DE WERELD VAN DEN GEEST Verschil tusschen West en Oost en wat het Oosten aan het Westen leeren kan De sfeer van het Wonder en de sleur van het alledaagsche Waar ligt de Hemel? Waarom wij allen sterven moeten langzaam maar zeker komt de oestersche menschheid tot het besef van haar vernuehtering door de materialistische levensbeschouwing, waarin zij werd ongevoed. Men voelt, dat Techniek, Geld, Hygiëne duur zijn betaald en ons los hebben geslagen van het Kosmische Anker. We hangen in de lucht met onze schatten aan materie en we voelen ons niet meer veilig en daarom ook niet gelukkig. Van daar de vlucht in het Occulte. Er is een vlucht in het Occulte, welke een zeer stoflelijk karakter draagt en die uit is op het mathematisch bewijs. Ze wil het Geestelijke tasten en meten en zij voedt vaak bijgeloof. Maar er is ook een vlucht in het Occulte, in de stilte, in bezinning, in het beluisteren van de stilte en het opvangen van stemmen uit den Kosmos. Het is een opsporen van het verband, dat er, volgens een groeiend besef, wezen moet, dat zin zal geven aan alle leven, vertrouwen in elke toekomst, genegenheid tot aanvaarding van elk lot, omdat wij zijn in één lieven, in één Kosmos, in één God. Deze vlucht voedt vaak het geloof. Hard is onze leerschool, benauwend de eisen van ottering, dreigend het spook van verarming, bankroet de zekerheid, dat een knappe kop, een beetje protectie en een appeltje voor den dorst er ons persoonlijk wel brengen zullen, want de Geest vraagt er niet naar, of wij er persoonlijk wel zullen komen, maar of zijn Wereld van gerechtigheid er komt. In het Oosten nu is dat kosmisch eenheidsbesef veel meer bewaard gebleven dan in het Westen, Ten bewijze halen we iets aan uit O. F. Andrews boek over Sadhu Sundar Slngh (Erven J. Vljleveld. Utrecht). Net boek zeil bekoorde ons niet zoo heel erg. Andrews is een wat vermoeiend en rammelend verteller en door alleen zijn eigen herinneringen van den Sadhu te geven, krijgen we te veel persoonlijke opvattingen, terwijl de figuur van den hoofdpersoon feitelijk in den nevel blijft. In het elfde hoofdstuk wordt het verschil tusschen Oostersche én Westersehe mentaliteit ten opzichte van het Mysterieuze en het dagelijksch leven met het Geheimzinnige, dat uit den Kosmos -eich manifesteert, uiteengezet en daarom vertellen we daaruit een en ander over: * e * De geest van bet Westen. Wij moderne menschen hebben — schrijft Andrews — ook onze kracht W« staan veel strenger^-ritlscb tegenover bijgeloof dan eenlge vroegere eeuw in de menschelijke geschiedenis. Bovendien hebben we ons weten vrij te maken van vele beangstigende dwangvoorstellingen, «aar daarnaast hebben we onze verlammende zwakheden, waarvan w«/»ns dikwijls nauwe» lijks bewust zijn. Want in het drukke, woelige leven van de moderne stad, te midden van het steeds voorthaastende verkeer, loopen wij gevaar alle contact te verliezen met de diepere geestelijke realiteiten, die het fundament vormen van het heelal. Wordsworth heeft ons, reeds een eeuw geleden, dit. gevaar voor oogen ge» steld ln een paar versregels, die nu als een gemeenplaats klinken. HIJ sprak ons van de obsessie der uiterlijke wereld: --- „Vroeg of laat hebben wij. gevend en nemend, onze kracht verspild: slechts zelden vinden we in de natuur ons zelf terug; we schonken onze harten weg. een droeve gave." Hij zegt ons. dat we voor de fijnere klanken geen oor meer hebben; we zijn als instrumenten. die ontstemd zljn geraakt «vaar geen muziek meer in zit. Het gevolg hiervan is geweest dat het beste deel van onze persoonlijkheid droevig verwaar» loosd -verd. In het Indische dorpsleven bestaan ongetwijfeld schrijnende misstanden en grof bijgeloof, maar de k.r.derfantasie is er niet weggeworpen als een verbruikt ding. Die is nog van een verbazende kracht en levendigheid. De fan» tasie vervult nog steeds haar schoone rol bij het scheppen van een beeldende taai voor den menschelijken geest. Dorpskinderen verlaten, als ze opgroeien, en uit de jeugd overgaan naar den volwassen leeftijd, niet de sfeer van het wonder, zij stellen zich niet tevreden met de sleur van het alledaagsche. De wonderen van de natuur en van het menschelljk leven vervullen bij dag hun gedachten en staan hen jn hun droomen klaar voor oogen. Ik geef toe dat hier slechte zoowel als goede geestelijke krachten aan het werk zijn. Toch blijft het waar dat de verbeeldingskracht nlet wordt gekortwiekt, dat de dagelljksche ge» dachten «ran den mensch niet gevangen gehou» den worden door den materleelen kant van zijn dierlijke beboetten. Want de minste dorps* bewoner, dle van een heel klein Inkomen leven moet zal zljn laatste geldstukje uitgeven en zijn heele toekomst belasten, om daardoor een pelgrimstocht te kunnen maken naar den berg Xallash «e midden van de sneeuw, of zich te kunnen baden in het heilige water van de Gsnges blj Benares. of om. na lange, ver» moeiende marschen. den grooten tempel van Pur» te bereiken, op het strand van de golf van Bengalen. De/verheerlijkte uitdrukking pp bet gezicht van die pelgrims uit de dorpen. De sfeer van het wonder. als ze zingend langs de wegen gaan, zegt ons duidelijk dat inderdaad «de mensch niet van brood alleen leeft." In de binnenlanden van de Himalaya en overal langs de grens «ran Tibet, komt dit inner» lijke besef van een geheimzinnige Wereld dea deestes, die de geheele materieele wereld der uiterlijkheden omsluit en verband houdt met de verborgen krachten van de natuur zelf, over allen, die zlch lang in deze streken ophielden. Ze voelen zich plotseling aangegrepen door een heiligen eerbied voor het bovenzinnelijke, dle moeilijk in woorden te omschrijven Is. Terwijl deze eigenaardigsterke eerbied vooral in het hooggebergte over ons komt be» staat hetzelfde besef, in minderen graad, in alle deelen «ran het platteland van India, ook in de vlakten. Ik ken dit dorpsleven van zeer nabij, doordat ik jarenlang met de bevolking heb omgegaan. Uren achtereen heb ik in den avond geluisterd naar de gesprekken, als er druk werd gesproken en gediscussieerd over de gebeurtenissen uit de „geestenwereld In de schemering van den avond vertoonen zich vage gestalten en worden fluisterende stemmen gehoord. De dorpelingen voelen die geestenwereld bijna den geheelén dag om zich heen. Ik. kan zonder eenlge neiging tot kleineeren over dezen kant van het Indische dorpsleven spreken. Want toen ik zelf een jongen was leefden wij. in mijn ouderlijk buis in Enger land, ook voortdurend in een wereld die vol was van het boek der Openbaring en mijn vader en moeder hebben nooit een andere geestelijke wereld gekend. Zoo werd het bo* vennatuurlijke vanzelfsprekend voor mij. pre» des zooals het vanzelfsprekend is voor de dorpen van India. De authentieke berichten van alle tijden schijnen er duidelijk op te «vijzen, dat er in de woeste plaatsen der aarde en onder sterke span» ning van den men-ohelljken geest stemmen geboord worden en gezichten gezien, waarvan in bet normale leven nooit iemand droomen zou. We «uilen dus wijs doen onzen geest voor dio mogelijkheid open te blijven stellen. De vorige eeuw meende klaar te zijn met baar wereldbeeld, maar dit beeld heeft reeds plaats moeten maken voor een wijdere horizont van wetenschappelijke ontdekkingen. Dat beteekent heelemaal niet dat we terug moeten naar bijgeloof en licntge» loovlgheld, maar «vel dat we vol deemoed zul» len moeten toegeven op dit oogenblik nog niets te weten over de diepste wetten van ons geeslelijk leven. B Wie weet of de dood niet bet leven, bet leven nlet de dood is? We b«-*bben den bero**l»den <"*.h*»-«e«b«in filosoof, die' nimmer met zekerheid beef t weten te zeggen of bet droomleven het «vare leven der ziel was dan wel het actieve leven in de wereld. «Dok hebben we de theorie, die zoowel «foor Hindoes ais vele andere geloovlgen uit bet «Oosten aangehangen wordt, dat de ziel ver» schillende stadia van bestaan d«-ormaakt Al die speculaties van de grootste wijzen van het menschelijk geslacht moesten «ms aan bet denken brengen, wanneer we ooit neiging mochten gevoelen op bet eerste gezicht een ge» tuigenis te verwerpen «lat tot ons komt uit deze onzichtbare wereld van den Geest We mogen tegenwoordig zelfs vertrouwen dat dit geheimzinnige heelal ons ten slotte eenlge van baar diepste geheimen openbaren zal en da t we, nog in deze generatie, staan aan den vooravond van groote ontdek» kingen die licht zullen brengen in vele miraculeuze gebeurtenissen, welke in den Bijbel staan vermeld, en ook in veel waarvan de Sadhu vol oprechtheld geloofde, dat bet op rnlraculenze wijze in zijd eigen leven had plaats gegrepen. Wat ik gezien heb in India heeft me wel zeer sterk bevestigd in de opvatting die reeds lang te voren bij mlj had postgevat dat In dit opzicht het Oosten veel aan het Westen leeren kan, in ruil voor wat het zelf van het Westen ont» vangen heeft. Bovenal heb ik leeren inzien, «lat de «overspannen zenuwen" van het Westen (mijn eigene niet uitgezonderd) dringend be» hoefte hebben aan genezing. En terwijl het helaas waar is dat de koorts van het moderne leven ook reeds diep Is doorgedrongen in bet Oosten, toch Is het ook waar dat er daar velen zijn die geestelijk sterk genoeg zijn gebleken weerstand te bieden aan de zuiging van dezen gevaarlijken draaikolk van onzen tijd. En deze trlomfeerende zielen kunnen ons zeggen, zoo wij slechts nederig en wijs genoeg zijn om er naar te luisteren, hoe ook wij onze zwakheid kunnen overwinnen en van Christus den in* nerllijken vrede ontvangen dien Hlj ons geven «vil., zoo wij er slechts om leeren vragen! Als verblijdende Westersche echo op deze sfeer van het Oosten geven we nog iets uit een artikel van W. v. Goroum in Spir. Bladen van 15 dezer en uit een artikel van Tony de Ridder in het Jullnummér van Grensgebieden. Gods schepping is één; «vij weten dit allen heel innerlijk. Hij schiep niet Zijn heelal van sferen en daarnaast of daarbuiten de aarde. Alleen de mensch was in staat zich de aarde waanwijs toe te eigenen als iels aj-arts. . voor hem bestemd, waaromheen of waarbuiten andere sferen mogelijk zijn* Er is niet* één karakteristiek onderscheid te vinden tusschen de aarde en de volgende sferen; zij zijn alle verwant. Er is slechts gradueel verschil en niet soortelijk. Alle sferen, ook de aarde, vormen de school des levens, de school, waar wij leeren te leven door „te leven". Dit leven Is werken, strijden en lijden tot wij in staat zijn, het lijden te overwinnen door Liefde, door de volkomen overwinning op ons zelf. Zoo zijn de sferen samen de leerschool van het Leven en zoo is de aarde daarvan een klas, een onafscheidelijk en onmis» baar deel. Geen bezit van goederen of kennis kan ons den hemel inleiden. Ons diepste geluksgevoel geeft aan den graad van hemel, dien we op onszelf veroverden door ons werk voor anderen. Neen, de hemel is niet «laar, ver weg, aan gene zijde, achter den dood, boven of onder ons. maar hier in ons. Bouwt allen uw hemel hier. hem neemt ge mee. al het andere ontvalt u.. Tony de Ridder: Alles «vat aardscb bestaat moet bebben «en verbolgen zijde ca bet uiterlijke moet «-rezen een afbeelding van een onvergankelijk Eeuwig bestaan. ... --5 En daarvan moeten wij eeiin--»l worden weggenomen van deze aa*-de, want bleven we hier nog langer, dan werden wij nog geleerder en knapper van hoofd, maar nog armer van ziel dan we al zijn. al bégrijp.je soms nlet dat het nog armer kan dan het al is. Daarom wor» ¦ den we weggenomen blèr om verder te leeten in gebieden «ran ijlere stof. Rn daarom ls voor een wijs en bedachtzaam mensch sterven nóóit werkelijk vreeselijk of griezelig geweest al-Ziet hij begrijpel»jk«-*-wijs wel even op tegen dien grooten stap over den drempel, want niet werkelijk bestaat bet Dal der schaduwen, des doods* dat bestaat enkel in onze voorstelling' omdat van bet aa*7d«-»be**n»»tzijn uit wij menschen net van den verkeerden «nt ult tegen alles aa-rkijken, alles, om «o ie.zeggen, net. . „op zn kop" -den».» --- RUST EEN WEINIG HEI- MYSTERIE Het eeuiolce on-loororonllel'Jk» «onder va» het ¦ nlet»'»l«t>»'J-», «vaart-oven geen denken uitkomt E. von Heriinan-». Vat is de pijnlijke ervaring van eiken denker, dat hij het mysterie van het Zijn niet kan doorgronden. Net maakt stil en vaak beschaamd. De beperktheid der kennis dwingt altijd tot dalen uit de hoogere stèren der bewust**ijns»ontplooiing. Maar het bedroe» vendst is de gemakkelijkheid, waarmee menschen over het mysterie praten. Alsof het op te lossen ware als een kruiswoordraadsel. Alsof het -lijn geheimen ontsluierde' als een detective-roman. Stelsels moeten het ontwarren. kerkelijk ritueel het magische woord spreken, dat alle geheim verklaart. Heilige schriften en eonlessies heeten de heilsopenbaring mee te deelen aan ieder die gelooft. *s% En hef Mysterie bluft ongenaakbaar boven ons, Zoover als de geheimzinnige sterren. Het eeuwige dat wij als -zekerheid aanvaarden is — o, negatieve schat waar wij ons aan rijk wanen — dat er niet niets is. De grootste denker staat hier naast den ongeschoolde en ongeletterde in dé simpele overtuiging dat er „iets" is. El*f hoe meer menschen er omheen winden, in hoe meer woorden het mysterie gewikkeld wordt, in hoe meer gebaar en ritueel het mysterie wordt gekleed, des te verder wijkt het van ons weg. Ook hier zijn conventies, hoe onmisbaar ook, bedriegelijk en teleurstellend. ' t*H. Maar in het wijde, waar de mensch Meen is met de primitieve krachten van het leven, daar overweldigt hein het Mysterie. Een avond meerden . wij aan een kort kanaal, dat twee gr«i« piassen verbindt. Een-/ «aam was het wijde veld» het wijde water. De valer geworden golven stuwden al-maar door op den rustéloosen wind. De horizonten weken weg. En aan de kim ontstak de maan «zen bleeken gloed. Een late vogel repte zich nog over het donkere watervlak. Loenj, werd het Mysterie plotseling zóó machtig, dat ik huiverde en ge". lukkig was tegelijk. Toen wist ik: er is iets. Ik ben niet alleen, zoomin als die late vogel. Er is bestemming. Maar het hoe en waarom wordt ons niet geopenbaard. Er i 5.... het Mysterie. , J. 5. M. ' --- NATUUR EN TECHNIEN. . De JuU»afl«verlpg opent met «en artikel van a. enuyff over ««''««gekeerd «tok»»",''-raarlh de voor» .deelen «-Arden lun-getoond van het aanvoeren van versch» brandstof onder «Ie brandende. ' «-hrlstlhe Buisman schrijft over de lepilekte bul» ten llederland. Dr A. N. J. den Hollander geeft een beeld «ran het dierenleven In Amerika's prairies en steppen, terwijl Jan Vriends aandacht vraagt voor roofvogels en roevers onder de vogels. Van E. J. l*e««1-rke Is er «en bijdrage over wonderen der pottenbakker-kunst In het «Iddellandsche üee-geblcd. Als de «-/pressen van hét «oorden be» schrijft H., Drijfhout de Junlperus of jeneverbes» struik. Voorts zijn «r artikelen van «urt I-üblnskl over Abesslnlll en van W. Valk «-ver ***sJ«eho»l-No» waaksche burchten. Al deze bijdragen zijn fraai «n overvloedig geïllustreerd, terwijl de wijre waarop de hermletkreeft een nieuwe woning betrekt en zijn belde vriendinnen, twee zee-anemonen, mee» gaan. door middel «ran Interessante foto's Is duidelijk gemaakt --- LEVEN EN WERKEN. De JuU»August»-s>aN»-«r«l-il»g opent met «en artikei van 15. C. «nappert over ..Machlavelll", dien hij na Erasmus aan het woord laat omdat het bij Erasmus en UachlaveM inderdaad gaat om humanisme en barbal-illdon». ...Humanisme en Barbarisme aldus besluit schrij» ver. Aan wie «ran dle belde zal de toekomst der menschheid wezen? Uiteindelijk — daaraan ls geen twijfel mogelijk — aan het eerste, «aar wat van de naast» toekomst-*' In lijn vierde bijdrage over „Grondstoffen en politiek" schrijft J. Nomeln over „Staal, en poll»; «lek". H. flerversman pielt voor .humanistische Volksopvoeding Nermlen «ran der Helde levert een levensschets «ran Jatte Addams. Een bijdrage van Jan van Kasteel handelt over ,He historie, de film en het heden «d. «**«»c-»raad» herdenkt dr X. Simons als letterkundige. Voorts la er óa. proza «ran O. «ran Oorschot en poëzie van I*. de «Hua»-» W. gn»lt>van de Wall en Herman. Middendorp, wiens sonnet „Overpeinzing" wij hier weergeven: «n ding kan «riijn gedachten «let omvamen: Waarom gij «ij zoo eindeloos bemint. Dit blijft, van toen wij 't eerst tezamen kwamen: Ik oud, gij jong. Ik man en gij een kind. Ik zie zoo klaar, wat mlj. de Jaren namen. Al wat verdorde en wegdreef op den wind. Ik: moe «ran eln«Uoos hopen en beramen, i «"lij, dle zoo teer en atll. uw reis begint. En toch: ais gij mijn hoofd buigt aan uw schouder En -acht mijn handen lh uw handen neemt Is naast uw jeugd mijn'leven Niet meer ouder. Wat komen zal, niet ver meer en niet vreemd. 'De dingen worden schoener en vertrouwder En alles wijkt, wat not naar tarijfel zweemt --- GROOTE JULI HEILIGEN (Vervolg van biz. 1 C.) In den kerker werden de groote geloovlgen niet alleen gefolterd: ze waren ook blootgesteld' aan bekoringen en verleidingen van allerlei aard, waarbij de duivel een zeer gewichtige rol speelt lal van schilder» hebben deze dankbare onderwerpen behandeld. De H. Magaretha, — dochter van den hooge» priester van Antiochlë — die ieder jaar den 20 Juli herdacht wordt, en in 375 het martelaar» schap verwierf door onthoofding, kreeg ook in haar gevangenis — waarin de op haar verliefde, maar teleurgestelde hcidensche stadhouder haar had laten opsluiten — het bezoek «ran Satan, die haar als een verschrikkelijke draak ver» scheen. Maar hij sloeg angstig op de vlucht toen- ze een kruis vertoonde. We zien hier dus hetzelfde kruis» en Satan» motief optreden ais bij den H. Christophorus: dit is trouwens het moUef, dat herhaaldelijk terug keert in heillgenlegenden en duivels» sagen. Een ander verhaal over deze gebeurtenis in bet leven van Margaretha, vertelt ons. dat Satan» draak de heilige zou ingeslikt hebben, maar tengevolge daarvan onmiddellijk zou zijn ge» barsten «-raardoor zlj zonder eenlg letsel bevrijd werd Maar, Satan geeft zich niet voor eenmaal overwonnen: bij keerde terug als man om haar te verleiden: maar, ook dit was nutteloos. Zware geesellngen en folteringen hielpen ook niet: haar standvastigheid deed ''O"» heidenen tot het Christendom overgaan. Maria Magdalen» en Mart*-»». * Een heilige, van wie de naam wel bij' ieder-er bekend Is, n.l. Maria Magdalena. de boetvaardige zondares, had, gedurende haar zond!.* leven, zeven booze geesten in zich, die alle door Jezus werden uitgedreven. Na de Hemelvaart zou zij met haar zuster en broer, hun dienstbode en enkele anderen, door belde»' nen in een stuurlooze boot geplaatst zljn. Engelen echter leidden het schip, dat MarseUle binnenvoer. Zij heeft Provence door baar vurige preeken en haar wonderwerken tot het Christendom bekeerd: zij ls dan ook niet alleen de patroon-heilige van de boeit/aardige meisjes ert vrouwen, maar levens van de stad MarseUle en die heele streek van Frankrijk. Engelen hebben haar alUjd bijgestaan, maar ze hebben ook nog een heel blzondere rol in haar leven vervuld: gedurende dertig jaar koos Maria Mag* dalena een v 2selijke woestenij als verblijf, nog steeds boete doende voor haar vroegere zonden, daar zou zij zéker van ontbering omgekomen zijn. indien engelen baar niet geregeld van het noodige voorzien hadden; een in de buurt terug* getrokken heremiet zou gezien hebben, dat engelen met haar ten hemel vlogen. • ca Maria van Bethanië zou. volgens legenden, Maria Magdalena zijn; bet zou dan baar zuster Martha geweest zijn, die de zondige Maria bij Jezus leidde. Martha «ran Bethanië is dan ook later met Maria te MarselUe geland, en beeft het Christelijk geloof ook in Provence gepredikt In de lthope verbleef toentertijd „larasque"; dat was een afschuwelijke draak, die het heele gebied teisterde. Martha besproeide het monster met wijwater, zoodat het zijn macht verloor; nu werd het door haar met baar gordel vastgemaakt en dan door de menigte gedood, Ter plaatse zou een kerk opgericht zijn, en hier omheen werd de stad "llarascon sur ltbone (aldus genoemd naar den draak *I*arasque) ge» bouwd. Martha van Bethanië, «Ue in 't jaar 84 overleed, wordt den 29 Juli gevierd. Zij is de patrones der huisvrouwen en keukenmeiden. Henriet» en ltanlerl. Over den H. Henrlcus van Beleren» keizer van Duitschland, echtgenoot van de H. Cune» gonda, gravin van Luxemburg, gestorven in 1024, telken jare den 15 Juli herdacht wordt een eigenaardige legende, betrekking hebbende op zijn dood, verteld: een kluizenaar hoorde een woeste horde komen aanhollen; toen ze dichtbij «varen, zag hij. dat het duivels waren; op zijn vraag, waar zij heensnelden, antwoordden zlj. dat ze de ziel van den keizer gingen balen, want hij zou nol? dienzelfden nacht sterven. Hendrik overleed inderdaad; Aartsengel Mlchaël woog zijn goede en zijn slechte daden; deze wogen het zwaarst; de duivels Juichten en wil» den met de ziel van den keizer wegvliegen; maar, toen verscheen de H. Laurentlus, voor wlen Hendrik steeds een blzondere vereering had gehad, en deze wierp in de schaal der goede daden den gouden beker, indertijd door Henrlcus in de kerk van zijn beschermbeillge LaurenUus geplaatst Schreeuwend en tierend vluchtte nu Satan met zijn tra-vanten weg; maar, uit «vfaak, brak éen hunner het band* vatsel «ran den kelk af: toen de woeste bende later voorbij dé hut van den kluizenaar kwam, en deze de gebeurtenis vernam, toonde die eene duivel hem den gouden greep. *»*»« De duivel, die er aanhoudend op uit is, om zooveel zieltjes mogelijk te winnen, en dus pro» beert alle menschen ten verderve te voeren, door ze te verleiden tot allerlei zonden en misdaden, heeft natuurlijk vaak te kampen tegen standvastige en heilige personen en wordt ook meer dan ééns ontmaskerd: de H. ltanlerl. patroon «ran Pisa. aldaar geboren zijnde uit een adelijk geslacht, en ook aldaar gestorven in 1161, na eerst een zondig wereldse!» leven en later een godvruchtig bestaan, met de strengste boetedoening geleld te hebben, klaagde bet be» drog van den waard eener herberg aan, die zijn wijn met veel «valer doopte. Om het bedrog te bewijzen, bracht bij de aanwezigen voor de tonnen, en allen zagen nu een grooten duivel met afgrijselijk gelaat op de vaten zitten. 17 Juli is de feestdag van den H. ltanieri. A. Brits. --- UTTERATUUR IN FRANKRIJK HET DAGBOEK VAN DE GON COURTS DE VRIJGEZELLENGEEST De Obsessie van de Litteratuur Over bet dagboek van de ("loncourts is In den loop der jaren al heel wat te doen geweest. In den beginne toonde men zich zeer verontwaar* digd over de onbescheldenheden, welke het openbaar gemaakte gedeelte bevatte; later drongen tal van dagbladschrijvers op schandaal be» lust aan op publicatie van de manuscripten welke berusten in de Nationale Bibliotheek en waar de Académie Goncourts als erfgename bet zeggenschap over heeft. Er bestaat zeer Weinig Kans, dat deze geheime dagboékbladen ooit gedrukt zullen worden. Niet omdat Edmond de Goncourt er zich ongebreideld over zijn tijdgenooten in uitspreekt. want voor een straffe vrijmoedigheid zljn we thans niet bang meer, maar uitsluitend, omdat deze tekst krioelt van obseniteiten, typische uitingen van een machteloos geworden eroto» maan. Het openbare dagboek was al gerulmen tijd «Utverkocht Zoo juist verschenen twee deelen daarvan in de collectie Ne varletur, welke de Académie de Goncourt van bet verzamelde werk der gebroeders bezorgt . Het dagboek van de Goncourts werd be» gonnen op den dag. van den staatsgreep, n^l. 2 December 1852. Oorspronkelijk .lag bet niet in de bedoeling der schrijvers bet geheel of ge» deeltelijk te ptibliceeren. maar wel gebruikten zij er belangrijke brokstukken uit bij de samenstelling van ander werk. Zoo vinden wij fragmenten ln de inleiding tot hun roman ««"""erminle I-lcertet**.', in de voorrede voor de blografie van *i*héophile Gautler door EmUe Bérgerat en ten slotte stelden zlj ult hun cahiers een klein boekje samen: -Idees et *"*ensatlons". dat ln 1866 bil I^«*rol»*Verbouckhoven verschenen is. Ge» ruimen tijd werkten ie toen in stilte aan hun tekst Eerst in 1885 en *86, dus lang na Jules' dood, ging Edmond, op aandrang van Alpbonse Daudet, opnieuw over tot openbaarmaking van fragmenten-en wel ude Figaro.en Figaro, "lllustré. ,Ih 1887 volg«lé/de.Mgavë.7«*lan het éérste deel ln bl-ekvorrn. Dit omvatte aantée» kenlngen over tien jaar, van 1851—1861. Een herlezing van deze teksten (uitgave Flammarion, "parijs 1935), loopende van 1851— 1865, geeft ons de overtuiging, dat een herdruk ongetwijfeld te verdedigen is, maar te» gelijkertijd, dat de waarde en de beteekenis ervan vrijwel geheel bulten de waarde en be» teekenis der Goncourts als mensch en schrijver omgaat Het Dagboek bevat gegevens en overwegingen, welke men in drie duidelijk onder» scheiden categorieën kan onderbrengen. Wij vinden allereerst en in ruime mate mededeelingen betreffende het ontstaan van bet letterkundig werk der gebroeders, naast tal van toelichUngen en de herhaalde uiteen» zetting van hun bedoelingen. Dan bevat dit , bonte boek een reeks opmerkingen «ran alge» meenen aard: aforismen, druppels levenswijs» beid, stukjes „visie" en ten slotte wordt de . meeste ruimte ingenomen door anecdoten, I weergave van gesprekken, schildering van ge» beurtenissen. Alles wat op de schrijvers sn bet ontstaan van hun oeuvre betrekking heeft is ongetwijfeld van belang voor allen, dle een speciale studie daaraan wijden. Maar de vele romans, éérst door het tweetal, later door Edmond al* léén geschreven, zijn nimmer veel gelezen en tegenwoordig denkt waarlijk niemand eraan ze voor zijn plezier ter hand te nemen. De Goncourts behooren tot de Utteratuurgeschle» denls en alléén vakmenschen interesseeren zich nog voor «vat zij maakten en voor de plaats, welke zij in de ontwikkeling der Fransche letterkunde innamen. Alles wat dus in bet dagboek over hun litteraire bezigheden te berde gebracht wordt ls slechts van beperkt belang voor een zeer klelne groep «ran gespe» claliseerde historici. De afdeeling eigen wijsheden Is «ran een angstwekkende pooverheid. De opmerkingen, welke deze heeren met een «l---Kmtelooze zorg en nauwkeurigheid op papier vastleggen, zijn voor het grootste deel zoo elementair en banaal, dat men zich met den besten wll ter wereld geen hoogen dunk kan vormen «ran hun geestelijken levensstandaard. Bij hooge uitzondering worden we hier en daar even ge» troffen door een opmerking, welke we wel aardig, maar méér dan ook nooit vinden. De aanteekeningen betreffende hun litteraire, historische en mondaine ervaringen daarentegen, lezen wij ook nu nog voor een deel met plezier en profijt De Goncourts zijn van nabij betrokken geweest bij tal van belangwekkende persoonlijkheden en zlj waren getuige «ran heel wat vruchtbare twistgesprek» ken. Zij hadden de gewoonte om. heet van de naald, alles wat zij hoorden, zagen, beleefden, op te teekenen. En zoodoende lieten zij een reeks kleine, maar levende genrebeeldjes na. welke een vrijwel uniek boek in de Fransche letterkunde zouden vormen, indien ze door een man van smaak verzameld werden. Zoo» lang dat niet geschied is. moeten we ze zelf tusschen de vervelende en onbeduidende vulstukken van het dagboek uitzoeken. • • • Er is herhaaldelijk getwijfeld aan de juistheld van de door de Goncourts overgebrachte anecdoten. In het bijzonder **_éon Daudet be» weerd, dat de gebroeders critlekloos alles maar opteekenden «vat anderen hun beliefden wijs te maken en dat het in zijn kringen tot een soort vermaak geworden was de Goncourls er in te laten loopen met absurde verhalen, Dc geloof «laar niet hard aan. Het is zeer wel mogelijk, dat er onder de honderden groote en klelne verhaaltjesulthetleven. welke de Journaalschrijvers ons opdlsschen, enkele onwaarschijnlijk zijn. En het is ook wel aan te nemen, dat jonge en dartele letterkundigen zoo nu en dan eens geprobeerd hebben Ed- mond, dle inderdaad nogal goedgeloovig wal», in het ootje te nemen. Maar verreweg het grootste deel van zijn mededeeiingen draagt het onmiskenbaar accent van echtheid en oprechtheid. Aan de oprechtheid der Goncourts mag men werkelijk niet twijfelen, die is boven alle verdenking verheven. Het spreekt echter vanzelf, dat wij te doen hebben met een persoonlijke interpretatie van de feiten. Die geeft juist aan lederen memorialist een eigen ka» rakter. De heer Daudet zelf heeft levenshér» inneringen gepubliceerd, hoogst vermakelijk en met een onnavolgbaar brio , geschreven, maar zóó subjectief, dat men haast van kwade trouw kan gaan spreken. Hij is waarlijk wel de laatste, die het recht heeft de Goncourts een al te vrije en al te persoonlijke voorstel» ling der feiten voor te werpen! . In weerwil echter van de vele bladzijden, welke nog thans bun volle beteekenis en bun volledige bekoring bewaard hebben, in weerwil ook van bet oprechte plezier, dat de lectuur van een goed deel van dit journaal schenkt gevoelen wij bij de herlezing toch voortdurend een ondergrond van teleurstelling en vah lichte «gemis. Dit is te verklaren uit het gebrek aan sympathie voor de schrijvers. Want er is niet te ontkomen aan deze bekentenis: ook al erkent men alle deugden van Edniond en Jules do «loncoilrt als menseben en letterkundigen, in laatste instantie kan men hen. noch hun werk liefhebben. Wat staat ons zoo in hen tegen? Hun gebrek aan lev-«nskennls in de allereerste plaats. Zij zijn zoo vastgeroest in hun kaste en zweren zoo «Uisluitend bij hun standsvooroor» deelen, dat zij niet in staat zijn dè menschen onbevangen te naderen. Zij leven in een door de litteratuur vergiftigde atmosfeer en niets la dan ook zoo volmaakt belachelijk als het sy-deern «ran hun naturalistische pretenties' Al bun figuren, al hun verhoudingen, al hun dialogen zijn en blijven hopeloos Uvresk. Zij geven op hun manier (de verkeerde) een beeld van de ellenden des levens, omdat zij dle zoo schil* d«---aohUg vinden. Maar van al wat zij noteer-» den en ontdekten, hebben zij niets innerlijk doorleefd. Voortdurend zien. wij voor ons die twee dandyachUge aestheten. trotsch op bun geletterdheid en faun ktmstllevendbeld, die bet zoo v»»*scbrikke*ujk interessant vinden den eenen avond de gast te zijn van prinses Matbil» de en den volgenden een volksbal in een achterbuurt bij te wonen. En zij zullen dan ook nooit nalaten met nadruk vast te leggen, boe boelend zulke tegenstellingen zijn en hoezeer zij die beminnen. Jules en !"*dn«»nd de «3oncourt l«ieren wlj uit dit Journaal kennen als twee talentrijke kwi» buasen, «lic zich voortdurend en volkomen te goeder trouw een houding geven. Met welk een kb-derachtig welbehagen stollen zij hun verfijning ten toon. gelijk die voornamelijk uit bun collecties blijkt; met welk een «Ulleianterige opdringerigheid maken zij ons opmerkzaam op bun belezenheid; met welke een bijna zieke» lijke ijdelheid vinden zij iedere opmerking, welke bij ben daagt een wereldwonder, waard om als een zeldzame vlinder opgeprikt te worden l De letterkundigheid van deze heeren ia w«>er-_nwe»-kel-d en hun vriJgezell**»m«mtaU» telt is afschuwwekkend. Vit boeken als «Ut blijkt pas duidelijk hoe steriel en kil de geest der, prlllclpieele celibatairs Is..:De,«*lxm«!o«»rt« zijn bekrompen en liefdeloos.' Wat^zH voor genegenheden houden, zijn hiets'"dan' nümlakalo voorkeuren zonder zin of bestaansreldlt Zij behooren tot het soort dat gemoed vervangen heeft door smaakt Daarmede is alles gezegd en daarmede zijn ze meteen veroordeeld. WU men echter zelf voelen hoe radikaal de Goncourts juist op de essenUeeie punten te kort schieten, dan moet men, gelijk lk deed, dadelijk na de herlezing van hun dagboek, het onvergelijkelijke „Journal dun l"*o«*«te** van Alfred de Vigny weer eens ter band nemen. Dan zal men eerst goed en definitief begrijpen «lat er qualiteiten van ziel bestaan! * * * Vigny,' wiens kunstenaarsschap huizenhoog boven dat van de Goncourts verheven was, leefde in een trotsche afzondering en «vaar bij. zich het meest om bekommerde, was zijn eer, zijn waardigheid en zijn vrijheid. De typische geestesgesteldheid «ran lltteratoren was hem ten «-enenmale vreemd. Hij kende geen andere am» bitie dan het zorgvuldig voltooide werkstuk en het geluk van zichzelf volkomen uit te spreke»». En nooit zou hij er toe komen om, als de lloncuurts de recensenten na te loopen om een stukje In de krant en om de journalisten met een persoonlijk bezoek te bedanken voor eiken keer «lat hun naam in de krant genoemd werd! De eenlge verzachtende omstandigheid, welke wij voor de . gebroeders kunnen laten gelden is, dat zij zich in hun beste «-ogenblikken van hun laagheid bewust waren. Zoo vinden wlj 9 April genoteerd: .slotre plale, c*est lambition litteraire insatiable et ulcéréé. et ce sont toutes les amertumes de cette vanité des let» tres. Ou le journal qui ne parle pas de vous, vous blesse, et oelui qui parle des autres vous, désespire." Het is wel treurig wanneer men dat van zichzelf bekennen moet* Een typisch verschil tusschen Vigny en de gebroedera Ugt ook in het feit dat de dichter alle situaties waar hij binnentreedt vermoeit en da menschen «vaar hij mee in contact komt ver» edelt; terwijl de romanciers met hun opgepoet» sten burgermansgeest de dingen verkleinen en de menschen ontwaarden. Zoo hebben ze een avond door gebracht in gezelschap «ran madame liabatler, la présidente, door Baudelaire in en» kele van zijn mooiste gedichten verheerlijkt De Goncourts ondekken «ran deze schoonheid niets: ze brengen deze «rrouw terug tot bun eigen niveau en ze zijn tenslotte alleen maar trotsch op een» letterkundig vondstje. Ziehier de noUUe welke hen voldoende in al hun kleinheld en nuchterheid karakteriseert: „Passé la soiree avec Mmmc Sabatier, la fameuse prés!» dente au merveilleux corps, moulé par Olesin» ger dans sa Bacchante. line grosse nature avec. un entrain trivial, populacler. On pourrait la définir, cette femme a I'antique. un peu canaille: une vivandiére de fau nes". Men hoeft geen oogenbllk in twijfel te zijn wie gelijk heeft in dit geval: het is Baudelaire! ' «Dok Vigny heeft enkele persoarisbeschrljvlngen. vertelt eenlge anecdoles en deelt enkele persoonlijke ervaringen in de wereld mede, maar op welke ganscn andere wijze, nemen we bijvoorbeeld zijn verplichte bezoeken ter gelegenheid van zijn academische candldatuur. HU vertelt die bondig en toch **« dat ons niets wezenlijks er van verborgen blijft en van de vulgaire afgunst, welke telkens bij de Gon» courts doordringt is hier geen sprake. Als alle verheven geesten was ook Vigny gezegend met een vriendelijke»» humor, een element dat blj burgermannen ten «-enenmale en immer ont» breekt V«ze schrijvers Alfred Vigny en de Goncourts zijn gedurende een periode «ran hun leven stad» «n tijdgenooten geweest en niettemin lijken ze door een eeuw en een wereld ge» schelden. Vlgny is een van de laatste groote. edele verbeven gestalten in de litteratuur van Frankrijk en de Goncourts zijn de typisch» voorbeelden van een genus dat sindsdien rijk opbloeide: de ijdele kttCTk-jechten. J. Qresbofl, t De «-«broeders gdmond en Jules de «?«mcourt i'.Uhl-irmp'l'e van «-.avarnl, UMJ ---