Steunt het Apostolaat Ter Zee. --- Aankomst en vertrek der schepen in de week van 2 — 8 Jnni 1935. S.S. Aank. Van Vertr. Naar Oranje-Nassau 2 New-York via Haiti 2 Amsterdam via Venezuela & Suriname Lara 2 New-York 2 Aruba, Maracaibo Caracas 2 Maracaibo 2 New-York Senator 2 Liverpool 3 Cristóbal Stuyvesant 3 Amsterdam via Suriname & 3 New-York via Haiti Venezuela Dalvangen 3 New-Orleans 3 Paramaribo Palatia 3 Hamburg 3 Pto. Barrios Baralt 4 St. Kitts, St. Eust., Saba — Cura?ao St. Martin, Bonaire Alemania — Curagao 4 Maracaibo De la Salie 4 Cristóbal 4 Le Havre, St.Naeaire Venezuela 5 Amsterdam 5 Pto. Limon Ruahine 5 Londen, Southampton 6 Cristóbal, New-Zealand Colombia 6 Pto. Limon 6 Amsterdam, Hamburg Flora 6 New-York 6 Aruba, Maracaibo H. C. Hom 7 Hamburg 7 Cartagena Delftdijk 7 Rotterdam 7 Pto. Col., Cbal, Los Angeles Astrea 7 Maracaibo 7 New-York via P. Cabello Carabobo 8 New-York 8 Aruba, Maracaibo Baralt — Curasao 8 Bonaire, St. Thomas, St Martin, Saba, St. Eustatius & St. Kitts. --- Voordeel, geen recht. De Duitse kloosters en hun raadsman. Nadat wij de vorige week enkele verklaringen van een tot oordelen bevoegd seculier plaatsten, die het opnam voor de gesties van de Duitse kloosters en hun financiële raadslieden, lezen wij thans in Nederlandse bladen van katholieke bankierszijde enkele medelingen, die wij gedachtig het „audiatur et altera pars", hieronder laten volgen: Nu uit Duitsland telkens berichten komen over het strafrechtelijk vervolgen van kloosterlingen — beschuldigd van deviezensmokkel, lijkt het ons tot goed begrip en vooral tot een zo rechtvaardig mogelijke waardering van dit optreden wenselijk de aandacht te vestigen op enkele omstandigheden, waarmee in de beoordeling van wat in Duitsland gebeurt vaak weinig rekening wordt gehouden. Vooreerst moet de voorstelling als zouden deze kloosterlingen deviezen hebben gesmokkeld om aan een plicht van rechtvaardigheid te voldoen — om de rente te betalen van leningen, die zij in het buitenland hadden gesloten — als volstrekt onjuist worden beschouwd. De Duitse regering legt het nakomen der verplichting tot rentebetaling — zeker aan Nederlandse obligatiehouders — geen zodanige belemmeringen in de weg, die een onrechtvaardige benadeling van de ene of de andere partij ten gevolge hebben. Zij eist slechts de formaliteit, dat de betaling geschiedt via een Conversie-kas, die -- misschien — wanneer de rente haar te hoog voorkomt, deze iets verlaagt, doch haar in ieder geval in opdracht van de kloosters overmaakt aan de banken in het buitenland. Er bestaat dus geen enkele reden, waarom een klooster terwille van rentebetaling aan zijn obligatiehouders deviezen zou smokkelen. Ging het dan om de aflossing? Ook dat is niet aan te nemen om de eenvoudige reden alleen reeds, dat, sinds de moeilijkheden in het betalingsverkeer met Duitsland, voor vrijwel alle kerkelijke leningen feitelijk al een uitstel der afbetaling werd geregeld. Waartoe moesten dán deviezen worden gesmokkeld. Om dit in te zien moet men weten, dat 'n Duitser, die obligaties van eigen leningen in het buitenland wil terugkopen daartoe practisch wel deviezen kan krijgen, docli alleen tegen extra betaling van een premie, die moet dienen om de Duitse export te steunen. Die premie, oorspronkelijk vrij laag gesteld werd geleidelijk verhoogd en stond zelfs enige tijd op 200 pCt. van het verlangde bedrag aan deviezen. Een Duitser, die dus voor 100 gld. Nederland stukken wilde kopen, betaalde hiervoor in feite 300 gld. — Men denke zich nu in de positie van een klooster, dat tegen vaak zeer hoge renten leningen heeft gesloten en nu de kans ziet om tegen bijzonder lage koers een deel van zijn obligaties terug te kopen. Zon klooster staat voor 't zeer reële dilemma: de legale weg bewandelen en het voordeel delen met de regering of: de illegale smokkel weg opgaan en alles voor zich voor het goede doel dan, trachten te behouden. Waar zulk een klooster nu door goede financiële raadslieden terzijde werd gestaan liet het zich niet verleiden om door middel van deviezensmokkel te trachten alieen te profiteren van de obligatiehouder. Daar zit nu echter de kneep, Het is sterk opgevallen, voor eerst, dat lang niet alle, doch slechts een bepaald aantal kloosters worden vervolgd en voorts, dat die vervolging is begonnen aanstonds nadat men had vastgesteld, dat bij de Universum-bank te Munster op grote schaal deviezen werden gesmokkeld en nadat men de boeken van deze bank in beslag had genomen. Het- vermoeden lag dus aanstonds voor de handj dat men — met of zonder bewijzen — de kloosters, die met deze bank in relatie stonden eenvoudig heeft verdacht van medeplichtigheid aan deviezenzwendel. De directeur nu van deze bank, een zekere dr. Hofius, tegen wien door de Duitse regering een bevel tot aanhouding werd uitgevaardigd, was inderdaad de financiële raadgever van vele kloosters, die hem — eigenlijk nodeloos — opdrachten gaven tot het verdedigen van hun belangen bij de buitenlandse obligatiehouders. Op order nu van dezen dr. Hofius en zijn bank werden het laatste jaar voortdurend obligaties opgekocht, vaak tegen een koers, die — gezien de hoge exportpremie in Duitsland — onmogelijk rendabel kon zijn tenzij er met gesmokkelde deviezen werd betaald. En steeds liep dit over de obligaties van dezelfde kloosters, die thans worden vervolgd. De adviezen van dezen allerchristelijksten dr. Hofius deden dus naar alle waarschijnlijkheid deze kloosters zwichten voor de verleiding om terwille van het grotere voordeel, met hem samen de illegale weg te bewandelen. Met tot gevolg, dat dr. Hofius zich veilig in Nederland beweegt terwijl de paters en zusters wegens overtreding van een volstrekt niet evident-onrechtvaardige wet zuchten in de gevangenis en dat de langzaam groeiende welwillendheid, die de Duitse autoriteiten reeds tegenover enkele grote katholieke instellingen — als het Caritasverband bij voorbeeld — begonnen te tonen, op verschillende punten weer voor koelheid en achterdocht plaats maakte, zodat de katholieke zaak weer een eind is achteruitgeworpen... door een katholiek. --- Satype en hamor. Er is thans door den minister van Binnenlandse Zaken een wetsontwerp ingediend tot het in het leven roepen van een Naamloze Vennootschap „Nederlandse Omroep Zender Maatschappij". Een hele mond vol! En daarom nam de regering ook maar weer haar toevlucht tot de zo geliefde afkortingen en noemde deze vennootschap „Nozema". Hiermede is zij wel erg ongelukkig geweest, want in het voorlopig verslag merkten enige leden op, dat de naam Hozema voor hen, die Grieks kennen, steeds een eigenaardige klank zal hebben door de overeenkomst tussen deze naam en het Griekse woord, dat ongeveer gelijkluidend is en hetwelk ziekte betekent en in overdrachtelijke zin de betekenis van... waanzin. --- De maatschappelijke ladder. „Uw vier zoons zijn nu toch allen volwassen. Wat zijn ze eigenlijk geworden ?" „Zij zijn alle vier in het bankbedrijf gegaan. De jongste studeert nog aan de Handelshogeschool, de tweede is volontair bij een bank, de derde is kassier bij een andere bank en de oudste zit al in Amerika." --- In het vuur van de rede. Geestdriftig redenaar in een vergadering van geheelonthouders: „Ja, mijne heren, telkens als ik een jongeman uit een café zie komen, zou ik hem met alle kracht van mijn overtuiging willen toeroepen: „Jongeling, gij zijt op de verkeerde weg; keer terug op uw schreden, voordat het te laat is." --- Kinderachtig. „Vandaag heb ik den deurwaarder op visite gehad. Nou, ik moet zeggen, die man gedroeg zich als een klein kind." „Hoe zo?" „Alles, wat hij zag, wilde hij met alle geweld hebben." --- Duidelijk. Jongeman: „Waarom wilt u dan eigenlijk niet met mij trouwen?" Jongedame: „Mijn hele familie is er tegen." Jongeman: „Maar wat geeft dat? Als uzelf maar... Jongedame: „Ik zeg u toch, dat mijn hele familie er tegen is." De vete. Vader: „Moeder heeft me gezegd, dat je vandaag weer erg onaardig geweest ben, Fritsje." Fritsje: „Onder ons gezegd, vader, ik geloof, dat moeder iets tegen ons heeft Gisteren zei ze tegen tante Mien, dat ik precies mijn vader ben." --- De Biecht. Herhaaldelijk komt het tot uiting, hoe vele van onze Protestantse broeders en zusters met een zeker heimwee terugverlangen naar zaken en instellingen, welke door verreweg de grootste meerderheid van de eerste „Hervormers" als superstitie of menselijke instellingen werden afgewezen. Zo is b.v. bij vele Protestanten het besef levendig geworden, dat de liturgie een waardevol element is in het kerkelijk en godsdienstig leven, dat niet straffeloos kan worden verwaarloosd. Vandaar, dat reeds door verschillende Nederlandse predikanten z.g. liturgische diensten zijn ingevoerd. Het is zelfs geen al te grote uitzondering meer, dat men door vooraanstaande Protestanten 't verlangen hoort uitspreken, om weer terug te keren naar het vroeger door hen zo zeer versmade instituut van de Biecht, opgevat, niet enkel als een algemene, maar ook als een individuele schuldbelijdenis. Als een karakteristiek staaltje van deze mentaliteit willen we vandaag eens wijzen op het voor enige tijd in de keurig uitgegeven „Libellen-serie" verschenen boekje van Ds. Zeydner, getiteld „Boete". We willen er van te voren opmerkzaam op maken, dat we door het uitlichten van bepaalde citaten uit dit boekje, van zelf een min of meer eenzijdig beeld geven van het geheel der door Ds. Zeydner uitgewerkte gedachten. Hoogst merkwaardig al is de volgende uitspraak: „Boete begint daar, waar de mens in zijn zonde met God te maken krijgt. Dit kunnen zelfs de Babylonische boetepsalmen ons leren. Bij boete gaat het niet om de vraag: Hoe vind ik de harmonie van mijn leven terug? Hoe word ik weer krachtig en blij? Hoe wordt de breuk met mijn medemens hersteld? maar het gaat om de vraag, die alle andere voorafgaat: „Hoe krijg ik een genadig God?" Zoekt eerst het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid en al deze dingen zullen u toegeworpen worden" (Math. 6: 33). Na al het voorafgaande hoeft niet meer gezegd te worden, dat dit zoeken van het Koninkrijk Gods niet het zenuwachtige rondzoeken is, overal en nergens, maar het getrokken worden door het licht, zoals het ontkiemend zaad in de moederbodem met zijn kiem het trekkende zonnelicht zoekt. Maar eerst moet de kiem de schaal openbreken, voor hij het zonnelicht kan volgen. Reeds in het oudste Christendom heeft de Kerk de heiligheid van de bodem, waarop de boete groeit, erkend. De boete wordt een der voornaamste sacramenten; een genade-middel van grote barmhartigheid ; een dienst aan zielen in nood. De Rooms Katholieke Kerk is trouw gebleven aan de sacramentele boete der oud-Christelijke Kerk, haar opdracht ziende in Petrus' sleutelmacht". De schrijver zegt hier niet met evenzoveel woorden, dat hij met de Katholieke Kerk de oorsprong van de Biecht als Sacrament tot Christus zelf opvoert. Hij vergist zich, wanneer hij meent, dat de aangehaalde tekst van Mattheus 16, 18— 19, de enige bijbelse grond is, waarop de Katholieke Kerk de haar door Christus gegeven macht om zonden te vergeven, baseert. Het is echter van grote betekenis, dat hier erkend wordt, dat het instituut van de Biecht moet worden teruggevoerd tot het oude Christendom. Want zonder hier een beroep te willen doen op de Overlevering als bron van de Openbaring, vragen we ons toch onmiddellijk af: hoe komt dat oudste Christendom daar anders aan dan van Christus zelf? Hoe kan zich de Kerk ín de oudste tijden de macht toeschrijven van zonden te vergeven, zo niet Christus zelf die macht aan zijn Kerk heeft gegeven ? Bovendien is het ook hoogst merkwaardig, hoe de Biecht, na door vele niet-Katholieken als een bron en een oorzaak van veel kwaad te zijn verworpen, hier door een predikant geroemd wordt als „een dienst aan zielen in nood". Bat het Ds. Zeydner met deze laatste uitspraak volle ernst is, blijkt wel uit het volgende citaat: „Laten onze Protestantse Kerken ophouden, met te discussiëren over de vraag, of de verplichte kerkelijke biecht wenselijk is. Laten zij ophouden met de vragen der liturgie te beschouwen als een liefhebberij van een klein stel fijnproevers. Laten zij uitscheiden met het forceren van een gefingeerde tegenstelling tussen Preek als kerkelijke verkondiging en Eredienst, tussen profeet en priester. Laten zij van de Oxford-groepen leren, dat wij leven in een overprikkeld geslacht, dat geen uitweg weet met zijn zonden. Laten de Protestantse Kerken haar roeping beseffen, in Christus' naam, iedere Zondag opnieuw te verkondigen de vergeving der zonden, door het geloof in Christus' belofte. Wanneer zij dit in diepe eerbied doen, zal ook de vraag der persoonlijke biecht en van het vasten weer naar voren komen, niet als uiterlijke handelingen maar als diepe behoefte van het zieleleven." Na de verklaring van zijn standpunt, dat de biecht steeds vrijwillig moet zijn en dat voor de biecht niet per sé een priester nodig is, gaat de schrijver verder: „Dit is dan ook niet het essentiële. Waar het om gaat is, dat men niet alleen de gemeente, maar ook persoonlijk voor het aangezicht van God en de vertegenwoordigers der gemeente treedt, schuld belijdt, de verkondiging der absolutie hoort en haar met een gelovig hart aanneemt. Ik schrijf deze woorden van uit de Hervormde Kerk. Vurig bid ik God, dat ik de tijd nog mag beleven, waarop vóór het Heilig Avondmaal deze kerk de gelegenheid moge openen tot persoonlijke biecht met de blijde verkondiging der schuldvergeving door het verzoenend sterven van Christus en Zijn Opstanding." „Kerkelijke verkondiging en zielzorg zijn twee zegenende handen van één lichaam. Als een verademing zullen de psychiaters het ondervinden, wanneer zij zich kunnen bepalen tot de hun door God aangewezen taak, niet alleen de schuldvergeving, maar ook de persoonlijke religieuze zielzorg overlatend aan een Kerk van Christus, die de zielenood der mensheid verstaat en tegemoet treedt met haar van Christus geschonken macht!" We hebben niet de bedoeling om met den schrijver te polemiseren over de door de katholieke kerk ingevoerde verplichting om minstens eens per jaar te biechten. Ook gaan we niet verder in op het door Ds. Zeydner aangehaalde feit, dat tot ver in de middeleeuwen de z.g. lekebiecht (1) hééft bestaan. We hebben alleen onze lezers willen wijzen op het merkwaardig en overigens niet alleenstaand feit, dat een predikant niet slechts wijst op de religieuse betekenis van de Biecht, maar ook erkent, dat deze vanaf het oudste Christendom heeft bestaan. Deze erkenning doet ons met des te groter vertrouwen Christus' gebed herhalen: „Mogen zij allen een zijn". (1) „Leken-absolutie" is niet juist. We vewijzen hiervoor naar het werk van Dr. Teetaert La confession aux VIII jusqu'au XIV siècle, Brugge, 1926. --- Zuinig. Jantje komt uit school: „Vader, vandaag heb ik een dubbeltje uitgespaard. De hele weg van school naar huis heb ik achter de tram aangelopen." Vader: „Prachtig, maar de volgende keer moet je dan eens achter een taxi aanlopen, dan spaar je minstens een kwartje uit." --- Hij wist 't. „Weet jij, waar kleine jongens terecht komen, die hun zakgeld niet in hun spaarpot doen?" „In de bioscoop, moe!" --- Voorzichtigheid. Dinges: „Als ik dood ga, wil mijn vrouw heel haar verder leven weduwe blijven." Hummus: „Dat kan ik me indenken. Ze is er natuurlijk zeker van, dat er geen tweede man zoals jij bestaat!" Dinges: „Moet je niet zeggen; ze is veeleer bang, dat ze dan pas den waren man zou kunnen krijgen!" --- Noodlot. „Maar Jantje, waarom huil je zo?" M'n tweeling-broertje Gerrit heeft me 'n pak slaag gegeven, en-en-en- nou zou m'n vriend 't 'm betaald zetten, maarmaar-maar die heeft mijn voor m'n- m'n m'n tweelingbroertje aange-gezien. --- De philantroop. Dirk glijdt met zijn beste broek aan langs de trapleuning. „Wat doe je daar nou weer?" vraagt zijn moeder. „Ik maak broeken voor arme kinderen, moe," antwoordde Dirk. --- Ergo ergissimo. „Op mijn tafel komt nooit een druppel alcohol!" „Dan ben je bij het schenken erg voorzichtig!" --- Uit gewoonte in de contramine. „Weet je nog wel, lieve Mina, dat ik eens eens een leren sigarettenkoker vau je gekregen heb ? Aan de ene kant stond mijn monogram." „Niewaar! Dat stond aan de andere kant!" --- Vriendelijk. „Je woont hier buiten wel erg mooi, maar eh, is 't soms niet een beetje vervelend?" „Och, soms — maar we krijgen niet zo erg veel visite!" --- Adamsom waagt de sprong. --- ' i 111 11. I lIÉIir- ¦ ~- - II I - I || ¦ 111 "I í| BIM lIIIIIMIW MW||| II I ¦¦!!¦ 111 Passenger and Freight Service, Next sailings from CURACAO: to Pto Colombia, Cartagena, Cristóbal, Port Llmon & Pt \ Barrios . MS. PALATIA (calling at Aruba) June 3 SS. TROJA (calling at Aruba) June 13 MS. CORDILLERA (12.300 Reg. Tons) June .13 MS. PATRICIA (calling at Aruba) July 1 All vesseis calling at Cristóbal connect there with vessels to the Pacific Coast of South-, Central- and North América. Through-Tickets are issued to any port on the Pacific and also to H¿vana, New Orleans and New York. t> EUROPE vla Pto. Cabello, La Guaira, Trinidad and Barbados: MS. CARIBIA (12.300 Reg. Tons) June 1 MS. PHRYGIA June 14 MS. CORDILLERA (12.300 Reg. Tons) June 27 MS. PALATIA jure 12 Besides AMSTERDAM and HAMBURG our Passenger- Motorships cali at SANTANDER, PLYMOUTH and CHERBOURG. to MARACAIBO: SS. "ALEMANIA in connection with our outward and homeward vessels sails regularly to and from Maracaibo. All further informations are gladly given at the Hapag- Offices. EDWARDS, HENRIQUEZ & CO. Curagao, Tel. 106. ARUBA TRADING Co., Aruba V/\jLiÏLfX Jf^a Btefift i¡."s Aa«§¡Sai"eïTiiij[3ïi___iTii[tl!!ltvWmmÊ By Mg-*y'V: ,^--%f iSywl'yy^B^*^^—V .^mmmnmw*r9ÊÈ9mWÊ9VKÊßmtmmM —-I*'* -¦ • • ',M:»l!i;!i«i,,(f,,l. « :. j* ; ":?£*} ¦— '- i .~z£3f£i¡M_!^___ dood voor RUT sSff insecten. /%^¿Wi Ht L ï!i wf^t H^^Hh^^^^hl ___, ___y- *»_, A\ NB jßn wS ¦ hh\ \__\_ .^^s______\\\\\_\ tt ---