's Hertogenbosch heeft een groot verlies geleden : een zijner oudste en achtenswaardigste burgers, de heer A. P. Mulders, wethouder, regent van bet R. K. weeshuis te dezer stede, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, enz., is, aan verval van krachten, hetwelk zich sedèi-t slechts weinige dagen openbaarde, jl. Zaturdag morgen overleden in het 90ste jaar zijns ouderdoms. De beste hulde, welke wij aan dien edelen grijsaard, die in zoo hooge mate de achting en toegenegenheid van zijne medeburgers en bekenden genoot, kunnen brengen, is voorzeker de schilderij op te hangen van de verschillende eervolle en belangrijke betrekkingen, welke hij, van af zijne jeugd tot in zijnen hoogen ouderdom gedurende een tijdvak van niet minder dan 67 jaren; met eere bekleed heeft. Die hulde bragt hem reeds iii den jare 1858 de geachte burgemeester van 's Bosch jhr. mr. E. de Kuijper, in eene openbare raadsvergadering, toen den heer Mulders het geluk ten deel viel van 60 jaren deel te hebben gemaakt van de regering dezer stad, en die hulde herhalen wij thans met aanvulling van eenige dagteekeningen: De heer Adrianus Franciskus Mulders, was den 28 Januarij 1774 te 's Hertogenbosch geboren en begon in 1796 als armenzorger der wijk I zijne openbare loopbaan. Bij de organisatie der gewapende burgermagt, werd hij door de vrije keuze zijner medeburgers op 22 Augustus 1797 als kapitein benoemd, eiï door de kommissie ter algemeene direktie dier gewapende burgermagt in Bataafscli-Brabant, ingedeeld als kommandant der 4de fuselier-kompagnie van het eerste bataillon. Den 28sten Junij 1798, in het vierde jaar der Bataafsche Vrijheid, werd hij door het intermediair be» stuur van het voormalig gewest, Bataafsch-Brabant, benoemd tot lid der municipalen en schepenen der stad 's Hertogenbosch en als zoodanig op den 30sten dier maand beëedigd eh geïnstalleerd. De heer Mulders is alzoo de eenige schepen, die welligt van dat voorouderlijk regts-kollegie in Nederland overbleef. Met de reorganisatie van het gemeentebestuur onder de regering van Lodewijk Napoleon als koning van Holland, werd hij, bij dekreet van dien vorst in dato 20 Januarij 1808, op nieuw als lid der Begering van 's Hertogenbosch benoemd. Bij de inlijving van het voormalige Staats-Brabant in het Fransch keizerrijk, bevestigde hem keizer Napoleon I bij dekreet van 15 Mei 1810 in zijne betrekking- Na het overgaan der stad in de gezegende omwenteling in 1813, werd hij voorloopig door de Kommissarissen-Generaal in het gewezen Fransch Departement des Bonclies-du-Rhin, met de andere regerings-leden, als lid van den gemeenteraad gehandhaafd. In 1815 werd de heer Mulders, krachtens het reglement op Stads Regering vastgesteld bij koninklijk besluit van den sden November No. 59, bij besluit van Z. M. den koning der Nederlanden van 9 December No. 73, andermaal als raad der Stad benoemd en werd hij in die betrekking, naar aanleiding van het nieuw reglement van het Stedelijk Bestuur de dato 5 Januarij 1824, bij 's Konings besluit van 6 Augustus'lB24, No. 108, bevestigd. Na ruim 36 jaren door de moeijelijkste tijdvakken lieen, te weten: gedurende de republiek, het koningrijk Holland, het Fransche keizerrijk, het herstel van Neerlands onafhankelijkheid, het koningrijk der Nederlanden, en den Belgischen opstand, als een der werkzaamste leden van stads regering, namelijk als majoor kommandant der schutterij bij de eerste organisatie in 1815, als lid en voorzitter der kommissie van inkwartiering en kazerneering, als lid en voorzitter van het kollegie van opperbrandmeesters, als mede-oprigter en medebestuurder der koninklijke school voor Nuttige en Beeldende Kunsten, en in meer kommissien de belangen der stad en harer ingezetenen in de gewigtigste aangelegenheden belangloos te hebben gediend, werd de heer Mulders eindelijk, op voordragt van den gemeenteraad, bij besluit van Z. M. den Koning van den 27sten December 1834 No. 72, als wethouder benoemd en in die betrekking den 2 Januarij daaropvolgende beëedigd en bevestigd. Met het vertrouwen van den Eaad vereerd, werd hij tot vertegenwoordiger der stad bij besluit van den 19den December 1840 door gemelden raad als'lid der Provinciale Staten van Noordbrabant benoemd, en bekleedde hij die gewigtige roeping tot de invoering der nieuwe Provinciale Wet in 1850. Zoowel Z. M. de Koning als stads regering en hare ingezetenen bragten telkens hulde aan zijne veeljarige diensten. Z. M. Koning Willem II benoemde hem, toen hij zijn 50ste jaarfeest als lid van stads regering naderde, op Hoogstdeszelfs geboortedag den 6den December 1 847, tot ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, en sedert 1848 telken jare tot heden toe, werd hij door den Koning bekleed met de waai* digheid van lid en tweeden voorzitter van den militieraad in het arrondissement 's Hertogenbosch, terwijl stads regering en zijne medeburgers, bij zijne opvolgende aftredingen, hem telkens, door hem met nagenoeg algemeene stemmen te herbenoemen, het bewijs geleverd hebben hoezeer 's mans deugden op hoogen prijs werden gesteld. Tot weinig dagen voor zijnen dood bekleedde de achtenswaardige man zijnen post van Wethouder met dezelfde geestkracht en ijver, welke zijne jongere jaren onderscheidden, steeds de beste gezondheid genietende. Daarbij was dc heer Mulders, hetgeen de kroon op alles zet, een echt godsdienstig man, met hart en ziel aan de Kerk verknocht ; geen wonder dan ook dat hij reeds jaren geleden töt Regent van het E. Katholiek weeshuis gekozen werd; den 10 April 1818 als zoodanig benoemd, bleef hij tot zijnen dood eer ér in stellen onder de leden van het bestuur dier weldadige en zooveel goed stichtende inrigting geteld te worden, van welke inrigting hij bij zijnen dood het oudstelid in jaren even als in funktie was. Moge de eervolle loopbaan van den heer Mulders, mogen- de achting en de eerbied, welke hem ook aan gene zijde des grafs door zijne medeingezetenen toegedragen worden, eene magtige beweegreden zijn om het smartgevoel te leenigen, waarin zijn dood de diepbedroefde kinderen en familiebetrekkingen gedompeld heeft I Moge, eindelijk, de betreurde overledene in de zalige gewesten der onsterfelijheid het loon voor zijne weldaden vinden, een loon dat de wereld, dat de aardsche grootheid hem niet geven B^gên|[!' Amsterdam, na al de verliezen in de laatste jaren onder de geestelijkheid geleden, heeft dezer dagen weer op nieuw drie priesters ten grave zien dalen. Een hunner, de',eerw. pater Franciskaan Hartman, overleed aan de gevolgen van eene langdurige slepende ziekte. IJverig en gezocht prediker van Gdds Woord, had zijne zwakheid hem belet andere diensten te bewijzen. Hij was geacht en bemind, e-n wordt door vele vrienden betreurd. De twee andere priesters zijn gevallen als slagtoffers van hun liefdewerk onder de slagen van den typhus dien zij beide aan het ziekbed der armen hadden opgedaan. De een, de eervV». pater Franciskaan Bouten, was naauwelijks eenige maanden in de hoofdstad geplaatst, waar zijn talentvolle ijver reeds begon zich een uitgestrekten werkkring te vormen, toen hij, op het ziekbed neergeworpen, aan de vreeselijke kwaal bezweek. Dé ander, de Eerw. Pater van Rijckevorsel, van de Sociëteit Jezus, was reeds sinds het jaar 1856 in Amsterdam geplaatst in de kerk van den H. Ignatius, waar hij, na vele gewigtige bedieningen in de Sociëteit te hebben waargenomen, den 16n November van genoemd jaar, tot pastoor werd benoemd. Geboren in 1804 le 's Bosch, volbragt hij zijne studiën in St Acheul, trad te Friburg in 'tjaar 1828 in de Sociëteit, werd prefekt van de studiën in het kollegie van Aalst in Vlaanderen, later biechtvader te Gend, waar hij onder eene uitgestrekte menigte werkzaam was, even als hier bemind en geacht, totdat hij tot president van het seminarie te Kuilenburg werd benoemd, waar hij gedurende zes jaren dezelfde liefde en gehechtheid, zoo van zijne kollega's als van de talrijke studenten, verwierf. Het pastoorsambt nam hij te Amsterdam waar tot den 5n Oktober 1861, sinds welken tijd hij aan dezelfde kerk als biechtvader verbonden bleef. Hij konde alzoo de laatste 18 maanden van zijn leven uitsluitend toewijden aan de geestelijke zorg zijner talrijke biechtelingen, zieken en armen. Hij deed dit geheel. Het was in deze bediening, dat hij aan het ziekbed der zijnen zich zijne laatste ziekte op den hals haalde. Hij leed geduldig, en stierf gelijk hij geleefd had: in volkomen overgeving aan Gods wil, steeds met God bezig, en te midden zijner groote benaauwdheid en pijnen geduldig en zachtmoedig. Zijn wensch dat, moest hij sterven, dit op Goeden Vrijdag zou mogen gescliiéden, werd vervuld. In den lijder.snacht zijns Meesters mogt hij zijn doodsangst, hoe hevig ook, met volle kalmte en kennis, ten 4 ure des morgens doorstaan, onder het nadenken der zoo gepaste woorden: van daag zult ge met mij zijn in het paradijs. De waardige priester had een eenvoudig eh krachtig geloof, veel en diep gevoelde godsvrucht, «ooit verstoorde zachtmoedigheid en eene tot alles bereide goedheid, dit alles gebouwd op een grooten ootmoed. Liefst bewoog hij zich onder kinderen en armen, en nooit was hij bevredigd in het troosten der bedrukten en het helpen der ongelukkigen. Geen wonder dat bij de uitvaart van den overledene, door zijne drie broeders en een neef gedaan, de H. Ignatius-kerk overvol was, de korte toespraak van Pater de Wit gretig aangehoord werd, en zijn verlies door geestelijken, geloovigen, en doortallooze leeken van alle gezindten zoo zeer betreurd wordt. (de Tijd.) --- STAATKUNDIG OVERZIGT. De AUgemeine ïeitung bevat eene korrespondentie uit Weenen, waarin gemeld wordt dat Oostenrijk, Frankrijk en Engeland het eens zijn geworden betreffende de nota, die naar St. Petersburg zal worden gezonden. De. Oostenrijksche nota zal, volgens dit schrijven, onmiddellijk worden afgezonden. Wenschen worden er niet geformuleerd, maar er wordt te kennen gegeven, dat Keizer Alexander niet alleen het kongres- Polen, maar de gezamenlijke Poolsche provinciën moge bevredigen. De Westersche mogendheden zenden eene scherpere nota aan de Russische regering, maar een yplledig programma komt er niet in voor. .'. De generaal Berg is te Warschau aangekomen. Hij feeeft de officieren van de troepen aldaar met hun goed gedrag geluk gewenscht; zoo meldt de telegraaf uit Krakau. Waarschijnlijk zullen de grootvorst Konstantïjn en Wielopolski hunne demissie gegeven. De opstand breidt aich in Litthauen uit. De boeren hebben eene kerk van de Schismatieken verbrand. Aan de Nordd. Ztg. wordt uit Parijs getelegrafeerd dat aldaar 11. Dingsdag berigt is ontvangan, dat de geheele Russische armee op voet van oorlog gebrast wordt \fook zou de heer von Budberg Vrijdag jl. de mededeeling ontvangen hebben, dat eene versterking van de armee wegens vroegere verminderingen noodzakekelijk geacht is, alsmede dat Kroonstad in staat van verdediging gebragt is. Dat alles toont ongerustheid en een ertistigcn toestand aan. Evenwel heeft, volgens het zeggen van den telegraaf, het Russisch gouvernement geene aanvallende bedoeling. Volgens de Kó'ln. Ztg. heeft de Keizer van Rusland eene ukase onderteekend, waarbij aan allen, die aan den Poolschen opstand hebben deelgenomen, met uitzondering van.de hoofden, amnestie wordt geschonken. Die amnestie zal afgekondigd worden, zoodra de opstand volkomen onderdrukt zal zijn._ Sommige reseringfen hebben daarvan reeds officieèlé mededeeling ontvangen. Wij deelen dit berigt onder voorbehoud mede. De grootvorst Könstantijn heeft aan Oostenrijk genoegdoening beloofd voor het schenden van grondgegebied door Russische troepen. Het Poolsch komité tracht een leening van tien millioen te sluiten, daar de hulp door de Poolsche emigratie verstrekt niet genoeg is voor de wapenen en amunitie. Vele Fransche onderofficieren, wier diensttijd verstreken is, vertrekken naar Polen, om de benden té helpen organiséeren. De Polen schijnen vast besloten te hebben den strijd vol te houden. Nieuwe depêches uil Warschau spreken van de uitbreiding en van het gewigt, dat de oproerige beweging in Litthauen voortgaan te erlangen. Men meldt, van den anderen kant, dat hetzij onder den invloed der vrees, welke men te St. Petersburg koestert, hetzij als eene zijdelingschc bedreiging aan bet adres van Polen, het Russisch gouvernement een zijner geheimraden belast heeft een ontwerp vau konstitutie te bewerken met eene soort van nationale vertegenwoordiging. Uit Zwitserland schrijft men, dat dr* publieke opinie zich algemeen ter gunste der Polen verheft. Overal worden komités gevormd en de_ in sch rij yingen, daar geopend, bedragen reeds een aanzienlijk cijfer. De Times verklaart als officieel, dat Denemarken geene voorwaarde gesteld heeft voor de aanvaarding der Grieksche kroon door prins Willem, zoo als door Dagbladet is medegedeeld. Volgens de Times zal Denemarken alleen eenige voorwaarden stellen betreffende de toekomstige positie vau prins Willem. Er zijn over Marseille berigten ontvangen uit Konstantinopel, loopende tot 2 dezer. Daaruit blijkt, dat een honderdtal Grieken aan den Engelschen gezant bij de Porte een dankadres hebben overhandigd voor hetn-ecn Engeland ten behoeve van Griekenland heeft gedaan. Een soortgelijk adres van 120 Grieken, met den zoon van generaal Kalergis aan het hoofd, is aan den Franschen gezant, den heer Moustier, ter hand gesteld, uit erkentelijkheid voor hetgeen Frankrijk geheel belan-jcloos heeft gedaan voor de Grieksche zaak. In dit~adres wordt de hoop te kennen gegeven, dat Griekenland met Frankrijks magtigc medewerking een betere 'toekomst moge te gemoet gaan. De heer Moustier heeft hierop geantwoord, dat dc Keizer met voldoening dit getuigenis, dat even vleijend is voor de beide volken, zal ontvangen. Het Spaansche ministerie heeft thans zijne politieke geloofsbelijdenis afgelegd. Als hare staatkunde heeft de Regering doen kennen: eene rigting, vrijzinnig door het ■ behoud, eene rigting gegrond op dc konstitutionneele instellingen des lands: en in het buitenland eene onzijdige hou ling, met handhaving van den naam' en den rang \an Spanje als mogendheid. Op de vriendschap van allen rekent het ministerie; het verzoekt echter niemands steun, en het zal de gelegenheid weldra openstellen om over zijne politiek, uitspraak te doen. Volgens de te Madrid van regeringswege openbaar gemaakte berigten is in St. Domingo het gedeelle der bevolking, hetwelk trachtte zich weder aan de heerschappij dcv Spanjaarden te onttrekken, door de Spaansche troepen spoedig bedwongen en weerloos gemaakt. ---