Algemeen Overzigt. Wij ontvingen heden met de Engelsche mail onze brieven en dagbladen uit Ned.-Indie, loopende tot 15 Augustus. Het voornaamste daarmede sangebragte nieuws deelen wij in nevensgaand Bijvoegsel mede. In de zitting van de tweede kamer der staten-generaal van heden, heeft de commissie tot het opstellen van een adres in antwoord op de troonrede, haar ontwerp ter tafel gebragt, dat aan de afdeeiingen is verzonden. Door den heer van Heiden Reinestein is kennis gegeven dat bij door zijne herbenoeming tot kantonregter te Assen, heeft opgehouden lid van de kamer te zijn ; waarvan, aan den minister van binnenl. zaken zal worden kennis gegeven. Voorts is door den minister van koloniën ingezonden eene nota van toelichting, over de nieuwe suikerregeling in Ned.-Indie, volgens zijne toezegging 27 Mei jl. aan de kamer gedaan. Door den minister van financiën zijn, op last des konings, aangeboden de ontwerpen der staatsbegrooting voor 1864. In zijne aanspraak heeft hij I°. een overzigt gegeven van den gunstigen toestand der geldmiddelen op dit oogenblik; 2°. is hij in beschouwingen getreden over de staatsbegrooting voor 1864; 3°. heeft hij zijne voornemens kenbaar gemaakt op het gebied van hei belastingstelsel en 4°. heeft hij eenige finaneieele beschouwingen ontwikkeld. De slotsom was dat men de toekomst met geen bezorgdheid behoeft te gemoet te gaan. De staatsbegrooting is ter overweging naar de afdeeiingen verzonden. Eindelijk zijn ingetrokken do voorstellen van de heeren van Nispen c. s. tot afschaffing van den accijns op het geslagt en tot amortisatie van schuld. Men kan als vrij zeker aannemen, dat het de Engelsche regering is , welke beslist over de wending, die thans aan de Poolsche kwestie zal gegeven worden. Erankrijk toch — dit kan men veilig stellen — wil op GortchakoiFs hooghartig antwoord gaarne een of anderen stap laten volgen, die aantoont hoezeer het zich beloedigd gevoelt. Oostenrijk wil zoo weinig mogelijk doen. Engeland zal dus hier te beslissen hebben. Kiest het de zijde van Erankrijk, dan zal ongetwijfeld iets voor de Polen geschieden, zoo als b. v. hunne erkenning als oorlogvoerende partij, is het niet met Oostenrijk, dan zonder die mogendheid; al is het ook uitgemaakt, dat de Polen in het laatste geval er weinig vruchten van zouden plukken. Schaart zich Engeland daarentegen aan de zijde van het Weener kabinet, dan staat Erankrijk alléén en in dit geval kan het kwalijk iets uitrigten. Een bewijs van Oostenrijks geest van temporiseren kan men onder anderen putten uit een artikel van de half officieele Abendpost, waarin wel is waar betreurd wordt, dat Rusland het verlangen heeft to kennen gegeven , om de discussie te staken, maar met de vrij naive bijvoeging, dat juist de discussie het geschiktste middel scheen om de Poolsche kwestie op billijke wijze te regelen. Het staken der discussie vermindert de vrees niet waartoe die kwestie aanleiding heeft gegeven. Het brengt de hartstogten niet tot bedaren. En daarom zal Oostenrijk, door zijne belangen geleid, met onverpoosden ijver voortgaan om den weg tot eene overeenstemming en verzoening te banen. Dit, dunkt ons, is vrij duidelijk. Uit Weenen wordt voorts aan de Börsenlialle geschreven, dat Oostenrijk zich vooral verklaart tegen do toekenning der regten van oorlogvoerende partij aan de Polen. Zijne bijzondere positie, voortspruitende uit het bezit van Gallicie, verzet zich met nadruk hiertegen. De Parijsche bladen verspreiden weinig licht over de zaak. De organen, waarin men gewoon is eenige opheldering te zoeken nopens de houding der regering, bewaren of' het stilzwijgen of spreken in hetgeen zij zeggen elkander zoo tegen, dat het een het ander neutraliseert. Wij wijzen b. v. slechts op de Bays en de Nation. Eerstgenoemd blad gelieft te verklaren dat de overeenstemming met Oostenrijk eer toe- dan afgenomen is, en laatstgemeld orgaan bevat een artikel, volgens hetwelk niet Rusland, maar Oostenrijk door Erankrijk op zeer ernstige wijze gedreigd is (?); wel te verstaan, als het niet wil zoo als Frankrijk wil. Wat do Engelsche bladen aangaat, deze voeren nagenoeg nog dezelfde taal als toen het antwoord van Rusland bekend was geworden. Nimmer, zegt de Morning Post, werden diplomatieke onderhandelingen onder zulke gunstige voorteekenen geopend; de stap der drie mogendheden toch werd door bijna geheel Europa ondersteund. En nimmer heeft men zulk een slechten uitslag gezien. Aan wie ligt de schuld ? Eerst gaf Rusland een verzoenend antwoord, alles ging goed, toen, te midden der onderhandelingen , door graaf Russell' verklaard werd dat Engeland geen oorlog zou voeren indien de voorstellen der mogendheden verworpen wierden.De weigering van den minister om eene identieke nota naar St. Petersburg te zenden, versterkte Rusland in dat denkbeeld. Het gevolg hiervan was dat het eene trotsché houding heeft aangenomen. De Times zegt dat discussie niets meer baten kan. Er is geen andere uitweg op dan stilzwijgend te berusten of een Europesehe oorlog. Rusland heeft zich schijnbaar gunstig voor de onderhandelingen getoond om tijd te winnen. Nu dat doel bereikt is, bekommert het zich niet om de tractaten en verklaart stoutweg, dat, welke de regten ook zijn mogen die daaruit voortvloeijen, geene mogendheid zich daarop kan beroepen. Engeland heeft onmiddellijk verklaard dat het niet gezind was oorlog te voeren; het heeft mitsdien bij voorbaat, de vernederende nederlaag trachten te verminderen. Maar met Frankrijk is het iets anders; dit wordt met smaad behandeld omdat het een beroep heeft gedaan op de tractaten van 1815 en het wordt als de oorzaak opgegeven van de omwentelingen , die het Europisch evenwigt verbreken. Hoe de Oostenrijksche regering over Pruissens eisch tot gelijkstelling van deze mogendheid met Oostenrijk denkt, blijkt uit de volgende zinsnede van de half officieele Abendpost.- « Gelijkheid op zulk een grondslag zou de meest volkomen ongelijkheid zijn. Een toegeven aan zulke matelooze eiaehen, zou met eene ontbinding van den bond gelijk staan." Uit Kassei meldt men dat de Stenden, wier zitting, zoo als men zich zal herinneren verdaagd waren , tegen 7 Oetober weder zijn bijeengeroepen. Door de Hamb. Corr. wordt medegedeeld, dat tusschen den keizer van Oostenrijk, den koning van Beijeren, den kroonprins van Wurtemberg, de koningen van Saksen en Hannover en den hertog van Nassau een afzonderlijk verbond tot stand is gekomen, strekkende om de uitvoering der acte van hervorming te verzekeren , zeif3 in geval niet alle vorsten van den bond daartoe mogten toetreden. Schier te gelijker tijd wordt echter door het Dagblad van Bresden verzekerd, dat deze mededeeling van allen grond ontbloot is. Welligt is er toch wel iets van aan ? ¦¦ ¦¦Nu,» rrrr——-"¦"¦— --- Rotterdam, 26 September. --- BUITENLAND. Duitsche Post. * Berlijn , 26 September. Het Intelligenzblatt flir Stolp heeft eene waarschuwing ontvangen. Gisteren morgen ten 9 ure, is het stoffelijk overschot van Jocoli Grimm ter aarde besteld. Achter het lijk bewogen zich de studenten, eene rouw-equipaga van prins Karel, eene deputatie van den gemeenteraad , de leden der maatschappij van wetenschappen , de rector en senaat der Koninkl. Fried. Wilh. universiteit , 'enz. enz. Een trein, als sedert lang hier niet gezien is. — Het bevestigt zich, dat de ambtenaven die een mandaat voor de tweede kamer aannemem, voortaan zelven de kosten van een plaatsvervanger zullen moeten betalen. — Men verneemt, dat de eerste opvoering der Katacomben, de nieuwe opera van Hiller, eergisteren avond te Hanover heeft plaats gehad en met een schitterenden uitslag is bekroond. — Men verzekert dat de tenor Wachtel niet, zooals men gezegd heeft, voor goed te Weenen in geëngageerd. — Uit St.Petersburg schrijft men van den 22sten September: Onze hooggeplaatste personen, die den keizer naar Finland vergezeld hebben, brengen uit dat land meer aneedoten dan constitutionele beginselen mede, zoodat men bijna genoodzaakt zon wottlen uit te roepen: arme eenvoudige Finnen! Onder anderen verhaalde de chef der geheime politie, prins Dolgorouky gisteren, dat hij den aartsbisschop van Helsingfors een bezoek had gebragj-.; toen, er gescheld werd nam de dienstmaagd het licht de tafel des aartsbisschops om daarmede te gaan open doen, en toen de prins zich verwijderde, liet do aartsbisschop hem met hetzelfde licht uit. Nu moet men de weelde kennen die hier, bij aanzienlijke personen in 't dienstpersoneel heerscht, om het gelach te begrijpen, waarmede de prins deze aneedoten vertelde. Prins Gortchakoff had nog een aardiger wedervaren bij^den gouverneur. Toen hij daar aanaehelde, kwam Zijne Exc. zelf naar de deur en beduiddo zijn hoogen gast, dat hij hem niet kon binnenlaten, omdat de keukenmeid was uitgegaan en den huissleutel had mede genomen. Hij zelf was ook pas thuis gekomen en door het raam geklommen. Prins Gortchakoff deed nut zelfde. --- Bij deze Courant behoort een Bijvoegsel. Het Stfste Vel der IFS "*¥©!"¦ OJTOEHT VAM 'DEIV «EMLBEMTB - RAAR (Jaargang 1863) is heden aan de Geabonneerden op dat werk verzonden. --- Fransche Post. Parijs, 25 September. Niettegenstaande de Moniteur geen feit van eenig belang mededeelt, heerscht ter beurze veel ongerustheid en hebben de speculanten d la baisse de vrije baan. Ik begrijp de beurs niet. Toen er alle redenen waren om de toekomst met eenige bezorgdheid te gemoet te gaan, rezen de fondsen hoe langer zoo meer; thans daarentegen, nu het antwoord van Rusland bekend is geworden met een inhoud, die door iedereen sints lang was voorspeld, heerscht ter beurzo een soort van paniek, die in het wezen der zaak vooralsnog door niets gewettigd wordt. Onze beursmannen zijn ongeneeslijk. Hoe ook door de ondervinding geleerd, wiegen zij zich met allerlei ongerijmde illusiën in zoeten slaap, of brengen slapelooze nachten door ten gevolge van niet minder ongerijmden hersensehimmigen angst. De meening, dat aan de Polen de regten van oorlogvoerenden zullen worden toegekend, wint meer en meer veld. Eenige officieuse dagbladen trachten wel is waar de openbare meening te dien opzigte in bedwang te houden , maar t' gelukt hen niet. Als ons publiek zich eenmaal iets in het hoofd heeft gezet, is het zoo gemakkelijk niet tot andere gedachten te brengen. Het bevestigt zich dat onze regering niet — althans niet zonder medewerking van Engeland en Oostenrijk —, op de jongste nota van prins Gortschakoff antwoorden zal. Zij heeft dadelijk na het ontvangen vau het antwoord van Rusland, bij genoemdo mogendheden pogingen aangewend om haar tot eene gemeenschappelijke repliek te bewegen, die een soort van ultimatum •wezen zou en tot regtstreeksch gevolg moest hebben, dat de gezanten der drie gouvernementen uit St. Petersburg teruggeroepen zouden worden, natuurlijk met gelijktijdige afbreking der diplomatieke betrekkingen. Die poging onzer regering, heeft echter schipbreuk geleden op den onwil van Oostenrijk. Engeland heeft nog niet bepaald geweigerd, zoodat de onderhandelingen tusschen beide gouvernementen nog voortduren; dat zij evenwel tot eene tweede alliantie tegen Rusland zullen leiden, is niet wel te denken. De heer de Girardin heeft in de Presse weder een dier stoutmoedige artikelen geschreven, die hem zoo zeer karakteriseren; hij geeft daarin den heer Drouin de Lhuys den raad, om zijn ontslag te geven, als gevolg van de nederlaag, die hij tegenover de Russische diplomatie heeft geleden. Ditmaal is de administratie over de drukpersaangelegenheden van oordeel geweest, dat de heer de Girardin een weinig te ver ging; zij beslootgevolgelijk aan de Presse eene waarschuwing te zenden, redigeerde dat stuk, maar toen men het zou verzenden, kwam men tot inkeer. Men liet den gérant van het blad, den heer Eouy, ontbieden en gaf hem inzage van de waarschuwing die hij zou gekregen hebben, indien de administratie in hare eindelooze lankmoedigheid niet op stuk van zaken van plan veranderd was. De heer Rouy deelde de zaak aan den heer de Girardin mede, die echter de man niet is, om zich zoo gemakkelijk uit het veld te laten slaan. Hij plaatste onmiddellijk een tweede artikel in de Bresse, waarin hij den heer Drouin de Lhuys wel is waar niet wederom openlijk, maar toch indirect en op eene voor ieder begrijpelijke wijze aanviel, door hèt thema der ministerieele verantwoordelijkheid uit te werken en bedektelijk tot de conclusie te komen, dat ministers, die in de positie des heeren Drouin verkeeren, behooren af te treden. De keizer heeft den heer Fould te Tarby een bezoek gebragt, hetgeen het geloof aan ophanden zijnde finantieele hervormingen heelt versterkt. Geruehtsgewijs werd heden ook verzekerd, dat de wetgevende vergadering, als gevolg van de verwikkelingen die uit de Poolsche kwestie voortspruiten, vroeger dan men aanvankelijk voornemens was en wei tegen den 25sten Oetober bijeengeroepen zal worden. Het op handen zijnde zittingjaar der kamer, belooft overigens belangrijk te zijn. De Parijsche afgevaardigden maken zich sedert lang voor ernstige discussiën gereed. De heeren Jules Favre, Darimon en Ollivier zullen de vrijheid van drukpers en het regt van vereeniging verdedigen. De heer Thiers heeft allo finantieele en administrative aangelegenheden voor zjjne rekening genomen. Bcrryer heeft zich met de buitenlandsche aangelegenheden belast en zal der regering, alleen reeds ten aanzien van Mexico en Polen , de handen vol werk geven. Eerstdaags zullen op het stadhuis de plannen ter inzage worden gelegd, die bestemd zijn om Parijs tot eene zeehaven te hervormen. ° Alhoewel heden ten dage niets tot de volstrekte onmogelijkheden behoort, worden die plannen door de meerderbeid onzer bevolking als eene utopie beschouwd. Het Gymnase heeft een nieuw middel uitgevonden om volk te fc-ekken. Ter gelegenheid van de afseheidsvoorstelling van de echtgenooten Lafontaine, waartoe Duprez, Tamberliek , Fredenc Lemaitre en mevrouw Viardot hunne medewerking hebben toegezegd, zal de photografist Disdéré, door middel van électrisch licht, eene photographio vervaardigen van de goheele zaal, terwijl al degenen, die voor die representatie plaats nemen in de loges ca stalles, aanspraak hebben op hun portret, kosteloos af te leveren drie dagen na bedoelde voorstelling! Aurélien Scholl, hoofd-redacteur van den Nam Jaune en Granier de Cassagnac (de zoon) zijn naar de Belgische grenzen vertrokken om er to duelleren. De oorzaak van dit tweegevecht is onbekend. Opmerking verdient het evenwel, dat de heer de Cassagnac (de vader) zijnen zoon als socondaut ter zijde Btaat. --- BINNENLAND. STATEN-GEMERAAL. Tweede Kamer. Zitting van Zaturdag, 26 September In de heden namiddag ten' 2% ure geopende zitting is inge. komen eene missive van den heer van Heiden Beinestein, kennis gevende dat hij door zijne herbenoeming tot kantonregtev te Assen, ophoudt lid der Kamer te zijn. Hiervan zal kennis gegeven worden aan den minister van binnenL zaken. Van den minister van koloniën is ingekomen eene nota van toelichting tot de gewijzigde suikerregeling en zulks ingevolge vroeger gedane toezegging. — Drukken en ronddeelen en in ' handen eener commissie te stellen, bestaande uit de heeren: Mijer, van Bosse, Dullert, Gevers Beynoot en van Nispsn. Het door de commissie ad hoc opgestelde concept-adres 'vtn antwoord op de troonrede is gereed en wordt ter tafel gebragt. Het zal allleen voor de leden worden gedrukt. De Voorzitter geeft thans het woord aan den Min. van Financien. --- Aanbieding der begrootingswetten De Minister van Financien, de heer Betz, vangt aan met te herinneren dat hij ten vorigen jare bij de aanbieding der begrooting gewezen heeft op den zeer gnnstigen toestand van 's rijks geldmiddelen, want nu eenmaal voor spoorwegen en emancipatie der slaven in West-Indie 22 millioen werden vereiseht, waren de middelen voldoende om ook in alle overige behoeften bovendien te voorzien en was er een niet onbelangrijk overschot. Hij is thans in staat eveneens gunstige mededeelingen te kunnen doen. Immers kunnen niet alleen de gewone staatsuitgaven geschieden zoo mede de buitengewone, waaronder voor spoorwegen anderhalf maal het bedrag der tegenwoordige som, maar kan er ook voortgegaan worden met het amortiseren van schuld. De minister verdeelt zijne rede in vier rubrieken, waaraan wij de volgende slotsommen en cijfers ontieenen. wv °-r?rziSt van den toestand der geldmiddelen op dit oogen* a overßcllottell fan vorige diensten zijn grootendeels reeds tot aflossing van schuld besteed en voornamelijk tot aflossing yarx 4% O. I. schuld krachtens de wet van 6 Junij 1863. Op do dienst van 1860 zijn al de beschikbare middelen (ruim 5% millioen) tot dat doel aangewend. Op de dienst van 1861 is nog een werkelijk overschot van ƒ 3,178,034. De dienst van 1862 leverde geen overschot, want gelijk men weet sloot zij met een tekort van ruim 6 millioen, gedekt uit de overschotten van 1860. De stand der begrooting van 1863 is deze: de opbrengst der middelen zonder het batig slot was geraamd op ƒ 74,915,708; het batig slot bedroeg werkelijk ƒ 28,279,995; de aflossing der 4°/? O. I. schuld, waarover de middelen aan de dienst van 1863 zijn toegevoegd, bedroeg ƒ 12,179,500, te zameu ƒ 115.375.203. De uitgaven beliepen gezamenlijk ƒ 113.133.841 , zoodat het werkelijk overschot zal zijn ƒ 2.241.361, hetgeen evenwel nog klimmen zal omdat de middelen nu reeds meer hebben opgebragt dan de raming en omdat de uitgaven blijven beneden de raming. De minister toont den zeer gunstigen vooruitgang der middelen in bijzonderheden aan. Alles te zamen genomen zullen zij minstens 1% millioen meer dan de raming opbrengen; de uitgaven zullen 6 a 8 ton beneden de rai blijven, hetgeen een saldo oplevert van 2% millioen, dat, gevoegd bij de %% millioen hierboven als overschot vermeld, daarstelt een vermoedelijk saldo van 4% millioen. En ook al laat men de laatstgenoemde 2*4 millioen om zeker te gaan rusten, dan nog bestaat er een overschot op de dienst van 1861 van f 3.178.034 en op de dienst van 1863 zeer zeker van ƒ 2.241.361, te zamen ƒ 5,419,395. Wat nu betreft het batig slot van 1853, 't welk gebragt wordt op de dienst van 1864, zoo deelt deminister deswege mede, dat het batig slot voor 1862 aanvankelijk was geraamd op 28 millioen, na aftrek evenwel der O. I. rentepost ad 9,800,000 en 1% millioen uitgaven, vroeger regtsteeks uit de koloniale geldmiddelengeleden, zoodat het werkelijk koloniaal batig slot van 1862 bedroeg ƒ 39,520,000. De koloniale bijdragen van 1863, toe te voegen aan de dienst van 1864, kunnen geraamd worden op f 19,463,000, mede na aftrek van den rentepost van ƒ 9,800,000 en vorige koloniale uitgaven, zoodat het batig slot geraamd wordt reëel op f 31,963,000. De reden van dit minder bedrag ligt in de min gunstige koffijoogst van 1862 , die 100,000 pikols minder heeft opgeleverd. Doch nu belooft de oogst van 1863 ruimer opbrengst. Zij wordt geschat op 918,000 piools of 270,000 meer dan in 1862. Dat een en ander te zamen genomen, dan is de slotsom dat er bestaat een oververschot van ƒ 5.419.396, en dat uit de koloniale geldmiddelen beschikbaar is ƒ 19,463.000; te zameu ƒ 24.882.396. 11. De Staatsbegrooting voor 1864. De gezamenlijke uitgaven worden geraamd op ƒ 98.142.767 , waaronder evenwel van buitengewonen aard, als daar zijn: 15% mill. voor de spoorwegen, ten einde in 1864 den aanleg met kracht voort te zetten; voorts 1 millioen voor den waterweg van Botterdam naar zee; 5 mili. ruim voor buitengewone amortisatie; 3 ton voor aanvoer vau vrije arbeiders in Buriname; ƒ 2,825,000, die vroeger regtstreeks uit Indische geldmiddelen werden gekweten. Het totaal deibuitengewone uitgaven bedraagt alzoo ƒ 24,6342,53, dat afgetrokken van het bovenstaand eindcijfer, het bedrag der gewone uitgaven reiuceert tot f 73,508,514. In vergelijking met het cijfer der uitgaven over 1863, mede na aftrok van al het buitengewone en om tot eene zuivere vergelijking te kunnen komen, dan zijn die voor 1864 slechts een gering bedrag hooger, doch waarbij in aanmerking komt dat er hoogere uitgaven worden gevorderd in 1864 voor de Groningsehe kanalen, de uitvoering der wet op het middelb. onderwijs, de bijdrage tot droogmaking der plassen nabij Botterdam, zijnde circa 3 ton, die later evenwel terug komen, de uitgaven voor de werken krachtens het nieuwe Maastractaat met België en einde-' lijk de nieuwe regeling der traetementen voor de visiteurs der in en uitgaande regten. Aan den anderen kant bedraagt de rente-vermindering ruim ƒ 668,000 ten gevolge der voortzetting van de amortisatie. Wat nu de middelen betreft, om in 1864 al deze uitgaven te dekken, deze worden geraamd op ƒ98,732,949, als: gewone middelen en inkomsten: / 62,858,695, hetgeen 419 duizend gulden meer is dan het loopende jaar, zonder de opbrengst van den scheldetol. Voorts de gewone rentepos*- ad f 9,800,000; bijdragen uit de koloniale geldmiddelen die vroeger r*g^TÏLn&Tnii Tde? Seltweten f 8,845,000, batig slot f 19,463,000; tweede termijn van den scheldetol ƒ 3,809,000, te zamen ƒ 98,732,949 De uitgaven beloopen ƒ98,142,767, zoodat de dienst een overschot oplevert bij raming van ƒ590,181. Tevens moet nog gerekend worden op een nieuwen post, namelijk het aandeel van het rijs m de opbrengst van de expiotatie der spoorwegen , die toenemende zal zijn, naarmate in de toekomst die exploitatie zich over uitgebreide gedeelten uitstrekt. De beschikbare overschotten ad 5% mill. zouden gedeeltelijk wel tot amortisatie Kunnen worden aangewend , doch daar er reeds op de begrooting een som van ruim 6 mill. tot amortisatie is uitgetrokken, zal de mm. tegen dat die som besteed is, een nader voorstel aan de vertegenwoordiging doen. Hij besluit dit gedeelte zijner rede met mt al het medegedeelde het gevolg te trokken, dat onze finantieele toestand in alle opzigten gunstig en bevredigend is. 111. Inzigten en voornemens omtrent het belastingstelsel. De minister herinnert dat hij ten vorigen jare zijne denkbeelden over de herziening van het belastingstelsel heeft doen kennen. Daaruit bleek dat gij veel hechtte aan de afschaffing van den accijns op de brandstoffen. Hij heeft dan ook tot dat eind* een wetsontwerp aan de kamer ingediend, tegelijk met eenige andere, mede tot herziening van het belastingstelsel strekkende. Het onderzoek in de afdeeiingen daarover kon niet plaats hebben. Nu heeft hij zich de vraag gedaan of hij weder dut gausche zamenstel zou aanbieden en als een geheel beschouwen. Die vraag heeft hij ontkennend beantwoord. Immers, als gezegd voorstel tot afschaffing van den aoc"jns op de brandstoffen nn niet op zich zelf behandeld wordt, dan zou het meest doe!mntig tijdstip tot afschaffing, namelijk in het voorjaar, weder voorbijgaan. Uit dien hoofde zal hij het voorstel tot afschaffing van den accijns op de brandstoffen afzonderlijk aanbieden, tegen het equivalent van verhooging van den accijns op het gedistilleerd. Beide ontwerpen znllen op zich zelve staan ; door hunne vaststelling zal niets worden geprejudicieerd, en zoo beide ontwerpen ten spoedigste konden worden afgedaan, zou er eene groote weldaad aan de bevolking worden bewezen, al kwam er niets anders tot stand. Ook de regeling' van de grondbelasting in Limburg zal spoedig op nieuw worden voorgedragen. De herziening van de wet op het personeel zal mede spoedig worden ingediend, ten einde de gemeenten de aecijnsen, althans dien op de brandstoffen, kunnen afschaften. Dat wetsontwerp zal naar aanleiding van eenige gemaakte bedenkingen, gewijzigd worden ingediend. Nog zijn gereed om onmiddellijk te worden voorgedragen de Ontwerpen van nieuwe zegel- en registratie-wetten, ingerigt naar de plannen ten vorigen jare door hem ontwikkeld. Het geldelijk verlies dat de schatkist bij eene aanneming van deze laatste ontwerpen zou lijden, zal worden vergoed door eene verhooging van den accijns op de suiker, en door eene verandering van de aecijnsen op de biezen en azijnen, waartoe de voordragten bij den raad van state aanhangig zijn. Nog andere wetsontwerpen zullen zich niet laten wachten. Ook is hij voornemens nieuwe comptabiliteitswetten aan te bieden. Neemt men nu in aanmerking de gewigtige wetsontwerpen, die ook van andere departementen te verwachten zijn, dan vleit hij zich dat de tegenwoordige zitting niet onvruchtbaar zijn zal, ook op het gebied van de herziening onzer belastingwetten. Ten slotte maakt de min. een tweetal financiële beschouwingen. In de eerste plaats gaat hij na de resultaten van de plaats gehad hebbende amortisatien in de jaren 1850 tot 1863. Daaruit blijkt dat het rentebedrag eene vermindering heeft ondergaan van ƒ7,044,196, hetgeen een verblijdend verschijnsel is, en een bewijs oplevert van den financielen voorspoed waarin wij verkeeren. Dat resultaat is te meer verblijdend, wanneer men let op de buitengewone uitgaven die voor spoorwegen en emancipatie zijn en moeten worden gedaan, waartoe tot dusverre geene enkele buitengewone opoffering is gevorderd. Het rentebedrag voor 1864 is ƒ 668,000 lager dan in 1863 en wanneer men daarbij voegt de aflossing der 4 pCt. Oost-Indische schuldbrieven, dan klimt de rentevermindering tot f 715,000. De minister treedt voorts in eene vergelijking»van de begrootingen der laatste jaren. In 1855 bedroeg de begrooting ƒ 73,740,661 en in 1864 ƒ 73,508,514; derhalve nog lager dan in 1855. Het hoofdstuk nationale schuld beliep in 1855 ƒ 35.794,000 en is in 1864 gedaald tot f 29,967,000. Onze begrooting zou er geheel anders uitzien als er niet werd geamortiseerd. Bovendien moet men in aanmerking nemen dat de accijns op het gemaal is afgeschaft. In de tweede plaats gaat de min. na welke deuitzigten zijn om te geraken tot het door hem gewenschte doel, tot daarstelling van het evenwigt tusschen gewone uitgaven en inkomsten. Vroeger heeft hij reeds gezegd dat men elk jaar daartoe eene schrede nader doen moet. In 1862 was de afstand tusschen gewone uitgaven en ontvangsten nog 12 millioen. In 1863 nog ruim 11 millioen, en voor 1864 ruim 10& millioen. Er bestaat alzoo in dit opzigt een vooruitgang van 4 ton, niettegenstaande vele noodzakelijke uitgaven op de begrooting voor 1864 voorkomen, 'en de middelen door den afkoop van den Schelde tol ziju verminderd. Ook voor het vervolg zijn de vooruitzigten tot vermindering van den afstand gunstiger. Zijn tooh de spoorwegen voltooid, dan zal het evenwigt nog spoediger kunnen worden verkregen, omdat dan de voorhanden gelden tot amortisatie kunnen worden aangewend. Reeds zijn er 46% millioen voor de spoorwegen aangewezen. Voorts zal de exploitatie der spoorwegen inkomsten voor den staat opleveren, die jaarlijks zullen toenemen; terwijl het toenemend verkeer en de meerdere welvaart grooten invloed op de inkomsten van den staat zullen uitoefenen. Wijders kan met amortiseren van schuld jaarlijks worden voortgegaan. Door toenemende bevolking en meerder welvaart stijgen ook de gewone inkomsten en ontvangsten. Als men de uitgaven dus niet te zeer verhoogt, dan vleit hij zich dat het gewenschte evenwigt binnen een niet te lang tijdsverloop zal worden bereikt. Gaat hij toch na welke de gewone ontvangsten en de koloniale baten in de laatste jaren waren, dan trekt hij daaruit het gevolg dat wij ten opzigte van het evenwigt ruim 4 millioen zijn vooruitgegaan , niettegenstaande de afschaffing van het gemaal zonder equivalent, en niettegenstaande nu reeds 31 millioen voor den aanleg der spoorwegen zijn besteed, die anders geamortiseerd waren. Hij leidt daaruit af dat het herstel van het evenwigt van gewone uitgaven en middelen niet tot de vrome wenschen behoort. Ten slotte zegt de min. dat hij den waren toestand van zaken, zonder overdrijving heeft blootgesteld. Er bestaat op dit oogenblik alle reden van groote dankbaarheid, en hij gelooft dat men de toekomst zonder al te groote bezorgdheid kan te gemoet gaan. De Voorzitter dankt den minister voor de gedane mededeelingen, en stelt voor de stukken der begrooting te doen drukken en naar de afdeeiingen te verzenden. Dien overeenkomstig wordt besloten. Op voorstel van den Voorzitter wordt wijders besloten om verschillende verslagen en andere regeringsbeseheiden, die in het vorig zittingjaar onafgedaan gebleven zijn, weder in handen van commissien te stellen. De Voorzitter geeft kennis dat de heeren van Nispen c. s. hebben ingetrokken hunne voorstellen sedert verscheidene jaren aanhangig, tot afschaffing van den accijns op het geslagt, en de tevens ingediende amortisatie van schuld, ten einde in het verlies dat de schatkist door de afschaffing lijden zon, te voorzien. Hierna is de vergadering gescheiden. In den namiddag zijn ook medegedeeld de volumineuse stukken nopens de onderscheidene hoofdstukken der Staatsbegrooting. Zie hier de Recapitulatie. Hoofdßtuk I. Huis des Konings ƒ 900,000.— « 11. De Hooge Collegiën van Staat het Kabinet des Konings. . " 588,029.— •- ii IIIA. Departement van Buitenl. Zaken . - 529,245.— ii 1118. Administratie voor de Zaken der Boomsch-Kathol. Eered. » 668,672.80% IV A. Departemjnt van Justitie . » 2,933,744.— IV B. Administratie voor de Zaken der Herv. Eeredienst enz. . « 1,752,886.58% V. Departem. vanßinnenl. Zaken. » 24,251,687.34 ii VI- " » Marine. ...» 8,739,953.— i VIIA. Nationale Schuld «34,976,977.27 » VIIB. Departement van Finantiën. » 6,749,000.— i VIII. Departement van Oorlog . . » 12,733,000.— IX. « ii Koloniën . » 3,269,572.92 ii X, Onvoorziene uitgaven. ...» 50,000.— Totaal . . ƒ 98,142,767.92 Verschil in meer voor 1864 ...» 5,527,200.63 Reeds hebben wij de hoofdbepalingen medegedeeld van het wetsontwerp tot regeling van de wijze van beheer en verantiooording der geldmiddelen van Nederlandsch-lndic. Bij dat ontwerp, hetwelk 71 artikelen bevat, is gevoegd eene uitvoerige Memorie van Toelichting, waarin op den voorgrond gesteld wordt, dat, mogt al de strijd over de beginselen en bedoelingen van art. 60, alinea 2 der grondwet zijn voortgezet, naar het oordeel der regering de grondwet den wetgever heeft vrijgelaten, te bepalen op hoedanige wijze het beheer en de verantwoording der koloniale geldmiddelen zullen geregeld worden. Ongetwijfeld, zoo vervolgt de mem, van toel., lag het in de bedoeling van den grondwetgever een goed en spaarzaam beheer in te voeren. Daartoe levert, althans voor Nederlandsch Indië de meeste zekerheid op: vaststelling der koloniale uitgaven bij de wet. Dat beginsel lag dan ook ten grondslag aan bet ontwerp van wet tot regeling van de koloniale comptabiliteit, in het jaar 1858 aan de tweede kamer der staten-generaal aangeboden. Dat ontwerp is daarom, blijkens het daarover uitgebragt voorloopig verslag, door de groote meerderheid , die aan het onderzoek heeft deel genomen , met genoegen ontvangen. De redenen, welke, volgens de mem. van toel. bij dat wetsontwerp, hebben geleid tot het voorstel om de koloniale begrooting vast te stellen bij de wet, zijn sedert niet in kracht verminderd. De regering vermeent zich er toe te kunnen bepalen met daarnaar te verwijzen. Zij is overtuigd, dat de stelling niet voor redelijke tegenspraak vatbaar is, dat, zoolang de koloniale bijdragen de finantiën van het rijk in ovenwigt houden, het reeds daarom noodzakelijk is het beheer der koloniale geldmiddelen zoo veel mogelijk aan dergelijke regels te binden, als waaraan die van het moederland gebonden zijn, opdat geene belangrijke uitgaven uit de koloniale geldmiddelen kunnen geschieden zonder voorafgaande magtiging en latere verantwoording. Hetzelfde zoude het geval wezen indien omgekeerd het moederland Nederlandsch Indië moest ter hulp komen; en zelfs wanneer beider finantiën geheel onafhankelijk waren van elkander, zoude de medewerking van de volksvertegenwoordiging en haar toezigt door de regering niet kunnen worden ontbeerd daiir, waar het geldt de beslissing over de hoogste belangen der rijke overzeesche gewesten, met wier bloei en welvaart die van het Nederlandsche volk ten innigste, zoowel zedelijk als stoffelijk, zijn verbonden. Ook zal daartoe, naar het oordeel der regering, geene herziening van de comptabiliteitswetten hier te lande behoeven vooraf te gaan. Voor zoover eigenaardige omstandigheden en behoeften bijzondere bepalingen voor het beheer en de verantwoording deigeldmiddelen van Nederlandsch Indië noodig maken, moet de in behandeling zijnde wet daarin voorzien, en daarnaar is bij de zamenstelling van dit ontwerp gestreefd. Bestaat er behoefte om het beheer der koloniale geldmiddelen en hare verantwoording te regelen — en die behoefte wordt zeker door niemand ontkend —, do regering beschouwt het even onmogelijk als onraadzaam om eene andere regeling tot stand te brengen dan eene zoodanige, waarvan de meeste openbaarheid het gevolg zal zijn. Zij beschouwt dit onmogelijk, omdat zoowel de vertegenwoordiging als de regering openbaarheid wenschen. Zij zou eene andere regeling niet raadzaam achten, ook omdat bij eene, als thans door haar wordt voorgedragen, meerdere zelfstandigheid van den gouverneur-generaal van Nederlandsch-ludie wordt bevorderd, waarop meermalen te regt is aangedrongen. Bij het bestaan van voldoende openbaarheid zal een minister van koloniën, zonder overwegende redenen, niet ligt nalaten de voorstellen, welke door den gouverneur-generaal in 'slands belang worden gedaan, aan het oordeel der wetgeving te onderwerpen. Doch die openbaarheid zal tevons strekken om de Indische ambtenaren terug te houden van het doen van voorstellen, die niet in alle opzigten door de omstandigheden worden gewettigd, terwijl daarenboven de gouverneur-generaal daardoor zal worden aangespoord, niet dan goed gemotiveerde voorstellen aanhangig te maken, en niet op uitzetting van uitgaven aan te dringen, die hij kan nagaan dat geen gunstig onthaal bij de wetgevende magt zullen ondervinden. Zoowel in het belang van het moederland als in dat van Nederlandsch Indië, welk belang eigenlijk één is, meent de regering dat alzoo de vaststelling der begrooting van uitgaven en van de raming der middelen bij de wet behoort te geschieden. Zal die maatregel echter voldoende waarborgen opleveren, dan moet ook de begrooting jaarlijks aan do goedkeuring der wetgeving worden onderworpen. Daarbij zal echter meerdere ruimte moeten worden gelaten dan voor het moederland noodig is, terwijl tevens bepalingen behooren te worden gemaakt, waardoor stremming in de dienst wordt voorkomen. Op een en ander is gelet bij het tegenwoordig wets-ontwerp. Naar de overtuiging der regering bestaat aan eene comptabiliteitswet voor Ned. Indië zulk eene dringende behoefte, dat het onverantwoordelijk zoude zijn de ernstige poging om aan die behoefte te voldoen langer uit te stellen. Wanneer eenmaal, schoon dan verordend bepaaldelijk met het oog op Nederlandsch Indië, de algemeene regelen van comptabiliteit vaststaan, zal het niet moeijeiijk vallen, na het tot stand komen der regerings-reglementen, de wijze van beheer en verantwoording der geldmiddelen voor de andere koloniën te regelen. Inmiddels blijft, met opzigt tot die koloniën en bezittingen de tegenwoordige inrigting van het IXde hoofdstuk der staatsbegrooting stand houden. Na deze algemeene beschouwingen wordt overgegaan tot de toelichting der artikelen. Het wets-ontwerp tot regeling van het fonds voortspruitende uit koopprijzen van domeinen voor de dienst van 1864, bepaalt het volgende: • Art. 1. Voor het fonds voortspruitende uit koopprijzen van domeinen wordt voor het dienstjaar 1864 vastgesteld do volgende begrooting, te weten: Kosten van indijking van schorren in het Zwin , provincie Zeeland, ƒ 50,000. Art. 2. De uitgaven in het vorige artikel omschreven worden aangewezen op de ontvangsten van het fonds voortspruitende uit koopprijzen van domeinen, op 31 December 1863 in's rijks schatkist aanwezig en in den loop van het jaar 1864 nog in te vorderen. In de memorie van toelichting tot dit ontwerp komt o. a. het volgende voor: Nadat de Hooge Raad bij arrest van den sden December 1862 in revisie heeft bevestigd eene vroegere uitspraak van dat eollegie, waarbij wordt verklaard, dat de concessie, verleend in het jaar 1805 door den Franschen keizer aan den generaal van Domme, tot indijking der schorren in het Zwin, provincie Zeeland, met den 23sten September 1857, is geëindigd, bestaat er voor de regering de gelegenheid , om 'aldaar een nieuwen polder te maken van schorren, liggende tusschen Sluis en Retr.inchement. Deze polder zal eene oppervlakte beslaan van ruim 243 bunders, welke na de indijking, volgens het oordeel van deskundigen , eene waarde zullen hebben van nagenoeg ƒ 400.000. Daarvan belmoren ongeveer 200 bunders aan den staat. Het overige behoort aan particulieren. Overeenkomstig de wet van 15 Augustus 1860 (Staatsblad' n°. 39) aoht de regering het doelmatig, de indijking te bekostigen uit gelden van het fonds voor koopprijzen van domeinen, dienst 1864. Dat geld wordt toch slechts tijdelijk daaraan onttrokken. Het vloeit tot dat fonds terug door do hoogere koopprijzen, welke de gronden ten gevolge der indijking zullen opleveren. Hiervóór is reeds gezegd, dat oen gedeelte van de ingedijkt wordende schorren eigendom van derden is. Dit is geene reden om de indijking niet van wege den staat te ondernemen. Deze mede-eigenaren moeten de kosten naar evenredigheid vergoeden. Zij hebben zich daartoe dan ook bereid verklaard. De bedoelde indijking is eene onderneming, die aan den staat een aanzienlijk voordeel verzekert en den landbouw krachtig bevorderen zal. Het wetsontwerp tot onteigening van perceelen ten behoeve van den spoorweg van Venlo naar Helmond, bevat het volgende eenig artikel: Wij verklaren, dat het algemeen nut de onteigening vordert, ten name van den staat, van de eigendommen, noodig tot den aanleg van den spoorweg van Venlo naar Helmond, door de gemeente Venlo, Maasbrée, Grubbenvorst, Sevenum, Horst, Venray, Deurne, Vlierden, Bakel en Helmond , loopende van Venlo , met eene bogt langs het fort St. Michel; verder in regte lijn langs de Groote en Kleine Boller, de Nieuwe Berkt, Ulfterhoek, tusschen Horst en Sevenum door, met eene bogt tegenover Hegelsom, en van daar door de Peel in regte strekking naar en langs Hanenberg, vervolgens langs Deurne, tusschen Groot en Klein Bottel door, over de Baakt naar Helmond. Bij het bepalen van de rigting dier sectie is, blijken de mem. van toel., de doorsnijding van de Peel een hoofdpunt. Reeds vroeger had ter uitvoering van eene concessie, welke daarna zonder gevolg bleef, een opzettelijk onderzoek van de rigting door de Peel plaats. De plans, destijds opgemaakt, van de Banque Suisse overgenomen, zijn bij nadere opneming aannemelijk bevonden. Alleen tracht men, door eene geringe buiging noordwaarts, het dorp Horst iets meer te naderen. Aanvankelijk is gerekend op: eene halte Horst-Sevenum, bij de doorsnijding van den weg van Horst naar Sevenum op ongeveer 2800 ellen van Horst en op ongeveer 1800 ellen van Sevenum; eene halte Deurne, bij de doorsnijding van den weg van Deurne naar Vlierden op ongeveer 1000 ellen uit de kom der gemeente; een station Helmond, tusschen de doorsnijding van het zoogenaamd Smalstraatje en den weg op 175 ellen oostelijk van de Zuid-Willemsvaart gelegen. Het wets-ontwerp tot onteigening van perceelen ten behoeve van de verbreeding der hoofdstraat te Meppel, strekt om het bezwaar weg te nemen, veroorzaakt doordien de hoofdstraat te Meppel, welke voor een gedeelte de verbinding vormt tusschen de groote wegen , die van deze stad naar Zwolle, Leeuwarden en Groningen loopen, ten zuiden van de Beerebrug zoo eng is, dat twee rijtuigen elkander moeijelijk kunnen voorbijrijden, zoodat ongelukken en stremming der passages telkens te vreezen zijn. Bij de toelichting van het wetsontwerp tot onteigening van perceelen ten behoeve van de verbreeding van het Deuservoetpad in de gemeente Vaals, wordt o. a. gezegd, dat door de uitvoering van dat plan, eene goede communicatie ontstaan zal tusschen den rijksstraatweg van Maastricht naar Aken en den in aanleg zijnde kunstweg van het Pruissische dorp Oirsbach naar -de Nederlandsche grenzen. De verbreeding is dan ook niet alleen in het belang der gemeente Vaals, maar tevens in het belang van internationaal verkeer. --- KENNISGEVING. Het HOOFD van het GEMEENTEBESTUUR van Rotterdam brengt bij deze ter kennis van de belanghebbenden, dat door den heer Commissaris des Konings in de Provincie Zuid-Holland, op den 22sten dezer maand is executoir verklaard: Een Kohier van het Patentregt, bevattende aanslagen in de wijken 13 en 14, dienst 1863/64, behoorende tot de 2de afdeeling dezer. Gemeente; Dat vermeld Kohier ter invordering is gesteld in handen van den heer Ontvanger, en ieder daarop voorkomende yerpligt is zijnen aanslag op den bij de wet bepaalden voet te voldoen, en dat heden de termijn van drie maanden ingaat, binnen welken de reclames belmoren te worden ingediend. Botterdam, den 26sten September 1863. Het Hoofd van het Gemeentebestuur, _ J. F. HOFFMAN. --- Voorzigtigheid. Voórzigtigheid in de politiek schijnt in de oogen van sommige onzer publicisten eene ondeugd te zijn. De één zegt, het is terugdeinzen voor gevaar, en dus gebrek aan moed; de ander, het i 3 transaktiegeest; de derde maakt het nog erger, en beweert dat het is prijs geven van beginselen, dat het is heden verdedigen, wat men gisteren bestreden heeft. Wonderlijke verblinding! Zou in de politiek alles zoo geheel anders zijn dan in het gewone leven? Men prijst gewoonlijk den man, die met volharding zijn doel in het oog houdende, het met beleid en verstand tracht te bereiken en de klippen te vermijden , waarop het schipbreuk zoude kunnen lijden. Men laakt daarentegen hem, die doldriftig voorthollende, niet slechts 'n zijn woeste vaart- zijn eigen ondergang bereidt, maar ook het doel dat hij voor oogen heeft, voor altijd verijdelt. Is het anders in het leven der volken ? Hebben driftige hervormers steeds beter geslaagd, dan zij die met beleid en voórzigtigheid aan den maatschappelijken toestand eene betere rigting trachtten te geven? Steunt niet het gezegde van een beroemd schrijver, dat slechts die hervormingen vaste wortels schieten, welke langzamerhand en opvolgend worden ingevoerd, op de ondervinding, en is het niet daarom in de politiek bijna al 3 axioma opgenomen ? Stemmen de beste staathuishoudkundige schrijvers niet onderling overeen, dat men den economischen toestand van een volk niet plotseling moet veranderen, maar langzaam en met beleid den beteren in de plaats van den bedorven behoort te brengen? Waarom moet dit alles onwaarheid zijn voor Java, en daiir het driftig voorthollen, de voorkeur verdienen boven het voorzigtig overleg ? Het gebrek van velen is, dat zij de zaken niet objectief kunnen beschouwen, maar steeds met de beoordeoling eener zaak, een persoon moeten verbinden. Als wij den minister van koloniën »voorzigtig" toeroepen, dan zeggen wij niet, wees voorzigtig voor u zelven, maar «wees » voorzigtig voor hot doel, dat gij u gesteld hebt. Gaat bedacht* zaam vooruit en gij zult het bereiken. Holt gij te driftig, dan * benadeelt gij niet slechts u zelven , maar bovenal wordt daar* door de toepassing der liberale beginselen, die uw levensdoel » is , weder jaren teruggezet." Het is en "was ons altijd onverschillig, welke personen op de groene kussens zitten. De beginselen die daar verdedigd werden, waren steeds uitsluitend het onderwerp onzer beoordeeling. Maar juist om de heerschappij der liberale beginselen, van wier waarheid wij overtuigd zijn, die wij liefhebben en welke wij nu reeds twintig jaren, zonder een oogenblik te wijfelen, volhardend verdedigen, zoo spoedig mogelijk voor goed gevestigd te ¦"len, raadden wij bij de eerste overwinning, voórzigtigheid en gematigdheid in do toepassing aan. Durft men hot inderdaad volhouden, dat, indien men plotseling het kultuurstelsel afbrak , onbeperkten vrijen arbeid dekreteerde, het gemeenschappelijk landbezit in individucelen eigendom veranderde, men vruchten van die hervormingen zoude plukken en men niot veeleer eene reaktio zoude in het leven roepen, die weder gedurende jaren ieder uitzigt op hervorming zoude vernietigen ? Zou men zelfs durven beweren, dat de Indische maatschappij die plotselinge ombeering kan verdragen ? De vraag is niet of een minister met de verdediging van zulke voorstellen zou vallen of niet; maar of hij door maatregelen te willen, waarvoor de openbare meening hier te lande, evenmin als de maatschappelijke toestand in Indië voorbereid is, niet de reaktie zou m de hand werken en iederen geleidelijken vooruitgang voor zeer langen tijd zoude onmogelijk maken. Inderdaad, het zijn niet slechts de reaktionnairen, waarvan men met regt zegt, dat zij nimmer iets leeren en nimmer iets vergeten, maar men heeft ook zulke onder de liberalen. Kunnen onze finantiën op het oogenblik de opoffering lijden van het geheele, de helft, zelfs het vierde van het batig slot, en meent men, dat indien zulk eene opoffering geschiedde en onze finantiën in de war raakten, niet iedere hervorming in Indië voor langen tijd onmogelijk was gemaakt ? Opent de lof, welke zij die hunne drift niet kunnen bedwingen , van da uiterste spits der reaktionnairen inoogsten, als-wa . ren zij de eenige zuivere eerlijke liberalen, hun de oogen niet, en is het hun niet duidelijk, dat men in dat kamp, alleen op hunne onbesuisdheid de hoop op betere tijden bouwt, overtuigd als men is, dat de liberale beginselen, op eene voorzigtige , geleidelijke en beleidvolle wijze in werking gebragt, de reaktie voor altijd doodt, maar dat er geen grooterevijund der liberale beginselen is, dan hunne onvoorzigtige, onbekookte en onvoorbereide toepassing? Voórzigtigheid is dus, meenen wij, ook hier de les der wijsheid. In voórzigtigheid ligt geene transaktie met eenig beginsel hoegenaamd , maar zij is veeleer het langzaam, beraden en zeker afgaan op het beoogde doel; de voorzigtige mist geen moed; in tegendeel, hij ziet de gevaren en bestrijdt ze met wapenen die zeker treffen ,in tegenstelling van den vermetele, dio de govaren niet kent, omdat hij ze niet ziet, en zijne handelingen dus veel meer de kenmerken van onbezonnenheid, dan van moedgheid dragen. Wij blijven dus den minister van koloniën voórzigtigheid aanraden , opdat de zegepraal der liberale beginselen, die hem dierbaarder dan zijne portefeuille moet zijn, duurzaam zij on opdat de overtuiging al meer en meer veld winne, dat het welzijn van het moederland en de kolonie werkelijk van de toepassing dier beginselen afhangt. Geene hervorming zonder behoorlijke voorbereiding- ge--ne sprongen, maar zachte overgangen; geen hollen, maar hm "zaam ongestadig vooruitgaan — dit moet onzens bedunkens de gedragslijn van een liberalen minister van koloniën zijn. Vast en volhardend in de beginselen, maar voorzigtig en beleidvol in do toepassing — alleen op deze wijze kan, naar onze meening, de maatschappelijken toestand in Indië duurzaam in eene liberale ""'gting hervormd word?n. ---