STADSNIEUWS. De ontvangst van de Sarasin's. Omtrent de ontvangst van de beide Zwitsersche geleerden door het Kon. Ned. Aardrijkskundig Genootschap op Zaterdagmiddag konden we in een gedeelte der oplaag in ons vorig nummer reeds het voornaamste mededeelen. Thans wenschen we bij het gesprokene door de beide reizigers nog iets meer te vermelden. Dr. Paul Sarasin, die als eerste spreker optrad, herinnerde hoe hij met zijn reisgenoot in 1896 Celebes verliet na een driejarig verblijf, om te Bazel de resultaten van hun onderzoek te boek te stellen. In den aanvang van 1902 zijn ze echter teruggekeerd. De Nederlandsche zendelingen Alb. C. Kruyt en Dr. Adriani hadden intusschen verschillende tochten gemaakt naar het Lindoe-meer en het meer van Posso, maar geheel geslaagd waren ze niet, voornamelijk door den tegenstand van den vorst van Sigi. De Sarasiu's besloten nu tot het maken van een tocht dwars door Centraal- Celebes, uitgaande van Paloe (gewoonlijk Palos genoemd) aan de Westkust, naar het Zuid-Oostelijk gelegen Palosso aan de golf van Boni (Bonc). Zij ondervonden in den aanvang steun van den Gouverneur va.n Oclebes, Baron van Hoëvell, wien spreker herhaaldelijk hulde bracht voor zijn warme belangstelling in de wetenschap en voor de velerlei hulp, die hij den reizigers had verleend. Van de radja's van Paloe en T'awoöli werd de verzekering verkregen, dat deSarasin's ongehinderd zouden blijven. Zij vertrokken op 11 Juli van Paloe, aanvankelijk zonder tegenspoed, maar na 2 dagen reeds gaven de dragers teekènen van onwilligheid, en daarop liet de radja van Tawoëli met zijn volk hen in den steek zonder afscheid te nemen. Ten slotte weigerden allen den tocht voort te zetten. Het was al weer de vorst van Sigi, die er achter zat en de anderen bedreigde. De reizigers keerden dus een eind terug en stuurden een boodschap naar den Gouverneur. In overleg met Batavia nam Baron van Hoëvell thans snelle maatregelen. Met een oorlogsschip, de «Utreohta en den gouvernementsstoomer »Zwaan« kwam hij in de baai van Paloe eu ontscheepte een heele legermacht van soldaten en mariniers, die daar een enorm machtsvertoon gingen ontwikkelen. Er werd hevig geschoten en voortdurend geëxcerceerd. Al dit. wapen geweld werd diep in het binnenland ruchtbaar en verbreidde de faam van de machtige »Kompanie.« De vorst van Sigi was ter verantwoording opgeroepen, binnen drie dagen. Heel snel kwam hij niet, maar toen hij eindelijk verscheen, hield hij zich zeer leuk, alsof hij zich van niets was bewust, 't Was alles maareen misverstand. Ten slotte maakte hij echter excuses en beloofde de reizigers ongemoeid te laten trekken en hen zelfs in alles bij te staan. Toen was alle gevaar geweken en kon de tocht op 24 Augustus worden voortgezet, maar Dr. Sarasin verklaarde, dat deze onmogelijk was geweest zonder het optreden van den Gouverneur. Waren zij door den radja van Sigi werkelijk vastgehouden, zei hij, dan zou geen macht ter wereld hen in het onbekende binnenland hebben kunnen redden. De spreker gaf hierna zeer belangwekkende bijzonderheden over den tocht iv het gebied van de machtige Koro-rivier, naar het plateau van Bada. De To Radja-stam, die hier woonde, had nog nooit Europeanen gezien, en men ontving de reizigers als een soort van hoogere wezens. Uit alle dorpen stroomden honderden menschen ;n feestgewaad naar hen toe en brachten als vriendschapsteekenen pakjes rijst, eieren en pisangs mee. Blijkens de fraai versierde kledingstukken van mannen en vrouwen, de kunstig bewerkte wapens en andere zaken zijn de To Radja's een flink ras.dat zich ook door den afkeer van het elders nog veel gebruikelijk koppensnellen gunstig onderscheidt. De reizigers trokken thans nog over een hooge nog onbekenden bergrug, Koro- Oewé genaamd, en bereikten het landschap Leboni, dat onder de opperheerschappij van Loewoe staat. Ook hier was de ontvangst zeer hartelijk, en in een groote volksvergadering werd openlijk trouw gezworen aan de »Kompanie«. Op den_ 3en October kwamen de Sarasin's te Palosso in Boni aan, als het einde van den tocht, want van hier gingen zij per boot naar Makassar terug. Dr. Fritz Sarasin, de jongere van beiden, gaf vervolgens mededeelingen over een vroegeren tocht op de zuid-oostelijke landtong van Celebes, een reis die bijzondere resultaten opleverde op anthropologisch gebied. Toen waren zij ook in de gelegenheid de merkwaardige To Ala te fotografeeren, ware boschmenschen, die beschouwd worden als overblijfselen van eene oorspronkelijke bevolking en op zeer lagen trap van ontwikkeling staande. Deze reis was niet voorspoedig; het weer was afschuwelijk, de dragers leden aan dyssenterie, het terrein was slecht door de ruwe vegetatie en later door uitgestrekte moerassen. De spreker besloot zijn relaas met de herinnering aan een briefje, dat zij ontvingen tegelijk met een' aantal nieuwe dragers, die hun door den Gouverneur werden toegezonden. «Blijf toch niet langer in dat moeras zitten, meneeren,« — zoo schreef Baron van Hoëvell — «maar kom gauw naar Makasser terug. De champagne staat al in 't ijs.« Zoo besluitende, wilde de jongste der Sarasin's duidelijk maken hoezeer zij zich verplicht gevoelden voor de -goede zorg en belangstelling van den Gouverneur en van de geheele Indische Regeering. De toon van erkentelijkheid trouwens straalde door in hun geheele optreden, en gelijk de Heer IJzerman in den aanvang reeds had gezegd, zoodra het Genootschap hen. had geluk gewenscht met hun behouden terugkeer, hadden zij dit beantwoord met het aanbod om hier ter stede te komen optreden. Alweder om uitdrukking te geven aan hunne erkentelijkheid. Des avonds is in het Amstelhotel een feestmaal gegeven, waarbij de heeren Sarasin als gasten van het Aardrijkskundig Genootschap aanzaten. Ook waren daarbij genoodigd verschillende bekende personen, o. a.: de heeren G. W. W. C. Baron van Hoëvell, oud-gouverneur van Celebes en onderhoorigheden; dr. A. W. Nieuwenhuis, de Borneo-reiziger; prof. dr. C. JM. Kan, hoogleeraar in de aardrijkskunde en oud-voorzitter van het Genootschap; prof. dr. K. Martin, hoogleeraar te Leiden; prof. dr. Max Weber; J. M. van Bosse, bestuurslid van de Vereen, tot bevordering van het Natuurkundig Onderzoek in de Nederlandsche Koloniën; dr. J. Bütttikofer, uit Rotterdam; A. P. van Rijn, oudcontroleur bij de B. 8., die een belangrijken tocht naar JBoven-Sadang in Midden-Celebes maakte; prof. dr. Otto Lanz, landgenoot van de heeren Sarasin. De Minister van Koloniën was tot zijn spijt verhinderd mede aan te zitten- Het feestmaal droeg een huiselijk karakter. --- Weekbladen. De Nederlandsche Spectator bevat o. a. «De Hervormde Kerk te Amsterdam», door Dr. W. P. C. Knuttel; »Ora et labora«, door Dr. A. S. Kok; «De waarheid en hare kornuiten«, door Wolfgang; »Vluginaren« van Flanor. De plaat heet «internationaal geminnekoos» (de Czaar en de Keizer.) Eigen Haard geeft een artikel met vele plaatjes over den acteur Schulze, die binnenkort zijn 26-jarig feest zal vieren, door J. H. Rössing, waarbij veel portretten; een stuk met plaatjes over de feesten te Breda en het vervolg van de »Sabangbaai«. De Amsterdammer Weekblad voor Nederland bevat o. a.: «nionopoliseeren der wetenschap», door Dr. H. van Cappelle; een stukje met portret over wijlen P. W. Janssen: »de schilderijen in de nieuwe Beurs«, door Stecnholï en een artikel over de schilderes Wally Moes met vele platen. De groote plaat heeft betrekking op de aangekondigde benoeming van een professor in de homoeopathie, te Leiden. De Kroniek bevat een hoofdartikel getiteld «Rechtstoestand». De Wereldkroniek .geeft een stuk over de tentoonstelling van Vincent van Gogh's werken te Rotterdam ; voorts platen van de troebelen in Macedonië, van »de wetenschappelijke zending naar Italië», (ter bestudeering van de malaria, en waarbij Dr. Terburgh van het Indische leger). Voorts weder een stuk over Woestduin benevens portretten van prof. Visscher en A. Hendrix, geneesheer te Amsterdam. Het militair bijvoegsel is geheel gewijd aan de Bredasche feesten. De P-rins geeft een portret van J. C. van Marken; een stuk met platen over de Zaanlanctsche Oudheidkamer en o. a. portretten van Bisschop Oallier en luitenant Boldingh. De Aarde en haar Volken geeft het «a-volg van de reis naar Marokko. De Huisvrouw bevat een artikel «Een verbetering op het gebied der voeding van den zuigeliag», door Dr. S. Het Bouwkundig Weekblad bevat een artikel over «maatregelen ter verzekering van de hechtheid van gebouwen». Architectura geeft het vervolg vaa de voordracht van J. H. de Groot in den bond van technici. De Bomowereld bevat een artikel met afbeeldingen over «de Danzigsche prijsvraag«. De Gas- en Water. ler bevat weder vervolgstukken over »Acetyleen«, «Verwarming en ventüatie« enz. Het Technisch Weekblad bevat o. a. een stuk over «Het ontwerpen en uitslaan van vaartuigen», door L. A. van Schie. De Nederlandsche Klei-Induslrie (Gos. Eshuis, Dalfsen) bevat stukjes over «Glazuren», «Steenkolen en verbranding«, door Hugo van Poelgeest. De Bussy's Exportblad voor i .-M-Afrika bevat o. a. een stukje over «JEcht Hollandsch vee», door-H. H. Timmer Or., waarbij een afbeelding. Het Alg. Ned. ExpoHblad geeft het vervolg van de reis van Shanghai naar Nederland langs den Trans- Siberischen spoorweg. Allen Weerbaar geeft een stuk over de legerplaats te Harskamp. Het Nederlandsch Tninbouwblad Sempervi-rens geeft het uitvoerige verslag van de algemeene vergadering der Maatschappij van Tuinbouw en Plantkunde. De Veldbode bevat o. a. «Versche groenten in den winter», door De Greefï; een afbeelding v.an de 8 merriën, ingezonden door den Heer Hornbach te Hulst op de tentoonstelling in Den Haag; »E>e heerschende ziekte der varkens«, door Thomassen ; «Melkvee op de boerderij«, door Ter Haar. Het Tijdschrift van Armenzorg en Kinderbescherming bevat een stukje over P. W. Janssen ; «Bij de komende herziening der Armenwet», door J. F. L. Blankenberg; «Blijde vooruitzichten», door Mr. A. J. JRethaan Macaré. De Geneeskundige Crt. bevat een stuk over «Behandeling van Ischias», door Ch. Bles, arts te Amsterdam. Het Medisch Weekblad bevat een stuk over «samenstelling der gezondheidscommissiën», door G. W. B.; en «De narcose en nieuwere methode», door Dr. A. N. Nolst Trenité. Vox Medicorum bevat o. a. stukken over tandheelkundig onderwijs en over het onderzoek naar de verhouding tussehen gemeentebesturen en geneesheeren. Het Chemisch Weekblad geeft de rede van Prof. Ernst Cohen over chemiatrische wanbegrippen. Die Woche geeft een afbeelding van den schilder Adolf Menzel in zijn atelier. Voorts vooral platen, van het bezoek van den Czaar in Duitschland. De Duitsche Taalgids, wekelrjksch tijdschrift. Inhoud in de maand October: DießetonungderFremdwörter auf: ik, Der Ring des Palykrates u-ahDlicbe Sagen, Der Gebrauch des Imperfekts und Perfekts im P^' schen. Opgaven ter vertaling van stukken nit net Nederlandsch in het Duitsch en omgekeerd. Correctie en bespreking van de ingezonden vertalingen. De blauwe Maandag bevat een stukje «de muzikale kritiek in Nederland», door Herman Putters; «unza verpleegsters en verplegers», door Jaeob de "af". Voorts de gewone rubrieken en o. a. Reuter-telegrammen. --- HET TOONEEL. Hollandsche Schouwburg. Nederlandsche Tooneelvereeniging. itHet Zoenoffers (Der Strom), drama in 3 bedrijven van Max HJalbe, schrijver van ytJeugdn. In verband met den inhoud van het stuk is tóe titel Zoenoffer niet ongelukkig gekozen. Ten opzichte van de bedoeling van Max Halbe is de titel echter onjuist. Uit kracht van die bedoeling had het drama in het Nederlandsch De Stroom moeten heeten, gelijk Der Strom in het Duitsch. De stroom, »de Weichselstroom« in West- Pruisen, speelt onzichtbaar de hoofdrol in het stuk. In de 17de eeuw zou men er een stroomgod van gemaakt hebben. Bij Halbe blijft de stroom als stroom actief; de vertaler zou daarom wijs gehandeld hebben, den actieven »stroom«, niet in een passief «Zoenoffers overgebracht te hebben. In alle werken van Halbe spelen aardbodem en natuurkrachten een hoofdrol. De mensch is bij hem niet een vrij wezen. Hij staat onder de ster zijner geboorte en blijft gebonden aan den grond zijner geboorte. Duistere machten drijven hem. Halbe als schrijver moge te München wonen, zijn geheele wezen blijft in Grietland, het dorpje zijner geboorte (1865) in West-Pruisen. De groote rivier, welker macht hij èn door eigen aanschouwing èn door verhalen kent, wier verdelgings- Jkracht in 1810 en 1895 in de buurt van Danzig gebleken is, bij overstrooming of doorbraak der dijken, beheerscht zijne verbeelding. Het kan daarom niet toevallig zijn, dat in het eerste drama van hem, dat ten tooneele kwam, de stroom, de Weichsel, een groote rol speelde. Dat stuk heet Msgang. Het dagteekent van 1892 en is na zijn Freie Lieoe door de »Freie Bühne« te Leipzig vertoond. De Weichsel, juister de macht van het water, is in dit stuk de Deus ex machina, en meer dan deze. Tegen de machten buiten den mensch is het -— bij Halbe — vergeefs te strijden. Eigen wil heeft de mensch bij hem niet; hij moet zich laten drijven. Dientengevolge is geen der werken van Halbe tragisch. Het tragische ontstaat in den strijd van den mensch-mef-wWyem wil en met-verantwoordelijlciieid. Gaat zulk een mensch onder de strijd, dan wekt hij meer deernis dan bij den mensch bij Halbe, die ten ondergaat, omdat iedere weerstand bij hem vergeefsch is, geheel gedreven wordende. De eerste mensch, de mensch-metvrijen-wil en met-verantwoordelijkheid, wekt tragisch medelijden op en laat berusting na, — de mensch bij Halbe onvoldaanheid en ontevredenheid. Hij balt zijne vuisten tegen God ! tegen God, die hem ten verderve voerde. Het echt tragische loutert en verheft. Een Oedipus, een Hamlet, een Koning Lear bevestigen het. In Het Zoenoffer vraagt daarom zeer juist naar Halbes opvatting een oud. man, die ouder is. dan gepleegd onrecht: «Wat is rechtvaardigheid?" en lacht schamper. Het is rechtvaardigheid, dat Oedepus, Hamlet en Koning Lear ten ondergaan, maar is het rechtvaardigheid in Het Zoenoffer, dat een onschuldige bij het kruien van het ijs omkomt, om »om te komen ?« Is de dood van den jongeling daar eigenlijk wel een Zoenoffer 1 Zulk een offer verzoent niets, brengt geen "vrede, het wekt opstand en murmureering. De Weichsel, de stroom, heeft het mehschenleven alleen niet ontzien. Zoowel mensch als doode stof sleurt de stroom meê. De Weichsel, het water, beheerscht Halbe. In menig drama storten de hoofdpersonen zich in zee of rivier, om een einde aan hun bestaan te maken. In het werelddrama wordt met zulk een dood niets bereikt, een dood spottend met de wereldorde. De menschen bij Halbe zonder vrijen wil en zonder verantwoordelijkheid werken verlammend en verslappend. Als toch onbekende of bekende machten den willoozen mensch ten ondergang drijven, waarom zou hij dan strijden en streven'! Daarom ziju de werken van Halbe en zijne tijdgenooten somber en mistroostig en eindigen in mist en nevel. Daarom spruit er uit die werken noch loutering noch verheffing voort, en laten zij den schouwburgbezoeker somber gestemd huiswaarts keeren. Schier bij alle werk van Halbe houdt de dood de wacht. In zijn allereerst, nooit gedrukt en nooit gespeeld drama, een jongelingsarbeid, Der iLmporhömmüing, behoort het begin en het einde aan den doodgraver. Doodgraver Maschke heeft het geluk al zijne tijdgenooten te overleven. Hij is als een schildwacht, die men verzuimd heeft af te roepen. Vele der door Halbe geschapen schepselen loopen met doodsgedachte rond, in 't bizonder de verliefden. Halbes menschen zijn als marionnetten, van welke de dood de ijzerdraadjes in de knokels heeft. Leidt en stuurt de dood hen niet, dan 18 T * '*wa-ter, de bodem, de lucht. "ï zijn beste drama's, in Jugend en Eisgang, f^3fart' men het- Aan de beteekenis van den oodem, voor den mensch en het leven, heef t Halbe 1 1 een Beheel drama gewijd, en niet het Slechtste: Mutter Erde. Het honk van den mensch is voor hem van groote beteekenis. In dien zin neett ook het dichten van Heimatidosen meer dan gewone beteekenis. Jugend heef t Halbe roem, eer en geld gebracht; Msqang, het eerste zijner werken, bekendheid. Na' Jijend heeft hij vele nieuwe drama's gedicht. Vele toonden op het tooneel niet levensvatbaar te zijn en konden de waardeering der tijdgenooten niet winnen. De koude adem eener kille critiek heeft nog het weinigje leven der dramatische personen in de vele stukken na Jeugd doen versterven Max Halbe een gevoelsmensen, die leeft in zijne tooneelhelden, heeft dit bitter gestemd en, soms, schier den moed ontnomen. In een zijner werken doet hij eene zelfbekentenis. Hij vertelt de geschiedenis van een dichter, — en deze dichter is niemand anders dan hij zelf — die met een werk zijner jeugd, Jugena, den geestdriftigen bijval van het publiek veroverde, maar al spoedig misviel om zijne volgende werken Spot en hooghartig oordeel werden hem niet bespaard. De dichter is een dood man — zei men. En een dood man is niet meer dan eene doode kat, — en doode-lij-ken-*) hooren zes voet diep onder de aarde. Tussehen dichter en publiek ontstaan verkoeling, minachting, misverstand en haat. Met wellust geeft de dichter zich over aan beschuldigingen, zooals eens Multatuli deed: „Publiek ik veracht u!" JBindelijk waagt de dichter zich vrij te maken van het oordeel der menigte en zich zelf te zijn. Dan zegt hij : «Binst waret ihr mir mit eurem Urteil, mit eurem Gericht das Masz . aller Djnge, und so manches üble Mal habt ihr gegen mich und meine Art entscheiden. Darüber war mir fast das Herz zerbrochen. Aber Was im Anfang ein Unheil schien, ein kaum ertragliches, seht, Freunde, das hat sich am Ende zum Glück gewandelt. Denn es hat mich auf mich sèlbst gestellt. Es hat mich gelehrt, auf niemand zu hoffen, auf niemand zu bauen als auf die eigene Kraft. Es hat mich gelehrt, Ruhm und Preis, Schimpf und Verkennung in gleicher Weise zu verachten. So steh' ich nun wie in einem wetterfesten Mantel da und sehe Lob und Tadel, Beifall und Misgunst lachelnd an mir heruntererrinnen.« De verbittering van Halbe zal in de laatste weken wel verkeerd zijn in milder oordeel en mildere opvatting. Zijn jongste drama: Der Strom, verband houdend met zijn eerste, dat opgang maakte: Hisgang, heeft in Duitschland weder den weg tot de harten gevonden en dat der beoordeelaars verteederd. De droeve geschiedenis van Der Strom, handelend «in het vette land van Pruisen, waar van hethooggebergtde Weichselstroom komtruischen» heeft de Duitschers geboeid. En weinige weken later reeds vermocht de JNederlandsche Tooneelvereeniging, door een spoedstuk een Zoenoffer aan den stroom te brengen. Als devote en gehoorzame koorknapen hebben de leden dier Vereeniging het gebracht. De leider van allen heeft den storm laten gieren en bulderen, den heelen avond lang. In storm en bij ijsgang valt de geheele handeling voor. En misschien is het nuchter, maar de vraag komt van de lippen: Is het mogelijk, dat bij zulk een noodweer, bij de vrees dat het huis bij het kruien van het ijs vernield zal worden en de stroom komen zal om alles te verdelgen, is dat: tijd en plaats om zulke gewichtige zaken te behandelen, om nu eens lyrisch dan poëtisch te zijn :'... Denkt niet alle man aan niets anders dan aan lijfsbehoud ? Vooral wij Polderlanders hebben het slot vreemd gevonden — gelijk een collega zeer snedig heeft opgemerkt — „namelijk, dat een man eventjes bij ijsgang en noodweer, een dijk op eene bekende zwakke plek doorsteekt, om tot een catastrophe te komen, die aan het stuk een einde maakt, en dat, terwijl de schrijver in hetgeen voorafgaat blijk geeft heel goed te weten dat de dijkbesturen met den dijkgraaf aan het hoofd juist de zwakste plekken bij zulk noodweer bewaken en met alle macht versterken." De bedenkingen ter zijde gelaten, kan men met volle overtuiging Ren 'Zoenoffer een zeer boeiend stuk noemen, naar 't welk men met onafgebroken aandacht luistert en met belangstelling de voorvallen volgt in het gezin, waaide oudste broer, geholpen door de moeder een testament verduistert om een: inajoraat te behouden. Het geheim komt uit als de oudste broer bij de lijkjes zijner kinderen, omgekomen in den stroom, in den Weichsel, zichzelf aanklaagt. • Zijne vrouw vervreemdt dan van hem. Vele jaren bewaart zij het geheim, tot zij bij terugkomst van een broeder.' dien zij eigenlijk lief heeft en die haar lief had en nog heeft, haar man verwijtingen doet en het geheim vertelt. Vooral de jongste broer, steeds dooiden testament-onderschuiver behandeld minder dan een vreemde, minder clan een knecht, wil zich wreken. Hij' steekt den dijk door, opdat het huis van zijn broer door stroom en ijsgang vernietigd moge worden. Hij zelf wordt het Zoenoffer. IJsschotsen en stroom voeren zijn broer en l>»m-zelf iv den dood. Ds ware stemming lag over de vertooning. De wind huilde angstwekkend. De gesprekken der menschen waren iv den angsttoon. De wind en de stroom gingen hun echter in kracht te boven. De vertooning was wel goed, doch te vlak en te kleurloos; zij had te weinig licht en bruin, te weinig kracht, vooral elementaire kracht. Goed waren, behoudens deze opmerkingen, Mevr. v. d. Horst en Faassen. Een rnooien kop en iets bijzonders had Mari Ternooy-Apel gemaakt van een oud man, die alles -wist en misschien het verleden verzinlijkte. Minder nabootsing .van schor geluid en meer die van geheimzinnigheid en ouderdom zouden wenschelijk zijn. Sympathiek toonde zich in spel en spraak als misdeelde broer de Heer A. v. d. Horst. Den Heer Henri van Kuyk als artistieke leider de eer die hem toekomt —- als broer, die een testament heeft verduisterd, zij hem meer buigzaamheid en meer kracht in spel toegewenscht. Echt en waar, treffend en scherp van teekening, heeft Mevr. E. de Boer van Rijk de oude moeder uitgebeeld, angstig voor ieder geluid. Het vergrijp vervolgt haar en beneemt haar de rust. Prachtig is de typeering van Mevr. de Boer, lijnerig in al haar doen. Dat bleeke gelaat, de zwarte kleedij, het angstig staren, het angstig spreken, vergeet men niet licht, evenmin als haar zitten tegen de steenen kachel, een beeld gelijk. Bij haar heeft de kunst gesproken. Deze creatie van Mevr. de Boer is even onvergetelijk als van het »Rattenvrouwtje« in Kleine Eyolf van Hendrik Ibsen, onder wiens invloed ook Der Strom gemaakt is. De aanwezigen hebben zich de kennismaking met Max Halbes Stroom (.Het Zoenoffer) niet beklaagd. Na Het Zoenoffer werd een welgeslaagde klucht vertoond van C. P. Brandt van Doorne: De SpreeMaaheredelingsbond. Goed waren alle spelenden, bijzonder de Heer D. Holkers, en allergrappigst de Heer J. Museh. J. H. RÖSSIHXJ. *) „Dood lijk" is gansch geen verkeerde uitdrukking, zooals eens een lezer schreef. Het woord Ujk toch beteekent eigenlijk vleesch. Er zijn' er nog, die Sharlock Holmes, den ™ajn met den fijnen neus en de scheipe opmerkingsgave, den detective bij uitnemendheid, met belangstelling giadeslaan; die- geboeid worden dooide scbcrajadeirJbieid en Pinyeasohrottephead van öf. zen politie-inain te midden van oplichters en boeven. Heeft, het tooneelspel van dien naam, he)t werk van Dr. A. Conan Doyle en Williaim Gilette, een paar jare-ii geleden het Ccrand-Théatre vele' avonden ecu uitverkochte' zaal bezorgd, thans volgt weer een, zij 't dan kleiner, schare bezoskeirs met onverdeelde aandacht de geslepen handelingen van die boeven-wereld en daartegenover hot vernuftig optreden van den immer kalmen Sherlock Holmes, cm de scène met de in stukken geslagen lamp .verrukt nog altijd de hai-ten eter bezoekers. Hceveel lampen er ook reeds mog-sn zijn verbrijzeld, steeds blijft 'dait' een spannend oogenblik,- als in pikke duister en onder • begunstiging- van het misleidend schijnsel van een brandend eindje sigaar Shsarlock Hol-mes mot ?ijne beschermelinge! AJtice JFaulkner het moordenaajrshol ontkomt. De Heeor Herman Schwab, die thans als Shedoiok Holmes optreedt, heeft, evenals zijn voorganger Myin, eepe studie gemaakt van dien buitengewonen detective, en met zijn tadent is hij er in geslaagd, het type uitstekend weer te gel ven. Dat wa»s niet gemakkelijk, wijl de He&r Myin uifeluitend als voor die rol ge-knipt scheen. JDe verschrikkelijke JPrtodessor JMorialrty is weder de Heeir Aug. Kiehl. Ho© getooededijJk; hoö g!etzellig aßders, thans is hij de man om van te beven en te griezelen, als hij daar in zijn ondetraasdsch hol zit, waar grendels knarsen en ruwe steenen muien van moord en doodslag spreken. Met' de overige vertooners wordt dit tooneelsptel over het algemeen naar behooren vertolkt .en er zijn oogenblikken, dat, na klemmende soanni'ng, applaus losbarst. ---