ANTWERPEN den 27 Julij. Granen zonder verandering. — Koffij en Suiker vast --- BERLIJN den 27 Julij. Rogge per Julij 34%; per Sept./Oct. 36%. —■ Olie per Julij 10%; per Sept./Oct. 10{4. — Spiritus 18% --- LONDEN den 27 Julij. De 3 pc. Gecons. 94% a % ; dito 4% pc. 99%. Spanje 1% pc. 32 a%; dito Buitenl. 3 pc. 43% a 44J. Portugal 3 pc. 44 54. Mexico 3 pc. 18% a 19. Peru 4% pc. 85%. Venezuela 4% pc. 28% a %;dito Uitg. 1554 a %. Holland 4 pc. 100; dito 2% pc. 65^. Illinois Shares 66 a 68. --- WEENEN den 27 Julij. Nationale Metalliek 5 pet. 69.80; dito 5 pc. 64.50 Wissel Londen 119.50. --- FRANKFORT den 27 Julij. Metalliek 5 pc. 6054; dito Nationale 64i/8. Spanje 1% PC 31% ; dito 3 pc. 41. --- PER TELEGRAAF. LONDEN den 27 Julij. Verschillende bladen verheffen hunne stem tegen de nota, in den Parijschen Moniteur van gisteren opgenomen . in welke in eene vergelijking werd getreden tusschen de begrootingen van oorlog en marine in Engeland en Frankrijk. De verschillende organen der publieke meening in Engeland houden staande, dat de wapeningen in Engeland noodig worden gemaakt, omdat Frankrijk zijne wapeningen niet staakt. De Morning Post bevat eene depêche uit Turijn, meldende dat de heer Ambrois door de Sardinische Regering bestemd is om als gevolmagtigde te Zürich de Conferentie bij te wonen , doch dat Oostenrijk blijft weigeren een Sardinisch gevolmagtigde tot de Conferentie toe te laten, en verlangt dat Sardinië eenvoudig tot het tusschen Frankrijk en Oostenrijk gesloten verdrag toetrede. Verder meldt de depêche, dat de Groothertog van Toskane ter gunste van zijn zoon afstand wil doen van de Regering, doch dat de Toskaners daarmede niet tevreden zijn. De Morning Herald bevat het berigt. dat de Grootvorst Konstantijn van Rusland in september deze hoofdstad bezoeken zal. (Tweede depêche.) Het stoomschip van der Bilt is gearriveerd niet tijdingen uit New-York van den 16 dezer en 1,337,000 dollars in specie. Katoen te New-York 1/8 c. hooger en te New-Orleans den 15den onveranderd. Meel gedrukt. Tarwe zonder verandering. Suiker en Koffij prijshoudend. Vrachten stil. Geld ruim; Illinois 64f. De stoomboot Borussio was te New-York gearriveerd. --- PARIJS den 27 Julij. De Keizer heeft graaf Pallavicini in een bij zon deigehoor bij zich ontvangen. De Graaf heeft Z. M. een eigenhandig schrijven overhandigd van de Hertogin van Parma. Wegens het overlijden der Koningin van Portugal heeft het Hof voor 21 dagen den rouw aangenomen. Latere depêche. De Patrie meldt heden avond, dat eene ernstige botsing heeft plaats gehad tusschen Pauselijke en Zwitsersche troepen bij gelegenheid van het uitvoeren van manoeuvres te Pisaro nabij Ravenna. --- PETERSBURG den 26 Julij. Het blad van den Senaat deelt heden een tusschen Rusland en China gesloten verdrag mede, uit twaalf artikelen bestaande, hetwelk bereids is geratificeerd. Dat verdrag is te Tientsin onrierteekend en daarbij wordt onder anderen het volgende bepaald : de vertegenwoordigers van Rusland zullen te Pekin verblijf mogen houden: aan de Christen-zendelingen wordt de bescherming der Regering toegezegd ; maandelijks zal eene postgemeenschap plaats hebben tusschen Kiachta en Pekin. --- LONDEN den 27 Julij. Koffij. Native 50 a 58 sh., Rio 50 a 56 sh. — Suiker. Grocery vast; Cossipore 46/ a 46/6. — Thee vaster, ord. Congo 15^ d. —Rijst vast prijshoudend.— Oliën. Lijn- 28.6 met koopers, Raap- 37. Palm- 46. — Talk 53.6. — IJzer 52.9. — Granen geheel zonder handel. --- LIVERPOOL den 27 Julij. Katoen. 10,000 b. werden afgedaan. Het artikel is gevraagd en wordt hooger gehouden. --- MADRID den 26 Julij. Spanje 1% PC 32.25; dito 3 pc. 42.25 --- PARIJS den 27 Julij. Frankrijk 3 pc. 67.95; dito 4% pc. 95.50. Crediet Mobilier 795. Spanje 1% pc. 3154 ! dito Binnenlandsche 3 pc. 41. --- ANTWERPEN den 27 Julij. Spanje 1% pc. 31%; dito Binnenl. 3 pc. 41%. Metall 5 pc. 61 ; dito Nation. 5 pc. 6514. --- BINNENLAND. 's GRAVENHAGE den 27 Julij. Z. M. heeft heden in eene particuliere audiëntie ontvangen den heer T. Davila de Castro, minister der Dominicaansche Republiek, en diens secretaris van legatie. Voor Z. K. H. den Prins van Oranje zijn alhier onderscheidene voorwerpen aangekomen, bestemd voor het gebruik in het kamp, welke voorwerpen in de volgende week naar de plaats hunner bestemming zullen verzonden worden. — Heden had aan het Ministerie van Marine plaats de aanbesteding van tien stoomflottille vaartuigen, zonder de machines. De aanbesteding had plaats in vijf percelen ieder van twee vaartuigen, waarvoor waren ingekomen 45 inschrijvingsbiljetten. De minste inschrijvers waren : voor het lste perceel de heer D. Borkas te Gouda voor f 202,494; voor het 2de perceel de heer G. H. Uittenboogaardt te Maassluis, voor f 207,885 ; voor het 3de perceel de heer A. van der Hoog te Amsterdam, voor f 1/9,6/5 ; voor. het 4de perceel de heer G. H. Uittenboogaardt te Maassluis, voor f 203,885 , en voor het sde perceel de heer K. Kater te Groningen, voor ƒ 200.164. — De gunning zal later aan de belanghebbenden worden kenbaar gemaakt. — Gisteren middag hebben de leden van den Gemeenteraad zich op het groot stedelijk Badhuis te Seheveningen aan een vriendschappelijken maaltijd vereenigd. — Heden ochtend is op hoogst eenvoudige wijze op rie R. K. begraafplaats ter aarde besteld het stoffelijk overschot van den gepensioneerden luitenantgeneraal der artillerie M. H. van Steenbergen. — De reserve-brigade is dezen ochtend weder naar de vlakte van Waalsdorp gemarcheerd tot het uitvoeren van groote manoeuvres in het vuur. Het kommando wordt gevoerd door den kolonel Castendijk, van het 3de regement dragonders. Vrijdag zullen de manoeuvres voor de miliciens besloten worden door eene groote militaire promenade. — Door den beeldhouwer Lacomblé wordt een naar het leven vervaardigd statuet van mad. Ristori, in het karakter van Maria Stuart, vervaardigd, welk statuet mede onder het toezigt van onzen verdienstelijken stadgenoot gegoten zal worden. — De voorstelling in den Koninklijken Franschen schouwburg alhier zal donderdag den 28 dezer, met medewerking van rn.lle de Fitz-James en mr. Georges Rey, gewezen leerlingen der Keizerlijke schouwburgen enz. te Parijs, bestaan uit; Les Horaces, treurspel van P. Corneille, en le Bonhamme Jadis, comedie van mr. H. Mürger. --- STATEN-GENERAAL. Tweede Kamer. Zitting van Woensdag 27 Julij. In deze zitting was in de eerste plaats aan de orde het wetsontwerp tot vaststelling der begrooting voor de gestichten te Ommerschans en Veenhuizen Gfulij-Dec.1859), en wel, in de eerste plaats, art. 3 van dat ontwerp. Dit art. , zoowel als al de overigen werden , zonder discussie en zonder hoofdelijke stemming, goedgekeurd. Het wetsontwerp zelf werd aangenomen met 41 tegen 2 stemmen. Tegen de heeren Meylink en Wintgens. Daarna was aan de orde het wetsontwerp, regelende de tuchtiging, op te leggen aan de verpleegden te Ommerschans en Veenhuizen. De heer Minister van Binnenlandsche Zaken lichtte enkele opmerkingen toe, voorkomende in het eindverslag der Kamer, uit welke inlichtingen resulteerde, dat dit wetsontwerp, evenmin als het vorige, kan worden beschouwd als een bewijs, dat de Regering voornen.ens zijn zou de zaak te laten op haren ouden voet. Op den wensch , voorkomende in het verslag, dat de niet-veroordeelden moesten worden vereenigd te Ommerschans en de veroordeelden te Veenhuizen, antwoordde de Regering, dat die dooreenmenging dezer beide catagoriën niet zoo groot was, als men onderstelde; doch dat ook dit punt bij de definitieve regeling in aanmerking zal komen. De gemaakte aanmerking, dat de wet een tijdelijk karakter moest hebben , werd door den Minister niet gevat; want zoo lang geene definitieve regeling der gestichten was tot stand gekomen, moest ook de tegenwoordige wet geldig blijven; het kwam dus den Minister voor, dat men ten dezen opzigte den considerans der wet niet behoefde te wijzigen. — De heer van Eek (die van zijne ziekte hersteld is) herinnerde, dat art. 274 van het code pénal de eenvoudige bedelarij alleen dan gestraft wil hebben, om den behoeftigen man werkelijk gelegenheid te geven, om brood te verdienen. Maar wij hebben instellingen, die met dat art. in strijd zijn ; want de straf die toegepast wordt op de bedelarij is een straf toegepast op de armoede; en daarmede kan hij zich niet vereenigen. Hij hoopt dan ook. dat bij de nadere regeling gelet zal worden op de bepaling van art. 274 van het code pénal. — De heer Mackay vroeg daarop den vorigen spreker hoe hij de zaak anders wilde geregeld hebben dan nu het geval was; want indien de gemeenten verpligt zijn, de kosten van de verpleegden te betalen, dat die gemeenten dan toch zeer zeker het regt hebben, om tot die verjileging vooraf verlof te geven. — De heer van Nispen opperde den wensch, dat er voortaan in de gemeenten inrigtingen tot stand kwamen , die voorkomen konden, dat gebedeld werd. — Na deze wisseling van gedachten werd het wetsontwerp aangenomen met algemeene stemmen (51). Aan de orde was nu de conclusie van de Commissie, in wier handen gesteld was het I Verslag van het hcheer en den staat der O. I. Koloniën over 1856. De Commissie stelt voor, om het verslag te doen drukken en ronddeelen , en een exemplaar te zenden aan den Minister van Koloniën, met verzoek om nadere mededeelingen en inlichtingen op de daarvoor vatbare punten. De heer Minister van Koloniën vestigde rie aandacht der Kamer daarop , dat de conclusie afweek van den vorm, waarin die tot dusver werd aangenomen. Steeds geschiedde de verzending, zonder verzoek om nadere inlichtingen; meermalen is dit punt ter sprake gebragt , en steeds is de Kamer van oordeel geweest, dat zoodanig verzoek niet behoorde te worden gedaan aan den Minister. Daartoe verwees de Minister ouder anderen naar het Bijblad Zittingjaren 1850 —51 (bl. 1208); 1852—53 (bl. 38), en 1856—57 (bl. 120). Men meende steeds, dat het Verslag moest dienen om den Minister in volgende verslagen de gemaakte opmerkingen ter harte te doen nemen. Dit stelsel had dan ook goed gewerkt. want de tegenwoordige Commissie erkent dat het Verslag, waarvan thans sprake is, veelzins reeds was verbeterd en zeer waarschijnlijk aan den tegenwoordigen Minister was te danken. De Minister herinnerde voorts, dat hij ook als lid der Kamer steeds was geweest tegen de verzending naar den Minister, met verzoek om nadere mededeelingen, en hij veroorloofde zich, dit alles zamengevat, deze besluiten der Kamer en die antecedenten in herinnering te brengen. Bovendien meende de Minister dat het niet wenschelijk scheen om de werkzaamheden der Kamer al verder uit te breiden ; rie Kamer toch was met werkzaamheden overladen , en nog gisteren was het gebleken dat dit de reden was, waarom het rapport voor de Zuiderlijn niet was opgemaakt. De vragen, die overigens gesteld worden, zijn vragen van de Commissie. Ze zijn niet aan de Kamer voorgelegd en door deze overwogen, ze zijn zelfs niet gepreciseerd. Immers er wordt opheldering gevraagd ten aanzien van de daarvoor vatbare punten. Wat was echter het criterium tot beoordeeling van die vatbaarheid. Wie zal het beslissen ? De Minister, dan stelt hij zich bloot aan eene latere discussie over de vraag wat al of niet vatbaar was tot beantwoording. Indien rie Kamer inlichtingen verlangde , dan was het naar des Ministers oordeel niet onbillijk, wanneer de Minister van de Kamer bepaalde ojigaven van de vragen verlangde. Eindelijk meende de Minister dat het in het belang der zaak was om van den gewonen regel niet af te wijken, en ook om niet telkens nieuwe discussien te openen over Indische zaken, waarvan de weergalm niet altijd ginds voorrieelig is. De heer van Hoëvell ontwikkelde de gronden waarom hij tot het uitbrengen der conclusie als lid der commissie had medegewerkt. Bij een rapport over het vorig jaarverslag werd de eenvoudige conclusie om, het verslag als kennisgeving aan te nemen, aangenomen, doch leden der Kamer zoowel als de Minister stonden op om te verklaren dat zij niet geacht wilden worden , zich met den inhoud van dat rapport te vereenigen. De eerste reden tot het voorstellen van deze conclusie was dus, om voortaan een beter einde te vinden voor dergelijke verslagen. Eene tweede reden was, dat deze conclusie niets anders was dan in een anderen vorm herhalen, wat eigenlijk ook in vorige rapporten was geschied. De vragen werden in die vroegere rapporten op verschillende ' plaatsen teruggevonden. Die vragen werden echter i niet beantwoord en daarom meende hij dat het nu ordelijker ware om aan het einde van het verslag te I resumeren wat vroeger daarin op verschillende plaatsen ] verspreid was. Eene derde reden is, dat er een paar vragen in het rapport gedaan worden, die den spreker ' nadere toelichting noodzakelijk doen achten, want van de inlichting zou afhangen zijn besluit, welke voorstellen hij later ten aanzien van die punten doen zou. Wat de bezwaren betreft door den Miuister aangevoerd, de spreker kon daarin niet deelen. Opgehoopte arbeid was er niet bij de Kamer voer handen; want gisteren was alleen gebleken dat de vertraging het gevolg is van het feit, dat de verslagen over de wetsontwerpen bijna altijd slechts door één persoon worden opgesteld. De verslagen die het hier geldt worden evenwel door rie leden zelve gesteld. Het was ook niet onduidelijk, wat bedoeld wordt met de woorden „ op de daarvoor vatbare punten", de bedoeling was antwoord te ontvangen op rie vragen, maar niet op de beschouwingen van rie commissie. Eindelijk heeft hem de vrees bevreemd, die den Minister had bekropen voor het nadeel dat in Indië zou worden toegebragt door de vermenigvuldiging van de discussien hier te Lande over Indische zaken. De spreker had in den laatsten tijd deze waarschuwing zeldzaam vernomen. Hij hoopte dat de Minister bij nader inzien zal begrijpen dat de discussien over dit speciale punt niet zeer te vreezen zijn. Die koloniale discussien waren nog niet meer af te snijden en de Minister zelf had een grooten stap gedaan, om ze te vermenigvuldigen. want hij had voorgesteld eene wet, waarin voorkomt het beginsel om de begrooting bij de wet vast te stellen, en wanneer dit werd aangenomen, dan zouden de discussien over de Indische aangelegenheden nog veel menigvuldiger worden. De heer van Nispen, lid der commissie, betoogde dat de verpligting der Regering, om verslagen over de Koloniën bij de Kamer in te dienen, ten doel had de Vertegenwoordiging in staat te stellen, een oordeel over den gang van zaken te vellen, en dat het derhalve zeer natuurlijk was, dat de Kamer inlichtingen vroeg omtrent punten, die bij haar nog in het onzekere waren. De heer Dullert, mede lid der commissie, handhaafde op zijne beurt de conclusie door de commissie voorgesteld. Hij betoogde dat het reglement van orde allezins de vrijheid gaf om te handelen gelijk nu door haar was voorgesteld. Overigens scheen het duidelijk, wat bedoeld werd met de woorden „ voor de daarvoor vatbare punten." Hier had de commissie het oog gehad oji art. 89 van de Grondwet; men vroeg derhalve slechts die inlichtingen welke de Minister zou rekenen niet te strijden met het belang en de zekerheid van het Rijk en de koloniën. De heer Minister van Koloniën verklaarde door al het aangevoerde niet in zijne overtuiging aan het wankelen te zijn gebragt. Het speet hem, dat de heer van Hoëvell, die gisteren tot het Ministerie zeide: „Zeg maar wat gij verlangt en ik zal er voor stemmen," heden niet even zoo gezind was; of het speet hem dat het tegenwoordig onderwerp niet gisteren aan rie orde was geweest (Hilariteit). De Minister kon dan ook niet instemmen met de redenen, die de heer van Hoëvell had doen gelden. Het was hier niet dezelfde zaak doch in een anderen vorm; want de Kamer delibereert niet over den inhoud van het rapport maar over de conclusie alleen. In die conclusie werd nu gevraagd naar nadere inlichtingen, dit was vroeger niet het geval en daarin lag het verschil. In allen gevalle mogt de Minister eischen, preciseren va-i de vragen. De conclusie was zoo rekkelijk en onzeker, dat nu reeds de heer van Hoëvell daaraan eene andere beteekenis had gegeven dan de heer Dullert. De eerste zeide, de vragen moeten beantwoord worden, de tweede, het antwoord moet zich uitstrekken tot al waarop niet toepasselijk is het tweede lid van art. 89 der Grondwet. Maar de Grondwet schreef wel voor het indienen van verslagen, maar niet dat deze in handen van eene commissie worden gesteld, nog minrier dat de Minister aan de commissie inlichting moot geven. De heer van Hoëvell had verder gezegd dat de Kamer niet overkropt was met werkzaamheden, maar de comptabiliteits-wet, waarvan hij sprak, was reeds acht maanden lang aanhangig; eene wet, die, iv de schatting van den heer van der Linden, zoo veel hooger stond dan de wet op rie spoorwegen als rie kip tot het ei. Overigens hield rie Minister vol dat de discussien in de Kamer over Indische zaken meermalen ongunstig werken in Indië. Wanneer men spreekt van onrustige stemming in Indië, dan vindt men grootendeels daarvan de oorzaak in woorden die hier gesproken en beginselen die hier verkondigd werden. Eindelijk betoogde de Minister, dat de bijvoeging tot dé gewone conclusie ook daarom niet noodig was, omdat hij getoond had dat de waarde van de verslagen der eommissien door hem werd erkend, aangezien de commissie zelve getuigde, dat van de vroeger gemaakte opmerkingen in het later verschenen verslag goed gebruik was gemaakt. De gewone wijze van behandelen had dus tot een goed einde geleid, en de Minister meende, dat er geene aanleiding bestond om van die gewoonte af te gaan. De heer van Hoëvell verschilde juist ten aanzien van het laatste punt met den Minister; hij meende dat de gewone wijze van behandelen niet tot een goed einde heeft geleid. De Minister had hem herinnerd, hoe hij gisteren gezind geweest was voor het Ministerie te stemmen. O ja, toen verlangde hij om te doen wat het Ministerie wenschelijk zou achten. maar dit was hem gisteren zoo slecht bekomen, dat hij er door afgeschrikt werd. Immers op zijne vraag aan het Ministerie: wat moet ik doen, was geantwoord , dat zeggen wij u niet. Was dit nu eene aanmoediging geweest, om het Ministerie verder te volgen en steunen? (Hilariteit.) Maar het geldt hier eene zaak, waarop het gebeurde op gisteren volstrekt niet toepasselijk was. Met grooten ernst had de Minister gehandhaafd zijne verklaring, dat de discussien over Indische zaken nadeelig waren voor Indië, en tot zijne uiterste verbazing had de spreker vernomen, dat de Minister nu zelf de onrustige stemming in Indië toeschrijft aan menig woord dat in deze Kamer gesproken is. Eenige dagen geleden was de Minister naar de oorzaken van die onrustige stemming gevraagd, maar van de discussien in rie Kamer had rie Minister geen enkel woord gesproken. Hij spreker geloofde niet aan die oorzaak, doch wanneer men het bestaan van die oorzaak mogelijk wilde doen voorkomen, dan moest toch een zweem van bewijs daarvoor worden aangevoerd. De heer de Brauw verklaarde voor de conclusie te zullen stemmen, omdat hij geloofde 1", dat hier geene groote afwijking van de wijze van behandelen plaats had, en 2°, dat de conclusie zoo rekkelijk was, dat de Minister volstrekt niet gedwongen was om op het verslag afzonderlijk te antwoorden, doch dit doen kon bij het volgende jaarverslag. De heer Minister van Koloniën merkte op dat wanneer de commissie bedoeld had een antwoord op de vragen in een volgend verslag, hij Minister geene aanmerking zou gemaakt hebben. Zijne opvatting van de conclusie was deze , dat de antwoorden gevraagd werden in een afzonderlijk stuk en dat zij in handen van dezelfde commissie gesteld moesten worden. Mogt de commissie dus verklaren, dat zij het antwoord verwacht in een volgend verslag, dan had de Minister tegen de conclusie geene verdere aanmerking. Hierop antwoordde de heer Dullert. namens de commissie, dat zij bepaaldelijk inlichtirgen verlangde in een afzonderlijk stuk. juist omdat de ondervinding had bewezen . dat de beantwoording in een volgend verslag niet aan het doel beantwoord had. Niemand meer het woord vragende, werden de discussien gesloten , en werd de conclusie van de commissie zonder hoofdelijke stemming aangenomen. Aan de orde was het verslag der commissie, in wier handen gesteld zijn --- de additionele overeenkomst en tractaat mcl Japan van 1857 en 1858. De conclusie van de commissie strekt, om het verslag te doen drukken en ronddeelen en afschrift daarvan te zenden aan de Ministers van Koloniën en van Buitenlandsche Zaken. Zij wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd , nadat de heer Dullert eenige inlichtingen had gevraagd omtrent de schuld, die Nederland van Japan had te vorderen wegens geleverde voorwerpen, waarop de heer Minister van Koloniën antwoordde , dat volgens het laatst ontvangen berigt een deel van de schuld was afgedragen , doch dat ten aanzien van zekere posten twijfel was ontstaan , eu dat gezorgd wordt dat de Staat der Nederlanden zal ontvangen datgene waarop hij regt heeft. Daarna was aan de orde de conclusie der commissiein wier handen gesteld zijn de Inlichtingen op het adres van Dr. IV. Bosch. De conclusie strekt om het verslag te doen drukken en ronddeelen , alsmede te bepalen dat de, door de Regering verstrekte nota van inlichtingen op het adres van W. Bosch, ter griffie van de Kamer zal worden nedergelegd. De heer van Hoëvell ontwikkelde de redenen die hem bewogen hadden om mede te werken tot het voordragen van de conclusie der commissie. Na de verwerping door de Kamer van twee andere conclusien, was der commissie niets anders overgebleven dan voor te stellen te doen wat zij nu voorstelt. Indien echter eenig lid kans zag een ander voorstel te doen aannemen, dan zou hem dit zeer aangenaam zijn. Hij geloofde evenwel, dat door de aanneming van de conclusie toch aan het verlangen van den adressant zou worden voldaan. Wanneer eene vorige conclusie was verworpen, het was vooral omdat de Minister weigerde als regeringsbeginsel toe te geven, dat door de Kamer mededeeling zou kunnen worden verlangd aan ondergeschikten van het bestuur, van stukken tot dat bestuur behoorende. Deze reden was nu vervallen , en daarom had de spreker op grond van twee feiten reden te verwachten, dat de Minister aan het verlangen van dr. Bosch zou voldoen. Het eerste feit was de toezegging door deu Minister aan den heer van Twist om hem ter beschikking te stellen al die stukken, welke dat lid zou behoeven tot verdediging van eene zijner daden als Gouverneur-Generaal met betrekking tot de gebeurtenissen in Banjermassing. Het tweede feit bestond daarin, dat de Minister zelf eenige jaren geleden gemeend had, eenige daden van zijn bestuur als Gouverneur-Generaal te moeten verdedigen, dat hij (oen mededeeling van stukken van den toenmaligen Minister gevraagd en bekomen had , ten gevolge waarvan de Min. een merkwaardig geschrift had uitgegeven. Nu meende de spr., dat de Minister geen aanzien des persoons zou kennen , den een niet zou weigeren wat hij den anderei» had toegestaan, en vooral den adressant zou brengen in dezelfde positie als waarin hij Minister vroeger ten aanzien van een vorigen Minister geweest was. De heer van Eek had groot bezwaar tegen de voorgestelde conclusie. Het was hier niet de vraag, of eene conclusie kans tot slagen had , maar eene conclusie behoorde uit te drukken de meening van de commissie. Hij was het dan ook niet eens met den heer van Hoëvell, dat door de commissie geen anderen weg was in te slaan, en hij voor zich geloofde, dat wel degelijk eene andere conclusie ware voor te stellen geweest. Wat de zaak zelve betreft, trad spreker in breedvoerige ontwikkeling, zoo ten aanzien van het gebeurde met dr. Bosch als met betrekking tot het constitutionele regt van ieder ingezeten, om stukken ter zijner regtvaardiging te vragen , en van de roeping der Kamer om dergelijke vragen te ondersteunen. De heer Wintgens, belast geweest met de redactie van de conclusie , toonde het standpunt aan waarop de commissie zich had gesteld. Na de verwerping van twee voorgestelde conclusien, was het, naar de meening der commissie, niet te verwachten, dat er eene andere conclusie kon worden voorgesteld dan de thans voorgedragene. Het beginsel der commissie was: litis jinire oportet. Het geschil kon niet eeuwig blijven hangen, doch ook hij verklaarde met genoegen te zullen ondersteunen eene andere redactie der conclusie, indien deze mogt worden voorgedragen. De heer Minister van Koloniën verklaarde alleen uit beleefdheid het woord op te vatten, want hij had geen voornemen om de zaak au fond te behandelen, te meer daar hij zich vereenigde met hetgeen de heer Wintgens had aangewezen als het standpunt waarop de commissie zich had gesteld. Zonder te treden in eene bespiegeling over constitutionele leerbegrippen, wilde de Minister alleen verklaren, dat hij steeds bereid zou zijn, met het oog op art. 89 der Grondwet, om aan de Kamer inlichtingen te geven, maar dat hij tevens als Minister van de Kroon geen uitvoering zal geven aan eenige conclusie, die hem zou noodzaken stukken af te geven aan gewazen dienaren van den Staat. De heer Thorbeeke verlangde volstrekt niet als regel te hebben gesteld, dat de Regering ten gevolge van een besluit der Kamer kon worden verpligt om Regeringsstukken af te geven aan hen die het vragen. De Regering moet daaromtrent volkomen vrij zijn en blijven. Het oordeel of gevraagde stukken kunnen worden gegeven, moet geheel vrij blijven aan de Regering; doch daarentegen kan de Kamer verklaren, dat, zoo niet bijzondere redenen ten contrarie bestaan, het onbillijk zou zijn om stukken te weigeren aan een oud ambtenaar, die ze ter zijner regtvaardiging vraagt. De Regering kan reden hebben om die stukken te weigeren; zij behoeft zelfs niet die redenen op te geven, maar dit ontneemt niet aan de Kamer de vrijheid om te verklaren, dat het onregtvaardig zou zijn zonder grondige redenen dergelijke stukken aa» den belanghebbende te onthouden. Spreker meende te mogen aannemen dat de Minister van Koloniën, èn ten aanzien van het beginsel in het algemeen èn ten aanzien van deze zaak in het bijzonder, met hem geheel zou instemmen ; want hij was overtuigd dat de Minister evenmin als hij gedoogen zou, dat dergelijk onregt werd gepleegd. De heer van Eet rectiüeerde, naar aanleiding van het antwoord des Ministers van Koloniën , een zijner gezegden, namelijk, dat hij niet had erkend de verpligting der Regering om aan iederen aanvrager om stukken te voldoen, maar dat hij alleen had verklaard dat de Regering verpligt was, de noodige stukken te geven indien er geene redenen bestonden om ze te weigeren. De heer Minister van Koloniën betuigde dat hij geheel deelde in het gevoelen van den heer Thorbeeke, die de zaak uit het ware Gouvernementele standpunt had beschouwd. In den regel moet voor de ingezetenen gelegenheid bestaan , om , voor zoover Staatsbelang zich daartegen niet verzet, stukken ter inzage te kunnen krijgen. De Minister was het ook eens, dat de Regering niet verpligt was de redenen tot weigering bloot te leggen. I" het gegeven geval bestonden voor hem onderscheidene redenen , doch zou hij er slechts eene enkele van opnoemen. Deze was : dat de adressant niet was beschuldigd- De heer Thorbeeke verklaarde hierop een amendement voor te stellen op de conclusie der commissie, strek' kende om achter die conclusie te plaatsen de volgende zinsnede: «de Kamer is van oordeel dat het zonder b(j' d zondere reden van weigering onbillijk zou z(jn, aan dê* » adressant de inzage of mededeeling te onthouden van «stukken, die hij tot zijne regtvaardiging schijnt te behoeven." Tot toelichting van dit voorstel stelde de heer Thorbeeke voorop, dat hij verlangde de eerbiediging van de volkomen magt der Regering om te weigeren, en hij voegde er de verklaring bij, dat naar zijne nieeniiig de Kamer zelfs het regt niet had de redenen van weigeringte vragen. Over dit voorstel ontstond eene vrij uitvoerige discussie. De heer Taets van Amerongen verzette zich tegen het voorstel, omdat dan de Kamer zou verklaren eene zaak die van zelve sprak. —■ De heer Wintgens verklaarde namens de commissie dat zij zich in deze geen partij stelde, maar dat zij alleen ter verdediging van het door haar aangenomen standpunt moest herinneren, dat het voorstel overeenkwam met een soortgelijk als door de Kamer vroeger was verworpen. Indien de Kamer nu van een vroeger besluit wilde terugkomen, dan had de commissie er vrede mede. — De heer van Hoëvell gaf zijne bevreemding te kennen over de verklaring des Ministers, dat ten aanzien van dr. Bosch geene beschuldiging zou bestaan. Hij meende dat de geheele rede van den Minister, bij eene vroegere gelegenheid uitgesproken, eene doorloopende acte van beschuldiging geweest was, waarop de adressant een nieuw geschrift in het licht heeft gegeven, daarbij verklarende, dat hij stukken noodig had om zich verder te regtvaardigen. — De heer van Twist geloofde niet, dat het voorstel van den heer Thorbeeke gelijke strekking had als een voorstel, vroeger door de Kamer verworpen. In de verworpen conclusie scheen eene veroordeeling opgesloten te zijn van hetgeen door den Minister was gedaan, en toen had men, teregt, beweerd dat de Kamer zoodanig oordeel niet mogt uitspreken. Want inderdaad dat oordeel moest geheel verblijven aan den Minister, zoodat hij zelfs niet verpligt was de redenen van zijne handeling op te geven. Nu was de groote vraag, of zoodanige veroordeeling ook lag in het voorstel van den heer Thorbeeke; Dat geloofde de spreker niet; hij vond zoodanige veroordeeling noch in de woorden noch in de toelichting; hij meende dan ook dat de geheele bijvoeging onschuldig was. Hij gaf den voorsteller echter in overweging, om in zijn voorstel uit te drukken hetgeen door hem in de toelichting was verklaard, namelijk dat aan de Regering het oordeel moest verblijven over de redenen van weigering. — De heer Dommer van Polderxveldt verdedigde als lid der vroegere commissie de conclusie door die commissie destijds voorgesteld, en betoogde, in wederspraak met hetgeen de heer van Twist had aangevoerd, dat ook die conclusie geenerlei afkeuring bedoeld had van hetgeen door den Minister van Koloniën was verrigt. Ook nu nog was hij van gevoelen dat het voorstel van den heer Thorbeeke gelijke strekking had als de conclusie die verworpen was. — Op de gemaakte bedenking door den heer vau Twist stelde de heer Thorbeeke nu voor, om in zijn voorstel achter de woorden » bijzondere redenen van weigering" te voegen „ ter beoordeeling der Regering." — De heer van Hall verklaarde dat ook het gedane voorstel tot verschil van opvatting leidde; immers de heer Dommer meende dat het dezelfde strekking had als de door de Kamer verworpen conclusie ; de heer van Twist daarentegen noemde het voorstel geheel onschuldig. Spreker zou voorzeker niet zeggen , dat de heer Thorbeeke gewoon was schuldige voorstellen te doen , maar evenmin was het te verwachten , dat dit lid gansch onschuldige voorstellen zou doen. Uit dit oogpunt beschouwd zou hij , ofschoon bijna overtuigd dat in het voorstel geene hostiliteit was begrepen, liever zien, dat de conclusie gelaten werd zoo als zij was. De heer Minister van Koloniën verklaarde over het gedane voorstel niet te zullen spreken , maar alleen te antwoorden aan den heer van Hoëvell op diens aanmerking, dat des Ministers rede bij eene vorige gelegenheid zou zijn geweest eene doorloopende acte van beschuldiging tegen dr. Bosch. Over die rede had de adressant niet geklaagd ; hier was alleen sprake van de conclusie naar aanleiding van een request van den adressant, welk request met die rede niets te maken had. De heer van Hoëvell had voorts gezegd dat de adressant naar aanleiding van die rede een geschrift had in het licht gegeven. Indien de Minister het wel had , was dat geschrift medegedeeld in het tijdschrift van deu heer van Hoëvell; maar hij Minister had dat geschrift voorbedachtelijk niet gelezen, om in deze Kamer te kunnen verklaren dat hij het niet gelezen had ; want indien men iets ter kennisse van den Minister wij brengen, dan behoort zulks op eene officiële wijze te geschieden , en niet door mededeeling in tijdschriften , al was het ook in een tijdschrift dat geredigeerd wordt door een lid van deze Kamer. Niemand meer het woord vragende werden de debatten gesloten, en werd het voorstel van den heer Thorbeeke «ingenomen met 32 tegen 18 stemmen. Tegen stemden de heeren van Heukelom, Lijcklama, van Deinse, de Kempenaer, Delprat, van Asch van Wijek, van Franck, van Eek, Hoekwater, van der Poel , van Heiden Reinestein, Gevers Deynoot, Wintgens, de Brauw, Westerhoff, Dirks, Taets van Amerongen en de Voorzitter. De aldus gewijzigde conclusie werd nu zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd. Aan de orde is het verslag der nieuw benoemde commissie, in wier handen gesteld is het verslag der algemeene commissie van liquidatie der zaken van de voormalige wees- en mombolrkamers (tot 31 december 185?). De conclusie der commissie luidt, om de mededeeling voor kennisgeving aan te nemen, het verslag te doen drukken en ronddeelen en het bij afschrift aan den Min. van Finantien te zenden. Deze conclusie werd zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd. Eindelijk is aan de orde het verslag der commissie , in wier handen zijn gesteld de Verslagen van het beheer en den staat der Koloniën CW.-I.)over 1855 en 1856. De conclusie van de commissie strekt, om het verslag te doen drukken eu ronddeelen, en daarna een afschrift te verzenden aan den Minister van Koloniën. Ook deze conclusie werd zonder discussie en zonder hoofdelijke stemming aangenomen. ---