarvan één be» kroond met den Domprijs voor poëzie), het ,^pe«lscbe intermezzo" (de term is niet van mij, zou ook niet van mij kunnen zijn, maar van een advertentie) Doctor José Droomt Vergeefs en een „jongens» boek voor groote menschen» (de term is wèl van mij en achteraf door den schrijver zelf juist genoemd) hingssage geheeten. Een andere verklaring dan deze, die, ik geef het toe, wat commercieel klinkt, zou ik ten» minste niet kunnen opsporen, nadat ik Eroica met den moed dèr wanhoop en «en voort» durend mobiel schoolmeesterspotlood om de taalfouten te onderstrepen heb doorgewerkt . Het wordt weliswaar door den uitgever aangekondigd als „een groótsch opgezet werk, dat zoowel door zijn compositie als door zijn prachtige beschrijvingen, door zijn rijkdom van scherp geteekende figuren, de weergave der sfeer van het feodale Slavische tand, waar het speelt, warme bewondering wekt", maar ik kan niet anders dan met de hand op het hart zeggen, dat ieder woord van deze gloeiende aanbeveling bezijden de nuchtere waarheid is; alleen de grootsche opzet klopt natuurlijk, en zelden zag men een auteur zo» volkomen het weerlooze slachtoffer worden van zulk «en grootschen opzet Had hij maar wat minder opgezet, dan was hij waatscJüJN?. lijk: ook wat, minder dupe ' vah zijn stcif "*(*"£»' weest dan thans, nu hij in zeven slooten tegelijk is geloopen en een heldendicht heeft gebakken, waarvan Hedwig Courths-Mahler jaloersch zou kunhen zijn; want werkelijk, het naïeve Koningssage is een gaaf meesterwerkje (ook al, omdat het tenminste zon» der taalfouten is geschreven) vergeleken bij het van ondoorleelde, onbegrepen en ongeziene „grootsche" episodes overschuimende Eroica. Dit boek, dat de pretentie heeft het werk van eén volwassene en een serieus schrijver te zijn, dat bovendien door zijn geadverteerde „grootschheid" nog de verwachting moet wekken van uit te stijgen boven onze huiskamerromans, is tot op heden het slechtste, want het meest valsche boek van het seizoen; het heeft geen zin dat te beman» telen, en het heeft zelfs veel zin dat onomwonden te zeggen, waar de allures hier zoo buitensporig misleidend zijn. Over Eroica kan men, hoe lang men ook zoekt naar een vergoelijkend woord, niets in het midden brengen, dat „verzachtende omstandigheden" pleit; het is zelfs in den Courths-Mahler-zin niet boeiend, omdat het overal tergend riekt naar de schoone letteren, die er naarstig en vergeefs aan zijn verspild, het is als detective» roman mislukt, omdat het De Demonen van Dostojefski op zijn achterhoeksch wilde nastreven, het is psychologisch tienmaal minder verantwoord dan Ons Anneke van Eva Kaedtde Canter, dat men toch waar» achtig ook geen chef d'oeuvre mag noem», het is, kortom, een van de ergste voorbeelden van litteraire kitsch en voor den man, die zijn Rembrandt althans met gevoel voor smaak wist neer te schrijven, een blamage, waarvan hij zich niet spoedig zal kunnen herstellen. Laat ik hier aan toevoegen, dat ik mij uitdruk in de gematigde bewoordingen, die een dagbladcritiek vergt, en zonder een zweem van overdrijving. Misverstand omtrent Dostojefski. Het misverstand, waarvan Eroica het product is, laat zich tamelijk gemakkelijk analyseeren. Het is een misverstand, waar des» tijds in Duitschland (maar dan nog: met hoe onvergelijkelijk veel meer talent!) schrijvers als Fakob VVassermann (in zijn Christian Wahnschaffe b.v.) en Lion Feuchtwanger (in Erfo l g) • al evenzeer dupe werden; het is het misverstand van den „grootschen opzet" van Dostojefski. Gehoorzamend aan een rede» neering, die de oorzaak met het gevolg ver» wisselt, kwamen deze auteurs (zoo moet men zich dat tenminste voorstellen) tot de conclusie, dat de grootheid van Dostojefski lag in zijn enorm front van uiterst gevarieerde romanpersonages, in de bizarre situaties, waarin deze personages zoo nu en dan verkeerden, en in de „abnormale" handelingen, waaraan zij zich telkens schuldig maakten; verder redeneerend konden zij dan uit de vorige con» elusies zonder bezwaar opmaken, dat het niet zoo moeilijk moe» zijn romans te schrijven zooals Dostojefski dat gedaan had. Ik stel hier nu als bewuste redeneering voor, wat zich grootendeels onderbewust en in ieder geval op veel gecompliceerder wijze heeft voltrokken; maar het komt er toch wel degelijk op neer, dat dit misverstaan van Dostojeski noodzakelijker wijs tot een imitatie moest leiden van zijn uiterlijke eigenaardigheden, die door de navolgers als de> essentie van zijn werk werden opgevat Het ontbrak dezen auteurs, hoeveel verdienste hun overigens ook toekomt als «'.eratoren, volkomen aan he» genie van den menschenkenner", dat Dostojefski onmiddellijk op '» allereerste plan brengt als mensch, maar ook (ondanks zijn „compositiefouten") als schrijver; daarom zagen zij ook niets van de genialiteit vsn Dostojefski en zij griezelden liever litterair over zijn epileptisch» aanleg en zijn aan- Blag op wat de Lurooeeecba ethiek altijd al* on» «mstootellk en waardevol bad beschouwd. Zelfs aan de manier, waarop zij hun romanfiguren typeeren. kan men het misverstand duidelijk opmerk»; ' Dostojefski pleegt zijn personages met verrassende details te besebrijven (voorbeeld: Ztafrpgin ui» D e Demonen bijt iemand in bet oor), ergo karakteriseert ook Lion Feuchtwanger zijn personages met zulk soort verrassende details. Kan het een» voudiger? Is er iets «/«makkelijker? Er is slechts tin klein verschil: de details van Dostojefski zijn altijd gezien en dus psychologisch meesterlijk verantwoord, die van Feuchtwanger zijn litterair en dus niets» zeggend, op zijn best uiterlijke beschrijving en omzijn slechtst puur verzinsel van een schrijver, die interessante menschen wil demon» streeren. . - • • Laat ik intusschen oppassen voor een nieuw misverstand. Immers Erfolg van Feuchtwanger is altijd nog «en boeiende (zij het dan ook enorm omslachtig geschreven) kroniek van een historische episode in Duitschland, die vooral tegenwoordig haar documentaire waarde heeft; Eroica van Theun de Vries is zelfs dat niet, het is het verlitteratuurde verzinsel van iemand» die een revolutie schildert in een ! anoniem Ititschland (slavisch natuurlijk, voor 1 de verkoopbare charme!) zonder ecu grein reêele ervaring zonder eenig talent ook om die ervaring te veinzen, zonder ° behoorlijke kennis van de Nederlandsche taal zelfs. Het is eigenlijk grotesk, naast Eroica Dostojelskis Demonen ook maar te noemen: en lag het niet al te zeer voor de hand, dat Theim de Vries onze Dostojefski in moderne uitgave zou willen zijn, ik had de combinatie van beide namen vermeden. Een vergelijking met b.v. den revolutieroman Fakkeldragers van Ed. Coeniaads (1923), waarvan het uiterlijk gegeven eenige overeenkomst met dat van Eroica vertoont, kan De Vries overigens at evenmin verdragen; Partij Remise van /ei Last straalt naast zijn collega in een geniaal licht Het eenige, wat men op dit punt dan nog ten gunste van Theun de Vries zou kunnen aanvoeren is, dat hij het Ehrend«. VaeanUel Ledig rijn. niets te doen hebben, zoo Kan «en bet vertalen. En »et één letterde verschil, al» wtf spreken van vagandna en dan van vngabundus. dan is tevens gezegd wat voor nttf vaoantie is: Te «ogen «werven» onbezorgd om doe! of dag. «et de Duodecimo. C. Alte zorgen en spanningen vallen van «tf at in net dageltfkseb weck aan boord voor schip en reisgeld. Andere spanningen vullen «tfn wezen: Juist nog dien boek te bezeilen of net voor de bui binnen te «tfn, en bet tuig netjes op te doeken voor ds eerste druppels. C. En dan: de glorie van de open dagen op bet wtf de water, in «on en wind. De schuchtere morgenstonden vol belofte als de dampen hangen om het stille riet. vroowerige avonden, als God «tfn wereld toedekt «et de gulden sluiers van net Vesten. 41. vaar» doorheen te zeilen als een vogel zoo vrij, scherp aan den wind. «66 dat bet builende schuim sproeit in je gezicht, en de bre- Kende golven Kletsen tegen den steven, Of, rui«-s^.oots, de zeilen wijd, te «weven als een «waan, die zich gaan laat vóór den wind. 41. Aanstonds is de Kleine bagage verstouwd, De zeilen vallen vol, en de glooiingen van <3aasterland welven in bet Oosten. Langs bet boord Kabbelt en tokkelt en prevelt het water, en de toon loopt booger op tot een zingende noot btf de klimmende snelheid. <£ 266» te «werven, voor eén poos. Alles een oogenblik los te laten om diep te ademen in de, wtf de» zuivere wereld. Verzadigd te worden van licht en «on en ruimte. Dat beteekent: evenwicht verwerven, kracht tot aanval en verweer. Bezinning versterken en gereed staan voor de dage» ItfKsebe tank. C. Als bet scheepje weer aan den steiger ligt» «taan wtf weer Klaar voor bet leven. J. F. IK --- HET BEHOUD VAN DEN SCHOLLEVAAR De broedplaats bij Wanneperveen in gevaar Steunt Natuurmonumenten Toen ik in het laatst van Mei 1931 een paar dagen te Giethoorn vertoefde, was de kooiker Jan Bakker te Wanneperveen juist bezig met het uitroeien van de aalscholverskolonie in de eendenkooi aan de Bel ter Wijde. De nesten werden uitgesloot», meer dan duizend jonge rotganzen — zoo noemt men hier den aalscholver — werden „opgeruimd" en vele oude vogels geschoten. Van een dergelijke moordpartij, als men die niet verhinderen kan, ben ik liever geen getuige en zoo kwam «r van «en bezoek aan deze interessante broedplaats niets. Wij vergenoegden «ns met een tochtje naar de kooi in het Giethoornsche meer, waar «en stelletje vlugge ransuilen ons nieuwsgierig zat aan te gluren «n de jonge roeken van een uitgebreide kolonie juist aan het uitvlieg» waren. Een tafereel van rus» en vrede, ondanks de luid» ruchtigheid van die roeken, eae De laatste paar jaren is het den schollevaar wat beter gegaan. De kolonie te Lekkerkerk, in particulier bezit, wordt al een jaar of acht het rust gelalen en ook te Wanneperveen heeft na 1931 geen uitroeiing op groote schaal meer plaats gehad. Dat beteekent echter allerminst, dat het bestaan van deze volgelsoort als broed» vogel in ons land voortaan gewaarborgd is. Visch etende vogels als aalscholvers en reigers staan nog altijd in een kwaden reuk bij de landbevolking, voor zoover deze belang heeft bij de visscherij. Voor een natuurlijk evenwicht heeft men weinig oog en vergeten wordt dat de vischrijkdom in vroegere lijden grooter was. toen ook de visch etende vogels veel talrijker waren. De overheid gaat in dezen trouwens op minder gelukkige wijze voor, door beide vogelsoorten nog altijd te handhaven op de zwarte lijst van zoogenaamd schadelijke vogels, on» danks het in 1912 uitgebrachte advies «ener commissie van deskundigen. En ni» blijkt de kolonie aalscholvers te Wan» neperve» opnieuw met vernietiging bedreigd ta worde», als daar niet tijdig een stokje voor gesteken wordt Daarom tracht de Vereeni» «ing tot babond w» Ilatn«»on«M««H in Nederland, die al zoo menig belangrijk terrein heeft welen te behoud» (ik noem slechts het Naardermeer, de Venn» bij Oisterwijk, Ha» genau en de Leuvenumsche bosschen), deze eendenkooi in eigendom te verkrijgen. Zij streeft er naar, aldus een onlangs uitgegeven circulaire, in ons land elk type van landschap te behoud» met alles wat daarin leeft en beschouwt het daarom als haar plicht, ook een soholevaarsbroedplaats in eigendom te verwerven, opdat deze vogelsoort op den duur niet voor Nederland verloren zal gaan. * * a Zoo sterk is het aantal dezer vogels in den loop der jaren al geslonken, dat men zich met zorg heeft afgevraagd, of de algeheele verdwijning uit ons land op den duur wel te voorko» m» zal zijn. Hun bestaansvoorwaarden zijn ver van gunstig, terwijl hun levenswijze, het nestelen in kolonies, maakt dat verdrijving en uitroeiing gemakkelijk uitvoerbaar zijn. In vele landen van Centraal Europa zijn de aal» scholvers, de zoo karakteristieke figuren van de groote rivieren en de Waddenzee, dan ook reeds zoo goed als verdwenen. Zooals gewoonlijk is ook deze eendenkooi nog in ander opzioht belangrijk. Er is een rei» gerkolonie van ongeveer 130 paren, dus ongeveer tweemaal zoo groot als die in Park Zorgvliet. Voorts broeden er, naar de redactie van Ardea meedeelt, enkele paartjes ransuilen en torenvalken en een flink aantal zangvogels, waaronder tortel en wielewaal. Het bestuur van Natuurmonumenten, dat al jaren lang tevergeefs pogingen in deze richting heeft gedaan, wijst er op, dat de omstandigheden thans gunstig zijn en dat deze unieke gelegenheid niet ongebruikt mag voorbijgaan. De Vereeniging kan het 11 ha groote terrein nu voor f 15.000 in eigendom verkrijgen en zij doet, voor de zoove«ls»« maal, op de Nederlandsche natuur- en vogelvrienden een dringend beroep haar daarin te steunen. Voor e» bedrag van f 10 kan men zi««h al de voldoening schenken, een aalscholverspaar met zijn nakomelingen blijvend te bescherm». Volledig» heidshalve voeg ik er bij, dat ook gevraagd worden rentelooze voorschotten (minimum f 250), die in ti» jaarlijksche termijnen zullen worden afgelost, en kleinere giften (minimum f 2.50). Het gironummer der Vereeniging is 32391, Amsterdam. een Vit Ie weer «an bijzonder Zynmatbiek plan m belangrijk »»»*? d« in»»«^d»»«V«nA dei ple* d«rlandsche vogelwereld. Het is zelfs te wen» schen, dat de Vereeniging er in slaag», niet slechts in het Noorden een vrijplaats voor aalscholvers te verwerven, maar ook in het Zuiden (Lekkerkeik of Biesbosch). Dat zou, in de Rijn», Maas» en Soheldedelta, niet, te veel zijn voor «en vogelsoort, die niet slechts in ons eigen land nog aan vervolging bloot staat, maar ook op den trek in de winter» kwartieren (Frankrijk, Spanje. Noord-Afrika) maar al te veel te lijden heeft van beoefenaren der schietsport Daarom hoop ik, da» de steun van aeer velen de Vereeniging tot behoud van Natuur» monumenten in staat zat stellen, haar voor» namen tot uitvoering t» branden. SR» _Qohpuh Baby's eerste levensjaren door Che. Bteketee. Libellen-serie no. 14 en 15 (Bosch en Xeuning — Baarn). De arts C. Steketee, geneesheer aan de stiel.» ting 's Heerenloo te Ermelo, heeft hier de ar» tikeltjes verzameld, waarmede hij in het lijd» schrift „De Jonge Vrouw" zoo velen aan zich verplicht heeft. Aldus overzichtelijk saamge» bracht en verduidelijkt met illustraties van Adri Alindo, zullen deze wenken voor de voeding «n verzorging van zuigelingen zeker met vrucht geraadpleegd en opgevolgd worden tot vreugde der moedertjes «n tot duurzaamheid der pasgeboren wereldburgers, wier eerste levensjaar van aoo groot belang i, voor da '«lgencka. . . ,/ . .'..,.,,....._, --- EEN ROMAN VAN ONS JONGST VERLENEN /Ze vy/ Meisjes Siiver door Louis Gelding De blinde rassenhaat die zoo plotseling en zoo noodlottig in velen onzer medemenschen bi ontstaan, heeft bij alle overige —- » helaas voor bet meerendéel zoovee! ernstigere — ge» volgen, de argeloosheid weggenomen» welke tot voor kort on» geluk was. Om e» zeer willekeurig voorbeeld te kiezen: beden zou men niet meer het tooneelstuk De Violiers van Willem Lchürmann ten tooneele kunn» voeren, zonder positieve schade toe te brengen aan de Joodsche zaak. Lichtvaardige en vooral gretige conclusies zouden gemaakt worden, om de verschilpunten in Joodsche en Christelijke mentaliteit (het miserabele woord: Arisch ia mijn smaak niet) als even zooveel wapenen te gebruiken. Wij moeten beden ten dage be» hoedzaam zijn om leed te voorkomen en de verblinding zooveel mogelijk te lokaliseer», tot zij zal zijn uitgeraasd en menschelijker tijd» aanbreken. Deze dagen zijn verschrikkelijk, omdat bun invloed bij machte is, overal door te dringen, in gebieden van litteratuur en schoonheid, die van huis uit mets te maken willen hebben met de pogrom neigingen der horde. Anderzijds ver» schijnt het boete, dat ik hier besprek» wil, niet alleen ongelegen, om hierboven uiteengezette redenen, maar staat het anderzins direct onder den invloed van den rassenhaat Het klaagt daar niet over. Hét-aanvaardt hem met gelatenheid » de lezers, de orèlem, de onbesnedenen, mogen, elk voor zich de conclusie trekken, of hen die achtervolgingsdrift bevalt óf dat «ij zich hierover wenschen te schamen, over hun tijdgenoot», over de twintigste eeuw, over deze té onvolmaakte wereld...... station te Petrograd. We leeren begrijpen, welk aandeel verschillende naties hebb» ge» bad in bet welslag» van 't Bolsjewisme. Wo beleven dien tijd nogmaals aan de hand van iemand, die er meer van weet dan wij. Elsie Siiver verluid, haar leventje te Cap Perrat Zij ia nn Lady Malswetting. Haar man is «en beuzelaar en een onmogelijk sujet Op een dag ziet Elsie dit in en loopt van hem weg. Dit is niet interessant maar de schrijver maakt het boeiend voor ons. Pas als Elsie naar Berlijn gaat en weer variété-artiste wordt, krijgen we weer direct contact met den tijdgeest Dat is dan bet wilde, woeste, half. of driekwart verdoofde na-oortogsche Berlijn met zijn uitspattingen, zijn inflatie-excessen. Wij beleven bet opnieuw en het voert ons mee. Maar dan gaan we naar Zuid-Rusland naar de daar achter gebleven familieled» der Sil» vers en we moeten getuige zijn, hoe ze wor» d» uitgemoord. Heel de tragiek van Rusland, zijn witlooze slechtheid, zijn minachting voo» menschenlevens, zijn Jodenvervolgingen het staat voor ons op en we moeten bet in de oogen schouwen. Louis Golding geeft ons zijn meening niet Hij i» alleen maar deskundige Hij wéét hoe deze dingen zijn toegegaan. En hij wil bet ons vertellen, zonder ophef, over» tuigend, maar bijna droog. Intusschen zijn Sam Siiver en Smirnof op het toppunt van hun macht De aristocratie gaat buigen voor deze groote industrieelen. Smirnof wordt een geweldig tinander. We krijgen gelegenheid om ons van zijn latent zélf te overtuigen. Maar tenslotte ia het geld sterker dan hij, onberekenbaarder dan zijn geniaalste becijferingen. We worden ingewijd in de omstandigheden, waaronder een krach kan komen. We begrijpen, dat een Xreuger of een Loewenstein plotseling den nek kunnen breken. Maar we kunnen niet vaststellen of Smirnof nu eigenlijk een zwendelaar is geweest Toch worden ons alle détails verteld door «en volmaakt deskundige. „De vijf Meisjes Siiver" heet dit boek!) en het voert ons een Joodsch gezin binnen. Onmiddellijk wordt het dan al précair, wijl de schrijver geen oogenblik bedacht heeft, of zijn werk niet zou kunhen worden uitgebuit door antisemieten; hij schreef, wat hij nuttig vond «n vroeg verder naar niets. De vijf meisjes Silver wonen met hun ouders in «en stadje in Engeland. De vader is jassenmaker en verdient «en eenvoudig bestaantje. Als het ver» haal begint, leven we in de zorgelooze jaren van voor den Wereldoorlog, maar — en hier begint de auteur reeds vat te geven, op wie het kwade will — eiken Zaterdagavond verzamelen in het huis van Sam Silver zich anarchisten. Sam Silver is wel een Engelschman, maar «en genaturaliseerde. Hij komt uit het Zuiden van Rusland.'Zijn huis trekt geëmigreerde Russen en die conspireeren daar naar hartelust De schrijver — Louis Golding, auteur van het welbekende: Magnolia Street — laat niet na, duidelijk aan te toonen, hoe al dat Zaterdagavondsche samenzweren maar een Spielerei is, hoe onder al die bezoekers maar één gevaarlijk sujet is: Polednik en dat al de anderen maar een beetje dwepen » interessant doen en alleen maar de gezelligheid waardeeren in het gastvrije huis van Silver,. zijn vrouw en zijn vijf mooie dochters. In de eerste hoofdstukken heeft de schrijver een geamuseerd, ironisch toontje, dat Engelsche romancid.s dikwijls niet buiten hun werk kunnen houden, maar dat den Nederlandschen lezer in het algemeen weinig pteizier doet Maar hij heeft één ding op zijn landgenooten vóór: zijn uitmuntende oriëntatie. De meeste Engelschen geven zich veel te weinig moeite, om het milieu, dat zij beschrijven, ook werkelijk door en door te kennen, indien dit niet binnen de geijkte territoria van de (Engelsche) aristocratie, of den (Engélschen) deftigen middenstand valt Louis Golding kent deze «migranten door en door «n wie het boek ten einde gelezen heeft, zal moeten concludeer», dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid belangrijke stukken autobiografie in dezen roman verwerkt zijn. Deze Sam Siiver is door het lot voorbeschikt om rijk te worden. Hij ontmoet een zekeren Alexander Smirnof, «en vreemde figuur, rijk begaafd, maar met «en wonderlijk onzelfstandig karakter, die zich slechts ontplooien kan in associatie met «en ander. Deze associatie komt dan hier tot stand, de jassenmaker begint voor zichzelf, Smirnof is daarbij het economisch element, de twee werken zichzelf en elkander op. tot groot-industrieel». De wordingsgeschiedenis van dit bedrijf is op zichzelf al een uiterst belangwekkende en overtuigende roman, maar in dit boek dat in zijn titel den nadruk legt op de meisjes Siiver. is niets hoofd» zaak, is elk onderdeel boeiend, maar bijkom» stig. Daardoor missen we ditmaal noode «en voorwoord van den auteur, waarin hij zou verklaren, wat hij nu eigenlijk met zijn werk heeft willen zeggen. Smirnof trouwt met één der meisjes Silver. Polednik, de eeni ge gevaarlijke der Zaterdag» avondsche anarchisten, trouwt er eveneens een. Een zekere Joe Tishler. waarover in dit boek zóó bekwaam gezwegen wordt, dat hij niet anders dan een non valeur kan zijn, trouwt een derde Silvertje. Resten: Elsie en May. Elsie is cabaretière, een voorgangster van Mariene Dietrich, «en travesti-zangeres met een uitdagend optreden. Zij heeft het lichtzin» nigst karakter van de meisjes Silver. Zij maakt carrière en trouwt een Lord. May heeft een ongelukkige liefdesgeschiedenis. De lezer 'van dit résumé zou wellicht meenen, dat dit alles puur gril is van den schrijver, die verder niet heel veel doelbewustheid had met de levensloop», welke hij naar willekeur toebedeelt. Dit is zeer onjuist. Want terwijl de meisjes Silver vrijen en trouwen, ter» wijl Sam Silver zich langzaam opwerkt in het vreemde compagnonschap met zijn schoonzoon Smirnof, ontwikkelt zich de tijd. De wereldoorlog barst uit, de gelukkige wereld van vóór '14 zinkt in het niet, ongemerkt wijzigt zich alles. Susan Silver was m«» Polednik getrouwd en met hem naar Zwitserland gegaan, dat neutrale eilandje in de oorlogshel. Zij conspireeren, zij behooren tot de duizenden Russen, die het Tsarenrijk ondermijnen. Me» Lenin gaan zij naar Rusland. De schrijver maakt ons ademloos, als hij de aankomst vertelt van Lem'n en zijn medestanders aan het Pinnland» In elk geval volgt een groot proces. San» Silver komt daar vrijwel heelhuids uit nadat Smirnof zelfmoord heeft gepleegd. Maar hij is aan het mijmeren gebracht over groote fortuinen en het recht daarop. En nu neemt de auteur een zwaai, dien hij meende noodig te hebben voor de compositie van zijn boek, maar di» niemand zal aanvaarden. Silver besluit zich van zijn kapitaal te ontdoen en weer even arm te worden, als hij in den aanvang van het boek geweest is. Hij trekt weer zijn oude huisje binnen en al pleiten de meisjes Silver nog zoo hartstochtelijk tegen dit bestuit de vader zet door. Dit is ongeloofwaardig. Wie een der grootste industrieel» van Engeland is geweest kan niet weer terugkeeren naar de kleermakerstafel en tot den handarbeid van jassen naaien. Dat heeft geen zin, voor iemand „zóó hoog gestegen, dat hij zijn hoofd stootte aan den troon van Engeland." Het eind van het boek stelt teleur en «en voelt de compositie als een absurditeit Temeer, waar de schrijver nergens beschouwingen, geeft en slechts vertelt. Een zéér boeiend ver» teller is hij. Eigenlijk alléén vrij! bij zooveel weet Het is zijn kennis van menschen, karakters, toestanden in veterlei tanden, in tragische tijden, in de bewogen jaren, die achter ons liggen, waardoor zijn boek ons ' be» koort. Nog een gave heeft hij. Hij. laat een» zelfde episode eerst verhalen door den een en vervolgens door den ander en het is merkwaardig, hoezeer de twee lezingen verschillen, ofschoon de feiten onveranderd blijven! Dit is een roman van ongewoon groote ménschenkennis. Maar hij is slecht gecomponeerd. Het is materiaalverkwisting. Al wat Gotding schrijft, boeit ons, maar zijn boek be» toogt tenslotte niets, het leven van dezen Sam Silver heeft geen zin, noch is dit met zijn vrouw of dochters het geval. De Christen, die den Jood slechts oppervlakkig kent. zal in dit boek wijzer worden. Hij zal kunnen cóncludeeren, dat de Jood een enorm assimilatie-vermogen heeft, maar ook, dat de Engelsche Jood. de Duitsche. de Rus» ssche Jood evenzeer Engelschman, Duitscher, Rus is, als hij Jood blijft. De auteur zélf is het levendigst bewijs daarvoor. Hoe door en door Engelsch is hij! Tóch is dit een typisch Joodsch boek geworden. Hij, die de Joden wél ter dege kent, vindt meer. Hij herkent weer de zoo héél karakteristieke drang tot oprechtheid, welke steeds en steeds weer in de Joodsche litteratuur tot uiting komt. evenals de uitmuntende documentatie. Ook de schaduwzijde: niemand wordt gespaard. En daarom komt dit lezenswaardig, belangwekkend boek op «en ongelegen tijdstip, nu zoovel» er op uit zijn om wapenen te smeden. Nü maakt men maar al te graag van de weinig deugdzame Eiste de verpersoonlijking van Joodsche onkuischheid, terwijl de braafheid van May en het prachtig moederlijk karakter van Sarah natuurlijk worden voorbij gezien. De argeloosheid is uit de wereld verdwenen en daar houdt dit boek geen rekening mee. Het is alleen maar menschelijk. Het geeft fouten en feilen met fotografische objectiviteit, even scherp en even uitvoerig als deugden en innerlijke waarden. De ménschenkennis wordt heden ten dage minder beoefend, voorat nn wij er op uit zijn om de superioriteit van het «ene ras boven het andere aan te toonen. De schrijver houdt het nog op die kennis. Hij bezit er imposant veel van. Hij is géén partij» ganger in een tijd, die hunkert naar het partij» gangerschap. Hij gaat langs de eer en da schande, den opbouw en de vernietiging, den vrede en de bezetenheid. Hij kent geen duivels en geen engelen. Hij ziet slechts men» schen, van welk ras en welke natte ook. Hij poogde daaruit een roman te bouwen, dien hij hoogst willekeurig: De vijf Meisjes Silver noemde. Dit mislukte. Hij beschrijft «en tijdperk met al zijn kwaad en zijn onloochenbaar goed daarneven. En dat is waarlijk ge» noeg. Daarvoor mogen wij hem onze bewondering niet onthouden. Lne. Willink. l) De vijf Meisjes Silver. door Louis Golding. Vertaald door Alice Schrijver. Uitg. v. Holkema en Warendorf N.V., Amsterdam. ---