LONDEN den 9 februarij (des avonds) ue nieuwe secretaris van Staat voor buitenlandsche zaKen , lord Granville , heeft eene inwilliging jegens ac Noord-Amerikaansche Regering gedaan, die velen niet welgevallig is, dewijl zij haar eene zwakheid noemen. De Koninklijke sloep Express, omtrent wier ontmoeting met de Amerikaansche paketboot Promotheus gesc.nu ontstaan was , heeft namelijk bevel ontvangen naar station te verlaten en zich naar Brazilië te begeven. pen. r • __? °'Cü"mr, 'id van het Lagerhuis, is werfje, leitLl.-k verzet tegen een konstabel , tijdens deze Mo, Vfm_ tte * tot acht daSen gevangenis veroordeeld. . P«V__i- ethter dat ziJn vergrijp meer aan den opeen.ln ?-t,üeSta"d ziJner zenuwen, die reeds sedert onzer rn» pleden werd opgemerkt, dan aan boos opzet toegeschreven moet worden. den . r_l-,,'_neenteraad van Southampton heeft besloten erkentelijk- . Vlce'adm'raal le Blanc een bewijs van menschlieteni tC ■ oen toekomen , voor de spoedige en val"de ra nn J.*M °P Welke hi- • b,J h" vcrrtenwn eene «___. k stoomschip Amazon overgekomen , te zoeken h °_ Va" Brest heeft afgezonden, om hen op lir M,e daaraan ontkomen mogten zijn. tiidin N°ord-Amerika zijn met de stoomboot Asia over.i " tot Januanj' overgebragt. Men bleef Kossuth ______ ,Waa,r hlj kwam met geestdrift ontvangen , maar kom., _ gd°?fde dat het tot eene werkdadige tusschenkom! Vereenigde Staten in de zaken van Europa schen Z .U", °.mtrent liet geschil met den Oostenrijk- Her zaaN?elastigde heerschte nog veel onzekerheid. - Jaren ger"cht wl,We dat de heer Webster het kabinet verdid ._ * "U_de heer Fillm<>re zich op nieuw tot kanree__ Vo° _ het Presidentschap stelt , dat door velen te M Vo°x. f" heer IVebster bestemd was. - Men was uir euW , ° Sterk verontwaardigd door eene depêche «'t Charleston , volgens welke de Noord-Amerikaansche Wtdas den 21 december dooreen Braziliaanschen rf. '/." aapgeklampt is , wiens equipage de papieren van _-_1 d°orzocht en haar vervolgens een kanonschot achterna gezonden heeft. st_._ w,im,e.r is in Noord-Amerika zoo buitengemeen eng als hij in het grootste gedeelte van Europa ongemeen zacht is. Te New-Orleans en New-York wordt £e scheepvaart grootelijks door het ijs belemmerd, en ri__ 1 straten van Baltimore zijn verscheiden menschen aoodgevrozen. Van Jamaica luiden de berigten, loopende tot den /januarij , vrij gunstig omtrent den oogst. De verwoestingen , door de cholera aldaar aangerigt , schenen __-«"»__*-W -a" et afnemen te zijn en zich thans bij de binnendistncten te bepalen cenle°sfe.tkea^SChiJnlijk Zal'de schout-bij nacht Perry met de VerecnhrS -r ' Waaronder enkele stoombooten , van einde _£% 'fit" " "a_-r Japan gezonden worden , ten Ken _._ J 1 S.traffen of schadevergoeding te vern zen .eTLen'"6 bel«diS'» Ken , en alLo den Japanbiedieen He. !_-""" dc Amerikaansche vlag te eerboot _]'-F/-_ r/, ';nngen Vanden ketel van de* stoomboot de Wtt CUnton , op reis van New-Orleans naar 1-ttsburg , heeft 25 dooden veroorzaakt. --- PARIJS den 9 februarij. De generaal baron Fagel, de Nederlandsche gezant te Parijs, heeft aan den Prins President der Republiek het antwoord overgereikt van den Koning der Nederlanden op de mededeeling betreffende het nieuwe gezag , door het I'ransche Volk den Prins opgedragen. _. 7 ro" beg_n. zich tha,ls ™et de verkiezingen voor he Wetgevend Ligchaam bezig te houden, vooral is zulks van de zijde der Regering het geval; van dezen Kant worden namelijk krachtige maatregelen genomen om «e zegepraal harer kandidaten te verzekeren. he7 f ussdlen de ministers de Persigny en de Maupas __!_ .7 \Zefit men' gedut'ge oneenigheid, en de eerste zou den laatsten te verstaan gegeven hebben dat hij wel eens spoedig afgedankt zou kunnen worden. Bovendien ondervindt de heer de Maupas groote moeijelijkheden in oe organisatie der politie, want velen weigeren inspecteurs van pohtle |n de departementen te _» en vei,llge maues en andere autoriteiten werken de vestiging ver geheime politie tegen. 6 6 feZn SS^tt^o_-rS,^^lS^ aeP^ÏÏÏM/ÏÏ'S Z°U de" 5 raaart ■ den verjaardag oer terugkomst des Keizers van het eiland Elba, liet be Sluit worden ingetrokken, waarbij verscheiden volksvertegenwoordigers tijdelijk zijn verbannen — Binnen den njd van vier en twintic uren ziin aan de ho,f?.Z ' ge" "_. 'a,ren van een dL'r forten nabij de hoofdstad gerigt. Men is de misdadigers nog nie Sn deelZri "ir"31 V°°r eeile "^weringU een deel der bevolk,ng tegen het leger. he-.].'*.6".". '. eeft_Zich de redevoering, door den neer de Montalembert bij zijne intrede in de Fransche word The ?" «"P"*?". ernstig aangetrokken , en h. 5?S5nSn ÏMft.00fd d'e' ZV aanmerkelijke _£«"«?..__ n de__Jn,rVe_' """CT hij' _iC'°Ver }- Den heer' Drll^a Hh"8chtel niet düe" "•>• Duitschland aangeboden wattf/A- Ze"dl"S "aar moeten bedanken ' wadrvoor hIJ gemeend heeft te .-_"• vv • JS 1S dagb_ad ia Pr<"< van heden leest d S^U^-YP het °ogenblik ■ dat ,leden aan oe Spaansche ambassade ontvangen berigten den gezond- SteUen." Koningtn in een onrustbarend daglicht II Es_'. df voornaamste heelmeesters dezer hoofdstad is • saturdag op last van den Spaanschcn Gezant te dezer olcae, naar Madrid gereisd. de~__VU .e SPaanïSne hoofdstad zijn gisteren en heden ue volgende telegrafische depêches ontvangen: a " lladr,d. de" 6 februarij, des middags. De toestand "er Koningin blijft gunstig." „ Den 6den, des namiddags ten 4 ure. Bij het afnemen van het verband , heeft men de wond gesloten bevonden. Koorts heelt opgehouden." „ Den .den, ten 7 ure des morgens. De beterschap in den toestand der Koningin duurt voort." „ Den 7den, ten _\ ure des namiddags. Dezen namiddag, ten kwart over één ure, is de misdadiger, die een aanslag op het leven der Koningin heeft gedaan, tcregtgesteld." „ Den .sten, ten 1 ure des namiddags.' De Koningin is herstellende." Uit de langs den gewonen weg ontvangen berigten blijkt, dat de geneesheeren den toestand der Vorstin voor zoo gunstig hielden, dat men de hoop koesterde, dat H. M. spoedig dê thans uitgestelde plegtigheid in de kerk van Atocha zal kunnen bijwonen. De geestdrift , waarmede de bevolking van Madrid hare Koningin alsdan zal begroeten, zal alle beschrijving te boven gaan. De koningin Maria Christina had hare Dochter sedert de verwonding nog niet verlaten. — De Senaat heeft den 4 dezer eene groote mis bijgewoond, welke in de kerk van Saint-Isidore werd gezongen, om den hemel te danken' Voor het behoud der Koningin. De Voorzitter van den Senaat heeft aan den President van den Ministerraad een adres van de senatoren ter hand gesteld , strekkende om 11. M. met haar behoud geluk te wenschen; ook de Kamer der Gedeputeerden 'heeft een dergelijk adres in gereedheid gebragt. Korten tijd na de verwonding viel de Koningin in zwijm; hare eerste woorden, toen zij weder bijkwam, waren : „ Men doode hem niet om mijnent wille." Bij onderzoek is gebleken, dat de baleinen van het korset van H. M. veel tot haar behoud hebben bijgedragen. Wat nu den moordenaar aangaat , het kostte veel moeite hem terstond na het begaan zijner misdaad aan de woede des volks te onttrekken. Men wilde hem namelijk dadelijk regt doen wedervaren. Bij het verhoor van den booswichtj antwoordde hij op alle vragen welke tot hem gerigt werden nopens zijne medepligtigen : „Ik vergeef Uwe Excellentie wat uwe vraag beleedigends inhoudt; ik ben het werktuig van niemand, ik heb mij met niemand tot dezen aanslag verbonden , maar waren er twaalf menschen zoo als ik op aarde, dan zou het lot van het menschelijk geslacht gansch anders zijn." Onderanderen verklaarde hij ook dat hij des morgens was uitgegaan , na gezworen te hebben niet weder huiswaarts te keeren dan wanneer hij de Koningin zou hebben gedood; reeds voor lang had hij den dolk gekocht om de Koningin- Moeder en den Hertog van Valentia te dooden, en thans wilde hij de menschheid eene dienst doen door dc Koningin om liet leven te brengen. De instructie der zaak van Merino was spoedig afgeloopen en bereids in den avond van den 3 dezer werd hem zijn doodvonnis aangekondigd. Men hoorde hem daarna allerlei vloeken en onzamenhangende woorden uiten. In de kamer, welke Martin Merino bewoonde „hing het portret van Jacques Clc'ment, den moordenaar van Hendrik 111. --- KEULEN den 10 februarij. Het water der rivieren van Duitschland is gedurende de laatste dagen sterk gewassen , zoodat te Mainz de meeste kaden ondergvloopen zijn en ook eenige omstreken van Mannheim onder water staan. Te Offenbach heeft men de schipbrug moeten wegnemen. Voor de scheepvaart is de was des waters gunstig. — Nadat onlangs de Opperkerkeraad te Berlijn de Consistorien had aangemaand het toezigt over de scholen aan de geestelijken op te dragen, heeft thans de Pruis sische Minister van Eerediensteen daarmede overeenkomstig bevel aan de verschillende besturen des Lands gezonden. De superintendenten en geestelijken zullen dien ten gevolge dat toeziet met den meesten ijver moeten houden , en het niet°als eene bijzaak , maar als een wezenlijk deel hunner anibtsverpligtingcn aan te merken hebben. Ook heeft de Minister het verzoek aan de 11. K. bisschoppen gerigt, dat zij insgelijks hunne onderhoorige geestelijken bevelen in dien zin geven mogen. — Men verzekert te Berlijn dat Frankrijk met verscheiden Italiaansche Staten , inzonderheid met Sardinië, vertrouwelijke onderhandelingen heeft aangeknoopt , die geen ander doel schijnen te hebben dan een Italiaansch Staten-verbond onder het protectoraat der Fransche Republiek te vestigen. Tot hiertoe schijnen deze ook te Weenen bekende pogingen geene verstoring der vriendschappelijke betrekkingen tusschen Parijs en Weenen ten gevolge gehad te hebben. Integendeel merkt men bij de Oostenrijksche Regeringde grootste voorkomenheid jegens het nieuwe Fransche gouvernement op. — Te Berlijn zijn berigten ontvangen van den zendeling Neumann, die dr. Gützlaff bij zijn jongste vertrek uit Duitschland naar China vergezelde , waarin hij de hoop te kennen geeft dat de onderneming , door Gützlaf begonnen , door diens dood niet gesraakt zal worden. Neumann staat in dc plaats van Gützlaf aan het hoofd der Chinische vereeniging, die zich, met behulp van 40 inlandsche zendelingen, de Evangelisatie van China heeft ten doel gesteld. --- 's GRAVENHAGE den 10 februarij. Bij Zr. Ms. besluit van den 5 dezer is aan mr. J. 11. van Gennep een eervol ontslag verleend uit zijne betrekking van regier-plaatsvervanger in de arrondissements-regtbank te Arnhem. Bij besluit van den 8 dezer heeft Z. M. goedgevonden, aan A. F. G. G.C. baron von Knobelsdorff, Hoogstdeszelfs kamerheer in buitengewone dienst, vergunning te verleenen rot het aannemen en dragen van het ridderkruis der Johanniter-orde, hem door Z.M. den Koning van Pruissen geschonken. Bij besluit van dezelfde dagteekening heeft Z. M. goedgevonden: aan A. ___). Methorst op zijn verzoek eervol ontslag te verleenen als burgemeester van Amersfoort, en aan A. van Weel Kl. op zijn verzoek eervol ontslag te verleenen als burgemeester van Middelharnis , de laatste onder betuiging van 's Konings tevredenheid over de langdurige en trouwe diensten door hem in die betrekking bewezen. Bij besluit van meergemelde dagteekening heeft Z. M. goedgevonden , de door den gemeenteraad van Oost- en Westbarendrecht gedane benoeming van den burgemeester mr. H. M. Barendregt tot secretaris met Zijne goedkeuring te bekrachtigen. b Bij besluit van den 9 dezer heeft Z. M. goedgevonden : i°, op hun verzoek eervol ontslag te verleenen aan jonkh. mr. M. C. Paspoort van Grijpskerke, als burgemeester van Oost- en West-Souburg , en aan J. van Gardcren, als burgemeester van Ilpendam; i°, te benoemen tot burgemeester van Oosr- en West-Souburg A. J.van Teylingen. Z. M. heeft bij besluit van den 6 dezer goedgevonden te benoemen tot majoor bij het wapen der infanterie den kapitein der ïste klasse J. G. van Cochoorn van Houwer da, van het regement grenadiers en jagers, met bepaling dat hij , overeenkomstig het vastgestelde bij art. 5 van het besluit van 20 december 1851 , al dadelijk voor den tijd van vijfjaren bij de landmagt in Westindië zal worden gedetacheerd. Bij Koninklijk besluit van den 5 dezer is aan J. C. Cavaljé, gewezen adjunct-commies der ïste klasse bij de provinciale griffie van Overijssel, verleend een pensioen ten laste van den Staat, ten bedrage van ƒ 716 'sjaars. Door Z. .1. zijn bij besluit van den 5 dezer goedgekeurd de beroepingen van predikanten, uitgebragt door de kerkeraden der Hervormde gemeenten hierna genoemd, als: van Zuid-Beijerland, gezegd de Hitzert, onder de classis van Dordrecht, op tl. W. A. Verhoef, candidaat bij het provinciaal kerkbestuur van Overijssel en predikant bij de Christelijke Evangelische gemeente te Vilvoorden in België ; van Oude Tonge , onder de classis van Brielle, op /ƒ.,__. A. Guttcllng, predikant te Scherpenisse; van Oenkerk, Giekerk en Wijns, uitgebragt door het classicaal bestuur van Leeuwarden, op P. van Klefens, predikant te Akkerwoudeen Murmerwoude; vanßoxumen Blessurn, onder de classis van Leeuwarden, op A.Snethlage, predikant te Hijlaard, Lijons en Huins, en van Wijk, onder de classis van Heusden, op W. Zegers Jz., predikant te Wams en Sch arl. — Het Staatsblad n.° 6 bevat een Koninkl. besluit van den 13 januarij 11., betredende de uitloting en aflossing van 3{ per cents schuldbekentenissen voor het jaar 1852. De artikelen van dat besluit luiden als volgt: Art. 1. Op den eersten april 1852 wordt, tegen honderd ten honderd, aflosbaar gesteld een kapitaal van drie maal honderdduizend gulden (f 300,000) schuldbekentenissen rentende drie en een half ten honderd, daargesteld krachtens de wet van 27 mei 1830 (Staatsbladn.° 10), en ingevolge het Koninklijk besluit van 1 junij 1830 (Staatsbladn.° 13). Art. 2. De tot het evengemeld kapitaal af te lossen schuldbekentenissen worden aangewezen bij uitloting over het, na de op 19 februarij 1851 gehoudene uitloting, overgebleven aantal der reeksen van tien nommers, waarin, ten gevolge van het Koninklijk besluit van 21 december 1845 (Staatsblad n.° 92), de toen nog aanwezige schuldbekentenissen zoo na mogelijk zijn verdeeld , en worden alzoo dertig van die overgeblevene 2211 reeksen uitgeloot , met dien verstande dat, in geval bij deze loting de laatste reeks, bevattende acht nommers, mogt worden uitgetrokken, alsdan, na de trekking van dertig reeksen , nog ééne reeks worde uitgetrokken , waarvan de twee eerste nommers, tot aanvulling van het losbaar gesteld kapitaal, als uitgeloot worden aangewezen. Art. 3. De loting, tot aanwijzing der met 1 april 1852 aflosbare schuldbekentenissen rentende 3i ten honderd , heeft plaats in het openbaar op woensdag den 18 februarij T 852, des voormiddags ten elf ure, aan het lokaal van het ministerie van finantiën te 'sGravenhage, ten overstaan van twee leden der Algemeene Rekenkamer. Van den uitslag der loting geschiedt onmiddellijk bekendmaking in de Nederlandsche Staats-Courant. Art. 4. De houders der uitgelote schuldbekentenissen kunnen dezelve op den eersten april 1852 en vervolgens, vergezeld van al de onverschenen coupons , waarvan de eerste verschijnt 1 october 1852, ter aflossing aanbieden ten kantore van den agent van het ministerie van finantiën te Amsterdam , alwaar hun het kapitaal, op hetwelk na 3r maart 1852 geene rente meer verschuldigd is, voldaan zal worden bij assignatie op de Nederlandsche Bank. — Vrijdag avondzal er door Z. K. IL prins Frederik een groot bal gegeven worden. Ruim 500 personen zijn genoodigd daaraan deel te nemen. — De Minister van Koloniën heeft aan den Voorzitter der Tweede Kamer van de Staten-Generaal het volgende schrijven gerigt: „ Ter voldoening aan het verlangen der Kamer, mij kenbaar gemaakt bij Uw Hoog Edel Gest. schrijven van den 23sten der vorige maand, heb ik de eer de .volgende uit de retroacta bij het Departement van Koloniën geputte "inlichtingen te geven omtrent de daarbij gevoegde adressen van A. Halberstadl te Leyden. i.° De adressant begint met te zeggen, dat het ontslag, hem ten jare 1835 als ambtenaar der kolonie Suriname gegeven , het gevolg is geweest van eene beschuldiging van nu wijlen den Gouverneur-Generaal der Westindische bezittingen, mr. C. L. baron van Heeckerers , tegen den adressant ingebragt wegens het vervaardigen van papieren ridderorden. Omtrent dit punt is uit het rapport van genoemden Gouverneur-Generaal , hetwelk aanleiding tot des adressants ontslag heeft gegeven , gebleken , dat reeds onder zijn voorganger, den heer Cantzlaar, het verspreiden in Suriname van naamlooze schotschriften , strekkende om hooge ambtenaren in een besporteüjk daglicht te stellen en hunne eer en goeden naam aan te randen, na het uitvaardigen eener publicatie daartegen tijdens de aanwezigheid aldaar van den commissaris-generaal van den Bosch, niet opgehouden hebbende, en een sterk vermoeden deswege op den adressant rustende, de gouverneur-generaal Cantzlaar hem daarover heeft onderhouden, waarna het ten dien opzigte gedurende een vrij geruimen tijd te Paramaribo rustig is gebleven , zoodat men daarvan genoegzaam niets meer vernam. Dat later het „ pasquilleren" weder hand over hand toenam , en achtervolgd werd door het rondzcnden van nagemaakte ridderorden op nieuwjaarsdag van 1835. Dat de g.mverneur-generaal van Hecckercn , hoe zeer ook over deze handelingen verontwaardigd , echter de zaak minder ernstig opnam , vooral ook daarom, omdat hij zelf niet werd gespaard en hij den schijn niet wilde aannemen als of hij zich de zaak aantrok. Dit is al wat omtrent de zaak der papieren ridderorden in het rapport van den Gouverneur-Generaal voorkomt, waaruit alzoo blijkt , dat die geen oorzaak van het ge^ geven ontslag is geweest. 2' De adressant voert wijders aan , dat de tweede oorzaak van zijn ontslag daarin zou gelegen zijn , dat hij een particulieren brief aan een zijner vrienden zou hebben geschreven, welke zou gebleken zijn te bevatten schertsende beschouwingen over en hekelende aanmerkingen op het bewind van dien Gouverneur-Generaal. Ik zal mij onthouden aan de Kamer een afschrift van dat stuk mede te deelen , doch moet tegenspreken, dat hetzelve alleen zou bevatten schertsende beschouwingen over en hekelende aanmerkingen op het bewind van den Gouverneur-Generaal. Daarin worden bovendien schier alle notabele ambtenaren der kolonie in een verachtelijk daglicht gesteld , en de Gouverneur-Generaal zelfs niet in zijne huisselijke betrekkingen gespaard. De adressant werd toen gesuspendeerd en tot finaal ontslag aan den Minister van Koloniën , toenmaals de graaf van den Bosch , voorgedragen , die deze voordragt niet alleen bij den Koning ondersteunde, maar daarbij tevens voorstelde om het door den Gouverneur-Generaal verrigte goed te keuren. Dit had ten gevolge het Koninklijk besluit van den 12 mei 1835, n.°Bi, waarvan een afschrift hiernevens gaat. 3.0 De adressant beschuldigt den gouverneur-generaal van Heeckcren, den bovenvermelden brief op het postkantoor te hebben aangehouden. Hiervan is mij niet gebleken, en moet ik, zoo lang het tegendeel niet wordt aangetoond, deze beschuldiging als geheel ongegrond beschouwen, te meer, omdat de bewuste brief is gedagteekend 2Ï junij 1834, en eerst eenige dagen voor de dagteekening van het rapport van den gouverneur-generaal van Hceckeren (it februarij 1835) in handen van dezen is gekomen. Ware de brief onderschept, het daarover handelende rapport zou voorzeker vroeger dan zeven of acht maanden daarna zijn uitgebragt. 4.0 De adressant zegt, dat hij nu sedert vijftien jaren onophoudelijk zich tot het Departement van Koloniën heeft gewend om herstel van eer en schadevergoeding , en dat de uitslag daarvan is geweest, dat de gewezen minister/. C. Baadden adressant, na zeven jaren wachtens, een gedeelte van het pensioen heeft toegelegd , waarop adressant meent aanspraak te hebben. Hieromtrent dient tot toelichting, dat de adressant in mei 1835 heeft gevraagd intrekking van zijn ontslag , welk verzoek is gewezen van de hand ; dat hij daarna, in mei 1841 , en dus zes jaren daarna, zich weder tot den Koning gewend heeft , verzoekende om een onpartijdig en onbevooroordeeld onderzoek zijner zaak te bevelen ten einde naar den uitslag daarvan regt te verkrijgen; dat zoodanig onderzoek, na bekomen magtiging des Konings , door den toenmaligen minister van koloniën J. C. Baud werd opgedragen aan den gouverneur-generaal der Westindische bezittingen J. C. Rijk; dat de uitslag van dat onderzoek is geweest de overtuiging, dat de adressant de hem opgelegde straf ruim verdiend had; de ondoelmatigheid zijner wederuitzending als ambtenaar en zulks uit hoofde zijner ongeschiktheid tot gezetten arbeid , maar de wenschelijkheid om hem , bij wijze van gratificatie, eenige tegemoetkoming te verleenen, hetgeen niet als eene rehabilitatie kan beschouwd worden, maar alleen als eene goedheid van den Koning, uit aanmerking van desadressants vroegere diensten; welke gratificatie intusschen niet kon verleend worden uit het pensioenfonds, waarop hij door zijn ontslag zonder eervolle vermelding alle aanspraak had verbeurd, maar uit de koloniale kas; terwijl aan het verleenen dezer gratificatie behoort te worden verbonden de voorwaarde dat hij dezelve zou verbeuren , wanneer hij zich in vervolg van tijd naar de kolonie mogt begeven. In dien geest werd een voorstel aan den Koning gedaan , waarop volgde Hoogstdeszelfs besluit van 21 februarij 1842, n.°54, waarvan mede een afschrift hiernevens gaat. Uit het vorenstaande blpt, dat de voorstelling van den adressant, als zoude de toenmalige Minister van Koloniën hem eerst na zeven jaren wachtens, een gedeelte van het pensioen hebben toegelegd, waarop hij aanspraak had, niet'juist is. 5.0 De adressant beweerr, dat de uitslag van zijn onophoudelijk vragen om herstel van eer en schadevergoeding ook is geweest eene belofte van zoodanig herstel, hem door den gewezen minister J. C. Baud gedaan , maar niet gehouden. Van die belofte is in de retroacta niets gebleken; ze zou ook bezwaarlijk te rijmen zijn geweest met de aan den adressant uitgereikte beschikking, waarvan hierboven sub 4.0 sprake was , zoo min als met de later nog ten zijnen aanzien genomen dispositien. ö.° Van de groote dienst, door den adressant aan den Minister bewezen, door in tijds te dienen van zoodanige inlichtingen en advies, als zouden hebben kunnen voorkomen de opoffering van honderden menschenlevens, tijdens den aanvang der kolonisatie aan de Saramacca in Suriname, is bij het Departement van Koloniën niets bekend. 7.° Hetgeen de adressant in het midden brengt omtrent dengene , die het rapport van den Gouverneur-Generaal zoude hebben opgemaakt en geschreven, zal ik stilzwijgend voorbijgaan , omdat de adressant dit in zijn tweede gezegeld adres weglaat. B.° Ten aanzien van hetgeen de adressant aanvoert omtrent het met hem voorgevallene gedurende den tijd dat ik aan het hoofd sta van het Departement van Koloniën , heb ik de eer het volgende als inlichting te doen strekken. In februarij 1850 vroeg de adressant van mij herstel van eer, schadevergoeding wegens hetgeen hem wederregtelijk is onthouden, en vol pensioen. Ik gaf hem daarop te kennen , dat zijn verzoek , zoo als het was liggende, niet voor inwilliging vatbaar was bevonden, doch dat ik niet ongenegen was te onderzoeken , of de mogelijkheid bestaat, om hem op nieuw aan de dienst in de kolonie Suriname te verbinden, in eene betrekking equivalent aan de vroegere door hem aldaar bekleede , en dat mitsdien, bij ontvangst van een daartoe strekkend nader en bepaald verzoek , de Gouverneur van Suriname ter zake zou worden gehoord, met last om te berigten, of er gelegenheid tot zoodanige plaatsing bestaat. _ De adressant antwoordde daarop, dat hem eene wederïndienststelling in de kolonie Suriname onaannemelijk , ja aan onmogelijkheid grenzende voorkomt, om zeer vele redenen, onderanderen: omdat de adressant reeds nagenoeg zijn zestigste levensjaar heeft bereikt; omdat hij gehuwd en vader en zijne echtgenoote van zoo zwakke gezondheid is, dat het voor haar ongeraden zou wezen naar de koloniën te vertrekken ; omdat hij , na gedurende vijftien jaren aan alle ambtsbezigheden te zijn ontrukt, en bovendien tot de zestig jaren genaderd ,■ inderdaad moet erkennen, thans voor eene betrekking in de kolonie , immers soortgelijke ais vroeger door hem is waargenomen , ongeschikt te zijn geworden; omdat het ook onbillijk zoude zijn van hem te vergen, weder in eene ambtsbetrekking op te treden , daar de adressant alsdan noodwendig zoude komen te staan onder de bevelen van zijne jongeren, dat wil zeggen, zoodanige chefs als vroeger ondergeschikt aan den adressant waren. Om deze redenen verzoekt de adressant op eene andere wijze geholpen te worden , ten einde althans in de gelegenheid gesteld te zijn zijne schulden te kunnen betalen en als fatsoenlijk man te kunnen leven. Op dit nader adres heb ik hem te kennen gegeven , dat zijn verzoek voor geene gunstige beschikking is vatbaar bevonden. Wat de adressant op het oog heeft met te zeggen dat deze behandeling van zijne zaak is toe te schrijven aan persoonlijken invloed, en beweegredenen van zoodanigen aard, als behoorden te blijven buiten de daden van algemeen bestuur , moet ik verklaren niet te begrijpen. Al het vorenstaande hebbende doen dienen tot adstructie van den inhoud van het adres van A. Ilalberstadt, schiet mij nog overig daarbij te voegen , dat de onderstand van / óoo 's jaars , hem verleend bij het Koninklijk besluit van 21 februarij 1842, n.° 54, in het volgende jaar is verhoogd met f 4CO en alzoo gebragt op/'icco, en zulks op het advies van den inmiddels in het Vaderland teruggekeerden gouverneur-generaal Rijk, die meende dat de behandeling , door den adressant ondergaan , hoe verdiend ook , echter hard moest genoemd worden. Eene nadere reclame van den adressant werd in maart 1847 afgewezen , en in april 1848 werd hem eene buitengewone gratificatie toegekend van f 200, ten einde hem te gemoet te komen in de ongunstige finantiële positie waarin hij zich bevond." — De Afdeelingen van de Tweede Kamer der Staten- Generaal hebben zich heden bezig gehouden met bet onderzoek der ontwerpen van wet, nopens de dading van Stoppeldijk , de telegrafische linien en de Rijks-politie. — Den 6 dezer is alhier overleden de heer H. IV. Lans, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, inspecteur van nijverheid en cultures in de Ned. Westindische bezittingen. — De reeds zoo gunstig in deze residentie bekende jeugdige pianiste , Hermine Petit, heeft de hooge onderscheiding genoten zich gisteren voor HH. XX. 1111. prins en prinses Frederik der Nederlanden te doen hooren. Herhaaldelijk heeft de kunstminnende Vorstin het lieftallig kind blijken van hare hooge tevredenheid gegeven. — Vrijdag laatstleden, den 6 dezer, is uit een der vijvers van het Gravenhaagsche Bosch opgevischt het lijk van eene jufvrouw, oud, naar gissing, 31 jaren, die te 'sGravenhage niet te huis scheen te behooren, en wier herkomst althans tot hiertoe niet is gebleken. Wij zijn uit dien hoofde verzocht, mede te deelen, de volgende bijzonderheden, die welligt tot dc ontdekking van de persone kunnen leiden. Men heeft haar gevonden met drie gouden ringen aan hare vingers; een groen zilveren knipje , een rozenkrans met zilveren kruisje , eene snuifdoos, een bos sleutels, een briefje, eenige bijbelteksten vermeldende, een spoorwegbriefje, een fluweclen hoed, een zwarten stoffen mantel, een grijs bontje, zwarte zijden paraplui , katoenen gekleurde japon, wollen gestreepten doek, het lijfgoed geteekend met de letters C. M., twee zakdoeken, waarvan een is geteekend S.M.V., enz. — De voorstelling in den Koninklijken Franschen schouwburg alhier zal donderdag den 12 dezer bestaan uit Le pré-aux-Clcrcs en Hortense de Cerny. ---