Parijsche Salons VAN WELEER EN THANS, DOOR M. A. PERK. Slot. Vele jaren vervulde men met eere de taak om de zeden en de taal te hervormen, toen de zucht om steeds geestig te zijn en vernuftig, nadeelig begon te werken op natuurlijkheid en eenvoud. Meer en meer werd het opgeschroefde en gezwollene in eere gebracht, toen het voorbeeld van het Hotel Rambouillet door andere Hotels werd nagevolgd en zelfs in de provincie. De stroom des tij ds dreef de samenkomsten allengs in een andere richting voort, dan hare stichteres bedoelde, en deed ze eindelijk stranden op een klip, die den naam van Précieuses, eerst een eeretitel, tot een spotnaam maakte en Molière aanleiding gaf, in zgne onsterfelijke scheppingen: Les Précieuses ridicules en Les Femmes savantes, het oorspronkelijk zoo schoone en loffelijke streven op de kaak te stellen. Maar het zou mij te ver doen afdwalen, wanneer ik den invloed der salons op de taal verder in het licht ging stellen. In een ander opzicht nog hebben zij onberekenbare diensten bewezen aan de zaak der beschaving. Gelijk ik reeds opmerkte, hebben zij de zeden verzacht, den toon en de vormen in den omgang gelouterd. Van de salons ging een geest uit, die op de geheele maatschappij zijn eigenaardigen stempel zette. Ja, gertist mag men zeggen dat de hoffelijkheid, de courtoisie, de galanterie, die vroeger de Fransche samenleving in haar beste kringen kenmerkte en haar roem en sieraad te gader was, daaruit is voortgekomen. Ik zeg kenmerkte. Met opzet gebruik ik den verleden tgd. "Want in de hedendaagsche Fransche maatschappij, die toch nog altoos de toongeefster big ft van de geheele beschaafde wereld, schijnt die geest verstorven en met hem te gader de kunst, de zoo bij uitnemendheid Fransche kunst der causerie. Of zou de klacht ongegrond zgn, aangeheven door gezaghebbende schrij vers (•) over het volslagen gebrek aan distinctie, aan kieschheid in de vormen, zoowel als in de zeden; over de onbeduidendheid der gesprekken; over de klove die tusschen beiderlei kunne bestaat, zelfs in de beste kringen der hedendaagsche Parij sche maatschappij ? Ik geloof het niet. En naar mijne meening zal men zoo heel ver niet van de waarheid zijn, wanneer men het verlies dier kostelijke zaken toeschrijft aan het verdwijnen der salons, die de beste scholen der samenleving waren, welke men verlangen kan. 't Is waar, nog bestaan er op den huidigen dag salons en ontvangen aanzienlijke dames op vastgestelde dagen haar bekenden, en verdringen zich soms wel eens ten harent tal van bezoekers. Maar meestal behooren die tot de eene of andere bepaalde staatkundige partg. Het salon echter in de ware en oorspronkelijke beteekenis des woords, waarvan een kracht uitging in de maatschappij, waar vindt men het te Parijs of elders ? Het ideaal daarvan is: te zijn zooals het in de 17de eeuw was; te weten een plaats, waar de bezoekers zich vereenigden, zonder door eenig eigenbelang te worden gedreven, met het eenige doel zich het genoegen te verschaffen, hetwelk de causerie en de galanterie opleveren. Zoo iets wordt onmogelijk vervangen door weelderige en pronkzieke receptiën, waar honderden, persoonlijk met elkander onbekende, lieden, als in de restaurants van een station, waar vijf minuten oponthoud den reizigers wordt gegund, elkaar bij de buffetten verdringen om eene verfrissching te bemachtigen.Want men wil daar ieder ontvangen, de geheele wereld, het „tout-Paris", vermeerderd en vermengd met het „tout- Paris étranger". Eene receptie, waar men zich niet tegen het lijf loopt, is eigenlijk geen receptie die den naam verdient. Stellen de genoodigden zich niet bloot aan het gevaar om een keelontsteking of pleurus op te loopen, door in een zijkamer queue te maken om hun overjassen terug te krijgen, dan bestaat er heel veel kans voor de vrouw des huizes van haren avond te hooren zeggen: „Het was niet der moeite waard er heen te gaan. Er was haast niemand!" Een salon moet tegenwoordig opgepropt vol zijn, of het komt niet in aanmerking. ] En juist omdat men te veel gasten ontvangt uit vrees van er niet genoeg te hebben, omdat men zich er verdringt en tegen het lijf loopt, «mdat men geen ander bescheid verneemt dan het telkens wederkeerend, op verschillende tonen uitgesproken: „Pardon", „Neem mg niet kwalijk, dat ik u heb gestooten of op uw voet getrapt; maar het is ook zoo vol!" of: „Bepaald, het is erg warm, het is veel te warm, 't is om te stikken", is het geen salon in de goede oude beteekenis des woords. Aan dien naam beantwoorden nog minder de muzikale gezelschappen, waar toonkunstenaars met lange haren en zWare baarden u de ooren vermoeien door hun sterke toeren en stoute stukken, en telkens een aangevangen gesprek afbreken of u beletten te luisteren naar een onderhoudenden causeur. Evenmin samenkomsten, waarin de mannen de vrouwen in een salon beschouwen als een soort kunstig opgeprikte peppen, en, als zij zich verwaardigen haar aan te spreken, haar slechts weten te onderhouden over de nieuwtjes van den dag of de „schandaaltjes" van gisteren. Want zij verstaan de kunst niet meer om aan haar, die dat verdienen, een kiesche hulde te brengen. De huidige Parijzenaar, die tegenover een dame staat, aan wie hij is voorgesteld, weet, over het geheel genomen, niet wat hij zeggen zal. Zijn oog is even stom als zijn mond, en zijn gemoed even ledig als zgn brein. De galanterie is dood. Daarom is het, dat de dames midden in een salon opeengedrongen big ven staan als een kudde schapen, terwijl de heeren zich op den grootst mogelijken afstand bij de ramen verdringen, 't Is daarom zeker ook, dat men de lange avonden tracht te vullen met het vertoonen van comedies en levende beeldgroepen of het geluid van blaas- en snarenspeeltuigen. Vroeger wekten de Parijsche salon, de Parijsche causerie en galanterie de bewondering en afgunst van Europa. Wel heeft men sinds de vestiging der republiek pogingen aangewend, de oude salons te doen herleven. Die pogingen moesten onvermij delg k schipbreuk lijden op de klip der vereering van groote mannen, die men in zgn banier schreef. Met uitnemende juistheid is opgemerkt, dat er geen onfeilbaarder, zekerder middel bestaat om een salon te vernietigen, dan wanneer men er een groot man op een voetstuk plaatst, die zijn smaak en oordeel opdringt, zgn vrienden binnenleidt en zich laat bewierooken. De vergoding van een lid der Académie of de vereering van een staatsman zijn even noodlottig. Voorbeelden in overvloed zijn hiervan aan te halen. Andere salons gingen te gronde ten gevolge der eerzucht van de vrouw des huizes. Dat der bekende madame Adam mislukte, omdat het een soort beurs was, waar de prefecten bevordering kwamen zoeken, dichters een gehoor voor hun verzen, schrijvers een uitgever: zij die een belang beoogden, een duw om wat dichter bg het doel te komen. Zou de republiek niet eene geniale vrouw bezitten, die beproeven wil, den goeden ouden tgd in dit opzicht te doen herleven, eer de heugenis zelfs er aan ten eenenmale verdwijnt. Door den geest, die de salons der 17e en 18e eeuw aanvankelijk kenmerkte, weder in eere te brengen, zou zij een onschatbaren dienst bewijzen aan haar volk en aan de geheele beschaafde wereld. (*) O.a. door den bekenden Jules Clarétie in zyn La vie a Paris, 1885. --- Varia op technisch gebied. 11. In de Vereenigde Staten van Noord- Amerika heeft men meer dan elders het electrisch licht toegepast in spoorwegrijtuigen, vooralsnog echter, met het oog op de kosten, alleen op eenige sneltreinen, waarin wegens het meerdere verstrekte comfort tegen verhoogde prijzen wordt gereisd. Als voordcelen van deze verlichtings-wijze wordt naast de groote lichtsterkte de meerdere veiligheid op den voorgrond geplaatst. Bij de toepassing toch van gloeilampen, welke in luchtledige ballons brauden, is men zeker, dat ingeval laatstgenoemde breken, het licht door de zuurstof van de lucht onmiddellijk wordt uitgedoofd. De wijze, waarop de electriciteit in dergelijke gevallen verkregen wordt, is verschillend: veelal wordt een accumulator gebruikt (zooals bekend is, een inrichting om electriciteit op te zamelen, te bewaren en geleidelijk naar behoefte mede af te geven). Deze accumulator wordt óf geladen aan het station van vertrek of wel met behulp van een kleinen generateur, onder aan het rijtuig aangebracht, en gekoppeld aan de assen, welker beweging de electriciteit opwekt. Ook wel wordt op de locomotief een kleine dynamomachine geplaatst, die door een afzonderlijke kleine machina wordt bewogen en van waar de electriciteit door dradeu naar de lampen gevoerd wordt. De eenvoudigste en goedkoopste wijze is, de electriciteit 1 door de beweging van de assen der rij tuigen op te wekken en direct naar de lampen te voeren ('zonder accumulatoren); deze methode heeft echter het nadeel dat, wanneer de trein aan de stations stilstaat, er geen beweging van assen, ergo geen electriciteit en geen licht is. Daar echter de electrische lampen slechts op sneltreinen voorkomen en deze alleen stilhouden aan stations, die op zich zelf goed ver licht zgn en dus de lampen in de rij tuigen aldaar overbodig maken, schijnt dit ' nadeel grooter dan het in werkelijkheid is. Mochten deze spoorwegmaatschappijen binnen niet te langen tgd i overgaan tot bestudeering der vraag, welke wijze van electriciteitsopwekking ter verlichting der rijtuigen voor haar het voordeeligst is, en mochten het reizend publiek de resultaten van dat onderzoek in ' zichtbaren vorm niet onthouden worden! i Indien de kosten, om een afdoende ver. betering der verlichting te verkrijgen, een overwegend bezwaar zijn, zoo mogen de • maatschappijen bedenken, in hoe gunstigen toestand zg zich bevinden, ten opzichte van het sneeuwbezwaar, dat op vele buiten. landsche spoorweglijnen een bijna jaar: lijks terugkeerende last en schade is. De afgeloopen winter verdient, met het ! oog hierop, in Midden-Duitschland met i; een zwarten haal te worden geteekend. ' | Aldaar toch werd in de maanden December en Januari niet minder dan ƒ 240,000 aan werkloonen voor buitengewone sneeuwopruiming betaald; de schade door stremming van het verkeer is bezwaarlijk te ramen, zoo men niet de geldelijke uitkomsten van de exploitatie in vorige j jaren ter beschikking heeft. Geen wonder J dan ook, dat vele stemmen vol verontj waardiging opgingen, omdat iets dergelijks j bij den tegenwoordigen stand der techni- I sche wetenschap nog mogelijk is. Geen -wonder, dat daarop in het schrijf lustige Duitschland veel pennen in beweging werden gebracht om te betoogen, dat er weinig aan te doen was en dat sneeuwstormen spotten met alle lagen, die het menschelijk vernuft hun stelt. Het denkbeeld „sneeuwopruiming op spoorwegen" brengt bg velen de klassieke sneeuwploeg in herinnering, zgnde een driehoekig, plaatijzeren gevaarte, voor aan de locomotief bevestigd, of wel een wagen naar hetzelfde beginsel en opzettelijk met het oog daarop geconstrueerd. Al dadelijk moet echter worden opgemerkt, dat deze werktuigen bij sneeuwophoopingen als zich dezen winter in Duitschland voordeden, al heel weinig nut doen. Krachtige en vooral ook preventieve middelen dienen te worden aangewend. De sneeuw valt op drie verschillende wijzen op de aarde neer. Ten eerste in zware, natte vlokken, loodrecht neerdalende: deze veroorzaakt gewoonlijk weinig last. Ten tweede als lawine, in bergstreken dikwijls voorkomende. Tegen deze beide wijzen van sneeuwval zijn reeds sedert tientallen van jaren in Amerika maatregelen genomen door het bouwen van houten daken over den spoorweg heen: deze staan somtijds vrij of wel rusten aan ééne zgde op een bergwand. Daar dergelijke tunnels veelal over groote lengte moeten gebouwd worden, zoo behoeft niet te worden aangetoond, dat zij zeer kostbaar zgn, veel zorg voor onderhoud vereischen en slechts in streken, waar het hout goedkoop is, kunnen worden aangewend. De derde wijze van sneeuwval gaat gepaard met meer of minder sterken wind en geeft de jachtsneeuw, die als een droge, zandachtige, fijnverdeelde massa neervalt en door den wind wordt voortbewogen. Ligt een in het terrein ingesneden baanvak (een zoogenaamd gedeelte in ingravingen) op den weg van zulk een voortdwarrelende sneeuwmassa, dan is het gewoonlijk spoedig gevuld en wordt het verkeer in meerdere of mindere mate gehinderd. Bij den aanleg van den spoorweg kan veelal reeds een en ander worden gedaan om het gevaar van sneeuwopstoppingen te verminderen. In de eerste plaats door alleen bij groote noodzakelijkheid de spoorbaan beneden het omliggende terrein te leggen. Herhaaldelijk heeft men zelfs later met het oog hierop geheele baanvakken tijdens de exploitatie in de hoogte gewerkt. Ook is het zaak op de heerschende winden te letten, ofschoon bij den aanleg der spoorwegen de meest gewenschte richting reeds door zoovele omstandigheden wordt bepaald, dat de windrichting slechts een consideratie van ondergeschikten aard kan wezen. Ook wel graaft men de taluds onder zeer flauwe helling af of legt men er een breede sloot voor. Ook heeft men somtijds aan de zijde, van waar de wind komt, vaste of verplaatsbare sneeuwweringen opgesteld. EÏiertoe heeft men aangewend: gemetselde muren, aarden dammen, levende heggen, helmaanplantingen met veel laag hout, draadweefsels, palissaden uit versleten dwarsliggers gemaakt, enz. De verplaatsbare zijn gewoonlijk houten schermen, steunend tegen bokken ca in grooten getale op bepaalde afstanden geplaatst. In den laatsten winter heeft men dergelijke schermen voorgesteld, die ouder een zekere helling staan en waar de sneeuw zoowel onder door als boven langs kan gaan: de juiste keus der helling zou dan maken dat de jachtsneeuw over de spoorbaan wordt heengedreven en er niet op blijft liggen. Zoo ooit, dan is hier: „grau alle Theorie und grün des Lebeus goldner Bauin". V Al deze zaken zijn zeer kostbaar: in Saksen kosten de vaste gevlochten tuinen met inbegrip van kosten van onteigenirig en gekapitaliseerd onderhoud niet minder dan ƒ (i a ƒ 7 per strekkendtm meter. Sneeuwopruiining gaat echter altijd met aanmerkelijke kost«n gepaard. Dit ondervinden elk jaar de stadsreinigingsdiensten in de groote steden. In den laatsten tijd wordt als het beste middel tot verwijdering het gebruik vau zout aangeprezen en te Parijs wordt het met veel succys gebruikt voor de kei-, hout- en asphalt-bestratingen: de macadam kan er echter niet tegen. Het zout wordt met de hand uitgestrooid, omdat het sneeuwopruimen te zelden voortkomt om er machines voor aan te schaffen. Men gebruikt ruw ongezuiverd zout, dat uit de zoutworken komt, vermengd met teerachtige stoffen; het kost te Parijs 31 francs per toa. Men begint te strooien als de sneeuwlaag 3 a 4 centimeter dik is, na 2 of 3 uren kan men ze als slijk wegvegen. Gemiddeld heeft men noodig 0.125 KG. zout per vierkanten meter; wegens het arbeidsloon bedragen echter de totale kosten 3 a A centimes voor die oppervlakte. Dat de sneeuw met het zout vermengd smelt, berust op de bekende eigenschap van het mengsel om een zeer lage temperatuur aan t© nemen; is nu deze temperatuur lager dan die van de lucht, zoo houdt de bevroren toestand van het water in den sneeuwvorm op en het gaat weder tot zgn oorspronkelijken, vloeibaren vorm over. In Amerika wordt tegen het gebruik van zout voor sneeuwopruiming aangevoerd, dat het koude mengsel schadelijk is aan de voeten van menschen en paarden en dat, wanneer de massa nog niet verwijderd is, een plotseling opkomende,storke vorst de straat zeer glad en gevaarlijk maakt. Dit komt echter bijna niet voor. Als curiositeit kan nog worden medegedeeld, dat het zout voor dit doel het eerst werd aangewend door den Parijschen ingenieur d'Ussel, een naam, die zich, in verband tot het zout, leent tot verschillende woordspelingen. K. --- Het Willemskruis. In het Overveluivsch Weekblad, dat te Harderwijk bij de firma Wedding het licht ziet, wordt in twee hoofdartikelen het tegenwoordig gevolgd wordend stelsel tot aanmoediging van de vrijwillige dienstneming in het Indische leger besproken. De schrijver zegt, zeer te recht, dat de plakkaten en circulaires die daartoe worden aangewend, veel nut kunnen stichten voor de werving, maar dat zij in de allereerste plaats in de hoogste mate eerlijk moeten zijn. Hij wijst er o.a. op, dat het niet goed is om bij wgze van lokaas wèl de hooge sommen der handgelden te vermelden, maar niet de bedragen der soldijen in het Indische leger. Evenzoo acht hij het verkeerd, dat onder de advertentiën in de verschillende dagbladen te lezen, vermeld wordt: „Aanbrengpremie 10 gulden", waardoor menigeen in het denkbeeld is, dat men niet zonder een „aanbrenger" in dienst kan komen. Daarom dienden die woorden gevolgd te worden door: „Niemand behoeft echter een aanbrenger, om koloniaal-soldaat te worden". Vooral op de circulaires, die dezer dagen als „bijvoegsel" in de kleinere dag- en weekbladen werden aangetroffen, worden naar het ons voorkomt, zeer gegronde aanmerkingen gemaakt. "Waartoe dient het, zoo wordt er o.a. gevraagd, dat den aanstaanden soldaten hooge riddersoldijen worden voorgespiegeld, die voor hen onbereikbaarzijn? Daar wordt in die circulaires gezegd, dat een ridder van de Se klasse in de Militaire Willemsorde, het dubbele van de riddersoldij geniet aan de 4e klasse dier orde toegelegd. „Och arme!" zoo klaagt de schrijver, „wat moet de brave kerel niet doen voor een eenvoudige: „Eervolle vermelding" — laat staan voor een Willemsorde der 4e klasse. Men kan, met het oog op de zeer groote zeldzaamheid, gerust zeggen, dat het nooit voorkomt, een 3e klasse op de borst te zienr van een militair beneden den rang van officier — niet alleen, zelfs beneden den rang van hoofdofficier. Zoo is er op dit oogenblik ook geen enkel sub-altern officier noch mindere, in geheel het Indische leger, die dat kruis heeft." Inde-*da?d, ook wij vragen met den schrijver: „Waartoe zulke humbug?" De laatste mailberichten brengen ons door deze laatste opmerking tot een andere, waarop wij de aandacht willen vestigen. Let wel! De 2e luitenant Nijpels wordt gedecoreerd met de Militaire Willemsorde der 4e klasse, ter belooning van zijn heldhaftig gedrag, voor zijn moed en beleid aan den dag gelegd, bij gelegenheid dat een door hem gecommandeerd wordende patrouille onverhoeds door de Atjehers wordt aangevallen en welke patrouille hij, na herhaalde aanvallen glansrgk te hebben afgeslagen, onder zeer moeilijke omstandigheden, zooals het medevoeren van een groot aantal gewonden, met. uitstekend beleid uit het vuur en naar Kotta Radja terugbrengt. De soldaat Pruss, bij de patrouille ingedeeld, redt in een der aanvallen het leven van den luitenant Nijpels, den commandant der patrouille, door een lanssteek naar het hoofd van dien officier gericht, af te weren, zoodat slechts de helmhoed van den bedreigde wordt geraakt. De soldaat Pruss, die, met het leven, of althans zeker met het buiten gevecht stellen van den patrouille-commandant, naar alle waarschijnlijkheid den ondergang der geheele patrouille verhoedde, krijgt voor zijn moed, beleid en trouw een eervolle vermelding ! De luitenant Nijpels deed zijn plicht — op schitterende wijze, hij verdiende zgn kruis; maar de soldaat deed meer dan zijn plicht, want niemand had hem van plichtverzuim kunnen beschuldigen, zoo hij, op eigen lijfsbehoud bedacht, het gevaar wdarin zijn luitenant verkeerde, eens niet had voorkomen. --- De Wonden in Zwitserland. In het jongstverschenen nummer van de Zeitschrift fiir Schrveiz, Statis'ik komt een ieeks mededeelingen voor van prof. Bühler, te Zurich, over de wouden van Zwitserland, waaraan het volgende is ortleend. Al de wouden te zamen genomen hebben een oppervlakte van 821,452 hectaren, d.i. 20 percent van de oppervlakte des lands; in sommige kantons stijgt het percantsgewijze bedrag tot 39, ia andere daalt het tot 10 percent. Vergelijkt men in dit opzicht Zwitserland met d* naburige staten, dan blykt het, dat Oostenrijk en Duitschland op een gelijke oppervlakte als de Zwitsersche kantons, veel woudrijker zyn, want in beide staten stijgt de evenredigheid dikwerf tot over de 70 percent, die in Zwitserland hoogstens tot 39 klimt. De oorzaak hiervan ligt in de uitgestrektheid van den dorren, totaal onvruchtbaren bodem, die het land bevat, ten gevolge waarvan de wouden er nimmer gelijke dichtheid kunnen verkrijgen als in Oostenrijk of iv Duitschland, en aan uitbreiding der woulvlakte langs kunstmatigen weg valt niet te denken. De natuurlijke toestand des bodems maakt het onmogelijk. De oppervlakte des bo'ems, die niets voortbrengt, heeft, volgens de jongste opmetingen, een grootte van 11,752.80 vierk. kilometer, of 28.4 percent vaa het geheele land. Hoe ongunstig Zwitserlands toestand te dezen aanzien is,kan uit de volgende opgaven blijken: In Frankrijk is de inproductieve oppervlakte 18 pmicent, in Duitschland 6, het Alpengebied van Karinthie 5, Beneden-Oostenrijk 6, Ktiermaiken 8, Boven- Oostenrijk voor pleit ten duidelijkste het feit, dat de aanvoer gelijken tred houdt met de toenemende vraag naar het artikel, --- Een bergbeklimmer. Onder de stoute klimmers, aan wie het bestijgen van Alpen-reuzen f>euu moeieltfke taak meer toeschijnt, behoort, een voorname plaats te worden ingeruimd a_m den bser l'Vancia Lhymper. In het begin des j«irs is hy met eenige bekwame Zwitsersche bergbeklimmers, die jaren lang al* ervaren gidsen hebben dienst gedaan,' naar Engelschlndië vertrokken ooi den Chimborasso te gaan veroveren. Men moet erkeureu, dat hij wil van zijn reis heeft gehad, 't Ia hem in elk op/.ictit meegeloopen. In de eerste dagen van April brak hij met zyn geleide van Rio Bambo op, In plaats van binnen een paar dagen zeker punt aan de helling do.s bergs te bereiken, van waar het doel vau den tocht, de bergtop, niet ver verwijderd i», balden zy tien dagen noudig om de hun vroeger onbekende bezwaren te boven te komen op dit gedeelte van den weg. De fllheid van den dampkring leverde insgelijks ijrooter bezwaar op dan zy redelijkerwijze hadden durveti verwachten. Toch kwamen zi.i dit a'les te boven. Op den bergtop, hoog volgens meting 21,932 Eng. voet, genoten zij een temperatuur van 11° Fahr. Tot zyn groote vreugde ontwaarde de heer Lhymper, dat de Chimborasso twee bergtoppen heeft. Deze nieuwe moeielijkheid moest in.-gelyks worden o«erwonnen. Ook dit werd volvoerd. De terugtocht bood nezwaren van verrassenden aard in menigte aan, maar niettemin keerde de stoute bergklimmer met zyn geleide, triomfantelijk to Rio Bambo terug. --- Lijkverbranding. In bet Vicrteljiikrsekrilt fiir ger. Mcdu-iu, enz., dezer dagen verschenen, wordt een tabellarisch overzicht gegeven der lijkverbranding in Italië en Gotha van 1876-85. Hieruit blijkt, dat m ld Italiaansche steden gedurende dien tyd 606 ljjkvwbrandinge» hebben plaats gehad en 291 te Gotha. Bovenin de lijst staat Milaan met het crjfer van 403, dan volgt Rome met 20 lijkverbrandingen Te (omo is de toestel in gereedheid omstreeks het einde des vorigen j,ars en iv de steden Codogno, Mantua, Bologna, Bena, Venetië en te Turijn wordt aan het totstandbrengen van een crematorium gearbeid. --- Over Universiteiten. De ünion Society der universiteit van Cambridge heeft dezer dagen een besluit, genomen ten aanzien van do vraag: behooren academische graden te worden toegekend aan vrouwelijke studenten (ingeschreven aan de universiteit) na voldoend afgelegd examen.' Met 7J. tegen 65 stemmen is de vraag toestemmend beantwoord. Het koningrijk Zweden, 't. welk tot voor korten tyd slechts twee universiteiten heeft bezeten, namc.yk een te Opróla, de andere te Lund. zal dit getal weldra zien verdubbelen. De twee voornaamste steden des lands: Stockholm, de hoofdstad, en Uothenourg, de grootste koopstad, zullen spoedig elk prrjken met een stedelijke universiteit. De btockholiMctae is onlang* geopend op tamelijk beperkte schaal, want slechts twee faculteiten warea daaraan verbonden, waarbij nu dezer dagan een derde zal worden gevoegd, waarvoor de benoemingen reods zyn geschied. Zeer belangrijke schenkingen zyn door de inwoners der hoofdftad daarvoor ten offer gebracht. Te Gothenburg zal de nieuwe stichting eerstdaags worden geopend. Daar vooral heeft het niet ontbroken aan gelaelyke ondersteuning, want door een der voornaamste handelaren der stad, de heer David Cornegie, is een half millioen kronen ten behoeve aan de nieuwe Btichting beschikbaar gesteld. Nergens ter wereld is het vrouwelijk element, onder de studeerenden aan de hoogescholcn zoo sterk vertegenwoordigd al, iv Rusland. Volgens <,fficieele opgaven waren ten vorigen jare ingeschreven pan de verschillende universite.ten des lands 7v9 vrouwelyke studenten. Het raeerendeol oefende zich mdc geneeskunde, dan volgden de klassieke Ltteren eu wiskunde. Ongehuwd wa«n 748, de overigen gehuwd Tot de Grieksch-orthodoxe kerk behoorden 587 eu I*9 beleden de Joodsche leer. Dochters vau adellijke personen, van officieren en ambtenaren telde men er 437 onder, van orthodoxe geestelyken 84, van den koopmansstand 125, van stedelijke burgers 117 van plattelandsbewoners 10, van militairen beneden den rang van officier 1 en 2 buitenlandsene jonge dames. --- APÏKRTEHTÏËÏL De Notaris BAKKER te flattem zal * H.W.G. Heer Mr. P. A. L. A Baron VAN SüM te Utrecht, op Woensdag- 2» ISWÏ, des namiddags om één nur ten W den Kastelein H. KBOEZE in //de Oude i onder Kamperveen, in perceelen, ondermi generale massa, publiek verkoopen : Met extra vrnchtb«i> zeer g- n n »11 gr aan den bejj ï lJTsseldHK g-eleg-en BOERENERI genaamd „DE SLUIZE" bg en aan elkander gulegen onder de gemeen aan den begrinten IJsseldrjk van de Koeli Hattem, inde onmiddellijke nabijheid van de ' en den straatweg van Kampen naar den zeeschcn straatweg, en bestaande in ÏM>< woning- met Htalllnvren, tuin?' Immmuk isurd bouiv-, *vei-enlio« den en dyhg-looilnx-en, te zamen gl geveer 2 8 hectaren. Staande in 12 perce« X3OSÖ». Aanwiizing geeft, behalve op Zon- en fees WILLE SI E^SELINK, wonende op het Er wgl nadere informatiën en biljetten, waaro nsuwkeurig omschreven staat, met kaart, op aanvrage kunnen verkregen worden te II»1' Kantore van den Notaris BAKKER. ( J. BEETZ. 11. A. P. BOEKIIO L. VAN BAKEL Jr., J. J. F. F. MÜIi H. T. J. VELTHUIJSE, C. H. HED W. F. DE HAAS en E. BLEH Makelaars, zullen op jffattDl 97 .ÏUttt lÖ»y, des avonds « uur, in het Verkooplokaal Frasen' overstaan van den Notaris J. WILG in veiling brengen: Het voor eenige jaren nieuw gebö en naar de eischen des tij ds ingerict Hotel, Café en Resiaur* thans genaamd De Zeven ProvincU met overdekte Binnenplaats en Erv< recht van Vergunning, staande en ge aan de PRINS HENDRIKKADE t bij het Centraalstation, Kad. Sec- No. 40G0, ter grootte van 2 Aren 49 Centiarci Te bezichtigen Dinsdags en Donde' alsmede op den Verkoopdag, van 2 tot • De Bewijzen van Eigendom en de conditiön liggon op den gewonen tj lezing ten kantore van den NotiM WIEGMAN, Singel 422, bg de 1. J. BEETZ, J. P. A. KILSDONK, ! VAN ENGELEN. H.A.P. BOEKIIO Th. J. TEN BRINK, J. VAN NÜLCS H. B. VAN DER LINDEN Jr., DEENIK, A. COOPS Jr. en J. WAALWIJK, Makelaars, zullbo op \V (lap 2!> Juni 1887. des avonds na in het Lokaal HET OUDEZIJDS l HEN-LOGEMENT, ten overstaan den Notaris W. N. REPELIUS, in v< brengen: Het kapitale, modern ingerichte, he sterke en weldoortimmerde 'HEERENHUI met spiegelruiten in den Voorgevel, Plaats, Achterhuis, grooten Tllttf JErv©, staande en (gelegen aan de KEIZERSGRACHT F. \ tusschen de Prinsenstraat en Bron' gracht, Kad. S«ctie D. No. 555^ grootte van (12* 3 Aren, 3® Centiaren Te bezichtigen des Dinsdags, Dondé en op den verkoopdag van 2 tot A mits vertoonende een toegangsbewijs een der gemelda Makelaars getei De Bewijzen van Eigendom en de conditiön liegen op den gewonen tij' lezing ten kantore van den Notarid ' REPELIUS, Heerengracht 114. --- De Makelaars J. J. SEIJLMANH, .' J. MKIJERINK MKIJKR, L. GIJSEb P. F. A. ANTÜSOH , J. C. SCHOGT, .1. PETERMANN, J. J. F. F. MULLER, C. BIJL Pzn., J. D. HUI.IER en C. 11 MAN, presenteeren op last van hunnen Priocip Woensdag* 99 J anl 15*?? des avonds te Zes uur, in het Lokaal HET OGD W OIMSI-UGEI ten overstaan 'an de Notarissen MULDEK & KENEKKE, aan den meestbiedende ol nende te Vcrhoopcn: Het hechte, sterke en weldoortimfl HEERE» M ERÏ genaamd: DE WITTE LEUS, \ MET Fraalen, «rooien Tul staande en gelegen lleereiigracht, W°. 27 tusschen Harten- en Wolvenstrateu. Gr-tit* Kadaster jdrie ABEÏ. Alles breeder bij Biljetten omschreven, dit Perceel een der aanzienlijkste dezer Stad. 't Perceel is te bezichtigen des Dinsdage, 0 dags en op den Verkoopdag, van Twee tot Vie op vertoon van Bewijs van Toegang. Eigendomsbewijzen en Veilconditiën zullen " gewonen tijd ter leziDgliggen ten kantore van boj noemde Notarissen, Kloveniersburgwal bij de ' gracht. O 3" L. GIISELMAN, A. F. SONDORP, P. 3 J. G. TERSTEEG, J. C. SCHOGT, J. G. STEN, J. VAN NULCK Jr„ I. C. SCHUIJ1 A. BRASKAMP, J. lIESHOF, .1. W. P. H* JGzn., I. C V. VAN BE.UMEL, Makelaars,' op Maandag- 11 Juli I*»ï, des » na zes uur, iv het Lokaal Frascati ten ove van den Notaris F. C. P. BOTERKOVEN DE V veilen: Het hechte, sterke en goed ouderhoude' No. 1- HITS!* met Bovenhuis, met hards*' voorgevel, Open Plaats en ErVC, staande cD & aan den _4.mstel W'J. O ('s-Gravenlandsche Kadaster Sectie G, No. 4757, ter grootte van 1 48 Centiaren. No. 2. Een Houten CEBOUWTJf'' nende tot Oommissarisbuisje van div«rse Veren, st' en gelegen', aan den A instel, Kadaster Sec' No. 4300. Het Huis is te bezichtigen Donderdag en 'MV van 12—2 mr en het Bovenhuis Dinsdag en 0° dag van 2— 4 uur, mita voorzien van een Tot.? bewijs, j De Bewijzen van Eigendom en de Veilcofl" zullen vier dagen vciór alsmede op den Verkop ter lezing liggen tea Kantore van bovengenciC, Notaris, Keizersgracht N°. 170. (I*»' Gebr. Korting te BannoV Injecteurs, Pnlsometer», én* Vertegenwoordiger Jlllill* liiicU Amsterdam, Prinsengiaeht 817. (iW> ---