DE EERSTE 1 MEI IN ROTTERDAM ET motterde op de Eerste Mei. Het voorjaar Hzat druilend achter de wolken, de bomen waren nog kaal en niets verried in de klamme ochtenduren, by het afratelen van de blikken familiewekker, dat het een feestdag zou worden voor de arbeiders. Gerrit Hondschoote kwam humeurig, hoestend en drukdoend uit het keukentje; hij. slingerde zijn broodzakje over de schouder en stopte de blauwe emaille stoop nukkig in de zijzak van zijn werkjas. Hij werkte dus toch! Allards laatste hoop op Gerrit was vervlogen. Hij at traag en teleurgesteld de boterham, die Trees voor hem neerzette en maakte zich op, om naar de muziekschool te gaan. Hij Keek op straat naar alle kanten uit. De arbeiders uit de buurt — hun types waren hem al bekend — gingen allemaal naar hun werk, als was het een gewone dag .. . landerig, zonder veel gepraat, een enkele jonge kerel wat uitgelatener en speelser dan de rest. Het was in de hele stad hetzelfde, de dwang der grijze alledaagsheid. De motregen sloeg haar klam dek over binnenhavens en viaduct, de treinen puften zwaar bij de Beurs, en van de rivier dreef het roetig geronk over van slepers en zeestomers, als hing er niets in de lucht, dat die mismoedige sleur verbood ... Allard was niet bij de muziek die dag. Hij wist nu zonder voorbehoud, dat hij er op gevlast had, een grote, indrukwekkende stoet van rebellen te zien opmarcheren, onder hoog geheven vlaggen, straat in en uit, dreunende voeten, gebalde vuisten, een uitdaging aan de patsers, zoals Gerrit de burgermachtigen placht te noemen; — hij had de haven stil willen zien worden, de straten leeg, want niemand had zich moeten durven vertonen, alleen wat gezichten achter de ramen, beduchte nieuwsgierigheid, de politie onzichtbaar ... De aanblik van het doorgaande leven wekte Allards gemelijkheid, bh'na zijn woede. De patsers zaten niet in angst, in de straten roste de volte als altoos, de politie deed haar ronde, te voet en te paard, er viel geen breuk in het werk... Des middags was het niet anders. De regen had opgehouden, er zwol wat lauwe wind, de lucht was goor van kolenstof, wolkrafels en een hopeloos vechtende zon, die bij tussenpozen zo betraand doorbrak, dat Allard zich door dat kazig kiespijngezicht in het grauw nog bedrukter voelde. Hij liep met zijn viool onder de arm ter hoogte van de Grote Markt, op weg naar huis, toen hij vlak voor zich uit jongens zag hollen. Verderop bleven mensen staan, ergens stokte iets in de bedrijvigheid buitenshuis, er kwam ineens een klein cordon bereden politie uit een der zijstraten gereden, met een zenuwachtig wippen der blauwe mannen in de stijgbeugels. Haast tegelijk wist Allard, dat de 1 Mei-optocht in de buurt moest zijn — de 1 Mei-optocht, waaraan hy gewanhoopt had! Hij keek waar de politie naar toe reed: de Hoogstraat, de Boerenvismarkt. Hij haastte zich achter de rennende jongens aan, onder het viaduct door, de stoet tegemoet. Hij hoefde maar kort te lopen. De optocht van arbeiders kwam al om de hoek. Allard stond stil op een smal trottoir, de viool tegen zich aangedrukt. De aanblik van de stoet was ontgoochelend, vrijwel armzalig. Het was maar een handje vol. Ze kwamen zonder twijfel uit de sloppen achter de Nieuwe Markt, het Achterklooster en de Kipstraat. Hy kon vanaf zijn plek de hele stoet vrijwel van kop tot staart overzien; er waren misschien honderdvijftig, tweehonderd mensen. Voorop liep een oudere man met de rode vlag — een ruwe lap zij aan een naakte houten lat. De man liep fors, afgemeten, zijn handen sloten met harde knokkels om de vlaggestok, waarvan hij het ondereinde in de flank geduwd hield. Hij schokte bij elke pas, het torsen van de vlag leek niet mee te vallen; op zijn tanig, bruin pmbaard gezicht lag een soort kalme halsstarrigheid. De anderen volgden vlak achter hem: dicht opeen, steun zoekend aan elkaar, in hun saamhorige gedrongenheid was een zweem van onwennig aarzelen, dat zij doorlopend schenen moeten te overwinnen. De eerste maal, dat in Rotterdam 1 Mei werd gevierd ... Sommige arbeiders in de stoet waren werkelijk, men kon het zien, in hun goeie goed, zoals Gerrit het had gezegd: een enkele hoed, gepoetste laarzen, een Zondagsjasje, nog stug in de kasteplooi. Anderen droegen hun werkkleren, kielen, leren knielappen, de verschoten pet. Allard zag er weinig vrouwen bij, zij waren meest van het oudere slag, moederlijk, vroeg-oud en vermoeid, de zorgen-gezichten, die Allard van de huurkazerne kende. Er waren er, die gearmd liepen, anderen bleven naast hun mannen. De stoet schoof langs Allard; hij zag eensklaps, dat de bereden politie, die haar tegemoet gereden was, keerde en mee terugreed. De geüniformden hielden de teugel strak, de paardebenen knikten zonderling hoekig, het had er veel van, of de politieruiters zich en de rijdieren met moeite beheersten. Allard was eensklaps somber met de arbeiders begaan. Zij letten tot zijn bevreemding nauwelijks op de bereden agenten. Zij marcheerden langs Allard, hy verloor de drager van de vlag al uit het oog, hij zag alleen de rode, in de wind gespannen, klepperende lap boven de hoofden van de voorsten... Hij keek voor het eerst naar het publiek op straat, de mensen langs de kant, de slagersjongens die hun mand hadden neergezet, het aapje met mager paard en de in zijn schoudermantel gedoken koetsier, die lijdzaam bij de straatkruising wachtte, de passanten met pakjes en parapluie's die evenzo wachtten, al lichtelijk trappelend, de winkeliers op de drempels. Zij vertoonden geen spoor van vrees. Er was op die vele gezichten goedmoedig verwonderen, ergernis, een lachje van nuchter medelijden, een soort van ongelovigheid, als speldde men hun met deze vertoning maar iets op de mouw, dat zin noch doel had. Allard zag de geringschatting; het bloed kroop hem naar de wangen. Hij was blij, dat de arbeiders en de zorgelijke vrouwen nauwelijks op de burgers letten. Zü begonnen hem al minder armzalig voor te komen; hij begreep eensklaps hun moed, het waagstuk om met zo gering getal weg te lopen uit het werk en zich in vijandelijk gebied te begeven, de rode ruwe vaan te volgen, zich op niets dan de eensgezinde ernst van eikaars nabijheid verlatend ... Zwaar en dof rees de vraag in hem, waarom zij met zo weinigen waren. Hij had nog gespeurd, of Gerrit Hondschoote in de stoet was; hij had hem niet kunnen ontdekken. Was Rotterdam niet vol van proletariërs, waren die als men ging tellen, niet verreweg in de meerderheid ? Waarom liet die meerderheid het demonstreren over aan dit kleine troepje — als ging hun niet aan, dat in alle landen de dag van 1 Mei hun eigen feestdag was ... ? De vraag woog onbeantwoord op zijn verontrust hart. Hy keek weer naar de politie. De beredenen waren dichter naar de optrekkende rijen gedrongen, als wilden zij de zwijgende, donkere gestalten wegpersen, als moesten die maar in de lucht verdwijnen, weerloos en lichaamloos. — Ze verdwenen niet. Ze gingen precies, waar zij naar toe wilden, Allard ried hun doel: de Hoogstraat af, de Coolvest op. Hij liep al achter hen, voor hij er erg in had, ofschoon er alleen wat kleine jongens meeholden, op en af, als hondjes naast een wagen. Allard zag, dat de politiemannen hun paarden aanzetten, ook tot hen leek het doorgedrongen, wat de 1 Mei-vierders van plan waren, ook zij haastten zich de Hoogstraat te bereiken... en af te sluiten. Allard ademde haastiger. Hij zag de optocht een paar seconden weifelen, nu de ruiters zich dwars tegen hen opstelden. Toen zwenkte de vlag met verrassende beslistheid zijwaarts, de Grote Markt op. De manoeuvre was zo snel volbracht, de makkers van de vaandeldrager volgden hun voorman zo rustig en zeker in hun voltalligheid, dat de beredenen met de lange sabels, zonderling beetgenomen en eenzaam in hun dienstijver, voor de toegang der Hoogstraat bleven staan ... Niemand lachte, ofschoon het belachelijk was, ofschoon de politie altijd in haar opgeschroefde ijver de belachelijkheid in livrei belichaamt. Allard lachte wel. Hij was weer ter hoogte van de stoet gekomen. Hij nam de demonstranten opnieuw op; wat eerst een mensenverzameling was geweest, toonde de trekken van het afzonderlijke. Hij zag een man, die op zijn vader en oom Euwe leek; hij kon lange tijd de ogen niet van de hoge gestalte afhouden. Hij ontdekte een jonge vrouw, die zonder man of vriendinnen liep; zij hield het gezicht met de kleine sterke kin omhoog, zij had nog geen groef of rimpel; haar veerkrachtige stap klonk hoog tussen het voetgeschuifel van de demonstranten. Het leek Allard, dat zij naar de vlag keek, blind en doof voor wat er om haar heen gebeurde. Hij zag, dat ook zij precies wist, wat zij wilde, dat zij de Eerste Mei zag als haar dag. Weer rees de vraag in Allard, waar de andere vrouwen bleven, de jongen, de nog niet in onderhorigheid versletenen; en tegelyk dacht hij aan Trees, met de herlevende verbittering om het feit, dat zij Gerrit Hondschoote had weten af te houden van deze makkers. De jonge vrouw in de stoet had de onderhorigheid van zich geworpen, al was het voor enkele uren ... Maar de duizenden, die het niet deden, die afgestompt en vernederd bleven, zodat zij zelfs in hen, die de vlag volgden, gekken en vijanden zagen... ? Hij kwam met een schok by uit zgn kwellende gedachte. Achter hem hadden hoeven gekletterd. Een harde knie stiet hem in de rug. Een hand van leer en knoken veegde hem meedogenloos en-in een ommezien van de plek. De vioolkist gleed uit zyn handen. Hij bukte zich blindelings en gehaast, om haar op te vangen. De bereden politie had de stoet voor de tweede maal ingehaald. Zij zwiepte, met korte charges, de nieuwsgierigen achterwaarts, drong opnieuw op de smalle mensenrijen achter de vlag in. Allard stond weer terzijde met de viool in zyn armen. Hij zag de vlag, die heen en weer gezwaaid werd; ten tweeden male had de vaandeldrager een zwenking gemaakt, hij koerste nu in de richting van het Hang, als kon hij zich en de zijnen in dit benarde straatravyn in veiligheid brengen ... Allards ogen zochten haastig en niets goeds vermoedend naar de jonge vrouw. Hij zag haar stilstaan en naar de aanrijdende politiemannen kijken, als kwam zy' uit een donkere droom. Het bloed steeg haar naar het gezicht; toen de ruiters vlakbij waren, balde zij de vuist. Een der agenten was dicht bij haar; Allard zag hem de knuppel van de ceintuur haken. De jonge vrouw dook en sprong toen naar de politielaarzen op. Zy hing een ogenblik aan het starre leren been, daarna suisde de hand van de beredene op haar neer. Zij was vlugger dan hij. Zij glipte onder de paardehals door, zij verzonk in de saamgeperste, zich uitdijende, weer krimpende gelederen. Allard rekte zich wanhopig op de tenen. Hij kon nauweiyks volgen, wat er gebeurde. Er werd gefloten, geschreeuwd, de politiemannen riepen iets op herhaalde toon, de arbeiders waarschuwden elkaar; een hond blafte hysterisch en onzichtbaar aan de overzijde van het plein, waar de stoet bijeengezweept werd. Toen pas zag Allard, dat de betogers in de val gelopen waren. Zij hadden nooit naar het Hang mogen gaan. Zy hadden de ruimte moeten houden, de brede kade, het open plein langs het viaduct, waaronder hy zelf post had gevat. Uit twee, drie nauwe straatjes rondom de Markt kwam versterking voor de aanvallers, agenten te voet, in de looppas, de sabelstok ter hand, de stormband van hun zwartgouden helm onder de kin. Allard zag het, versteend tegen de pijler van het viaduct. De knuppelslagen van agenten en ruiters vielen in de volte, het was al geen volte meer, het was een legertje dat men in delen reeg en splitste; elk deel werd tot een handvol gejaagde enkelingen, waarvan sommigen zich nog verweerden, terwijl anderen tussen politiepaarden en toeschouwers door de ruimte terugzochten, die zij zich hadden laten ontroven. Er holden zelfs omstanders mee. Allard hield de viool tegen zyn borst, hij week niet, hij wilde het einde zien. Het was er in enkele minuten. De man met de vlag, twee, drie van zijn makkers die de stok met hem omhoog bleven heffen, waren de laatsten die nog stonden. Zy stonden in een haag van uniformen. De politiemannen omringden hen, de withouten lat met het rode doek ging ruksgewijs omlaag, als werd er nog enkele wilde seconden om gevochten. Vlak by Allard zei een mannenstem met grondig grommende voldoening: — Ziezo. Die hebben hun vet. De kast in! Allard herkende de stem al, nog voor hij de man herkende. Het was de winkelchef van Gerrit's bakkerij, voor wie hy destijds taarten had mogen bezorgen, de man die alleen mocht worden aangesproken als mijnh e e r Pandbrief, de mijnheer die op straat en ook nu altyd een bolhoed droeg. Allard zei toonloos: — De kast in ... ? My'nheer Pandbrief keerde zijn overgezonde, steenrode en zwartbesnorde tronie naar Allard toe. Allard zag aan de lege blik, waarmee hy door de bakkerijchef werd opgenomen, dat de ander hem niet herkende. Hij stond daar, wijdbeens, de ene hand nog in de jasborst gestoken. Allard begreep, dat hy niet een mens voorstelde, hij belichaamde een soort, een veelheid, een oordeel, een vaste genoegzame orde. De winkelchef keek al niet meer naar de jongen; hij keek zoals tientallen anderen in een wyde ongevaarlijke kring rondom het plein, hoe de agenten drie arrestanten, een stok en een lap rode zijde van de Markt wegvoerden; en al kijkende antwoordde hn op Allard's vraag: — Dat zei ik. De nor of Veenhuizen. Ze hadden geen toestemming om te demonstreren. En ze wisten het. Kijk die schobbejakken. De Eerste Mei! Zeg maar gerust: hun eerste en hun enige! De loeders De... Allard brak de verstarring waarin hy bevangen zat. Hy liep onder de stalen spanbogen in de richting van de St. Laurens, als zo vaak te voren, maar alles kwam hem anders voor, grijnzend, gierlachend, verwrongen en tegelyk onwrikbaar. Hij merkte, dat het weer was gaan motregenen; over zijn jas zat een vliesdunne glinsterende laag van vochtkristallen. --- ONZE KRUISWOORDPUZZLE 50ïi«ontaaa: e' Accordeon • Toestel om gewichtsverlies Oer lichamen in gassen aan 15 ï£ tc,nen 16' £eSen de prijs van (afk.) 17 S'°twoord van gebeden 19' -Duinvallei 2q' Ademhaling jj' lengtemaat 23 t? de Srond levend zoogdier 25 nel van het Bezicht 26 i^tkenning ' Witte strook, welke rechters 27 het ambtskleed dragen 29 iilssen. vermoeden ' -Bewijs dat men zich tijdens Sepleegde misdaad elders be-32 ï°nd 34' gandiet 35' £er procuratie (afk.) 36' Voorzetsel ' -lemand, die uit liefhebberij 3§ J.er> vak of kunst beoefent 39' voorzetsel 41 45' g'So 43' |ie 39 hor. M o, erP voorwerp stad in de oudheid 46. Grote vervoermjj (afk.) 48. Voorzetsel 50. Roomkleurig 51. Haat, vijandschap 52. Europeaan 53. Zweedse munt (afk.) 55. Bijwoord 56. Niet afzonderlijk genoemd (afk.) 58. Geogr. aanduiding (afk.) 59. Emeritus (afk.) 60. Rijksreglement (afk.) 62. Reeds 64. Stijfkramp 67. Dierengeluid 68. Rund 69. Versvoet die de klemtoon heeft 72. Bouwwerk waarin graan gemalen wordt 73. Electr. oog 75. Vaarwel 76. Vuile plek 78. Veter of kalkgesteente 80. Verborgen klip 82. Het Romeinse rijk 83. Open goot in de stal 84. Bevel 86. Gekookte rust (Ind.) 88. Onder andere (afk.) 89. Gangwerk in een uurwerk 90. Uitspansel, hemelgewelf Verticaal : 1. Achterbout van een varken 2. Plaatsje in Groningen 3. Familielid 4. Plaats in Overijsel 5. Verlichting 6. Zijrivier van Donau 7. In het jaar onzes Heren 8. Bladzijde (afk.) 9. Groot gebouw in Amsterdam 10. Rivier in D.D.R. 11. Soort fontanel 12. Afstandsmaat 13. Muzikaal drama 14. Lust, trek 18. Het uitgelezen gedeelte 22. Bergplaats 24. In het water opgeworpen wal 25. Ned.—lndon. Unie (afk.) 26. Zie 67 hor. 28. Vet, gezet 30. Zeer aandoenlijk (muz.) 31. Beslommering 33. Voorzetsel 34. Geestelijke 36. Kennelijk, duidelijk 37. Bouwval 40. Hoofdsrad v. Frankrijk (Fr.) 41. Deel van visfuik 42. Vlaktemaat 45. Mul 47. Deel van vissnoer 54. Soort 57. Plaats in N.-Brabant 59. Gelofte 61. Geluidontvangst 63. Oude Franse rekenmunt 65. Electro-motorische kracht (afk.) 66. Inlichtingen (afk.) 67. Bestuurder ener provincie in Turkije (ook wel Pasja geheten) 68. Schitterend gesternte aan de Zuidelijke hemel 70. Zangnoot 71. Al de slagen in het whistspel 73. Venster 74. Slee 75. Behoeftig 77. Plaatsje op de Veluwe 79. Inrichting (afk.) 81. Modegek 83. Geref. Ver. (afk.) 84. Heilige (afk.) 85. Gereed 87. In Memoriam (afk.) --- ONZE PAASPUZZLE Ifi,.frontaal: 1 Vrolijk Paasfeest. 14 Krekel. Be*, °rm- 17 Rendier. 20 Let. 21 Lama. 22 Ok „„23 ces. 24 Olêr. 25 Oene. 26 Loet. 27 35V? Oir. 29 In. 30 S.R.I. 31 Asen. 33 Elp. *eü. 37 u.a.n. 38 Nafta. 40 Knalsein. 42 Te. 43 R.I. 46 Atol. 47 S.S. 48 Lood. 49 a.r.i. 51 O.A.S. 52 No. 53 Tering. 55 Ego. 56 S.N. 57 Uden. 60 En. 62 Mal. 64 Nap. 66 Naaf. 68 Abc. 69 Etna. 70 Paasbrood. 77 Paul. 78 Draak. 80 Taan. 81 Ad. 83 Rul. 84 Er. 85 IMlt. 86 Art. 87 Gans. 89 Re. 90 Lepe. 91 Meel. 92 Amer. 93 ia, Verticaal: 1 Veterinair. 2 R.K. 3 Oer. 4 1.1. 5 Kwansuis. « Pomerans. 7 Ara. 8 A.M. 9 Frees. 10 Eesten. 11 Ent. 12 S.D. 13 Ticket. 14 Kloof. 15 Reliek. 18 Ee. 19 r.s.v.p. 21 Le. 22 Boa. 25 Ontslag. 30a In. 32 Nat. 34 Larong. 36 Lat. 39 Fel. 41 Loon. 44 Idool. 45 Hatsum. 50 Rendant. 54 lon. 55 Evenaar. 58 Eland. 59 Ei. 61 Nabuur. 63 Of. 65 Pellen. 67 Aarde. 69 Egel. 70 Palm. 71 Akte. 72 Stal. 73 Bar. 74 Rata. 75 On. 76 Daar. 79 a.i. 82. D.N. 84a Re. 87 Ge. 88 Si. --- Fragment uit „Pan onder de mensen" door Theun de Vries "VANDAAG publiceren wij een fragment uit de nieuwe roman van Theun de Vries, „Pan onder de mensen" (uitg. Van Loghum Slaterus), het tweede deel uit de grote cyclus „Fuga van de tyd", die Theun de Vries bezig is te schrijven. De hoofdpersoon uit „Pan onder de mensen" is Allard Rosweide, geboren in een arm Drents gezin, die naar Rotterdam gaat om muziek te studeren. Hij komt in de kost by een bakkersknecht Gerrit Hondschoote en zyn vrouw Trees. Gerrit Hondschoote heeft zich door zyn vrouw laten overreden om niet aan deze 1 Mei demonstratie in Rotterdam deel te nemen. De demonstratie die beschreven werd volgens gegevens van oude arbeiders met wie Theun de Vries heeft gesproken, vond plaats in een van de laatste jaren van de vorige eeuw. Welk jaar precies, heeft Theun de Vries niet kunnen vaststellen. --- Voor succes van de 10e Mei vroeg Kesselring Herrgotts zegen ]>J"ADAT de oorlog in Polen, voorzover het de geregelde strijd betrof, was geëindigd, begon Hitler een aanval op het Westen te overwegen. Het was een vreemde zaak daarmee. Op 12 Januari 1940 vierde Hermann Göring zijn verjaardag in een weinig feestelijke stemming. Het gehele veldtochtsplan tegen de Westelijke landen, met inbegrip van Nederland (!) en België, was door een „noodlanding" (?) van een Duits vliegtuig in België, de geallieerden in handen gevallen. Uit het Parlementaire Enquête-rapport (deel 2) is gebleken, dat de inhoud van dit plan nimmer officieel door de Belgische, Franse of Engelse regering aan de Nederlandse is medegedeeld, hoewel Den Haag er op andere wijze in grote lijnen mee bekend is geworden. Het Nederlandse volk heeft er echter nooit in die dagen van gehoord, en kreeg het regeringsadvies „gerust te gaan slapen", tot het op 10 Mei in de vroege ochtenduren door de Duitse bommen wakker werd geschud. Brand in Rotterdam had geblust kunnen worden...' TZ"ESSELRING profiteerde van het xvongeluk met het Duitse vliegtuig, want Göring benoemde hem tot chef van luchtvloot 2, de Luftwaffe, die genoemde bommen op 10 Mei op ons land neergooide. Een pikante bijzonderheid hierby is nog, dat één van die andere EDG-generaals, S p e i d e 1, vol lof door Kesselring wordt genoemd in verband met de luchtoorlog in het Westen. Door zijn benoeming kwam Kesselring volledig in aanraking met het nieuwe operatieplan tegen de Westelyke landen. Begin Januari wist hij hierdoor al precies, dat begin Mei de aanval zou beginnen. Ook dat is onze regering-D e Geer, dank zij haar militaire attaché in Berlijn, Sas, bekend geweest. Maar alweer: men heeft het niet nodig geacht ons volk te waarschuwen. Uitvoerig en met veel deskundige militaire termen beschrijft Kesselring in zijn boek, hoe perfect die 10de Mei wel werd voorbereid door zyn luchtgeneraals. Wel had hij op 9 Mei nog wat plankenkoorts, vernemen we. „En niettemin .. . zag ik de gebeurtenissen rustig en vol hoop tegemoet; wat wy kleine mensjes op aarde kónden doen, was gedaan; voor de gelukkige uitvoering ervan moest de Here God („Herrgott") zijn zegen geven", schrijft de godvruchtige luchtmaarschalk op pag. 73, geheel in de trant van alle imperialistische krijgslieden, of ze nu Philips 11, Jan Pietersz. Coen, Bismarck of Eisenhower heetten. Bommen haarfijn neergelegd Wel, de „Here God" werkte mee, want het bombardement op Rotterdam De aanvoerder van de linkercolonne zag echter wèl lichtkógels en ging wat anders („surrogaatdoelen") bombarw-£f" ,*Uit Kesselrin£s beschrijving Wökt, dat hy van zijn linkerbuurman dit feit vernam. Maar omdat hij zélf öe kogels niet had gezien, bombardeerde hij wèl... Nietwaar, Befehl ist Befehl. Dit alles wetende, gaf hij zelfs opdracht tot een tweede bombardement, maar toen kwam het radiobericht, dat Rotterdam gevallen was, en deze keer ging de aanval op onze Rotterdamse landgenoten niet door. Denkt TJ overigens niet, dat er één vuiltje aan de lucht was bij het bombardement van Rotterdam, ook al hing er dagen lang een ondoordringbare rookwolk boven het gehele gebied: „De bomaanval tegen de verdedigers van een stad is volkenrechtelijk en tactisch als bedoelde artillerie-ondersteuning toegestaan. De bomaanval lag in het doelwit. De aangerichte schade was hoofdzakelijk aan de uitwerking van de brend toe te schryven, die door brandende olie en vetten gevoed werd." En die olie en vetten waren Nederoorlog in het Westen. In deze tijd valt het bezoek van A. Pies man, da directeur van de KLM, aan Göring, in overleg met de Nederlandse regering in Londen en „met medeweten" van de Engelse minister van Buitenlandse Zaken, Lord H ali fax. Het zijn de weken, die voorafgaan aan het luchtoffensief der Duitsers tegen Engeland. In die Juli- en Augustusmaanden spreekt Plesman met da „Hochverehrter Herr Reichsmarschall", zoals de desbetreffende brief in het Parlementair Enquêterapport (deel 2A en B) ons leert. Plesman vertelt in zyn verhoor voor de Commissie, dat Göring zelfs bereid was de oorlog voor enige tyd stop te zetten om Plesman naar Londen te laten vliegen. Het was de periode dat C o 1 ij n zyn Duitse draai nam en De Geer de Duitse „bescherming" zocht. Plesman heeft geweigerd zyn dossiers hierover ter beschikking van de Commissie te stellen. De betrokken ministers bleken op dit punt zeer kort van memorie te zyn. Nooit invasie in Engeland beoog<& Maar Kesselring maakt er geen geheim van: „Noch politiek noch militair waren degelijke voorbereidingen voor een oorlog tegen Frankrijk en Engeland getroffen." (Pag. 88.) En verder: „Voor my staat vast, dat een aanval tegen de (Engelse) eilanden in die maanden (najaar 1940) nooit ernstig is overwogen. In deze situatie begon de luchtoorlog tegen Engeland, die tot niets verplichtte, maar toch de wil „alsof" liet zien." (Pag. 109.) Het laten dreunen van de propellers der op Rijnaken gemonteerde vliegtuigmotoren in de havens van Rotterdam en Schiedam, was bluf. Er moest iets worden gedaan: „Een feit was, dat by het ontbreken van een plan voor „Zeeleeuw" (codenaam invasie) met da luchtmacht „slag werd geleverd" om de pauze tot de volgende actia (Rusland) te overbruggen." Ziedaar het eigenlijke doel van Hitlers oorlog erkend: de oorlog tegen de Sowjet-Unie. Ziedaar het stille complot met de Westelijke geallieerden, die, zoals Kesselring herhaaldehjk opmerkt, de strijd opvallend ontweken, zowel in de periode 1939—1940 als nA de overval op de USSR. Hoe de situatie er werkelgk uitzag; in een volgend ertikeL --- SOLDAAT TOT DE LAATSTE DAG (3) van 14 Mei werd een werkeiyk „fabelhaf te" zaak: „De bommen lagen haarfijn in het bevolen gebied." (Zie kaartje.) Er was nog één voorbehoud gemaakt, vertelt de heer Kesselring, even haarfijn: als er rode lichtkogels op de Maas-eilanden te bespeuren zouden zijn, zou het bombardement niet doorgaan. Dat zou namelijk betekenen, dat Rotterdam gecapituleerd had. Maar alles was biykbaar toch niet zó piekfijn voor elkaar bij de heren, dat Kesselring wist van de capitulatieonderhandelingen, die de tank-generaal S ch m i d t met het Nederlandse commando in Rotterdam voerde. Hij kreeg van Göring opdracht Rotterdam te bombarderen, gaf het bevel aan zijn ondergeschikten en voerde zelf de rechtercolonne aan. „Daar er van rode lichtkogels op de Maas-eilanden niets te bespeuren viel, werd de aanval doorgezet" Lands, nietwaar? Bovendien: „In de intussen ingetreden gevechtspauze had het vuur doeltreffend bestreden kunnen worden." Hoort U, Rotterdamse mannen, brandweer- en luchtbeschermingspersoneel uit die dagen: niet Kesselring, niet de Luftwaffe heeft Uw stad verwoest, dat hebt gij gedaan. U was te beroerd om wat brandjes te blussen. Vredespogingen in het Westen De veldtocht in Nederland, de moord op Rotterdam, is in Kesselrings dikke boek een episode, die maar enkele bladzijden beslaat. Voort raast hij, naar Frankrijk. Diepe minachting heeft hij, evenals Hitler, voor het Franse volk, zgn soldaten, die door verraad en onwil tot strijd leveren van de zijde hunner regering, aan de Duitsers ten prooi vielen. Hitler overwoog hierna, zo meldt Kesselring, een beëindiging van de ---