Het spoorwegmuseum heropend In administratiegebouw te Utrecht. Interessante collectie. In spoor weg kringen doet den laatsten tyd een verhaal de ronde dat ons bij de bezichtiging van h*;i museurain zijn nieuwen vorn. te binnen schoot en dat te merkwaardig isomhier onvermeld te laten. Een bewonderaar van het bedrijfin de hoofdstad kon geen familie of vriend ontmoeten zonder den lof der spoorwegen te zingen. Te Pas en te onpas werden de N.S. erby gehaald en wee dengene die het waagde iets Jen gunste -an auto of bus in het midden te brengen. Nu gebeurde het otdangs dat deze treinmaniak met de geboorte van een zoon Werd verblyd welk feit hij als volgt aan zjjn schoonvader seinde: Geboren Jan Karel 22 uur 10. Prompt volgde het antwoord: Proficiat, welk perron? Ontelbaar zijn de grappen die in den loop aer jaren op het spoorwegbedrijf z^u gemaakt en ook ia het museum, dat wegens plaatsgebrek moest worden overgebracht naar het eerste administratiegeboi-W der «»$. aan het Moreelsepark viadt men talryke BPotplaten die van den zin voor humor in °es volk getuigen. Bijzonder aardie is de voorstelling van wylen minister Heemskerk, als tuinman bezig uit ecu groote gie fer een minuscuul locomotiefje te besproe jee. Eronder staat: Le Minister Van Binnenlandsche Zaken verheugt zich over het eerste ontkiemen. Dat was in 187 b. Wat zou deze excellentie wel van de toenemende kiemkraeht in onze dagen heßben gezegd? By de rondwandeling door de nieuwe lokalen, die alle gelijkvloers zijn gelegen, heeft dr. ir. G. W. van Heukelom tezamen D-tet den directeur den heer Asselberghs, de pers voorgelicht, zoo lezen wy in het t»Aig. Hbld." De heer Van Heukelom herinnerde tevoren aaa het ontstaan vau het Hjtuseum, dat gegroeid is uit de verzameling van wijlen den heer Van Vloten. Toea deze collectie zich nog in het beginsta dium bevond overleed de eigenaar waarna de tegenwoordige directeur hst voortzette. In 1929 werd het eerste museum vlak bij «et station in een dienstgebouw van de Ato geopend. Jaar dit bedrijf ruimte tekort kwam en ook het museum zoodanig ia omvang toenam dat op alle manieren ge» tracht moest worden hoekjes uit te winnen stelde de directie een gedeelte van het oude administratiegebouw ter beschikking. Dit kon, dauk zij de reorganisatie van het bedryf, zonder al te veel moeite geschieden. Zoo treedt nu het spoorwegmuseum uit de eerste phase, die van het „kykspel'' in de tweede, welke vaar gehoopt mag wordeD, een noodzakelijkheid zal blyken. Het is immers voor het nu levende geslacht van groote beteekenis den groei der techniek te volgen aan de hand van de voortbrengselen uit een voorbije periode- Toen dezelfde worsteling van den geest als nu, alleen op een lager evolutieplan. Wie zoo d<-n geestelijken achtergrond van het museum leert uien, zal er veel kunnen leeren. Het is mogelij K dat men vroeger meer met het spoorwegbedrijf sympathiseerde dan thans, waarin de werkers uit dat bedrijf het gevoel hebben: wat je doet, doe je omdat je het moet doen. Toch getuigt het bedrijf van vastheid, zekerheid en veiligheid. De gebruikers moeten ons hun sympathie blyven schenken* Echter zullen de spoort eeen hun taak hebbeD te herzien als gevolg van hetgeen er alom in de wereld gebeurt en mede door het opkomend autobedrijf. Waaneer de Spoorwegen goed gesteund worden door de Overheid die thans to laat dat tegenover bezonnenhe;d de onbezonnenheid op den weg hoogtij viert, kan het niet anders of het bedrijf zal er vruchten van plukken. De allesvattende rol op verkeersgebied moge voor de spoorwegen zijn uitgespeeld, toch blijft er een mooie taak over. Dit beteekent geen stilstand want ook de snelheden in het bedrijf kunnen nog worden opgevoerd by behoud van volslagen veiligheid. Zoo gezien belooft het spoorwegmuseum, aldus de heer Van Heukelom, niet slechts historisch-technisch en cultureel van belang te worden maar kan het ook voor wat in da toekomst verborgen ligt, van nut yn. Het moet worden de verbinding tusschen onsen de gebruikers, niet als ge woon kijkspel maar als voorlichtingsbureau, als trait d'union tusschen bedryf en publiek. Na deze inleiding maakten da aanwezigen een rondwandeling do~*r het gebouw. Misschien herinneren de lezers zich dat wjj indertijd uitvoerig over dit museum hebben geschreven. Sindsdien zjjn er veel modellen aan toegevoegd, terwijl ook het aantal curio siteiten werd uitgebreid. Evenals in het oude gebouw ziet de bezoeker voordat hjj de eigenlijke zalen binnenkomt in een soort ontvangkamer een aantal kaarten waaruit de groei van het net overzichtelyk blijkt. Uit de vele gekleurde roenues blijkt tevens dat er vroeger by elke uitbreiding uitnemend werd gegeten ca dat er tal vaa extra treinen voor het koninklijk gezin werden ingelegd die op prachtig fïecaligrapheerde kaarten werden aangekc.idi«d. ïn eea volgende zaal is de particuliere collectie penningen uitgestald van jhr. dr. C. Beelaerta van Blokland, secretaris der directie. Deze pentiingen bebben alle betrekking op gebeurtenissen die niet de spoorwegen in min of meer nauw verband staan, aoowel hier te lande als in het buitenland. Ook zien daar van de muren een groote reeks mannen op de beaoekers neer, die hun talenten en oiidrislen in dienst hebben gesteld vau de N.S. Dan komen we in de modellenza.a* waar techniek eu vernuft hun cijns a*u> de» publieke belangstelling opvragen. By eea maquette van de brug over de Delftsche Trekvaart te Den Haag (1843) valt het op hoe zuinig vroegere geslachten met de rijksmiddelen omsprongen, ïn plaats van een dubbel stel rails ziet men drie sporen naast elkaar liggen zoodat, slechts van eea kant tegelgk een trein over de brug kon komen. In deze zaal zooals trouwens in bijna alle, vindt men ean reeks transparanten langs de vensters die in soberheid en scherpte moeilijk te overtreffen zyn. Langs solide geconstrueerde brt-gmodellen die bijna alle van eea koperen raderwerk zijn voorzien zoodat ze ooen en dicht gedraaid kiv-.en wordec, wandelt men verder door deze schatkarneren van ingenieursvernuft. Maquettes van stationsgebouwen wisselen af met veiligheidsin9taliaties, koopelingen, railsprofielen, vertrekstaven ca bellen. Ook het nieuwe stationsaiodel, dat ia Amster» dam het oude Muiderpoortsation zat vervangen, ontbreekt niet. Hoe verder men in het museum doordringt, des te meer neemt de spanning toe. Achterin bevindt zich o-a. een model van een landeljjken overweg met boom, ouderweteche bel en een reeks handles die men tegenwoordig nergens meer aantreft. Hier stuit men ook op stootblokken, een hloktoesiei en enkele gestroomlijnde electrische wagons, in 1935 in dienst gesteld. Het interieur is verlicht. In deze zaal zal, aaar men ons mededeelde, binnenkort een volledig stationsemplacement worden opgesteld met alle denkbare soorten beveiliging. Het model worüt ontworpen en kan over enkele maanden gereed zyn. De clou van het museum is de groote lücomotievenzaal waar iedere jongen uren kan doorbrengen zonder zich te vervelen. Van de vroegste tijden tot heden zija de voortrekkers van het bedrijf aanwezie. Alleen betreurde de neer Van Heukelotndat zooveel materiaal vernietigd moet worden zonder dat een verkleind model in het museum kan worden geplaatst, in Duitschland heeft men groote hallen waar de eigenlijke locomotieven en de echte wagons een behoorljjk onderkomen kunnen vinden. Hier gaat dat niet omdat er geen plaats voor is. Interessant intusschen is de nabootsing van de proeven die door den Byssstudiedienst vuui üe luchtvaart in den windtunnel te Amsterdam zjjn genomen met gestroomlijnde en gewone modellen. In een groot metalen raam zjjn de koren- Moemkleurige locomotieven opgehangen, waarbjj door middel van een contragewicht de druk gemeten kan worden van de lucht die men erlangs blaast. In de gangen die den bezoeker weer naar den uitgang voeren kan hjj nog en r-assant de reeksen reelameplanten bewonderen die Cassandre en ande ren voor het spoorwegbedrijf ontwierpen, Ook dienstpeften, series spoorweggidsen, fluiten en andere curiosa liggen er uitgestald. --- ALS DE GROOTE RIVIEREN GIT DEN BAND SPRINGEN. - Het water van den ]Jsel was weer sterk gewassen en in de omgeving van Zwolle stonden groote uitgestrektheden land onder water, tot schade en ongrief van de bewoners. — Een door het water geïsoleerde boerderij. --- FEUILLETON Prairie Bloesems James B. Hendryx 3) De koude grijze oogen gingen naar den grond ~~" vlak voor zijn voeten klom een helgeel«estreepte tor moeizaam tegen een dikken *»rasstengel op, spreidde onhandig zijn vleugels "It en... viel op den grond. De cowboy lachte • »foo gaat het met ons ook-..hoopen van ons, ?le graag zouden willen vliegen, moeten hun Oeele leven kruipen !" Hij bukte zich, plukte en van de kleine, blauwe bloempjes, snoof «retig den zoeten geur op en stak het in den °&nd van zijn hoed. Daarna pakte hij de teugels, prong vlug en lenig in het zadel en keek *!0gmaals naar het terrein links van hem, ne TJ-estijnige uitgestrektheid met zijn aohter- BTona van purperen bergen. „Een van de S?.°iBte plekjes van de aarde ... om naar te Kl)Ken, tenminste...1' ze. hij dan sarcastisch. »*iica, dat schittert als diamanten, rooie rot- J^ en rosé rotsen, stukken hagelwitte alcali en van die zwarte, koel-uitziende modder""epen ... maar als je der bent — vergiftigd ater en ratelslangen en verstikkende, •s'oeiend-heete stof en paardendieven en de gebleekte beenderen van gestorven wezens. Zoo i 8 alles in de wereld. Ga mee, ouwe schooier, we krassen op Timber City af...Het is geen mijl hier vandaan en als we der eenmaal zijn... Zeg, jongen, dat brave niks-vermoedende Timber City krijgt straks een geweldige slemppartij te zien- We gaan ons niet gewoon, laag bij-de-gronds bedrinken ... nee, meneer . . • We gaan op een geweldige manier aan de fuif ... 't wordt een Orinkgelag, een bachanaal, een zwierend onderduiken in een soort van dronken afgrond, met de belanglooze medewerking van eventueele plaatselijke groote geesten en in passend decor, geleverd door Moeder Natuur zelf! Strek je beenen, ouwe jongen, en we vergeten, aat er ook gebleekte botten zijn en vergif en zand, en geholpen door een maag vol gistend druivennat, gaan we het rosé, net rood en het zwart bewonderen- Morgen zitten we natuurlijk met de gebakken peren, maar zooals Ouwe Bat zegt: „Wat kan me morgen schelen?" Met dat laatste woord als extra aanmaning stapte het paard rustig weg, de open plek uit en een klein riviertje door en kwam zoo op het vrij breede pad, dat droog en poeierig-wu op het primitieve stadje, bestaande uit wat houten huizen in een groepje bijeen, een mijl zuidwaarts, afliep. Voor de deur van de „Rood Front Slijterij" maakte de Texaan in een wolk van stof halt, liet zich uit het zadel glijden en stapte naar binnen. De kastelein taxeerde hem met goedkeurende oogen, begroette hem op vakkundig joviale manier, waarvan het ritueel hieruit bestond, dat hij een flesch en twee glazen op de toonbank plantte. „Uitgedroogd ?" vroeg hij, met een uitnoodigende beweging naar de flesch. „Nog niet heelemaal!" verklaarde de Texaan, terwijl hij zich met gulle hand inschonk. De kastelein vulde zijn eigen glas half en hief het op. „Op je gezondheid." „Insgelijks," zei de Texaan. Hij zette zijn leeg glas op de toonbank, haalde tabak en cigarettenpapier te voorschijn en begon een cigaret te rollen. Daarna haalde hij op zijn gemak een rolletje bankbiljetten te voorschijn, trok er een geel biljet af en liet het rolletje weer in zijn zak verdwijnen. Zonder een spier van zijn gezicht te vertresken, zag de kastelein dat het volgende biljet dezelfde aantrekkelijke gele kleur vertoonde. De cowboy legde het bankbiljet op de toonbank en wees met een krommen duim op het groepje van vier, dat in een hoek van de gelagkamer zat te skaten. „Moeten je vrienden daar niets hebben?" vroeg hij nonchalant- De kastelein keek naar het tafeltje en grijnsde. „Misschien willen de heeren liever niet gestoord worren . . . Maar we zouen 't kenne perbeeren." „Jongens, wat willen jullie drinken?" Vanuit den hoek kwam een luid geschraap van stoelen, die weggeschoven werden eneven later stonden de vier mannen naast den Texaan op een rij, met gevulde glazen voor zich. „Een vreemdeling in de streek hier?" informeerde een van de vier, een groote kerel met een rossige hangsnor- „Zoo zou je het kunnen noemen," was het antwoord. „Maar sla je glas naar binnen maat, voor het goedje vervliegt." „Het staat me voor, dat ik je meer gezien heb," overdacht een dikke man met ronde uitpuilende, blauwe oogen hardop. „Best mogelijk ... 't Klinkt misschien raar, maar dit is niet de eerste keer, dat ik in net zadel zit. Wanneer moet die heuglijke gebeurtenis plaats hebben gehad?" De man met de blauwe oogen schudde het hoofd. „Weetik niet... alleen kom je me bliKsems bekend voor-" „Komt uit, maat, komt uit. Ik ben de gelukkige bezitter van een bedelaarsgezicht .. . Maar nou over wat anders. Timber City is, sinds ik hier het laatst was, gewoon een stad geworden. Jullie hebt er een nieuwen drinkensbak op het plein voor de stallen bij gekregen." De man met de snor bestelde een rondje en de Texaan zweeg even, om zijn glas te vullen. Ze dronken —de groote man veegde zijn mond af, zoog zijn snor hoorbaar naar binnen en plantte zijn ellebogen op de toonbank. „Het is een brutaal stukje," zei hij dan, terwijl hij den Texaan recht in de oogen keek, „voor een losloopenden cowboy, om hier binnen te komen stappen en onze stad te gaan staan beleedigen." De tweede man, een man, met een groen vest en blanke, slanke handen, schoof zich tusschen de twee in en grinnikte verzoenend: „Vooruit jongens, aan ruziezoeken heb je niks- Deze meneer staat onß een beetje te voeren, maar dat is geen reden om al onze stekels rechtop te gaan zetten. Hoe denken jullie over een spelletje miezemauzen. Skaten is geen zomerspel, veels te veel nadenken. — Wat vin jij der van, maat . . . speel je ook?" „Alleen nu en dan ... as ik niks beters te doen heb- Ik heb jullie geld niet noodig... ik heb zelf geld genoeg... en zaken ga n bij mij vöör kaarten. Bij ons in Texas . . "a „Maar je doet op het oogenblik toch geen zaken!" viel de ander hem in de rede. „Nee...niet echte zaken, tenminste ... Mijn plan is, om eens flink boven m'n theewater te raken en heb geen zin om me door een spelletje kaart van mijn apropos te laten afbrengen. Komaan, we nemen nog een glas en dan gaan de meneer met de snor en ik met ons dispuut verder. En terwijl we bezig zijn, Percy, jonfetje, zou ik me maar een beetje achterbaks ouden ... anders worden je kleeren smoezelig... Vooruit Roodsnor, wat zei je ook weer het laatst . . . ?" „Ik heet Diamant . . . Ike Diamant, en —" „Dan ben je een juweel . . ." „Ja, dat ben ik... en Timber City is ook een juweel. Der is geen stad in heel Montana, die in onze schaduw kan staan." „Wolf River heeft 'n bank . . ." „Ja," viel de kastelein hem in de rede, en wij zouen even goed een bank gehad kenne hebben, maar we willen niet. Als je een stad naar de maan wil helpen, dan richt je der een bank op. Dan loopt iedereen der as een haas naartoe en al de eente worden dan belegd en niemand geeft meer wat uit en de zaken gaan met den dag slechter —en de stad is naar de haaien!" „En dan zou ik u wel effe onder uwes aandacht willen brengen," viel Diamant hem met een hooge borst in de rede, „dat Timber City een veestad is, en een mijnwerKersstad en een houtstad en dat Wolf River niks heb als vee. Wij benne onafhankelijk — wat ik van een stad aan de spoor niet ken zeggen en 't heele congres heb er an te pas motten kommen, toen we een naam mosten nebben . . ." --- Voor het eerst naar de Oost. Die eerste „term" in Indië zal hij niet licht vergeten! Toen by in Ï889 met het transportschip naar de Oost voer, begonnen daar juist de Atjeh-opstanden en onrniddelyk na zyn aankomst werd zijn schip bij de blokkade ?roep gedetacheerd. Drie jaar lang heeft hij dit meegemaakt, drie jaar, dat hy nauwelyks van boord is geweest en steeds hetzelfde stukje van Sumatra's kust moest aanschouwen. Geen wonder, dat iedere afleiding welkom was en er vrijwilligers genoeg waren voor een der kleine tochten naar het binnenland. „set kwam wel eens voor, dat we drie of vier dagen met onze kleine sloep ccc kreek invoeren, — vertelde ons de heer Kamp, —om daar in 't binnenland manschappen van de bezetting af te lossen, 's Nachts bleven we dan maar in de sloep liggen slapen, zo© goed als 't ging." Na drie jaar was zsn diensttijd afgeloopen en vertrok hjj weer naar Holland. De reis ging toen nog beel wat omslachtiger dan thans; ruim honderddertig dagen bleef de „Van Galen" onderweg, want de weg om de Kaap was toen nog de eenige mogelijkheid Terug in Holland werd bjj geplaatst op het fregat „Atjeh", dat met den schoener „Alkmaar" als afgevaardigde der Nederlandsche Marine bij de opening van bet „Keizer Wilhelm-kanaal" in Kiel aanwezig was. --- Door het ijsgebled naar Indië. Nog een tweeden keer ging de heer Kamp naar Indië en weer werd hy by deAtjehblokkade geplaatst. „Op die reis hebben we nogal wat moeilijkheid ; we gingen natuurlijk weer om de Zuid maar door de passaatwinden werden we tot in het gebied der ijsbergen gedreven. Dan was het opletten en vaart minderen en zooveel mogeljjk uit de buurt blijven. Want de schepen uit dien tijd waren allemaal „compositiebouw" — half hout en half jjzer —en botste ie dan tegen zoon ijsklomn, dan ging je schip er meteen aan. Die jjsbergen loopen met een flinke vaart en steken zoowat 70 k 80 meter boven 't water uit. Hei grootste stuk zit dan nog onder water, zoodat er dan een heele brok ijs op je af komt zetten! We hadden dan wel eens twintig man op den uitkijk staan, dag en nacht door." Maar ook de moeilijkheden op dezen tocht is de beer Kamp te boven gekomen en het „Atjeh-kruis" reet de twee gespen dat hy draagt toont wel dat zijn superieuren niet blind waren voor zjjn verdiensten. Tot 1914 is de heer Kamp bij de Marine in Indië geweest en bij klom ïn dien tijd op tot den rang van opperschipper — het hoogste wat een onderofficier kan bereiken. Toen de oorlog uitbrak, was hij juist op de „J. P. Coen" onderweg naar het vaderland. --- Uit den zeiltijd. RUDE VIJFTIG JAAR ZEEVAART. Nederland is een land met oude tradities. Telkens worden wjj er by een Jubileum of een afscheid aan herinnerd, dat er nog velen zjjn, die aan de scheepvaart hebben deelgenomen in den tijd, toen er van snelvarende stoom- en motorschepen nog geen sprake was en alle diensten—ook bjj de Marine—met fregatten en schoeners werden verricht. Ditmaal was het de scheidende commandeur van het opleidingsschip „Pollux", die met verhalen uit den zeiltjjd ons een romantische aantrekkelijke periode van de Nederlandsche scheepvaart voor den geest bracht, zoo lezen wy in het „Alg. Hbld." In 1884 is de heer Kamp op 13-jarigen leefijtd —- dus nauwelyks ouder dan de discipelen, die hy thans onder ?ich heeft — bij de Marine in opleiding gekomen. De Kweekschool voor het Marinepersoneel stond toen nog in Leiden, en daar zijn hem de eerste beginselen van het optuigeD, roeien en het vak. „splitsen en knoopen" geleerd. In den zeiltijd was het van het grootste belang, dat al het loopende touwwerk in orde was en menige leerling zal wel met een eindje touw voor zijn broek hebben gehad, als hy met het zeilen opbinden of het onderhoud van de schooten niet snel genoeg was. Van de kweekschool ging hij naar de „Wassenaar", toen een der oudere zeilschepen der Marine en in gebruik als opleidingsvaartuig. Daarmede maakten de jongens lange oefenvaarten — soms bleef het schip drie of vier maanden onderweg- Na twee jaar varen was zijn opleiding afgeloopen en begon eigenlijk het agroote zee anale ven", waar hy zich zooveel van had voorgesteld. --- Bij de Marine-kazerne. „Zoodra ik terugkwam, plaatsten ze mjj bij de opleiding. Dat was niet zoo gek, want daar ben ik al een heelen tjjd bjj geweest. Maar ze zetten me hier in Amsterdam bij de kazerne en dat is aardig vreemd vooreen man, die zjjn heele leven aan boord heeft doorgebracht. Ja, dat was een rare bedoening in het eerst. Nooit van m'n leven in een kazerne geweest, en nu ineens chef over 6CO man !" Tot het eind van de mobilisatie bleef hjj in de kazerne en toen kreeg hjj eervol ontslag uit de Marine. --- Commandeur van de „Pollex". „Ik was toen ai vier jaar over m'n pensioenleeftijd heen, maar daarvan trokken ze zich in den mobilisatietijd ratutirlijk niets aan. Net toen ik uit dienst kwam, kreeg ik een aanvraag om op de Zeevaartschool van den heer Haverkamp leeraar te worden, en een week later vroegen ze me om b?t bevel van de „Pollux" op me te nemen. Ik heb er nog even over moeten pieker welke vaa de twee ik nu zou kiezen, maar ik hield er toch meer van om aan boord van een schip te zitten, en zoo ben ik dus hier commandeur geworden. En het is me wat goed bekomen! Ik kende de „Pollux" nog uit myn eigen op' dingstyd, want toen werd er ook gevaren. Maar ik had toen niet kum__i_ deuken, dat ik hier nog eens als comm deur aan het hoofd zou staan. Ik heb in die zestien jaren zoowat 900 jongens opg ■• leid voor de* zeevaart en ik verzeker a, dat het een dankbaar werk is, om jong*: klaar te maken voor een handwerk en er nuttige menschen van te maken. Er zijn er die alle rangen hebben doorioopen'en nu kapiteiu bjj de groote vaart zyn geworden en een enkeling is all* raar aan een Zeevaartschool. Maar I aaidigste vind ik. Dat die grocte her hun ouden „zeevader" nog niet zijn vergoten. Het gebeurt vaak dat een le of 2e stuurman zoo tusschen twee reizen d< eens even bjj mjj aan komt, en dan pra we nog eens honderd uit over den tyddbt hjj nog een broekje bjj mjj aan boord was!" „Ja, het gaat me" aan m'n hart om dit leven aan boord nu voorgoed vaarwel te moeten zeggen, maar ik hoop dat ze ie jj aan den wal ook nog zullen weten te vinden. Maar het naarste van dit afscheid vind ik, dat ik nu geen pensioen zal krijgen. In 1928 is het opleidingsschip door üe regeering geregeld als nijverheidsonderwijs en hoewel ik hier nu al ruim zestien jaar commandeurben, val ik niet in de termen voer rjjkspensioen, want ik ben geen tien Jaar rijksambtenaar. Ik heb al van alles geprobeerd, maar wet is wet en daaraan zullen ze wel niet veel kunnen veranderen." En is het varen nu werkelijk afgeloopen? „Ja, ik ga nu „rentenieren" zoo goed als het gaat en kom in een mooi bovenhuisje te wonen. Maar het zeenransbloed laat zich niet verdrukken en ik zal mjjn huis zoo veel mogeljjk als een schip inrichten. Ik ben wat angstig voor brand in een huis dat zoo hoog boven den grond is, en nu heb ik een fijn stukje kabeltouw laten maken, waar ik me mcc uit het raam kan laten vieren!" --- Avontuur van een treinpassagier. Op het baanvak Rotterdam—Gouda, tusschen de stations Nieuwerkerk a.d.lJsal en Moordrecht, is dezer dagen een reiziger een 38-jarige Engelschman, uit den trein gevallen. Het ongeluk is, wonderljjk genoeg, goed afgeloopen, aangezien de man. slechts enkele lichte verwondingen kreeg, vertelt de „N.R.Ct." De passagier, de scheepsmachinist Henry Birkett, wonende te Maryport in Cumberland, reisde met den D-trein, die om 18 u. 48 van Rotterdam-Maas vertrekt en om 19 u. 10 te Gouda aankomt. Hij was op weg naar Hamburg, waar hjj bjj de United Company Ballinhause in dienst is. Tusschen Nieuwerkerk en Moordrecht wilde hjj zich naar de W.C. begeren. Hjj opende echter bij vergissing de coupédeur, rr.et het gevolg, dat hij uit den rijdenden tiein viel en naast de spoorbaan terecht kw..r__. De reiziger deed een geweldige tuimeling, doch ernstig letsel kreeg hjj riet. Langs de spoorbaan is hij naar de voormalige halte Moordrecht geloopen, waar hjj zjjn wel eenigszins sensationeele ervaringen mededeelde. Het spoorwegpersoneel waarschuwde dr. J. D. Westendorp, van Reeuwijk en den gemeente-veldwachter. De man had verwondingen aan het hoofd, welke door den dokter werden verbonden. Daarna heeft deze, met zjjn auto, den machinist naar het Van Iterson Ziekenhuis te Gouda vervoerd, waar geen ander letsel kon worden geconstateerd. Spoedig mocht de reiziger weer vertrekken. Hjj heeft den nacht te Gouda doorgebracht en heeft den volgenden morgen zjjn reis naar Hamburg voortgezet. ---