DE PAASCHZON VOOR ALTIJD OVER GOLGOTHA OPGEGAAN HET IS MERKWAARDIG ZOOVEEL H^ stommen als er den laatsten tijd gehoord worden uit de Christenheid, stemmen van boete en bekentenis, dat men den Christus heeft miskend en Zijn werk meer vernietigd dan opgebouwd heeft. Deze sfeer is goed voor de oecumenische gedachte en deze gedachte kan op haar beurt misschien het allerbest arbeiden voor den wereldvrede. Men krijgt soms werkelijk den indruk, dat een nieuwe Christusgeboorte, een nieuw Oolgotha en een nieuw paschen komende zijn en dat de Christelijke godsdienst, eindelijk beter begrepen, niet ais in het verleden splijtzwam en verwekker van de langdurigste en wreedste oorlogen zal zijn, maar verbindingselement en misschien stichter van den wereldvrede. Zoo worden er telkens lichtflitsen gezien in deze stikdonkere tijden, lichtflitsen welke even, heel even iets doen vermoeden van een Toekomst, door Jesaja zoo eenvoudig als onvergetelijk beschreven dat de Menschheld nooit haar heimwee naar de vervulling van die Profetie verloor. Daarom bewaarden wij het hieronder volgende voor den Paaschmorgen. Net is ontleend aan een brochure van dr E. 5c1,1i,,K, welke tot titel draagt: De Gekruisigde spreekt (uit de Libellen-Serie van Bosch en Keuning, Baarn). De brochure behandelt de bekende Krulswoorden en zij doet o.a. een vraag, die ons trof, namelijk deze, of Christus' bede „Vader vergeef het hun, want zij weten niet toot zij doen, wel voor onze Christenheid geldt. Overigens eischt ook deze schrijver die absolute, voor kritiek en discussie onvatbare overgaaf aan het God-Christus- Mysterie, welke godsdienstig in de Bewegingen van Oxford en MöttHngen en psychologisch-wijsgeerig in Das I.ehrbuch des I-ebens van Martin Kojc onvoorwaar«lelijke eisch is. Laten wij het kruis van Christus --- begint dr Schllnk — niet uitsluitend in Palestina zoeken. Het zou kunnen zljn. dat wU het juist daar niet vinden. Maar laten wlj het ontdekken midden onder ons. Laten we het kruis van Christus niet uitsluitend zoeken in het verleden: het is een werkelUkheid van het heden en het staat onder ons opgericht De duistere hemel, die boven Golgotha stond, welft zich ook boven ons. De storm en de aardbeving, dle toenmaals Jeruzalem deden sidderen, schokken ook ons. Laten wij het kruis van Christus niet beschouwen als lets. dat ver af Is. — het kruis des Heeren is ons zoo nabij en is zoo geheel van onzen tijd als maar lets nabij en tegenwoordig wezen kan. Zoo zeker Christus slechts eenmaal gestorven is, in het tijdstip omstreeks het jaar 30, op Golgotha's top ginds in het verre land. en nimmer meer sterft, zoo zeker heeft HU toch nooit opgehouden, met de menschheld mede te lijden. Er is geen menschelijke nood. waaronder ook Hij niet zou lijden. Er is geen menschelijke vertwijfeling, waardoor Christus ook niet mede aangegrepen en mede vertwijfeld zou worden. Want Hij spreekt: „Ik ben hongerig", als één van ons door honger wordt gekweld. Hij spreekt: „lk ben dorstig", als één van ons dorst lijdt. Er is geen naaktheid, waarvan Christus niet zegt: ..Ik ben naakt". — geen ziekte, waarvan Hij niet zegt: „Ik ben krank". Zoo gaat door de tijden mét het menschelijk lijden het lijden van Christus en komt de Gekruisigde tot ons in het leed. dal ons treft, en in hel lijden van onzen naaste. Christus' kruis staat midden onder ons. — in ons volk. in onze plaats en in onzen stand. — en niemand van ons kan zeggen, niet onder het kruis van Christus te slaan. Is het op zichzelf reeds vreeselijk. dat het lijden van Christus nog altijd niet geëindigd is. zoo is het eenvoudig verschrikkelijk, meer dan ons denken vatten kan, dat het juist die menschen zijn, voor welke HU op Golgotha stierf, die Hem telkens weer kruisigen. Wie zijn Christus' moordenaars? Laten we Christus' moordenaars niet zoeken in Palestina: zij leven midden onder ons. Laten wij hen niet slechts zien in de Joden en Romeinen van het jaar 30. maar hen zoeken onder onszelf. Evenals het kruis van Christus slaan ook zij midden onder ons. die hem telkens opnieuw pijnigen, bespotten, hoonen en kruisigen. Maar zij staan niet slechts onder ons. wij zélf Weten wlj niet wat wlj doen? welke ons kunnen helpen ons oordeel over menschen en toestanden scherper en nauwkeuriger te maken. Het eenige bezwaar dat ik er tegen heb, ligt in een onbescheidenheid van de schrijfster, die voortdurend de aandacht voor zichzelf vraagt, terwijl wij niet tegelijkertijd den indruk krijgen, dat zij die om der wille van haar persoonlijke qualiteilen verdient. Bescheidenheid is een deugd, welke onder de schrijvers van levensherinneringen niet voldoende beoefend wordt! Dadelijk na het boekje van Marie Scheikevitch las ik ..Mcmorandum dun Editeur" door P. V. Stock lLlbrairio Stock. Paris 1935). Dit bock is waarlijk onsslloofelijk rijk aan litterair historische documenten van onbetwistbare waar» de. (Vervolg van bli. IC) Maar de vreugde hierover wordt ons telkens vergald, doordat de schrijver niet kan nalaten zijn persoonlijke rancunes te luchten. En dat na zooveel jaren! Men zegt wel. dat ouderdom vergevensgezind maakt; maar aan het geschrift van den heer Stock zou men het niet zeggen. Mij boezemde het hoofdstuk over Georges Darten het meeste belang in. omdat we over deze curieuze figuur zoo weinig gegevens bezitten en omdat „Le Voleur", zijn groote roman die in 189? verscheen, ongetwijfeld thuis hoort in de categorie, waarmee ik deze kroniek opende: de boeken die vergeten zijn en die dat niet verdienen. J. Qreshoff. Waar we Christus* kruis moeten zoeken. — Wie het eerst de beteekenis van het Kruis heeft gezien. —- Waarom zelfs Christus' Moeder die niet zag. -» Het is volbracht. — Wat is eigenlijk volbracht?, Wie zag 't eerst in het kruis overwinning*» teeken? zijn het. die Christus bij voortduur kruisigen. Wij kruisigen Christus, als we niet met den hongerige deelen en verwarmen dengene. die koude lijdt. WU kruisigen Christus, als wij den eenzame in zijn eenzaamheid laten en den wanhopige in zijn wanhoop. Wij kruisigen Hem, als wlj, hetzij in trots of in een zelfbewust gevoel van kracht, hetzij uit moralisme of uit ijdelheid, onzen medemensen voorbijgaan, in plaats van te treuren met de bedroefden, gebrek te lijden met de nooddruftigen en de verstootenen op te zoeken. Wij richten Christus' kruis voorts altijd weer opnieuw op. ais wU in opstand komen over ons eigen leed en God vloeken, die ons dóór dat leed met Christus wil verbinden. WU ver» lengen Christus' lijden, als wij in ónzen nood niet zijn kruis leeren zien en het op ons nemen en liefhebben. WU kruisigen Christus met ons vertrouwen, als wij eigenlijk beangst zouden moeten zijn. en met onzen angst, waar wlj gelooven moesten. Wie Christus krul» sigen zonder ophouden, telkens en telkens weer, dat zijn wijl Zoo slaat het kruis van Christus dan opgaricht in het ver verleden zoowel als ln onzen eigen tijd, en zoo kruisigen de menschen Christus zoowel toen als heden ten dage. Maar geldt nu Christus' eerste kruiswoord ook voor toen zoowel als voor onze dagen? Geldt de bede van den Gekruisigde.. Vader vergeef het hun. want ze weten nlet wat zo doen", ook voor ons, die in de twintigste eeuw rondom zijn kruis staan en zijn kwellingen vernieuwen? Do soldaten deden wat hun bevolen was; hadden ze lets anders gedaan, het zou gebrek aan trouw en ongehoorzaamheid geweest zijn. De kruisigende Joden deden zóó. ais men hun geleerd had. ZU handelden uit gehoorzaamheid jegens de geestelijke overheid en in getrouwheid aan de voorstelling van den Messias, zooals deze hun sinds geslachten was voorgehouden en zooals ze ook zelf geloofden in den bijbel te lezen. ZU wisten niet dat Jezus' strijd tegen de wettische joodsche vroomheid van farlzeeën en schriftgeleerden geen strijd tegen God, maar een strijd vóór God was. De Joden, dle Hem kruisten, wisten niet, dat de Messias geen politieke leider, geen nationale held zou zijn, en evenmin wisten de Romeinen, dat de Zoon Gods in nederigheid en machteloosheid op aarde te verwachten was. Maar bovenal wisten allen niet, dat de Gekruisigde door God zou worden verhoogd en een eeuwige toekomst hebben zou. Zij wisten in waarheid niet, wat zij deden. Maar onze positie is een geheel andere. Wij weten, dat de wettelijkheid der joodsche vroomheid ons niet met God verbindt, en wij voelen ons niet gekwetst, wanneer Jezus de farlzeeën en schriftgeleerden aanvalt WU weten, dat wij noch door een joodschcn natlonalen held noch door een romelnschen imperator geholpen kunnen worden, en wU zijn niet verontwaardigd, wanneer HU zoowel romcinsche als joodsche politieke verwachtingen onvervuld laat. Wij leven niet vóór Paschen. zooals de Joden en Romeinen op Golgotha, maar het is ons van onze prilste jeugd bekend, dat de Gekruisigde zich als Overwinnaar heeft ge» openbaard. Daarmee is ons — al mag ons weten dan ook nog zoo fragmentarisch zijn — van Jezus oneindig meer gezegd dan aan al zijn moordenaars. Als wij dit alles bedenken, kunnen wij dan nog zeggen: WU weten niet wat wlj doen? Is het dan nog waar. dat wij door onze liefdeloosheid, zelfverzekerdheid en angst een Christus smaden, slaan en kruisigen, dien wij niet kennen? Weten wij niet veelmeer heel goed. wat wij doen, als w|j Christus steeds weer pijnigen, in plaats van met de kracht van Zijn dood een nieuw leven te beginnen? Het verleden van Golgotha en ons eigen heden hebben het opgerichte kruis des Heeren gemeen; gemeen hebben zij de kruisigende»», want ook wij kruisigen Hem. Maar breekt dit gemeenschappelijke niet af bij Jezus' moti» veering van zijn bede om vergeving? Zou daarom Jezus' bede „Vader, vergeef het hun", alléén voor de moordenaars van 30 kunnen gelden, maar niet voor ons. zijn moordenaars in de 20e eeuw. Juist omdat wij weten, wat wij doen? Heeft deze met haar eigenaardige motiveering „want zij weten niet, wat zij doen" misschien geldigheid en kracht voor lederen goddelooze en heiden, maar is Juist de Christenheid er van uitgesloten? Laat niemand deze vraag ontwijken! Als een angel moet ze zich in ons boren en ons een pijnlijke wond toebrengen. Deze wond mag niet weer spoedig genezen, maar zij moet open blijven. De angel mag niet zoo spoedig mogelijk verwijderd worden, maar moet erin blijven zitten en ons blijven pijnigen. Slechts met deze wonde in het hart kunnen wij het lijden des Heeren verstaan. Want alleen de gewonde wordt door het kruis genezen. Hij. dien de Hoer als eerste deelen liet in zijn overwinning, was geen getrouwe, geen liefdevol vriend, geen geleerde en geen nauwgezet plichtsbelrachler. maar een minderwaardige, lomand. die zich op de gemeenste manier aan de voiksgemeenschap had vergrepen en de geboden Gods had overtreden. Het was iemand, dit zijn voiksgenoolon op den weg had overvallen on daarbij waarschijnlijk tot een moordenaar geworden was. Hom, die toch niet de minste aanspraken op onderscheiding kon doen geiden, viel het ten deel. in Christus' overwinning te mogen deelen, — hem, die niets anders dan zijn terechtsta ü»g verdiend had. Alle anderen daarentegen beleefden niets van Christus' zegepraal: de jongeren waren bijna allen gevlucht, zijn moeder in de smart der wanhoop verstard, de geleerden waren door hun knappe theologie tot de eerlijke overtuiging gekomen, dat Jezus alleen maar een Godslasteraar kon zijn. en de bravo nauwgezette plichtsgetrouwe zielen kruisigden Hem. zooals hun bevolen was. Juist door de deugden, die hen onderscheidden, kwamen zij allen ten val: de jongeren vluchtten door hun trouw, de moeder verstarde door haar liefde in ongeloof, de theologen veroordeelden Hem op grond van hun schriftkennis en de krijgsknechten kruisigden Hem door hun gehoor» zaamheid en hun plichtsbetrachting. Hadden de plichtsgetrouwen hot verdiend, door hun plichtsbetrachting op een dwaalspoor en tot zonde geleid te worden? ZU allen antwoorden: Neen! Neen! en met dit „neen" wijzen zij Jezus' kruis af. dat hen ver» brijzelen wil. Tusschen hot kruis en henzelf dringen zich hun voortreffelijke eigenschappen en brengen hen ten val. ZU willen gelijk krijgen tegenover het kruis, dat God hen oplegt en dat aan hen zelf en aan al hun verwachtingen en eischen allen grond ontneemt en willen zoo» doende gelijk krijgen tegenover God. De houding van alle anderen aan den voet van het kruis is eigenlijk een verwijt. Zoo ver» wijten de vrienden Jezus in hun nart dat HU zijn wondermacht niet heeft gebruikt of ten» minste Jeruzalem vermeden heeft — zljn moe» der, dat HU zichzelf niet gespaard heeft voor haar. — de schriftgeleerden, dat HU door den duivel bezeten is, en de brave zielen, dat HU de wet heeft overtreden. ZU geven uilen Jezus de schuld. Alleen demoordenaar aan het kruis weet, dat hijzelf se h u ld 1 g is en wel zóó door en door, dat hij ophoudt eischen te stellen en protest aan te teekenen. Slechts de mensch, die onder zijn zonde volkomen be» zwijkt en zijn kruis ais een rechtvaardig loon begroet ziet dat in Jezus een onschuldige lijdt Kan dan alleen een moordenaar Christus' overwinning aan het kruis aanschouwen en in deze overwinning deelen? Ja, alleen een moor» denaar. Laten wij toch eindelijk eens alle mis» leidende zedelijkheldsbegrlppen van ons burger» lijk leven terzijde. Laten wij het ons voor go» zegd houden: voor God bestaat er geen onder» scheld tusschen liefdeloosheid en moord, tus» schen haat en doodslag, tusschen wantrouwen en struikrooverij. Struikroovers en moordenaar» zijn wij allen zonder uitzondering, of wil het nu in het verborgen zijn of openlijk, of wij het ons bekennen of niet Men bereikt Christus niet met den roep: Help ons van het kruis af, bevrijd ons van zijn nagels en van zijn hout! Maar Christus verhoort hem, die onder zijn leven lijdt en verlangt naar ver» zoening van zijn schuld. Wij willen — al is er nog heel wat origineels en pakkends in de behandeling der kruiswoorden —¦ alleen nog stilstaan bij het laatste kruiswoord, de zegekreet: Het Is volbracht! Wat ls volbracht? HU. die stroomen van levend water had beloofd, roept stervend: „Mij dorst!" HU. dle van zichzelf had gezegd: „Ik en de Vader zljn één", hangt van God verlaten aan het kruis. HU. die alle ellendigcn tot zich ge» nood had om hun het leven te geven, ls de al» lerellendlgste van allo ellendigcn, blijft hulpeloos en sterft. Wat is volbracht? De onschuldige sterft den dood van den misdadiger aan het kruis en de schuldigen staan vrij en ongedeerd onder het kruis en leven verder, ja, zuilen zelfs vergeving ontvangen. Onder het kruis bctoonen de ge» trouwen zich als ontrouw, en de misdadiger, de moordenaar, de vijand van Gods geboden, betoont zich op eens ais Gods vriend. Vol hard» heid wordt aan de moeder de zoon ontnomen, dien God haar gegeven had. en juist daardoor moet dan die zoon de liefde Gods deelachtig worden. Is dit alles niet één groote ongerijmdheid? Is dat niet slechts één verward kluwen van tegen» strijdlgheden, waarvan er één alleen al vol» doende zou zijn, om de dwaasheid van deze ge» heele aangelegenheid aan te loonen? Is het kruis niet een eclatante, grootsche mislukking, zoodat In plaats van „volbracht-zijn" beter van „vernietigd-zijn", in plaats van voleinding beter van einde en ineenstorting gesproken kon worden? Ja, het kruis Is een mislukking, een ineenstorting en een vernietiging. Ja, het kruis is een ongerijmdheid en een dwaasheid. God zij dank. dat dit zoo is! Alleen omdat het een ongerijmdheid Is, wordt er eindelijk een einde gemaakt aan de ellende van onze menschelijke verstandigheid. Alleen omdat het een mislukking Is. wordt het falen van ons leven, dat bij alle successen toch zoo ongelukkig Is. teniet gedaan. Want hierdoor, dat een onschuldige het middelpunt ls van de ongerUmdheld van Gol» gotha, is het krul, do hoogste wijsheid. Hler» door. dat God zelf zlch aan de mislukking van het kruis prijsgeeft, is het krul» eeuwige vol» einding. Wat Is volbracht? Alles ls volbracht Niet alleen Jezus' lijden en zijn opdracht maar ook wij. Niet alleen wU. maar de geheele wereld. Niets is meer onvoltooid. Niets ls er meer over. dat er ter voltooiing nog aan zou moeten worden toegevoegd en er ter redding van de wereld nog door eenlg mensch zou moeten worden bijgewrocht Ja. de uitwerking van Jezus' kruisdood reikt oneindig ver. De scheiding tusschen God en mensch is teniet gedaan. De strijd tusschen willen en volbrengen, tusschen gebod en ge» hoorzaamheld is beslist, — beslist en beëindigd. WU zijn nu vernieuwd. Gerechtigheid en gemeenschap met God zijn ons deel. De dood regeert niet meer, wij staan in het eeuwige leven. De heerschappij van dood en vergankelijkheid is alom teniet gedaan. Mensch en schepsel zijn thans vrij. Voorbij ls de ellende van deze wereld. Een nieuwe wereld is daar, zonder onderdrukking, dood en schuld. Maar is in werkelUkheid nlet alles, alles anders? Nog steeds «tuit ons leven op zijn grenzen, en de dood heerscht nog evenals tevoren. Nog steeds wordt het zijn tusschen het op-en-neer der eeuwige wisseling vermalen, en geen rijk van deze wereld blijft in eeuwigheid. En niet slechts om ons heel», maar ook in ons is alles nog steeds «lijnen en zinken, loopen, vallen en weer opstaan en weer vallen en weer loopen. Waar is dan de overwinning over de zonde? ZU overvalt ons altijd nog evengoed en telkens weer delven wij het onderspit! En waar is de nieuwe, reine mensch? Waar Is zijn nieuw, onsterfelijk lichaam? Waar is hier Gods overwinning? Kan men niet op zijn hoogst zeggen: Dit alles zal hopelijk ééns anders worden. — hopelijk zal God zijn nieuwe wereld ééns vol» tooien? Moeten wij ons niet daartoe bepalen en zeggen: Aan het krul» ls alleen de ver» geving volbracht al het andere wacht nog en blijft te wenschen en te hopen, als men ten minste na twee duizend jaar wachten nog durft hopen? Dat alles 1» toekomst, maar het is toch vol» bracht en heden. Gelooven wlj aan den Gekruisigde, laten wU ons door ZUn kruis verbrijzelen en zien wij, evenals de moordenaar, slecht» op Hem, dan openbaart God zlch aan ons. God» toekomst Is echter grootere werkelUkheid dan het heden der menschen, Gods belofte een tast» baarder feit dan menscheujk verleden. Wat God zegt heeft meer realiteit dan wat wU doen. LU God vallen besluit en daad nlet ult elkaar, zooals bij ons, maar zij zijn één. HU God bestaat geen onderscheid tusschen belofte en vervulling, dat alles ls één. Gods toekomst is zekerder dan het bidden der menschen, en de volgorde van deze wereld wordt door Gods openbaring bulten werking gesteld. Gelooven wij. dan is Gods toekomst heden en het menschelijke heden wordt verleden. WU staan in den strijd van deze wereld, en wee ons voor God, zoo wij met dezen strijd geen ernst zouden maken! Al» we evenwel in Jezus Christus gelooven, dan is deze strijd reeds beslist ook al wordt de geschiedenis der menschheld, in het groote zoowel als in het kleine, hoe langer hoe duisterder en godde» loozer. Volbracht is do nieuwe wereld, ook al ligt onze wereld nog zoo zeer in smarten. Volbracht Is het Rijk van God, ook nl verzetten de kerken en rijken van deze wereld zich nog zoozeer daartegen. Tot ons allen, die meenen nog zoo in den overgang of zelf» in den aanjVang te staan, die ons ergeren over het weinige, dat wU volbrengen, en het vele, dat wij met heilig voornemen willen maar niet tot uitvoering brengen, ook tot ons, l» gesproken: Het is volbracht! Ja, aan het kruis is alles zóó volkomen volbracht dat er door den mensch niets, maar dan ook absoluut niets meer aan zou kunnen worden toegevoegd. --- PAASCHEIEREN Vrouwke, vrouwkc. doe uw best. Haal de elke, ult het nest. Van dle witte hennen God zal ze kennen. Een cl ls geen el. De tweede is een hall el. De drlede 1» een paaschel, Van dle wlt en van dle zwart. Geel van elk henneke wat. Oud Paaschlledje. Hannes, de zoon van den boer aan de overzijde, heeft omgang gehouden langs de eenden» korven, uitgelegd in en om de zathe. Het resultaat ligt op de tafel van het „mllhus" (keuken). Met een dozijn bruine kipeleren vormen zij volgens hem een „goed laagje" voor den Paaschmaaltljd. Paschen Is het feest der eieren, al van oudsher. Als symbool van de Schepping komt het e» voor in de scheppingsmythen van Hindoes, Pinnen en andere volken en als teeken van opstanding in de religieuze voorstellingen van Joden en Christenen. Naar men wil symboliseerde het Paaschel voor de Kinderen Israël» de gedenking aan de slavernij in Egypte, waaruit een nieuw volk was verrezen van nazaten van Abraham, Izak en Jacob. Voor de Christenen was het het teeken van de opstanding uit de dooden van Christus, een kentering van «en oud Heidensch gebruik. Het Gcrmancndom had l»'. het voorjaar, wanneer heel de natuur zich los wikkelde uit de boeien van den winter, het joelfecst het jubcifeest ter cere van Ostara, de lentegodes, aan wie als vruchtbaarheidssymbool cieroffers werden gebracht. Beschilderd met allerlei religieuze voorstellingen is hieruit het ei gekerstend ais teeken van de overwinning op den dood door Christus op den Paaschmorgen. In de kerk van Carthago bevond zich, in de derde eeuw, tijdens hel episcopaat van Cypria» nus een geschilderde voorstelling van Jezus' opstanding, die bestond uit een ei op grasgrond met een stralende zon er boven. Maar toch zit aan dit gekerstende Paaschel nog menig Heidensche herinnering vast Als offergave is het ook hier en daar gebleven maar nu aan pastoor en kerkdienaar. Allicht bewaart het bekende versje: „Blm ban» beleren. De Koster lust geen eieren Wal lust hlj dan? Spek in de pan. Daar wordt de Koster vet van." de gedenking aan den rondgang van den Koster-Xlokkonluider om een Paaschgave in te zamelen. En ook de Paaschhaas. die naast haan en ooievaar als de producent van de pa-scheieren optreedt slaat misschien in verband met Ostara. wier vlugge snelvoetlge metgezel hij was. Hoewei andere geleerden mecnen dat hij uit Perziii is gekomen. In elk geval als de klokken die op reis zijn gegaan naar Rome. opnieuw gewijd uit die stad terugkomen, begint de Paaschhaas aan de voor hem letwat onnatuurlijke taak wier vervulling hU echter op Paschen alom op de wei en in de tuinen voor zijn groote oogen kan zien liggen. In mijn tuin begint het lets op Paschen te gelijken. De primulas en arabls bloeien rUk met wit en geel, bossen narcissen heffen de gouden kelken lang de paden, de tulpen staan in knop. groote violen-oogen in allerlei linten kijken u aan. Prunus en sleedoren zijn nog een weelde van rosé en wit Aan de gebogen takken hangen de gele klokjes van een forsythia te bengelen in de zon. Peer- en kersknoppen. De wilgen en elzen staan In 't nieuwe blad. En tusschen al deze Paaschkleuren liggen de paascheleren. Tusschen de klimopbladen zit een bruin donkergevlekt merelvrouwtje reeds te broeden op de blauwig groene violet gestipte eieren. Keurig zit zij onder 't groene overhangend blad en kijkt mlj met de donkere oogen aan. Uit een nestkastje aan een linde vliegt een plmpeimecsje in en uit Ook daarin liggen al de kleine, witte, roodbestlpte erwt-eitjes, m'n blauw dulvenpaar heeft ook zijn Paaschel, in een oud duivenhok zit een witte leghornklp tegen mij te knipoogen: een eitje voor Paschen baas! Achter ln een wal rust temidden van honderden gele speenkruidsterretjes in een rand van donker dons een zwarte eend. ZU broedt op een dozijn eieren en boven in het topje van een dikken eik koepelt het bouwsel van een paar eksters, dat er ook wel voor zal zorgen, dat op Paschen het legsel voltallig is. De houtduif in den meidoren Is laat dit jaar. Wel heb ik den doffer zijn glijvluchten zlen houden boven de lammeren, hoor ik zijn brulloftsroffel 's morgens in de schemering met den merelzang. Meer kan» op een Paaschel heb ik, wanneer ik bij het krieken van den dag een wandeling ga doen over de nog dikwijls even wlt-vorstlg gekleurde grelden. Als dan de zon met haar willend oog snel rijst, en het al in 't rond blikkert en flonkert ais de roep van de kievit-doffers klinkt 't gejodel der grutto's, de vlugge „tju'-klankjes van opvliegende tureluurs, weet ik dat wijd en zijd in de kuiltjes de bonte schalen weer te vinden zijn. die op menlgen Paaschdlsch weer zullen staan, 'k Weet een spannetje grutto's, dat met eenlg geluk op den Paaschmorgen het viertal compleet ka», hebben en dagelijks zie ik jong en oud er op uit trekken voor een Paasche» van den gekulfden duikelaar boven de madelieven, waartusschen nu ook reeds het vierof vijftal groenig grijze, bruin gewolkte eitjes van den veldleeuwerik ligt Ook ik ga voor m'n ega een paar Paascheieren zoeken op de verre velden, een paar kievitseieren. Ze zullen minder kosten dan de gouden Paascheleren met edelgesteenten, die LodewUk XIV gewoon was aan zijn hofdames te geven, noch zoo duur zijn als die welke de Sjah van Perzik op den dag voor de voorjaarsnachtevening aan de dames van zijn harem schonk. Maar ze zijn even mooi beschilderd en het plezier er naar te zoeken is minstens even groot als dat van dle heerschers geweest Is ze weg te geven. Ze zijn omringd van zon en wind, vertellen van lange tochten, van sprongen over slooten, van genieten van de frlschheld en de ontvouwing van het voorjaar. De dotter» gaan dra bloeien. Het riet schiet omhoog. De wilde eenden hebben 't nest vol, van do rietstroken sluipen de meerkoeten van zwart besplkkelde eieren. Wanneer de zon maar schijnt is er vreugde op de wel en op de plassen, vreugde over al de broze schalen waarmee Paschen het feest der natuur» opstanding viert de Stoppelaar, --- PASCHEN De vasten is uit — De Heilige Week en Paaschgebruiken De dommele metten. De Vaste Is u»t. Kyrie elelson 1 Te Paschen zullen wij eieren eten; üoo ls de Vaste al vergeten. Kyrie elelson 1 De „dommele" metten (d.l. een vervorming van de „donkere" metten uit de Goede Week) en de veertlgdaagsche vasten: uit en beëindigd, en.... al vergeten. Kyrie elelson I Zoo luidt een wijsje uit het oude Amsterdam. In de zuidelijkste streek van de Nederlanden, in Vlaanderen, zingt men ook van den Vasten, die ult is: Vloletje. lel» 1 Paaschavond Is 't vlglllß. Vloletje. zoetekruld 1 Paaschavond ls de vasten uit Paaschavond: het eind van die geheimzinnige, mystieke week. die hier de StMe Week ge» noemd wordt daar de Goede of Heilige Week, elders de Duivelsweek, de Judasweek of Pila» tusweek, — Judas en Pilatus, natuurlijk ln herinnering aan de rol, die beiden in het Drama Christi gespeeld hebben. Deze mysterieuze en eigenlijk drukkende droeve week, waarin, naar het volksgeloof, het weer slecht moet zijn, begon vroeger op sommige plaatsen, merkwaardigerwijs, met een dag van plezierige plagerij en lach Kalfdag. Kalfdag is de Maandag, onmiddellijk vol» gende op Palmzondag: de leerling (e), die, op dezen ochtend, het laatst in de school kwam, werd uitgelachen en geplaagd, en „Kalf" ge. doopt; dit werd niet alleen op school toegepast maar ook thuis, en misschien ook wel op het werk: het is dus een soort Luliak-gebrulk. En Inderdaad zal het ook wel de herinnering aan een Lente-gebruik zljn. Do Witte Donderdag, misschien in 't Ncderlandsch aldus genoemd omdat de priesters dien dag witte misgewaden dragen, heet echter ook wel Groene Don» derdag; de Duitschers, overigens, spreken ook van den GrUndonnerstag. Dat deze benaming verband houdt — zooals sommige folklorlsten beweren — met de mlddeleeuwscho gewoonte, de boetedoende zondaars, die go» durende den grooten vasten de kerk niet mochten betreden, terug toe te laten, is moge» lijk; de verklaring wordt hiervoor ook gezocht in het LaUjnsche Dies vlrldlurn (Groeno Dag); de teruggekeerde boetelingen zouden nu weer vlrides (groene twijgen) van do Kerk zijn. Wel merkwaardig Is, dat op den Groenen Donderdag in Ncderlandsch Limburg (ook elders?) groentesoep gegeten wordt, nt van twaalf soorten groenten. Die soep heet daarom Apostelensoep of Discipelensoep. De naam Judas wordt gegeven aan hem of haar, dle het eerst in de soep lepelt Soppendonderdag is ook een naam. die ln sommige Vlaamsche streken bekend ls. Men at (eet?) nt op Witten Donderdag Weltene weggen (wittebrood) met mede (honigdrank): dat heelde) soppen. Het Latljnsche woord mandatum (mandaat, Eng. commandgebod) heeft het Engelsche Maundy gevormd in Maundy Thursday. „Een nieuw gebod geef ik u": dit zijn de woorden, van Christus tot zijn Apostels, na do voetwassching bij het Laatste Avondmaal. Nu is het wel vreemd, dat we het kerkelijk gebruik van de voetwassching op Witten Donderdag slechts kennen van de middeleeuwen af, dus niet uit do vroegste tijden van het Christendom. Deze merkwaardige ceremonie heb lk menig jaar van dichtbij gevolgd: de deken der Hoofdkerk, bijgestaan door priester» en kerkbedienden, waschtc den rechtervoet van dertien oude arme mannen (voorstellende de Apostels), meestal gekozen ult het oudemannen-huis; leder van hen kreeg een wit brood en een zilveren muntstuk. Aan enkele hoven werd dit gebruik lang in eero gehouden door do keizers en koningen zelf: we hebben maar te herinneren aan Keizer Pranz Jozef van Oostenrijk en aan de koningen van Spanje. Overigens, de koningen van Engeland hebben deze ceremonie ook gekend, tot in 1754: zij waschten de voeten van zooveel armen als zijzelf jaren oud waren; later verdween dit gebruik, maar de Maundypenny, de gelde» lijke gift aan de armen, kwam in de plaats. Zooals ik niervaren vermeldde, heb ik de combinatie van voetwassching én geldelijke gift gezien, 't Was tijdens de regeering van Karel 11. dat de eerste Maundypenny (met rand zonder letters of stempel) geslagen werd. De paus wascht op Witten Donderdag den rechtervoet van dertien arme priesters, in het wit gekleed. Deze ceremonie heeft plaats in de Clementijnsche Kapel. Het zijn dus steeds en overal de armen, die voor de voetwasschlng In aanmerking komen, — een gelijkenis met de arme Apostelen. De Zweden spreken van den Skiirtorsdag en de Denen van den Shaertorsdag. hetgeen eigenlijk Reinigings- of Zulverlngsdag beteekent. skiira. d. w. z.: reinigen, zuiveren. Goede VrUdag is d e dag van het Groote Drama; hU is ook de blzonderstc. de plechtlgste dag van den langen Vastentijd. Ter gedachtenis aan de kruisiging van Christus zullen voornamclUk smeden en timmer» lieden niet werken; elk werk op dien dag is overigens uit den booze: -daarom zullen de visschors ook niet ter vlschvangst uitvaren, want deze zou toch niets opleveren. Misschien is — juist bij de vlsschers — hier een- verband te zoeken met de Apostelsvlsschers. zooals er ook een herinnering leeft bij de timmerlieden en de smeden aan de vaklieden, die het Kruis gemaakt en den Heer hieraan genageld heb» ben. De natuur, integendeel, is. met haar pro» ducten, gunstig: eieren, op Goeden VrUdag gelegd, hebben een heilzame kracht tegen bliksem, brand, en oogstziekten; violier, op dezen dag gezaaid, zal dubbele bloemen dragen; frultboomen. alsdan begoten, worden zwaar beladen met vruchten. Dit herinnert ons aan de wonderlijke kracht van planten en bloemen gedurende den Kerstnacht De Zaterdag is reeds een blijde dag. alhoewel hU ook wel „goed" en „stil" heet Men leeft in de blijde verwachting van Paschen, van de Opstanding. De klokken komen met feestelijk gebeler uit Rome terug, waar ze door den pau» gezegend zijn, en brengen de paasch» eieren mee. De Vasten nadert zijn einde. . Den Donderdag ls 't soppendoppe. Den Vrijdag zoo kruipt men. Den Zaterdag klopt men de Vasten ult Dat op Paaschavond de Vasten uit 1», wordt met blijdschap door alle Paasch» en Passie» zondag» en Witte Donderdag» en Stille Zater» daglledjes gezongen. bU het ophalen van Paascheleren en versnaperingen. Geeft de Jongens ne 11 weet-nl-wat. Ze 'n hên toch ln e Jaar nlet had. Noch In e Jaar niet hén en zal. Geelt ze toch e goed geval. Wittebrood of krakeling. Dl nen droegen haring. Dat maakt uw herle zwarlng. Pakt Je snljemes to jen hand. Geelt zé toch ne koekekant. En is de kant te kleene. Geelt 'n den hond alleene. Kan-d-en den hond nlet dragen, Spant 'n aan ne wagen, Ne wagen met vijf ossen. Daarmee gingen me aan 't rossen; Al doo de ring Al doo de ring. Waar dat de keunlng over ging, De keunlng en ze zustere, Ze vraagden om te rusten. Al op een pluimen kussen. Palinenzondag heele, Blijven wlj alleene. Violette zoetekruld. Paaschavond ls de Vasten uit; Violette wel. Geelt de Kweno een el. Daarmee zal ze loopen, wl'»J'l Een en ls geen. Twee en ls maar een. t Derde en ls ma ne kei. En 't Vierde Is e Paaschel. Zoo zingt de troep in 't Noorden van Vlaanderen, als ze de gemeente afloopt om Paasch» eieren af te bedelen, en dat liedje geldt al van den Kwenezondag of Palmzondag af. Passcheleren en Paaschvuren. Het Paaschel is het zinnebeeld van het nieuwe leven en van de vruchtbaarheid: dat is de oeroude beteekenls van het lente-el. Maar, deze beteekenls werd verehrlstelljkt en het Paaschel werd het zinnebeeld van de Op» standing, van de Verrijzenis. WU kennen de Paaschvuren: dlt zijn vuren, die aangestoken worden, uit vreugde voor het ontkiemende natuurleven, en die telkens do vruchtbaarheid op de akkers, in de boomgaar» den, in de stallen, op het erf zullen brengen. Ook hier werd gekerstend: de Paaschvuren, de lentevuren, zijn zuiveringsvuren. Door den veertigdaagschen Vasten, door de boete, door overpeinzingen, door uitdieping van eigen ziel, door onderzoek van eigen zonden, door mede» leven met het Christus-drama, die hoog» menschelijke tragedie, door den jubel om de Opstanding, en in de Roomsch-Katholieke Kerk daarbU door de biecht en de verplichte Paasch» commune heeft men zich gezuiverd; het vuur zuivert mede: het is de algemeene reiniging. En die zuivering brengt vreugde, dans en zang mede: Neb le ook "n olde mande Die wie tot Paschen brande? lled le ook 'n bosslen riet? Gare hebben wie veur 't Paa«cl,vuur niet Dat is het liedje van Dwingeloo en om* streek (Drente). BU die vuren werd en wordt gedanst: dat zUn du» echte vuurdansen. die zlch nlet altijd bepalen bU eenvoudig ronddraaien om het vuur, maar soms (en zelfs méér dan men het oppervlakkig zou vermoeden) volgens een zekeren ritus worden uitgevoerd, die reeds toe» gepast wordt bij het aansteken van den brand» stapel, die zélf overigens heel vaak op een blzondere wijze opgebouwd is. Paaschvuren en vuurdansen zUn nog niet overal verdwenen: voornamclUk die plaatsen, die van het drukke verkeer afgesloten zijn, bewaren het best de oude zeden en gewoon» ten, b.v. eilanden, uitgebreide landbouw- en heldedistricten. Ameland, Texel. Barenen». Lochem. Vorder», Gorsscl. Velp, Reek. Afferden, Dwlngerloo, overigen» heele streken van Drente. OvcrUssel» de Veluwe, Brabant en Limburg kennen nog de Paaschvuren en de vuurliederen. Hooi. Heb ie geen strooi. Heb je geen oude manden? Die zullen in de mel-erbllts branden. Hekken En «lekken. Jolen en palen, Als ie niet kom», dan zullen we je halen. voer. wil je het laten staan. Hekken En stekken Aan enden slaan. Aldus zingt Texel; en Gorssol danst en juich, bU zijn Paaschvuur: Hel In de Mell En de muts op zijl Van Ilnksun», Van rechtsum, En keer oe weer urn. Men maakt immers danspassen naar rechts en naar links. Het „Hel. Koerei! Hel. Koerei!" klinkt zoo wat overal. Verschillende folklorlsten meenen hierin een verbastering te zien van de bekende woor» den .Kyrie elelson" (Heer, ontferm H onzer), in de Roomsen Katholieke gebeden zoo vaak ge» brulkt, en die ook in het eerste rijmpje over «ie Dommele Metten van dit artikel voorkomen. Het verkoolde hout van den brandstapel wordt verdeeld en zal dienen om de vruchtbaar» held van de velden en ook in de stallen te bevorderen, om ziekten, behekslnl' hagelslag, bliksem en ander onheil af te weren. De zangers en dansers, groote en klelne. (echter niet altijd allemaal) springen ook wel over het vuur: dat ls een oeroud gebruik; de bedoeling Is: reiniging. Het vlammend rad. dat men vroeger (nu nog?) In menige plaats van een heuvel of een helling liet rollen, zou hel zinnebeeld van de zon zijn. Ik wil hier nog eens herinneren aan het merk» waardig vlSggelen (vleugelen) op de twee Paaschdagen te Ootmarsum (Overijssel), waar» over Ik vroeger al geschreven heb, en zeker wel eenlg in deze landen, 't Is wel een eigen» aardige, wonderlijke combinatie van kerkelijke gebruiken en volksgewoonten, een gemengde ritus van kerk en volk. een kerkelijk wereldsch dramatische processie, zooals wij die gedurende de Middeleeuwen kennen. Eieren worden overal in groote hoeveelheden met Paschen gegeten; maar, 't zijn niet alleen eieren, ook Paaschbrooden. Paaschkoeken. Paaschmikken komen op alle tafels; overigen», kennen we niet de vetgemeste Paaschbeesten? Allemaal herinneringen aan de offermaaltijden van onze voorouders. Nu nog steeds worden met Paschen groote en kleine feestmaaltijden aangericht Het Paaschfeest geeft ons een mengeling van traditie» uit de oude tijden, van liturgie, van Chrlstelijken dank en vreugde, van lente-blljd» «nap. A.BrijJ. Een kleine vergissing! (Polltlken? ---