Kerstgedachten in 1940. Als een afschuwelyk-ironische tegenstelling staat dit jaar de gruwelijke oorlogstoestand der wereld tegenover de vrede-beteekenis van het liefelijke Kerstfeest. In een tijdperk van vrede kwam Emmanuel, de „God met ons", vóór ruim 19 eeuwen te Bethlehem ter wereld, om er Zyn Rijk van vrede, gerechtigheid en liefde te stichten. De Hernel-zelf bevestigde en bejubelde deze onwaardeerbare gebeurtenis en openbaring van Gods genade door Engelengezang boven de geboortekribbe van den kleinen Heiland: „Eere aan God in den Hooge en op aarde vrede den menschen van goeden wil". Sedert dit lied voor het eerst klonk, is z\jn tekst millioenen malen door ons, menschen, nagezongen; maar wellicht even zoovele millioenen malen zonder of bijna geheel zonder aandacht, zoodat de beteekenis daarvan ons is ontgaan. Dit is des te betreurenswaardiger, naarmate deze verlies-beteekenis schadelijker voor de menschen-gemeenschap geworden is. Immers, zoolang de beteekenis van het Engelenlied den menschen diep bijbleef en dezen er naar handelden, leefde de wereld in vrede en genoot alle gelukkige gevolgen van dien vrede. Maar niet zoodra was de even hooge als diepe beteekenis van het beloftenvolle Kerstnachtlied den menschen onachtzaam ontgaan, of zij ondervonden op vreeselijke wijze de gevolgen van de verwaarloozing der daarin gestelde voorwaarde. Dat deze onze bewering evenmin een ten deze gemakkelijke gemeenplaats als een aan mogelijk te maken opwerpingen ontwakende dooddoener is, zullen wij in deze Kerstbeschouwing in het oorlogsjaar 1940, door een nader onderzoek naar de voorwaarden van vredesbehoud voor de wereld in te stellen, onzen Lezers duidelijk te maken. Het Christendom, ons door den tot man volgroeiden Emmanuel gepredikt en gebracht, is evenmin een fabel als een te verwaarloozen absoluutheid. Het is geen fabel, want zijn grootsche werkelijkheid kan de eeuwen door niet worden ontkend. De Geschiedenis spreekt er van en zij zal er van blijven spreken. Het is geen te verwaarloozen absoluutheid, want de oogenblikkelijke toestand in de wereld kan, tot in zijn kern doorgedacht, alléén verklaard worden uit de compromissen, welke een verwaterd Christendom op z.g.n. wijze en .tactische overwegingen met de diverse menschelijke zwakheden gesloten heeft. Die overwegingen waren even zoovele practische vergissingen, omdat zij geen rekening hielden met het absoluut karakter van het Christendom. Het Christendom toch is absoluut, of het zal geen Christendom ïijn. Daarom verkrachtten die overwegingen het Christendom en brachten het in discrediet. Maar dit niet alleen! Zij hadden tevens tot gevolg, dat de mensch al te gemakkelijk zijn Christenplicht verwaarloosde, ja totaal verzuimde en zóó voor zichzelf van de menschelijke samenleving een onbewoonbaar huis maakte. De practische, maar consequente gevo'gen van die compromissen bewijzen zulks en cumuleeren in eer» wereld van oorlog. Het kon een wereld van vrede en geluk zijn, indien het menschdom maar wilde voldoen aan de in het Kerstnachtlied gestelde voorwaarde: van goeden wille z^n. Van goeden wille zijn! Dit beteekent niets anders, dan de voorschriften van het door Emmanuel gepredikte Christendom, die in de kern der zaak niets anders zijn dan onafwijsbare eischen van het Natuurrecht, met een bereidwillig en offervaardig hart opvolgen. Maar dit heeft de menschheid geweigerd! In haar dorst naar goud heeft zij vooral de twee groote christelijke deugden van rechtvaardigheid en liefde, in wier beoefening zoo ongeveer de geheele Wet bestaat, verwaarloosd. In plaats van „ieder het zijne" te geven, zooals de deugd van rechtvaardigheid onvoorwaardelijk eischt, heeft men elkander zooveel mogelijk benadeeld. Deze benadeeling gaat onvermijdelijk gepaard met de uiteindelijke totale verdwijning van de onderlinge liefde, zoodat deze onderlinge liefde plaats maakte voor onderlingen haat. Zóó heeft de onchristelijke practijk van den gouddorstigen mensch de geheele christelijke orde omgezet in een onchristelijken chaos, waarin het den redelijken mensch onmogelijk geworden is, redelyk te leven. Zóó vecht men elkander dood om het bezit van het goud, den vervloekten god van onze moderne wereld. Zóó vluchtte de vrede onder ons weg, om niet meer terug te keeren, voordat gerechtigheid en liefde haar gezegenden scepter weer onder ons zullen zwaaien. Want — en wij benadrukken dit met klem — de twee onontbeerlijke zftnsoorzaken van den vrede op deze wereld zijn de gepractiseerde Rechtvaardigheid en Me toegepaste Liefde. De Rechtvaardigheid, de rechtstreeksche zijnsoorzaak van een reëelen vrede, die „ieder het zijne" wil geven; de Liefde, de onrechtstreeksche zijnsoorzaak van den wereldvrede, die uit liefde tot den evenmensch de beoefening van de Rechtvaardigheid stimuleert en vergemakkelijkt. Zoolang deze twee noodzakelijke zijnsvoorwaarden van den vrede de haar in de menschelijke samenleving toekomende plaats niet zullen hebben heroverd, zoolang ook behoeft men op een herstel van den vrede in de wereld niet te rekenen. Zoolang ook zal er oorlog in de wereld zijn, omdat het doe! van een gerechtvaardigden oorlog herstel van den vrede is. Dit moge paradoxaal klinken, het is intusschen nu eenmaal niet anders. Immers, rechtsschending eischt een rechtsherstel, omdat rechtsschending een verstoring is van de zedelijke orde. Indien geschonden recht niet met zich meebracht recht sopeischbaarheid en rechtsafdwingbaarheid, zelfs met geweld, zou het F.ec'it geen Recht meer ziin. Rechtssc^cnis verstoort den onderliepen vrede. En aangezien de vrede het hoogste goed eener menschelijke samenleving is, zonder welke, zooals de feiten der laatste decennia helderder dan het licht bewezen hebben, eene ordelijke samenleving eenmaal onmogelijk is, mag, ja mogelijk moet men oorlog voeren, om de levensvoorwaarde voor de menschelijke samenleving weer te voorschijn te roepen. Omdat, sociaal-ethisch bezien, deze bewering onaanvechtsbaar is, zal men cot herstel van den vrede soms oorlog mogen, ja moeten voeren, indien de bevechter van dat vredesherstel, met goede en rechtzinnige bedoelingen bezield, zich militair sterk genoeg weet, om den onwil van den vredesbelager te breken. De oorlogs- en vredesaangelegenheid derhalve bekeken zooals ze bezien moet worden, zal men ook begrijpen, dat het iets anders en iets meer dan een gemakkelijke gemeenplaats is, als Pausen in hun zendbrieven en christelijke kenners van het Natuurrecht in hunne verhandelingen onafgebroken beweren en herhalen, dat een wereldvrede in diepste wezen onmogelijk is zonder de practische beoefening der twee groote christelijke deugden van Rechtvaardigheid en Liefde. Want door dit te betoogen, raken zij het vraagstuk van den vrede in zijn eenigste en diepste kern, wat bij een oppervlakkige beschouwing der aangelegenheid niet zoo terstond duidelyk is. Het is niet aan onze' oorlogzuchtige, echter wel aan onze, naar vrede strevende, neigingen toe te schryven, indien wij in het jaar 1940 op het vredesfeest van Kerstmis schijnbaar de krijgsklaroen steken. Maar de voorwaarde voor den vrede onder de menschen, uitgezongen in het Kerstnachtlied der Engelen boven de geboortekribbe van den Vorst des vredes, was ons een ongezochte aanleiding, om, door eene orthodoxe uiteenzetting van de oorlogstheorie van het Christendom, onze Lezers te bewegen, om, in aanbidding voor die kribbe neergeknield, wel te overwegen, wat hun en der wereld tot vrede strekken kan. Dat is: van goeden wille zijn! Van goeden wille zijn, beteekent niets anders en niets meer, dan de door Emmanuel gepredikte voorschriften van Diens Christendom voor het sociaal-economische gebied der menschelijke samenleving onbedingd in toepassing te brengen. Voldoen wij niet aan deze, voor den wereldvrede in het Kerstnachtlied gestelde, voorwaarde, dan zullen wij dit jaar een Kerstfeest vieren zonder vrede en zonder vredesvooruitzichten. Maar zulk een Kerstfeest is geen Kerstfeest. Willen wij werkelijk een christelijk Kerstfeest vieren; willen wij werkelijk aan de wereld den vrede hergeven, dan zullen wij aan de onontkoombare voorwaarde van het Kerstnachtlied moeten beantwoorden. Dan eerst zal ons — en der wereld met ons — een vredig en zalig Kerstfeest verzekerd zijr! --- Voor betere Eetkamers Zit- en Slaapkamers PONJEE'S MEÜBILEERING. GROOTh BERG 16 Perzische tapijten. --- - „™_™_ < BIJ DE 2e COLLECTE WINTERHÜLP NEDERLAND 8 | Stadgenooten, 8 g Er is lefs ontwaakt! rd Niet voor de eerste maal, maar thans sterker dan ooit: de gemeen- $ A schapszin. g A fi g Gemeenschapszin, die zich uit in geven en nemen. h Geven van de zijde van hen, die geven kunnen; nemen van dta g A zijde van hen, die nemen moeten. E 4 V g Het eerste is een eere; hef laatste is geen schande. <_ h In onderling verband vormen zij de beoefening der nationale, der sociale, der christelijke deugd bij uitnemendheid; de naastenliefde. lt r 4 I? g Niemand mag zich daaraan onttrekken. S Zij is de beste spijs voor onze Volksgezondheid. fl A Zij Is de sterkste band voor onze Volkséénheid. E 4 E g Zij is de diepste bron voor onze Volkskracht. A Met haar en dóór haar zal Nederland zich — ook in de storm — & A handhaven. IQ 4 K g Daarom: ieder kenne en doe zijn plicht. A i è h Eindhoven, Kerstmis 1940. jJ 3 3| De Burgemeester, » A Plaatselijk Directeur van Winterhulp Nederland, } A VERDIJK. Fe \ r-W—ymiim_w_y_T-y_^_^j_?^^ --- Philips-de Jongh-Ontspcroningsfonds PHILIPS' SCHOUWBURG Woensdag 25 Dcc, half drie (le Kerstdag) CONCERT HOLLAND SCH VOCAAL KWARTET Suze Luger - To van der Siuys Louis van Tulder - Willem Ravelli Kerstliederen; Oud-Nederlandsche-. Duitsche-, Fransche- en italiaansche liederen. Toegang f 1.50, voor kinderen tot 18 jaar f 0.75 --- BINNENLAND ENGELSCHE BOMMEN OP NEDERLAND. MEER ACTIVITEIT IN DE LUCHT. Het Engelsche luchtwapen is, naar ons wordt medegedeeld, in den nacht van Zaterdag op Zondag en ook in den nacht van Zondag op Maandag actiever geweest dan in de vorige week. Een groot aantal bommen, zoowel brisantbommen als brandbommen zijn op Nederlandsch grondgebied geworpen. De schade aan burgereigendommen is in het algemeen niet zeer groot. Alleen in drie plaatsen zijn eenige woonhuizen getroffen en tamelijk sterk beschadigd. Twee woningen zijn in brand geraakt, waarbij de inboedel verloren ging. De branden zelf zijn snel gebluscht. ook zijn eenige boerderijen getroffen. Twee graanschuren zijn in brand gestoken. In een administratiegebouw van een electrisph bedrijf is schade aangericht. Eeh man is dood, een zwaar gewond en een licht gewond. --- De vleesclidisiribulic. DE NIEUWE VLEESCHBON. BON 13. De secretaris-generaal van het departement van landbouw en visscherij maakt het volgende bekend. Gedurende het tijdvak van 26 December tot en met Zondag 5 Januari a.s. geeft elk der vier met „13 vleesch" gemerkte bonnen van de vleeschkaart recht op het koopen van 100 gram vleesch, been inbegrepen, of een rantsoen vleeschwaren. De met „13 worst, vleeschwaren" gemerkte bon geeft uitsluitend recht op het koopen van een rantsoen vleeschwaren. De bonnen, welke op 5 Januari a.s. nog niet gebruikt zijn, blijven nog geldig tot en met 8 Januari a.s. Het rantsoen vleeschwaren, dat per bon kan worden gekocht bedraagt 75 gram voor gerookt of gekookt varkens-, rund-, of kaifsvleesch en voor gerookte worstsoor ten, 100 gram voor gekookte worstsodrten. rolpens en knakworst, 125 gram voor lever-artikelen, tongenworst en nierbrood en 150 gram voor bloedworst. --- Nogmaals: De veleeschdistributie en de veestapel. DE VEEVOEDERPOSITIE MAAKT VERMINDERING VAN HET MELKVEE NOODIG TOT 1.250.000 STUKS. LEVÉRING VAN RUIM 200.000 STUKS VEE VOOR 1 MAART. In aansluiting op hetgeen Graf Grothe Inzake de vleeschvoorziening heeft medegedeeld, wordt van de zijde van het Rijksbureau voor de voedselvoorziening ln oorlogstijd nog het volgende opgemerkt: --- De verplichte veelevering. De verplichte veelevering heeft ln landbouwkringen, zooals niet te verwonderen is, nogal eenige onrust teweeg gebracht. Het is voor niemand aangenaam, dat op deze wijze vee geleverd moet worden. Hoewel zoo lang mogelijk gewacht ls met de verplichte veelevering, was hieraan in de gegeven omstandigheden niet te ontkomen. De inlevering van slachtvee liep terug tot 1600 stuks per week .terwijl toch minstens 10.000 stuks per week noodig waren om aan de vraag te kunnen voldoen. --- Duitsche belangstelling voor Ned. vee. Daarbü komt nog, dat ook van Duitsche z(jde belangstelling bestaat voor het vee en dat men er aan die zgde zooals uit de aankoopen die hebben plaats gevonden, gebleken is, op gerekend heeft ook uit Nederland een klein gedeelte van de behoefte aan fais het in het kader der omstandigheden paste, maar met dankbare hrinnering aan den grooten zoon, wiens standbeeld zich aan het Keizer Karelpleia verheft. Zatrdagmiddag werd in de bovenzaal van de openbare leeszaal de Mgr. Hamer-tentoonstelling geopend door den Deken van Nijmegen, mgr dr. Jos. Teulings. die in een kort openingswoord de verdiensten van den missioinaris.martelaar schilderde en de. te tentoonstelling een gelukkige aanvuViing noemde bij wat er over dezen groo en bisschop geschreven is. Een talrijk gehoor o.w. vele stetJelijke en geestelijke autoriteiten, woonde de openingsplechtigheid tij. Deze tentoonstelling geeft in een eenvoudig bestek vele details, die hun licht op ceze prieterfiguur werpen. Daar is allereerst het grootste deel van de geschriTen over mgr. Hamer bijeengebracht, biografieën. tijdschriften en courantenartikelen, de stamboom van vaders- en moederszijde, die terug gaat tot 1616 in Nijmegen. De oude NJjmeeg. sche sfeer wordt opgeroepen door fotografieën van zijn geboortehuis, de groote familiegroep, en de oude Jesuietenkerk in de Molenstraat, die inmiddels reeds lang is verdwenen. Vele personalia van Bisschop Hamer zijn tentconges'eld. De ceremoniehoed van zwarte zijde met goud bestikt de gouden bisschopsketen waarvan het kruis werd geroofd en nooit terecht kwam, de sierlijk ge. dreven krul van zijn bisschopsstaf, de bisschopsring en vele andere zaken alsook tal. rijke brieven door hem geschreven. Mgr. Hamer schuwde de moeiten van het schrijven niet, want er zijn zelfs brieven bij van 17 foliovcllen lang; zijn grootboek, dat hij op 15 September 1866 begon en zijn liber pastoralis geven een dieperen kijk op de uiterlijke en innerlijke zijde van zijn missiewerk. Er is verder op de tentoonstelling het portret aanwezig van Mgr. Han.er geschil, derd door Antoon van Welie en nog; meerdere portrëften, die ree3s meerdere malen werden gereproduceerd. --- GEMEENTE ARNHEM VERKOOPT 23½ H.A. GROND AAN DE A.K.U. In de gister gehouden raadsvergadering van de gemeente Arnhem was aan de orde gesteld het voorstel van B. en W. om een gedeelte van de Kleefschewaard te verkoopen aan de N.V. Algemeene Kunstzijde Unie. Het voorstel strekte van 23y2 H.A. Van deze gemeentegrond tegen een gulden per M 2 aan de A.K.U. te verkoopen met het recht van den weg der verplichtingen geheel of gedeeltelijk over te dragen aan een op te richten N.V., welke de verwerking van stroo beoogt. Een oppervlakte van 8 H.A.. welke bijna geheel was opgehoogd, blijft eigendom van de gemeente. Het werk van de ophooping, het graven van een haven en verbindingskanalen, dat door de gemeente in werkverschaffing wordt uitgevoerd, z?._ nu verder voor rekening van de A.K.U. worden ter hand genomen, zoo ook de aanleg van eenige ':- bewerken. Het voo^^i werd ?'-">meen in den raad gunstig ontvangen en zonder hoofdelijke stemming aangenomen. --- Herdentdingseergartering. Zoudeyrrniddag te half dn? v 1 «n <*e greote zral van het Concertgebouw de Vereeniging de plecht?"? hertVjnk'ng ri~a*« • -an het eeuwfeest. Rcnd het standbeeld aan h"t Ke:zer Karslnlein was een eenvudige ver. s:erin£ ?angebracht. D groote zaa' van hft Concertgebouw was bijna geheel gevut?; onder de tre-icodigden bevond zich Z. H. Exc. Mgr. A F. Diepen Hsseh-u va-i 'a rT«-,'--g'-n,-o-^h. B. -er K°-ei i">'ver-'tel* <*bl:«!cn de.* r ---.~etie H Nen'erla