KINDERKERKGANG Halftien. Het belletje aSn de winkeldeur rammelt Er komt dus iemand binnen. Geen klant, want voor het raam staat al het bordje met het opschrift: „Na negen uur wordt hier des Zondags niet verkocht." Grootmoeder dus. En jawel, daar stapt ze de huishoudkamer, die vlak achter den winkel gelegen isf al binnen. Alweer die akelige roode doek met blauwe bloemen en die kapothoed. Waarom doet ze toch geen mantel om, net als moeder ? Morgen zal ik op school van Piet Boelofsen weer hooren: „Jou grootmoeder is net zoon rooversvrouw met dien rooien, savooien doek." Ik wist al wat er nu zou komen : groote inspectie. Tot mgne moeder: „Wel, Antje, is Hendrik klaar"? Tot mg: „Kom eens hier, je kleeren zgn netjes en je.schoenen mooi gepoetst, maar wat zie je bleek" ! Ik wist al, dat ik alleen eene kleur had, als ik geravot had. Die kleurloosheid boezemde mij niets geene zorg in ; ik at, dronk en sliep goed. Loopen kon ik als de beste. De inspectie liep naar genoegen af. Thaas mijn jasje aau, mijn dasje om en met grootje ter kerke. Ik was immers het petekind van haren overleden man, en daarom achtte zg zich ver. plicht mg eiken Zondag tetnpelwaarts te voeren. Vader toch had het te druk wet den winkel en moeder was doopsgezind. O, die gedwongen kerkgang, wat pijniging voor een achtjarigen, bleeken, maar toch levenslustigen knaap. Verbeeld u: het was Januari, het ijs prachtig en ik had pas nieuwe schaatsen gekregen. Voor wü vertrokken werden mij eerst drie eenten ter hand gesteld: twee voor de armen, eene voor de kerk. Er waren in ons stadje twee Hervormde kerken. Naar de Zuiderkerk trokken wg op, ik gaande aan de rechter-, de huizenzijde van grootmoeder. Daar stuift mij Piet Boelofsen rakelings voorbij, met zijne schaatsen onder den arm. Even omgekeken naar dien gelukkige, maar grootmoeders bestraffende blik trof mg als een dolkstoot. Kwart voor tien uur zgn wg aan de kerkdeur. Kerkeknecht, stovenzetster en eenige reeds aanwezige oude juffrouwen worden zoo luide begroet, dat de woorden in de holle, koude, stille ruimte weergalmen en de dikke ouderling, die de maand heeft, omkijkt, alsof hij gereed was den banvloek over grootje uit te spreken. Eindelijk zitten wij. Ik tusschen grootmoeder en eene andere snuivende dame, mijne voeten op eene warme stoof. Van onderen dus warmte, maar recht» en links twee oude, koude uitstralende grootjes. Het schuifelen, stommelen en fluisteren verdwijnt eensklaps onder de machtige tonen van het orgel. Dat wekt me wat op; meer doet dat nog het binnenkomen van dien dikken bierbrouwer, die bijna altijd na den tweeden tusschenzang indommelt en dan al knikkebollend zoo luide snurkt, dat de dominee soms naar hem kijken moet. Dat belooft wat goeds, als hij ten minste slapen wil. Hij ziet er erg slaperig uit, vind ik. Daar komen de soldaten zoo waar ook al op de galerg. (Het was nog in den tijd van het gedwongen kerkgaan.) De officier wijst de plaatsen aan. Jongens die zitten daar toch prettig. Ze praten en lachen en steken nu en dan iets in den mond, juist geen pepermuntjes, dat weet ik wel. Daar is wezenlijk de dominee al op stoel. Bah, al weer dezelfde, die zoo dikwijls laat zingen en zoo lang preekt. Zou hij weer als voor drie weken het gezangboek van den preekstoel gooien ? Toen sloeg hij zoo met zijne vuist, zwaaide zoo met zijne armen en schreeuwde zoo luid. Grootmoeder heeft hem toen erg dierbaar gevonden, ik erg prettig. Het gebed begint. Ik sta op en schop de stoof bijna omver. Weer rust grootjes verschrikkelijke blik op mg. Wat bidt die man ijselijk lang. Even doe ik de oogen open en zie, dat de djkke bierbrouwer al is moeten gaan zitten en grootmoeder ecu snuifje neemt. Goddank, het gebed is uit. Dat zingen is prettiger. Een kleine duw maakt er mij echter opmerkzaam op, dat ik wat minder schreeuwen moet. De predikatie begint. Hé, als hg nu eens zonder tekst preekte of vergat dien op te geven Maar neen, daar komt de tekst, voorafgegaan door grootmoeders woorden: „Opzoeken, het is gemakkelijk te vinden", en gevolgd door: „Het is maar Ephesen." Eindelijk vind, ik Ephesen maar was nu den brief, het hoofdstuk en de verzen totaal vergeten- Grootmoeders blik wordt minachtend, verpletterend. De bierbrouwer wil nog maar niet slapen; ik krijg echter twee pepermuntjes van mgne linkerbuurvrouw. Als ze mij nu ook eens wilde laten snuiven; dat zou toch leuk wezen. De dominee is zeker verkouden, dat hg zoo vreeselijk snuit. Sapperloot, wat een hoop menschen moeten er nu ook snuiten. Ik meng mg met een echt falset-snuitje in het koor, zonder terechtwijzing van grootmoeder. De eerste tusschenzang zal plaats hebben, gelijktijdig met het rondgaan van den diaken met het zakje voor de armen. Twee centen. Is eene niet genoeg? Met een arm mensch hebben ze toch wel zooveel medelijden, dat hij voor eene mijner centen wel een aardig brok brood krijgt Eene cent zou ik zoo goed kunnen gebruiken. Kost ecu kopje kaneelmelk op het ijs niet juist eene cent? Maar of grootje en de diaken mijne gedachten kenden, zij zagen mg beiden aan en ik zondigde niet. Met een zucht laat ik de twee centen in het zakje glijden. Lekker zoo; die diaken stoot tegen de kerkkroon, dat de lampeglazen en ballons rinkeleu. Als er nu eens een viel op grootmoeders kapothoed of het kale hoofd van dien diaken. Dat denkbeeld doet mg bgna luid lachen. Ecu gevoelige kneep van grootje brengt mijn gelaat en houding weer in overeenstemming met den ernst van plaats, tijd en omstandigheden. Het gezang is uit. Het tweede zakje gaat rond. Eene cent, die maakte mg het niet zondigen gemakkelijk, want zoo verdorven was ik nog niet, dat ik een mijner broeksknoopen de plaats van mgn geldstukje zou hebben durven laten vervullen. Hoe naar, dat die ramen nu dicht zijn. Van den zomer was het toch prettiger. Toen vlogen de zwaluwen, als het regende, al schreeuwende het eene raam in, het andere uit. . Eens, net op dien Zondag vóór mijn verjaardag, vlak langs het gezicht van den dominé. Daar moest ik toch om lachen maar, dat lachen is mg duur te staan gekomen. Op mgn verjaardag kreeg ik van grootmoeder maar éen rijksdaalder, in plaats van twee, in mijn spaarpot. Grootmoeder is toch wel een beetje valsch, vond ik toen. Vreeselijk, wat schreeuwt de dominee nu, zeker omdat er zooveel menschen zitten te suffen en de bierbrouwer al ingeslapen is. Gelukkig, daar hebben wg den tweeden tusschenzang. Ik zou toch niet graag zoon houten engel op het orgel zijn. Altijd in die kerk op hetzelfde plekje. Neen, ik word zelfs nooit dominee, voorzanger, kerkeknecht of koster. Was grootmoeder maar dood, maar dat is toch te erg. Ze moest maar ziek genoeg worden, om, zoolang er ijs is, niet uit te kunnen gaan. Het zingen loopt nogal goed af. Jougens, ik zou wel eens een hert in de kerk willen zien rondspringen. Wat zouden de dominee en de soldaten het mooi knnnen zien zoo van uit de hoogte. Liever zag ik het toch in het bosch over die breede sloot vliegen. He ! wat is dat nu weer. Een enkele toon van het orgel houdt aan. Dat is toch aardig. Wat ziet de dominee ernstig naar boven. Alle menschen doen hetzelfde. Het staat zeker netjes in de kerk precies zoo te doen als domminee. Straks hebben ze immers ook hunne neuzen gesnoten en gehoest, toen dominee dat deed. Eindelijk gehoorzaamt het orgel aan den organist. „Hendrik, .kijk naar den dominee en luister; je let in het geheel niet op van morgen," wordt mij door grootmoeder toegevoegd en ik raak weer in de goede plooi. Ik zie, dat de dominee hoe langer hoe drukker wordt, hoe langer hoe harder begint te spreken. Daar beginnen een paar dames ook al te gillen. Zie je wel, dat het netjes staat net te doen als dominee. Eene dame wordt onder gestommel weggebracht Gelukkig mensch! Waarom ben ik ook maar niet gaan gillen ? Ik ben toch een dommerik. Bom, plof. en amen! Jongens, dat valt nog mee; hrj is nog gauwer klaar dan ik gedacht had. De bierbrouwer wordt met schrik wakker en staat in vergissing op. Het nagebed doorsta ik gelukkig ; de hoop op een spoedig vertrek en de Zondagsche babbelaars bij de koffie maken mg geduldig. Ook het nagezang loopt zonder verdere stoornis af. Nu begin ik echter pas goed te gevoelen, dat men van dat zitten in die kille kerk heel koud wordt; van schaatsenrijden wordt men toch warmer. Vanmiddag krijg ik zeker permissie om te rgden, want grootmoeder gaat bg oom eten. Schuifelende en sloffende raken wij de kerk uit. Daar staat nu wezenlijk die nare juffrouw Praat-al aan de deur op grootmoeder te wachten ; nu gaan wn niet regelrecht naar huis. Eerst nog de Lange Veerstraat door, de Prinsenkade af en de Lammermarkt over. Maar daar rinkelt toch eindelijk weer het belletje vau de winkeldeur, ik ruik de koffie zonder cichorei en zie het trommeltje met babbelaars op de tafel staan. Grootmoeder drinkt koffie bij ons. Grootmoeder tegen mgne moeder: „Wat is die Hendrik weer onoplettend geweest in de kerk, Antje; ik wed, dat hg niet eens den tekst meer weet." Ik: „Zeker, grootmoe, het was Ephesus en hg heeft tegen de kroon ook gestooten." Grootmoeder: „Zie je wel, Antje, hoe hg er bg is geweest, maar hg zal met de jaren wel beter worden. Hij heet naar zgn grootvader, en die was goed kerksch." Mijne moeder hoopt het eerste en is stellig overtuigd van het laatste. Nu ik zelf kinderen heb, zend ik ze tot hun twaalfde jaar naar de Zondagsschool en de kinderkerk, niet ter kerke, om naar eene preek te luisteren, zeer dikwijls nauwelijks geschikt voor volwassenen, laat staan voor kinderen. ---