Eerste Blad. Dit nummer bestaat uit drie bladen. Den geabonneerden op dit blad wordt herinnerd, dat aanvragen om het premieboekwerk bij dezen jaargang vóór 1 Maart 9. k. worden ingewacht. Men neme daarbij in acht de Voorwaarden, genoemd in onze nrs. van 28—31 Januari. --- Opleiding der Adelborsten. Bezuiniging, Onderwijs, Examen der Adelborsten! Ziedaar drie onderwerpen, welke in den laatsten !ftd de aandacht van velen tot zich hebben getrokken. Het zij mij vergund in het volgende ook mijn bescheiden meening daaromtrent ten beste te geven. Wanneer men de opleiding der aanstaande zee- Dfficieren met de leeraren, die langen tijd aan de inrichting verbonden waren, bespreekt,dan komen zij allen daarin overeen, dat het aanbeveling zou kunnen verdienen: 10. om eerst op lojarigen leeftijd den aspirantadelborst tot het vergelijkend examen toe te laten, m stede van op 13jarigen, zooals nu geschiedt, waaruit volgen moet: 20. den cursus aan het Kon. Instituut voor de Marine te Willemsoord weder slechts 3 jaren te doen duren. En inderdaad, er bestaat voordeel m dergelijke beschouwing. Ik begrijp dan ook niet goed waarom indertijd tot een 4jarigen cursus is overgegaan; waarom men den admissie-leeftijd minstens met éen jaar heeft vervroegd, waardoor natuurlijk de eischen van het examen met een en ander moesten verminderd woró)en, wat wiskunde betreft. Keert men tot het oude régime terug, dan konden er toch nog tweemaal pogingen worden aangewend, alhoewel zij, die reeds 17 jaar waren, van mededinging uitgesloten bleven. Wat kan evenwel de reden van die verandering geweest zijn? Wanneer wij nagaan, wat de Min. v. Marine in de Mem. v. Toel. daaromtrent zeide, bij de Begrooting voor het dienstjaar 1877 — het jaar waarin de vierjarige cursus werd ingevoerd — dan schijnt het waarom dier verandering alleen bestaante hebben in de noodzakelijkheid, om den Adelborst Scheikunde en Maleisch te laten leeren! En terwijl wij het nut van het laatste volkomen willen toegeven, komt ons de kennis van het eerste — om aanstonds op te geven redenen — volstrekt niet als van zoo groot belang Voor. 1) Bij de beraadslagingen in de 2e Kamer, Ao. '76, werd er in 't geheel bijna niet over gesproken, en de Minister achtte het dientengevolge ook niet noodig, de vermeerdering van zijn budget met p.m. ƒ 25000 (toenmaals) te releveeren. Wij hebben ons daarbij echter nooit zoo gereedelijk kunnen neerleggen, maar steeds gedacht dat, behalve financieel, juist het zoo lang mogelijk laten der jongelieden onder de leiding van geexperimenteerde Paedagogen —- d. i. leeraren der 1) Dat gebroken had moeten worden met een oplei- Sngs-systeem, 'twelk zooveel minder kostte, voordcelen bad boven het nieuwe en nu nog vigeerende, enprineipieel volstrekt geen bedroevende resultaten leverde. Scholen g.g. — een onmisbaar voordeel opleverde boven een vroegtijdiger komst aan een militaire inrichting, waar, uit den aard der zaak, vele der militaire leeraren zelf, door hunne verwisseling binnen p.m. 4 jaar, in zake de opleidkunde nog niet ten volle hun sporen verdiend kunnen hebben. Ook met het oog op datgene, waarmede de Burger-leeraren, verbonden aan de inrichting, met de pas aangestelde adelborsten moeten beginnen, is de 4-jarige cursus* aan bedenkingen onderhevig. Die leeraren toch vangen aan en gaan nagenoeg een jaar door met datgene waarmede de schoolmonarch bezig was, toen hij zijn élèves het Depai-* tementsgebouw in 's Hage binnenleidde; en aldus wordt er thans op het Instituut voor de Marine veel verricht, van eigenlijk beter op de schoolbanken had kunnen geschieden. Ook werd opgegeven indertijd, dat het 4e jaar grootendeels gewijd zou zijn aan de praktijk !... In den winter-cursus doet het laatste studiejaar der jonkers echter niets aan de praktijk, geen enkel uurtje is daaraan gewijd; op een na het oudste jaar heeft 2 uur schermen en 1 uur gymnastiek in de week. In den zomer gaan deze beide jaren gedurende 6 weken een tochtje met een zeilscheepje maken, ten einde practische oefening te houden op de Zuiderzee; terwijl het oudste jaar zich bovendien nog 6 weken voor het omgaan met het stoomwerktuig eerier kanonneerboot practisch bekwaamt. En of nu alleen voor deze zaken en de studie van Maleisch en Hoogduitsch een jaar langer verblijf te Willemsoord, dus ook de uitgave, ad ƒ40,000 1), van 's laridspenningen meer dan vroeger gewettigd is, gelooven wij niet. Behalve deze meerdere kosteu toch, komt er nog dit bij. Vele leeraren zijn meestentijds geneigd — en hiervan willen wij hun geen al te groot verwijt maken — het vak dat zij doceeren, natuurlijk hun prédilectie, zooveel mogelijk uit te breiden. Staan hun nu 4 jaar ten dienste, zoo zullen zij in de moeielijk te wederstane verzoeking gebracht kunnen worden, het gedeelte, dat in 3 jaar op een voldoende wijze kon worden afgehandeld, over dat 4e jaar nog wat uit te breiden; een ijver waaromtrent wij helaas niet gunstig kunnen adviseeren, in aanmerking nemende, wat de aanstaande zeeofficier al zoo leeren moet en wat hem in 't vervolg van tijd voor zijn eigenlijken werkkring — redelijkerwijze gesproken — daarvan te pas kan komen. Ons bestek laat niet toe hier in zeer vele details te treden; om bijv. uur aan uur na te gaan, wat den adelborsten wordt geleerd, en hoe onze denkbeelden daaromtrent anders zijn. Wij kunnen dus volstaan, met in grove trekken op te geven, hoe wij het bij dat onderwijs veranderd zouden wensciien. Op den voorgrond echter stellen wij, dat, hetgeen wij zullen voordragen, niet iets nieuws is, maar in principe overeenkomt met de wijze naar welke vroeger van adspiranten jeugdige zeeofficieren werden gemaakt, zooals wij zelven werden onderwezen. Vooreerst dan, gelijk gezegd is, geen adelborsten 3e kl. (jongste afdeeling) onder de 15 jaar. Vervolgens een 3jarige cursus. De adelborsten Ie kl. zullen dan op 'tjongst 18 jaar zijn; dit, gepaard gaande met een 2jarig bekleedenvan dien rang, maakt den leeftijd van 20 jaar voor de bevordering tot luitenant ter zee 2e kl. (Ie luit. der inf.) een ouderdom, dien men voor dien rang en die betrekking waarlijk niet als te oud mag qualiflceeren. Volgt het leerplan: Op het Instituut wordt onderricht gegeven in zeer veel verschillende vakken. Omtrent de te berei- 1) In '76 (met 3j. cursus) subsidieerde 't Gouv. ƒ69,000; thans (met 4 j.) ƒ,109,000 per jaar. ken grenzen van elk, kunnen de opinièn wel wat uiteenloopen; doch als men rekening houdt met den leeftijd der leerlingen, en den tijd welke ter beschikking gesteld is, dan spreekt het wel van zelf, dat beperking hier de eerste leuze dient te W6Z6ÏI. En dan komt de vraag, wanneer men bijv. alleen de vele wiskundige en nog eenige vakken, waarin gedoceerd wordt, nagaat: meet- en stelkunde, goniometrie, platte en bolvormige trigonometrie, hoogere en beschrijvende meetkunde, differentiaal- en integraalrekening, natuur- en scheikunde, mechanica, gedeeltelijke wiskundige behandeling van artillerie en stoomwerktuigkunde, sterrekunde en stuurmanskunst — hoe zou hier dan die beperking toegepast kunnen worden ? V/at zou ons wel voor wijziging dienstig voorkomen? Gaan wij daartoe na, natuurlijk met het verleden en de toekomst in onze gedachten, welke vakken ons als zeer goed misbaar voor Adelborsten voorkomen. Allereerst de scheikunde. Zeker behoort deze kennis tot die van een beschaafd ontwikkeld man in 't algemeen; maar wanneer men alleen met dezen maatstaf te rade ging, zouden wij waarlijk niet weten, waar in kunsten en wetenschappen te moeten eindigen, en gélooven dus tot de vraag gerechtigd te zijn: wat hoort daar niet toe ? Wij moeten dus naar een veiliger gids inditlabyrinth zoeken en vermeenen dien gevonden te hebben hierin : dat wij aan den aanstaanden beschaafd ontwikkelden zee-officier niets méér willen leeren, dan wat er redelijkerwijze verwacht kan worden, dat hem in zijn carrière noodig zal zijn te weten. Alzoo, eet duidelijk inziende, dat chemie hem in dezen dienen kan, schrappen wij haar van het Tableau der lessen voor het Kon. Inst. v. d. Marine, en stellen daar maar onmiddellijk voor in de plaats: het onderwijs in de zeegaten van het vaderland, een onderricht dat thans niet gegeven wordt, doch dat den Adelborst later zeker veel meer te pas zal kunnen komen dan scheikunde: een kennis, welke mede een groote dosis geheugen vergende, op dien leeftijd echter gemakkelijk wordt aangeleerd, terwijl dat geheugen nuttiger wordt aangewend, dan door het moeten onthouden van een I .enigte geheel vreemde namen e:: formulen, \veM;e de scheikunde noodzakelijk maakt. Niet dat wij deze studie ook maar in 't minste gering willen schatten; zulks zoude even dom als onverantwoord zijn; maar wij zijn te zeer doordrongen van de noodzakelijkheid der kennis van de vaarwaters van den geliefden geboortegrond, welke bij de defensie, het hoofddoel van de Marine, den zee-ol'flcier zoo uitnemend te pas zal komen en welke helaas bij dat corps over 't algemeen, door gemis aan oefening, zoo zeer ontbreekt, dan dat wij haar voor eenigen prijs aan het Laboratorium willen ten offer brengen. Zoo de zee-officier later scheikunde voor zich mocht noodig achten, welnu, de voorbeelden van zeer op prijs te stellen ambitie van sommigen onzer kameraden zijn daar, om er op te wijzen, dat het gemis van het leggen dier eerste gronden op het Instituut, in dat gedeelte der wetenschap, geen onoverkomelijke hinderpaal is! Vervolgens ontwaren wij differentiaal en integraal rekening op het programma. In onzen tijd, en ook vroeger, werden deze hooger wiskundige bespiegelingen alleen aan een soort van élite onder de leergrage (?) adelborsten onderwezen; welke keurbende, naar onze meening, toen echter te groot was. En nog gelooven wij, dat voor zulk eene opvatting veel te zeggen valt. Zooals het in onzen tijd ging, zal het thans ook wel zijn en nog langen tijd wezen. — Onder elk studiejaar namelijk was een klein getal adelborsten, 4 of 5 willen wij eens aannemen, dat als 't ware van den beginne af blijken gaf, vlugger hoofden dan hun kameraden te bezitten; die weinigen wisten met geringe moeite de wiskundige vraagstukken, tot toepassing van het geleerde gegeven, een uitstekende methode, naar onze bescheiden zienswijze, om te leeren denken —op te lossen en toonden doorgaans ook in de andere vakken boven de anderen uit te munten. Deze nu alleen achten wij geschikt tot het volgen van den cursus in de bovengenoemde rekeningen, en wij achten het voorts volstrekt niet ondoenlijk, gelegenheid te vinden, bij de opleiding die wij behandelen, om, gelijk dit vroeger geschiedde, met deze voorgangers (zouden zij niet de aangewezen personen wezen voor den vroeger besproken marine-staf?) een meer uitgebreide wijze van wiskundig onderricht te volgen dan zulks met het algemeen wel geschieden kon — dat bijv. een bekenden gebruikelijken cursus van Analytische Meetkunde doorloopt, welke zich vooral niet te ver mag uitstrekken. Er wordt ons wellicht tegemoet gevoerd, dat het afzonderen van de weinigen, zooeven bedoeld, in elk studiejaar aan veel bezwaren onderhevig is. Doch wij kunnen dat niet inzien, vooral wanneer wij ons herinneren, hoe zulks in onzen tijd ook geen moeiel ijkheid opleverde; noch voor de leeraars noch voor de leerlingen. leder onzer toch wist, zonder daaromtrent te verschillen, de 4 of 5 knapsten kranen noemden wij hen) aan den eersten den beste, met de rondborstigheid der jeugd eigen (en ten sieraad) onmiddellijk te noemen ; welke eersten der klassen dat ook tevens vrij wel al den lijd, dien wij op het Marine-Instituut doorbrachten, gebleven zijn, èn voor hunne makkers èn voor hunne onderwijzers. En mocht men zich al soms met een enkelen vergissen, na afloop van het eerste jaar kunnen wij ons een volgehouden vergissing, bij een zoo gering aantal, moeielijk meer voorstellen. Maar al ware dit zoo, welnu, voor een valk die een uil bleek te zijn, zou wel weder een uil als valk kunnen worden in de plaats gesteld, en anders — telde de uitverkoren schare maar een of een tweetal minder! Blijft nu nog over, een andere tijdsverdeeling om méér lijd voor die vluggeren te vinden Wij gelooven, dat wanneer wij eens aannemen, dat in het eerste leerjaar voor ieder hetzelfde leerplan werd gevolgd, en men eerst bij au in van het 2e jaar met de splilsing begon, het vlugger uitwerken van opgegeven vraagstukken reeds een middel aan de band zou doen om tijd te winnen, die namelijk gewijd moest worden aan de aanschouwelijke oplossing, door een leeraar, van de onopgelost gebleven voorstellen der groote meerderheid. En zulks om nog niet eens te noemen Algemeene en Vaderlandsehe Geschiedenis, benevens Aardrijkskunde, op welke vakken wij met grond vooronderstellen, dal de commandant van het Instituut wel eenige tijdwinst zou weten te maken. En dit alles wordt gezegd, nog daargelaten dat tegenwoordig reeds 4 uur zijn uitgetrokken voor Dilt. en Integraal-rekening, aan het 3e studiejaar te onderwijzen. Het oplossen van wiskundige vraagstukken evenwel leidt ons nog tot deze overweging : Zooals wij mede reeds opmerkten, hechten wij hieraan, tot scherping van het denkvermogen, zeer veel gewicht, en 't is daarom, dat wij, ook weder uit onze herinnering puttende, op den voorgrond w:enschen te stellen dat we den tijd, daaraan besteed, veel beter gebruikt achten dan dien gewijd aan het afgebakende doorloopen van een zekere hoeveelheid wiskunde, of het volschrijven van vele quarto's. Naar wij vernamen, is ook thans nog het quantum dictees, door de adelborsten te vervaardigen, allerbelangrijkst; en wij vooronderstellen matig te zijn, wanneer wij den tijd, daarvoor benoodigd, eens op de helft van dien der studie in eenig vak schatten. Wanneer wij nu verder nagaan, dat vele leeraften aan het Kon. Inst. — zoo vroeger als later — «ich loffelijk beijverden, om in de gevoelde behoeften te voorzien en de wetenschap te dien opzichte te verrijken met hunne leerboeken, welke bij die opleiding gebruikt kunnen worden en dan ook aldaar verstrekt zijn; en voorts dat, waar aeze mochten ontbreken, het onderwijs in het algemeen thans toch zeker wel zooverre gevorderd zal wezen, dat, behalve voor de technische vakleen, het onderricht in de andere, ook voor adelborsten, per boek zou kunnen geschieden.... dan is ons de noodzakelijkheid van al dat schrijven piet recht duidelijk en gelooven wij, dat daar veel ?njd van te economiseeren zou wezen! Daar voor de uitzonderingen, de technische '* rakken, ook vele Gedrukten van Gouvernements*vege ter beschikking gesteld zijn, kunnen de j roder wijzers daarin mede te hulp komen in het ilesparen van tijd, dat, hier vooral, zoo kostbaar lüeinood! • Vergissen wij ons echter in deze? Wij weten nog, dat indertijd de hoeveelheid dictaat verminderde, naarmate de boeken der leeraren uitkwamen. Blijft nog een vak ter beperking over, en dat is de stoomwerktuigkunde. > Door een gedeelte der adelborsten (naar keuze) meer speciaal tot stoomvaartkundig-inge'nieur op te leiden; of anderszins, wenschen wij bet gros niet meer zoo speciaal in dat vak te doen bekwamen; hetgeen echter niet verhinderen Zou, dat den aanstaanden zee-officieren als zoodanig — en thans ook als beschaafd, ontwikkeld man — een goed algemeen denkbeeld moet gegeven worden van bet scheepsstoomwerktuig, doch meer niet! Hierdoor gelooven wij, dat genoeg zal gedaan zijn; zoodat de jonkers niet (noodeloos) veel tijd zullen behoeven af te staan aan een vak,zonder twijfel hoogst nuttig en noodig voor hen, die later meer bijzonder met machines enz. te doen zullen hebben — maar niet zoo bepaald noodzakelijk voor zee-officieren. Zou bijv. de verdediging door de Marine en het Leger niet méér aanbeveling verdienen; gesteld, er werd eens meer dan nu aan gedacht, dat deze zaak eene aparte studie daar ter plaatse overwaard kon zijn! Wij gaan dan ook geheel met zekeren Neptunus mede, wanneer hij in een brochure zegt, te willen breken met het systeem van den zeeofficier voor alles bekwaam te moeten maken. Speciale personen voor speciale (nuttig effect sorteerende) diensten kunnen allen der Ned. Marine, ergo der defensie (nogmaals gezegd, het hoofddoel) ten goede komen ! Eu zoo nu bij een driejarigen cursus en een opleidings-methode, gelijk boven behandeld is, nog te weinig tijd mocht overschieten — waaraan wij echter twijfelen — voor veel practische oefeningen (inclosa veel Gymnastiek) zoo zou het geheel of gedeeltelijk staken van het onderricht in Hoogduitsch of Fransch in aanmerking kunnen komen. De jongelieden moeten, bij hunne komst op het Instituut, de grammaticale gronden van het Engelsch, Fransch en Hoogduitsch reeds kennen. En wijl nu, door de wiskundige richting, die het onderwijs aldaar heeft, de taai-kennis meer wordt bijgehouden dan wel bijgeleerd, zoo zou een mid- denweg zijn in te slaan, door namelijk het laatste studiejaar geheel vrij van linguïstische oefeningen te stellen; vooral daar die leeftijd medebrengt, dat in den vrijen tijd getracht zal worden, meer uren op belletristisch gebied te besteden of meer romans te verslinden, dan den leeraren in exacte wetenschappen wel aangenaam zal kunnen zijn, of een goede politie — met t oog op de zeden — geraden zal voorkomen. In vroegeren tijd passeerden wij elkaar bet Schibboleth: »de talen zijn maar een bijzaak, dat komt er niets op aan!« een verklaring even zoo ontmoedigend en ondankbaar voor de leeraren, als feemoedigend voor de leerlingen. Is er sedert echter veel veranderd in dit opzicht? E. Kempr. --- FEUILLETON. MARION PAY. Naar het Engelsch VAN A. TROLLOPE. 12) »Maar wat zegt gij er van, Juffrouw Roden?« tervolgde Lord Hampstead na eenig stilzwijgen. »ïk weet zelf nog nauwelijks wat ik er van denken moet, Lord Hampstead." »Gelooft gij, dat het verstandig is?« »Wanneer de liefde eenmaal in het spel is, Wordt daarop gewoonlijk weinig gelet.» «Jammer genoeg. Ik ben het ook nog niet aaet mijzelf eens wat ik er van denken moet. vlk vrees, dat hij verkeerd gedaan heeft. En rh ken ik niemand op de wereld, voor wien zooveel achting heb als voor uw zoon.« »Gij zijt wel vriendelijk, Mylord.« •Volstrekt niet vriendelijk, want het is niet Saeer dan natuurlijk. Het verschil tusschen (tas beiden bestaat alleen hierin, dat ik mijne grillen kan opvolgen zonder iemand Ie hinderen of kwaad te doen. Lady Kings- Jbory vindt het bijvoorbeeld belachelijk, dat ik mijn dagelijkschen omgang niet bij graven en gravinnen zoek, maar zij ondervindt daardoor in het minst geen nadeel. Zij kan zelfs met een kalm gezicht daarover spotten en schertsen met hare vriendinnen. Met mijn vader is liet evenzoo. Hij beweert wel, dat ik niets anders doe dan zijne eigene stellingen overdrijven, maar overigens laat hij mij gaarne mijn gang gaan. Mijne broertjes, die nu vijf', zes en zeven jaar oud zijn, zullen later, wanneer zij groot geworden zijn, braaf met hun zonderlingen broeder den spot drijven, doch daarbij zal het blijven. Dat die broeder altijd met George Roden omgaat, is zijne zaak en niet de hunne; misschien profiteeren zij zelfs nog door de kennismaking met zijne degelijkheid Door al hetgeen ik doe of laat, ondervindt niemand eeniga schade.... Ie dat duidelijk óf niet?« »Zeer duidelijk. Volkomen duidelijk zelfs.« »Maar het wordt een geheel ander geval, zoodra er eene zuster bij betrokken is.. Men moet toch ook denken aan het geluk van anderen...'.« »Ik vermoed, dat zij wel het meest zal denhen aan haar eigen geluk....« »Toch niet al te uitsluitend, hoop ik.« »Neen, dat wensch ik ook niet. Maar een meisje, die eenmaal bemint....« »Ja, dat weet ik. Doch op een meisje als Frances rust in elk geval toch de verplichting om niet roekeloos te breken met hen, aan wie ai door rang en fortuin verbonden is. Ik durf gerust daarover met u spreken, Juffrouw Roden, omdat gij van te voren weet hoe ik persoonlijk over die dingen denk.cc »Zie eens, Mylord. Mijn zoon George heeft geene zuster; maar gesteld eens, dat hij er eene had, en dat gij haar bemindet; zoudt gij dan van dat huwelijk afzien, alleen uit vrees voor hen, aan wie gij door rang en fortuin verbonden zijt ?« »Heb ik u met dat laatste woord beleedigd'?" «Volstrekt niet, want ik heb zeer goed begrepen wat gij bedoelt. Het zou voor Lady Kingsbury een verschrikkelijke gedachte zijn wanneer 'hare dochter, zelfs hare stiefdochter, de vrouw werd van mijn zoon, die volgens hare meening van te lage geboorte i 5...« »Het is en blijft een moeielijk punt om over die hooge of lage geboorte een vaste meening te hebben, en gij weet...« »Ik weet hoe gij het meent, Lord Hampstead, en daarom kan ik met u gerust daarover spieken. Ik ben liet met u eens, dat mijn jongen geen gelijke partij voor uwe zuster is. Niet alleen Lord en Lady Kingsbury moeten er zoo over denken, maar ik houd mij overtuigd, dat uwe broertjes in later jaren, wanneer zij volwassen zijn, niet met hetzelfde genoegen over hun zwager den Postklerk zullen spreken, dan wanneer het een hertog of een graaf betrof. Het is nu eenmaal zoo. Doch ik geloot, dat dit volkomen hetzelfde iMREgfi wanneer gëeen iraweßjk deedt be« neden uw stand, te meer nog daar de smet van een lage geboorte later ook op een loekomstigen Markies van Kingsbury zou drukken. Daarom vraag ik u: zoudt gij in dat geval bereid zijn hetzelfde offer te brengen wat gij nu van uwe zuster verlangt?« Lord Hampstead dacht een oogenblikje na en antwoordde toen: »Mij dunkt, dat die twee gevallen niet volkomen gelijk staan.« » Wat is dan het verschil ?« »Voor een meisje is het een nog veel kiescher en teederder quaestie dan voor een man.« »Het kan zijn, Lord Hampstead. Een meisje moet inderdaad nog angstvalliger zijn ir. hare daden tegenover de wereld. De wereld zal aan een meisje nooit een eenmaal beganen misstap vergeven, terwijl het den man oneindig gemakkelijker valt de achting der menschen terug te winnen. Zoo is het ook met ongelijke huwelijken. Doch een huwelijk met iemand uit lager stand, die overigens een man van eer is, mag niet als een misstap beschouwd worden. Het is eene zaak van plicht en geweten. Uwe zusier zou daarmede geene daad verrichten, waarmede zij het verleden der Traffords te schande maakte. Alleen wanneer gij meent, dat uwe adellijke geslachten zich afgezonderd moeten houden van de overige menschen, en dat gij voor uzelf geen andere gedragslijn kiest dan die gij voor uwe zuster aanprijst, alleen dan kan ik voor uwe gevoelens eerbied hébben.» »Van mij is op dit oogenbiik geen sprake,« zeide Hampstead. Hij wist eigenlijk niet wat hij zeggen moest, want hij was sterk onder den indruk van de wijze, waarop deze vrouw het goed recht van haren zoon bepleitte. »Toch wel,» hernam de moeder, «en gij zijt verplicht u die vraag in ernst voor te houden. Wanneer gij dat niet doet, zou ik mijn George liever aanraden niet bij u op Hendon-Hall te komen.cc »Mijne zuster is daar niet. De geheele familie is naar Duitschland.s »Dat is wel mogelijk, maar er zal toch over hanr worden gedacht en gesproken.» »Ik zou voor niets ter wereld de vriendschap v.m uwen zoon willen missen door met hem diarover te twisten.« »Het zou misschien beter zijn indien gij het wel deedt. Mijn George weet hoe ik over dat huwelijk denk. Ik heb het hem afgeraden, zoowel voor zijne als voor hare zielsrust. Gij ziet dus, dat ik niet met opzet voor hem pleit. Mijne gedachte is, dat zulk een ongelijk huwelijk hem geen geluk zou aanbrengen. Niet omdat hij te laag staat, maar omdat de uwen niet hoog genoeg staan in ontwikkeling om zich boven het enkele standsverschil te verheffen.« »Ik kan daarover moeielijk verder met u redetwisten,« hernam Lord Hampstead. »Gij wilt wel zoo goed zijn hem mijne boodschap over te brengen ?« »Ik zal het doen,« antwoordde Juffrouw Roden, terwijl haar bezoeker afscheid nam en een oogenbiik daarna wegreed. »Net een uur binnen geweest,* zeide Clara Demijohn, die al dien tijd achter Juffrouw Duöer's venster had zitten uitkijken. «Waarover kunnen die twee het toch zoo druk hebben gehad ?« »Ik zou haast toch denken, dat hij de weduwe is komen ten huwelijk vragen," zeide Juffrouw Duffer, die nog te vol van verbazing was om eene nieuwe gissing te bedenken. »Dan zou hij stellig niet te paard en met een livreiknecht komen, want Juffrouw Roden is te verstandig om zich te laten inpalmen door iemand, die op zulk een dwaze manier zijn geld verkwist Maar het is buitendien onmogelijk, want het is blijkbaar iemand, die eigen paarden houdt en die evenmin aan Juffrouw Roden denkt als aan mij!« antwoordde Clara lachend. »Dat laatste zou u misschien nog zoo erg niet spijten, lieve," meende Juffrouw Duffer. »0, er zullen wel anderen komen. Ik voor mij verlang volstrekt niet naar paarden en livreibedienden. Hoe dikwijls ziet men, dat zulke menschen niet aan trouwen kunnen denken, omdat zij dan dat weelderige leven niet kunnen voortzetten.