HET NIEUWS VAN DEN DAG voor Noderlandaoh-IndlS. van Maandag 22 April 1912, No. 93. Hoofdredacteur: K. WYBRANDS. Redacteur: Q. WYBRANDS. --- Tweede Blad. It de Hollandsche en Duitsche Mails. (loopende tot 30 Maart 1912.) BINNENLAND. Drama te 's-Gravenhage. In een der woningen met voortninen aan et einde van den Rijswijksohe weg nabij -Gravenhage, woont bjj zijn ouders in de heer .., iemand van 36-jarigen leeftijd, oud-rijkstttvanger te Overschie. Hij verkeerde sinds eruimen tijd in overspannen toestand en was eter dagen bij den, in de nabijheid wonenen inspecteur van politie, van Rossen, koten vragen hem 's nachts niet te komen hineren met allerlei uitroepen, waardoor hij in ijn nachtrust werd gestoord. De heer v. Rosïü vermoedde te doen te hebbeo met iemand ie niet wel bij het hoofd was en liet de kak voor wat zij, naar hij veronderstelde, ras. Later kwam de heer R. evenwel in den am van den inspecteur en dreigde diens chtgenoote met een revolver. Mevronw van t. vond het toen geraden de politie aan het luygenspark te 's-Gravenhage te waarschuren, waarop haar man, die met zijn chef, len hoofd-inspectenr Sundter de Beanohèae, Qist in het nabijgelegen Laak kwartier was, iaar de woning van den heer R. ging, om Hens vader te verzoeken maatregelen te nesen, dat dergelijke voorvallen, als waarover >ij kwam klagen, zioh niet meer zouden hertalen. Terwijl hij zioh in de gang van het huis net den heer B. Sr. onderhield, klonken ploteling van boven revolverschoten, waarop de Dspeoteur ijlings het hnis verliet. Met een tolitie agent teruggekeerd trachtten sij zioh ran den man meester te maken, dooh deze tleef van uit zijn kamer, waar hij een groote voorraad revolverpatronen had, voortgaan met ichieten. De inspecteur en de agent stelden :ich toen ieder afzonderlijk op in een zijkamertje, teneinde bij de eerste gelegenheid de >este den man te overmeesteren. Ook zij msak;en gebruik van een vuurwapen en losten in iet geheel een 4tal schoten. Ook de hoofdinipeotenr Sudler de Beanohène had sioh, met senige politiebeambten, naar de woning begeren en werd daar eveneens met revolverschoten mtvangen. Plotseling verstomde het schieten in toen men in de kamer trad vond men den kan daar met een schotwond in de linkerslaap. Terstond werd de gemeentelijke geneeskundige dienst gewaarschuwd, die spoedig ler plaatse was. De directeur van dien dienst, ir. Boland, legde een voorloopig verband, waarna de verwonde per auto naar het Gem. Ziekenhuis werd overgebracht. Spoedig waren ter plaatse de substituut-officier van justitie ttr. Brantjes, de hoofd commissaris van politie, de heer Versteeg en de commissaris der 2e tid., de heer Dietz. Het voorloopig onderzoek heeft nog niet uitgemaakt of de verwonde is getroffen door de 4 schoten van de politie, of dat hij sioh xelve heeft verwond. Men vermoedt het laatste, in aanmerking genomen het kaliber van de politie-revolvers en dat van de revolver, waarmede de man op de politie heeft gevuurd. Zijn toestand moet zeer ernstig zijn. --- Ongeluk of moord? Met Nwsbl. v. Fr. vermeent, dat op het lijk vao de echtgenoote van ds. E, twee verwondingen aan het voorhoofd zijn geconstateerd. Eerst 'dacht men — men zag het aan voor een onbeteekenende huidafschaving — dat dese veroorzaakt zouden zijn geworden door het uit het water halen; 't kon toch heel wel zijn, dat het hoofd toen tegen den steenen walmuur was geschuurd. Ook konden ze wel een gevolg zijn van het heen en weer rollen van het lijk over de straatsteenen, bij de poging om de levensgeesten weer op te wekken. Bij afwassohing bleken het echter twee vrij ernstige wonden te zijn, waarschijnlijk toegebracht door een hevigen slag met een bot voorwerp. Die slag moet wel soo krachtig aijn geweest, dat het slachtoffer óf dadelijk er aan gestorren is, óf althans bewusteloos is geworden. * • >'¦ Verder verneemt het blad, dat ds. _? toen hij in den nacht, nadat hij van de boerderij tan den heer Schaap te Spannenburg, waar hy het lijk zyner vrouw had achtergelaten, naar de pastorie te Oosterzee was gefietst, de dienstbode dadelijk heeft uitgezonden naar bedienaren van de begrafenisvereeniging om de noodige orders te geven, terwyl bij «elf weer op de fiets sprong en in den naoht verdween, om pas een paar uren latei weer thuis te komen. Later is uitgekomen, dat hij op dat ssidderaachtelijk uur naar de moeder van zijn vroegere dienstbode, aan den Hoogendijk oader Bt. Johannesga, is gereden. --- Niet slecht. Een koddig stukje van ambtelijke nauwgeaetheid vond de „N. Haarl. Ct." op bet po- Utie-rapport ran Haarlem vermeld. Eiken dag komt als laatste punt op de lange lijst stereotypisch voor het bericht; De drukte in de Groote Houtstraat had een kalm verloop ; er viel niets bijzonders voor. Dien morgen luidde deze mutatie: drukte in de Groote Houtstraat had een kalm verloop; er is niets bijzonders voorgevallen; alleen heeft er een ernstige gasontploffing plaats gehad. --- Dr. W. H. Nolens. De Romeinsche oorrespondent van de Tyd sohrijft: „Den 23en Maart is Mgr. prof. Nolens, vergezeld door het Kamerlid mr. Van Bast, te Rome aangekomen, om in stilte zijn 25-jarig priesterjubileum te gedenken. Den volgenden dag werd het graf van dr. Schaepman bezocht in Campo Santa. Uit naam van de leden van de katholieke Eamerolub legde Mgr 'Nolens een groote bouquet van witte leliën neer op het graf van hem, die de voorman is geweest vau het opbloeiend politieke leven der katholieken in Nederland, en zoo lange jaren als president der Eamerolub de politiek der katholieken heeft geleid. --- Wilhelmina-hospitaal te Smyrna. De Nederlandsche vereeniging tot instandhouding van het Wilhelmina-hospitaal te Smyrna heeft onder voorzitterschap van den heer S. P. van den Eeghen, te Amsterdam, haar jaarlijksche vergadering gehouden. Aan het door het bestuur uitgebrachte verslag óntleenen wij, dat het aanlal verpleegden in 1911 104 bedroeg, met 1755 verpleegdagen, tegen 84 met 1492 verpleegdagen in 1910. De verpleeggelden stegen vau f 4350 in 1910 tot f 5400 in het afgeloopen jaar, welke vooruitgang echter weer verloren ging door meerdere uitgaven, grootendeels ten gevolge van de politieke en economische crisis. Ter bestrijding van het nadeelig saldo van de exploitatie, bedragende f 2000, tegen f 2500 in 1910, verleende de vereeniging een subsidie van f 1500, terwijl het ontbrekende door de Nederlandsche kolonie te Smyrna wordt opgebracht. Deze vereeniging ontving f 595 aan giften ineens en f 590 aan jaarlijksche bijdragen. Voorts vermeldt het bestuur met erkentelijkheid, dat de regeering door verleening van een subsidie voor 1912 opnieuw yan haar belangstelling in deze nationale instelling heeft doen blijken. --- De vergiftiging in de Haarlemmermeer. Het gerechtshof heeft heden bevestigd het vonnis der rechtbank te Haarlem, waarbij de bakker Van E., te Haarlemmermeer, werd vrijgesproken van de hem ten laste gelegde vergiftiging van zijn vrouw. De advocaat-generaal had, evenals het O.M. bij de rechtbank te Haarlem, levenslange gevangenisstraf geëisoht. Vrouw H, eveneens door de rechtbank te Haarlem vrijgesproken van de haar ten laste geiegde vergiftiging van vrouw van E. wu baar eohtgenoot, zal thans niet verder door den advooaat-generaal vervolgd worden. --- De moord te Beek. Naar hst A, D. verneemt, is uit de voor. loopige hechtenis ontslagen A. J, H., die verdacht werd schuldig te zijn aan moord op zijn 7-jarig dochtertje Maria, wier lijkje op Zondag 18 Februari te Beek gevonden werd achter een houtmijt. Thans bevindt zioh in verband met deze treurige zaak dus alleen nog in hot huis van bewaring te Arnhem de verdachte H. B. --- Ongeluk aan boord van de „Zeeland.” Reuter seinde uit New Vork: Een telegram van Willemstad (Curacao) meldt, dat een korporaal is gedood en drie mariniers gewond zijn bij een ontploffing aan boord van het Nederlandsche oorlogsschip Zeeland, bij schietoefeningen met een drieduims-kanon. Blijkens bij het departement van marine ontvangen telegrafische bericht is op den 27sten deser bjj het houden van schietoefeningen aan boord van Hr. Ms. pantserdeksohip Zeeland in West Indië een ongeluk gebeurd, waarbij een matroos is gedood en een korporaal zwaar en twee schepelingen licht gewond zijn. De naaste familiebetrekkingen van de getroffenen sijn vanwege het departement van marine onmiddellijk met het gebeurde in kennis gesteld. --- BUITENLAND. De auto-bandieten. Wederom had een ongeloofelijk brutale aanslag der auto bandieten plaats; hieronder volgen enkele bijzonderheden. De automobiel, die de bandieten in het bosoh van Sénart, even buiten Montgéron, aangehouden hebben, behoort aan graaf de Rouge, een cavalerie-kolonel op pensioen, thans te Nice verblijthoudend. De wagen was dan ook op weg naar die stad, toen uit het bosoh van Sénart, op een plek waar, wegens herstelling van den weg, uiterst langzaam rijden geboden was, vier mannen, de revolver in de hand, op de auto afkwamen en het vuur op de beide personen openden, die voor op de auto saten : de chauffeur van graaf de Rouge, Cerisol geheeten, en «en vriend van dezen. De vriend, zoo heeft Cerisol later verteld, werd door het eerste schot in het hart getroffen en viel als een blok naast de aato dood neer. Cerisol, die de tegenwoordigheid van geest had, zijn handen op den buik te kruisen, kreeg in de linkerhand één kogel, en drie kogels in de rechterhand. Maar toen Cerisol zag, dat de bandieten bleven vuren, heeft hij sioh van sijn plaats vóór op den grond laten vallen, zioh houdend alsof hij dood was. Onmiddellijk sprongen daarop de moordenaars in de anto en zetten koers in de richting van Montgéron. Terwijl de roovers den aanslag op de auto deden, stonden in de onmiddellijke nabijheid daarvan twee zwaar geladen wagens, en de twee mannen, die op den bok van deze karren zaten, waren getuige van de wandaad. Maar zij waren onmachtig iets te doen om den ongelukkigen chauffeur en zijn vriend te helpen, daar twee der roovers hen met de geladen revolver in bedwang hielden, net zoo lang totdat het bloedige werk aan de beide jonge menschen volbracht was. Cerisol is vrij ernstig gewond; zijn toestand is echter niet gevaarlijk. Het lijk van zijn vermoorden vriend is naar het gemeentehuis van Montgéron overgebracht. De bandieten, nu meester van de voor hun misdadige doeleinden zoo kostbare auto, zijn vervolgens naar Chantilly gereden, om er aan het bijkantoor van de Socié-é générale hun slag te slaan. Het onderzoek der politie heeft met vrij groote zekerheid den door de bandieten gevolgden weg kunnen vaststellen, totdat zij te Asnières, met den te Chantilly geraaakten buit, de auto in den steek gelaten hebben. Over hetgeen er te Chantilly voorgevallen is, nog het volgende: De zes bandieten reden circa half elf met han gestolen automobiel voor het bijkantoor der Société générale. Het kantoor ligt in de Gonnéiable straat, waar reeds 's ochtends vroeg een vrij elegante jonge vrouw opgemerkt was, die er blijkbaar liep te wachten. Vier bandieten gingen onmiddellijk het kantoor binnen ; toen zij na enkele minuten weer buiten kwamen met 40,000 frank aan bankbiljetten en papieren van waarde, lagen er twee onschuldige jonge menschen dood achter de loketten, waar zij hun dagelijksohon plicht vervulden : de een was zeven-en-twintig jaar, de ander eerst achttien jaar oud. Zij waren neergeschoten door de roovers. Twee andere bedienden zijn ernstig gewond. In enkele minuten hadden de bandieten hun nieuwe misdaden volbracht en terwijl zij uit hun dood brengende Btownicgs letterlijk een regen van kogels joegen in alle richtingen, wisten de ellendelingen de automobiel te bereiken en verdwenen. Het onderzoek heeft verder vastgesteld, dat de boeven bij het station Asuières uit de auto sijn gesprongen en door over een hek te klimmen, twee op het punt van vertrek staande treinen hebben weten te bereiken. De eene trein was voor Parijs, de andere voor Argenteuil bestemd, maar men weet niet in welken de bandieten verdwenen sijn. Men veronderstelt, dat de vrouw, die te Chantilly is gezien, schilderend voor het bijkantoor der Sooié é générale tot de bandietentroep in betrekking staat. Zij is na den aanslag in de auto der boeven gezien. Natuurlijk zoekt men verband tusschen deze misdaad en die in de Ordener-straat te Parijs gepleegd, en reeds wordt er gezegd, dat Caroßy, Bonnot en Garnier, deze groote misdadigers, in de auto gezien sijn. De politie staat bij het opsporen van de bende, wier spoor bij Asnières verloren is gegaan, voor buitengewoon groote moeilijkheden, en het feit, dat de misdadigers, na hun te Chantilly gepleegden roof, over geld beschikken, zal het des te lastiger maken hen te vinden. De Parijsche morgenbladen bevatten een uitvoerig verslag van de roof en móordtafreelen, die Parijs en omstreken in zulk een opschudding gebracht hebben. Wij geven nog eens het uitvoeriger verhaal weer van het gebeurde te Chantilly, om te laten zien met welke brutaliteit het gespuis daar is opgetreden. Slecht drie beambten van de Sociéé générale bevonden zich op het oogenblik, dat de bandieten binnentraden, in de voor het publiek bestemde zaal. Die zaal is door een lang kantoor-bureau in tweeën verdeeld, waarachter de beambten zioh bevonden. Tegenover den ingang is het loket van de kas aangebracht, beschermd door tralie werk. Achter dit loket was de kassier Trinquier aan het werk, terwijl de twee andere beambten, Legendre en Guilbert, aan hun plaatsen eveneens bezig waren. De vier de plaats was ledig, het was die vanden eersten beambte van het bijkantoor, Courbe, die juist het vertrek was uitgegaan en zioh op de aangrenzende binnenplaats bevond. Plotseling hoorde men het slaan van de deur. Het geluid deed de drie beambten het hoofp opheffen: vier mannen traden de zaal binnen. Een. van de laatstgenoemde beambten, Guilbert, wilde juist vragen wat de heeren wensohten; hem werd daartoe echter de tijd niet gelaten. In minder dan geen tijd speelde zioh het volgende tooneel af. Nauwelijks in de zaal gekomen, hadden de roovers sich snel van elkaar gescheiden, als gold het een militaire oefening. Terwijl een van hen voor het loket van den kassier Trinquier ging staan, plaatsten de andere drie zich voor het kantoorbureao, waar Legendre en Guilbert gezeten waren. En de revolvers werden plotseling op hen gerioht en afgeschoten. Een kogel trof Triiquier in den hals. Legendre, in de borst geraakt, was bij zijn stoel neergevallen. Een derde kogel was door den schouder van Guilbert gegaan, die eveneens ineenzakte. Alleen Trinquier, de kassier, had nog de kracht sioh op te heffen en trachtte de afdeeling voor het personeel te bereiken, dooh de bandieten lieten er hem den tijd niet toe. Van de kogels, die op hem werden afgevuurd, trof er een het voorhoofd en de ongelukkige viel neer over het lichaam van Guilbert. Nu was eerst het oogenblik gekomen o«a naar het geld te zoeken. Zij moetentoen over het kantoor-bureau gestapt zijn en zioh zoo van het goud en het bankpapier ter waarde van omstreeks 45,000 frank meester gemaakt hebben. Effecten en pasmunt werden achtergelaten. Toen het oogenblik van den terugtocht gekomen was, werd opeens een andere deur van de zaal geopend en versoheen Courbe, de vierde beambte, die van de binnenplaats kwam. Hij kreeg een salvo op sioh af, dooh sloot haastig de deur weer en ging alarm maken op de binnenplaats. De schoeljes maakten er gebruik van, tot den definitieven aftocht over te gaan. Intusschen was het op het voorplein ook allesbehalve rustig toegegaan. De voorbijgangers hadden de binnen het gebouw geloste schoten gehoord en wilden toesnellen. Zij werden daar echter in verhinderd door een vijfden bandiet, die, met een karabijn gewapend, gereed stond te schieten op ieder, die het waagde nader bij te komen. Zoo kreeg de toesnellende direoteur van het bijkantoor een kogel langs een zijner ooren en wist de schavuit het geheele plein schoon te vegen door naar alle riohtingen te vuren. Vertoonde men zioh buiten de ramen van naburige huizen, dan gingen er ook kogels heen. Kalm versohenen daar opeens de vier kerels, die naar binnen waren gegaan, en zij haastten zioh niet al te zeer naar den auto, waar de bestuurder nog steeds aan het stuurrad zat en de motor niet opgehouden had te werken. De man met de karabijn dekt den aftocht en verwisselt zijn wapen zelfs inmiddels nog eens met een revolver, die hij ook in versohillende riohtingen leegschoot. Eindelijk gaat het op weg, de rue de Paris in. Een kar bevond zich daar, waarvan de koetsier zijn voertuig dwars op den weg van den auto wilde plaatsen. De revolvers deden echter hun werk: en de kar deed niets. Hetzelfde gebeurde met .een andere kar; een kogel door den reohtervoorpoot van het paard en een in den hiel van den man, die eveneens den weg wilde versperren, maakten vrije baan voor den auto, die de kogels rond zioh deed fluiten en spoedig uit het gezicht was verdwenen. Van de drie kantoorbeambten heeft alleen Guilbert er bet leven afgebracht. Toen het lichaam van Trinqnier op hem was gevallen, had hij het bewustsija verloren, doch sijn toestand wekt geen ongerustheid. De daders bevinden zich intusschen nog op vrije voeten en alle nasporingen hebben tot niets geleid. Het spoor verdwijnt, waar zij te Asnières in den trein gestapt zijn. --- Van de Philippijnen. In de strafgevangenis te Manilla, welke meer bekend is onder den naam Bilibid, doet zioh een eigenaardig geval voor. Daar bevindt zich een gestrafte, Pedro Pabaira, die wegens moord met twintig jaar gevangenis werd gestraft. De man had zioh voor den rechter verantwoord met een beroep op zijne door den vermoorde belaagde familie eer,- maar de rechter had daarmede geen rekening gehouden. Nu blijkt echter, dat de vermoorde een deserteur was van de oonstabnlary, op wiens aanhouding, dood of levend, eene premie van 500 pesos was gesteld, Nu staat de overheid te Manilla voor het dilemma, of Pedro Pabaira ais een voor ds wet gevaarlijk misdadiger moet opgesloten blijven, dan wel recht heeft op zijne vrijheid, onder toekenning van de op het hoofd van den vermoorde gestelde premie. voor ons geeft dit berichtje te verstaan, dat in bedoelde Amerikaansche kolonie het middeleeuwsche middeltje, om sioh lastige individuen van den hals te schuiven door middel van een bloedprijs, nog in zwang is. --- De „Petit Journal”. Ter gelegenheid van haar vijftigjarig bestaan vertelt de „Petit Journal" aan haar talrijke abonné's haar geschiedenis. Het blad werd door den financier Polydore Millaud opgericht en was het eerste blad in Frankrijk, dat tegen een sou verkocht werd. ln het jaar 1864 had de „Petit Journal" haar groote vlucht te danken aan haar sensatieromans en de dagelijks verschijnende kronieken van den onuitputtelijken Timotbée Trimm. Van Trimm wordt verteld, dat hij eens op een vraag aan zijne collega's, waar hij toch dagelijks stof voor een kroniek vond, antwoordde: „Dat is heel eenvoudig; ik schrijf alleen over dingen, waarvan ik niets weet. Eo je begrijpt dus, dat mijn stof onuitputtelijk is". Reeds in 1864 had de „Petit Journal" een oplaag van 180 000 exemplaren; met de bekende Troppmann-saak ging het blad echter enorm vooruit en groeide haar oplage ia koiten tijd tot 400 000 aan. Sinds dien tijd heeft hel meermalen het millioen overschreden, ia den laatsten tijd gaat het evenwel het blad niet erg meer voor den wind en wordt het vooral door de „Petit Puristen" verdrongen. --- De mijnbouw in Mexico. Tengevolge van het verbod der Amerikaansche regeering om oatplofbare stoffen en wapentn naar Centraal- Amerika uit te voeren, begint tbans reeds in de mijnen van Mexioo gebrek aan dyaamiet te komen. --- De Juweelen van de koningin van Siam. Vrijdag 1.1. werd voor de politie-reohtbank in Bowstreet te Londen de uitleveringszaak van Jules Paul de Boseok, zich ook wel Chillswortk noemend, behandeld. De openbare aanklager, Bodkin, last het verhaal voor, dat de beschuldigde gaf van de wijze, waarop de gestolen juweelen te Bangkok in. zijn bezit gekomen waren. Omstreeks medio Juni 1909 bevond hij zioh met eenige andere Europeanen in een speelhuis, dat dicht bij sijn buis was gelegen. Hij had geluk en kon met eene winst van omstreeks f 1800 huiswaarts keeren. Nu was het algemeen bekend bij het personeel in de haven en op de schepen, die zioh daar bevonden, dat beschuldigde, ondanks zijne qualiteit als ambtenaar bij het havendepartement, niet onaardige bijverdiensten maakte als geldschieter. Een vkrani" (schrijver) van een der schepen had in het speelhois ongeveer hetzelfde bedrag verloren als de Boseok had gewonnen. De man vroeg laatstgenoemde om hem op een kistje met juweelen een voorschot van omstreeks f9OO te geven, op welk verzoek de Boseck was ingegaan. Daags d.a.v. kwam de man terug om te seggen, dat hij het geld verloren had en nu het heele kistje te koop aanbood. De Boseek had hierop gevraagd, hoe de man aan die juweelen was gekomen en toen vernomen, dat sij waren gestolen Desondanks ging beschuldigde op de transactie in en voor een bedrag van nog eens circa f 450 ging het kistje, dat een waarde van ongeveer f 98,000 inhield, over in sijn besit. Gevraagd waarom hij de politie niet met het geval in kennis had gesteld, zeide beschuldigde, dat hij daar drieërlei reden voor had gehad. In de eerste plaats zag hij op tegen al de moeite, die voor hem daaruit kon voortvloeien, wegens den slechten staat zijner gesondheid — hij leed aan aangeziohts verlamming en hersenaandoening, tengevolge van het klimaat, opiumgebruik en andere oorsaken. Dan was het nog eerst kort geleden dat hij in de pers eene campagne had gevoerd tegen de politie van Bangkok. En ten slotte was het bekend dat de politie met gestolen goederen al zeer vreemd omsprong en die veelal voor sich zelve behield. Commentaren op de verklaring van dezen gewezen politieken agent der Chineesohe regeering achten wij overbodig. De magistraat van Bowstreet besliste, dat de beschuldigde naar Singapore, waar sijne schuld aan het lioht kwam, zal worden gezinden, om er terecht te staan ---