Verzet weigeraars Schoonhoven bracht beroering in gehele land *|et was een opzienbarend beticht, waarmede De Waarheid Van 20 oktober 1949 pagina 1 'Pende: .Uitbarsting in Schoonhoven — Militairen bieden verlet tegen uitzending naar Indonesië — Ramen van barakken vernield — Gevechten met officieren". Dienstplichtigen hadden de kranten op de hoogte Sesteld, dat een groot aantal militairen — onder hen soldaten van de 7-Decemberdivisie uit 1946 — die aanvankelijk waren ondergedoken en later opgepakt, lu onder grote druk werden ge*et alsnog naar Indonesië te gaan. Hun verontwaardiging had zich geuit in verzet tegen het kader, waarbij vechtpartijen waren uitgebroken, wapens verhield en banken door de ruiten Sesmeten. Door JOOP MORREN Het werd het begin van een paar bewogen maanden, waarin tenslotte na De Waarheid ook andere kranen zich genoodzaakt zagen aandacht te schenken aan de toestand in Schoonhoven en Nieuwersluis en aan de voortdurende pogingen weigeraars naar Indonesië te pressen, maand eerder had De Waarheid, '°en ook op de hoogte gesteld door dienstplichtigen, gemeld dat acht Jongeren in de nacht van 1 op 2 September geboeid van Schoonhoven naar Amsterdam waren vervoerd en aan boord van De Grote Beer waren Sebracht voor verscheping naar Indonesië. Dit gebeurde zonder dat zij °-oor de krijgsraad waren gehoord of *n de gelegenheid waren gesteld af- Scheid te nemen van hun ouders. Oud-ANJV-voorzitter Fred die zich in 1946/47 in «e CPN-Tweede Kamerfractie fel tegen de troepenuitzendingen had gewerd, stelde nu als lid van de Eerste kamerfractie van de CPN, dringende vragen aan minister van oorlog, Hij verlangde, dat onverv/ijld opdracht zou worden gegeven Oeze methoden te staken en vroeg om een commissie van onderzoek. De minister trachtte het voorval te bagatelliseren en noemde het aanleggen van de boeien een „misverstand". --- Druk De algemene gang van zaken was tot dan toe, dat tegen een militair die weigerde naar Indonesië te gaan een proces voor de krijgsraad volgde. In Schoonhoven werd nu echter getracht processen te voorkomen en militairen met dreigementen, physiek geweld en geboeid op de boot te brengen. De fractievoorzitter van de CPN in de Tweede Kamer, Gerben Wagenaar, had direct na de uitbarsting in Schoonhoven een onderhoud met de minister van oorlog Schokking gevraagd. Het vond de volgende dag al plaats en de minister verklaarde, dat zij die alsnog wilden gaan geen strafproces zouden krijgen. Alle anderen, die om welke reden dan ook, niet naar Indonesië wensten te vertrekken konden blijven en hun gevallen zouden op de gebruikelijke wijze worden afgehandeld. In de praktijk bleef echter ontoelaatbare druk uitgeoefend en de ouders van weigeraars werden zondag 23 oktober, in twee naar tekst geheel verschillende en elkaar tegensprekende brieven, naar Schoonhoven uitgenodigd voor een afscheidsbezoek, omdat de militairen een dienstbevel tot vertrek zouden ontvangen. De ouders waren verontwaardigd en beangst. Zij verzamelden zich later in een stampvolle zaal in een café in Schoonhoven, waar NVBbestuurster Nel Boudewijn op een stoel klom en voorstelde vorm te geven aan het verzet door middel van een comité. Zo werd het „Landelijk Comité van Actie van ouders, vrouwen en verloofden van militairen in Schoonhoven" gevormd, waarvan de moeder van weigeraar Wil van Kempen secretaresse werd. --- Heftig Kamerdebat Door zijn activiteiten was er meer aandacht in de pers. De gebeurtenissen in Schoonhoven kwamen ook in de Tweede Kamer aan de orde, toen het PvdA-Tweede Kamerlid Evert Vermeer een interpellatie hield over „het vertrek van militairen uit het Algemeen Depot Koninklijke Landmacht te Schoonhoven". Hij kon niet voorbijgaan aan de grote beroering, maar al spoedig bleek dat hij vooral de minister van oorlog in de gelegenheid wilde stellen tot geruststellende verklaringen. Vermeer zei, dat het met om „principiële dienstweigeraars" ging, dat „enkele deserteurs" politieke motieven hadden, maar dat degenen, die in Schoonhoven zitten weigeren „op grond van andere motieven: ziekte thuis, het gevoel, dat de zaken thuis bij hun vertrek naar Indonesië slecht zullen gaan (wat men in de pers „moederbinding" noemde), angst voor het onbekende. Zo zou men kunnen voortgaan". Vermeer hoopte, dat als de militairen naar de boot werden gebracht „ongelukken" zouden worden voorkomen. De communisten Wagenaar, Gortzak, Jan Haken en Hoogcarspel voerden het woord en verklaarden de PvdA verantwoordelijk voor de uitzending van militairen, omdat zij daarmee in 1946 al had ingestemd. Er ontstonden heftige tonelen door het optreden van de voorzitter en de reacties bij de PvdA. Het PvdA- Kamerlid Goedhart zei dat „wanneer hier een kabinet zou hebben gezeten, uitsluitend uit socialisten bestaande, zouden wij in de gegeven omstandigheden de troepen ook gezonden hebben". Toen Gortzak zei: nu is het zover, dat een aantal militairen hebben geweigerd als onderdrukker van het Indonesische volk te dienen, hamerde de voorzitter hem af en riep: „ik verbied U Uw instemming te betuigen met onwettige handelingen. U moet dat terugnemen". Het stenografisch verslag in de handelingen vermeldt, dat een door de voorzitter „ontoelaatbaar geoordeeld gedeelte is teruggenomen". Toen Jan Haken zei: „Wij zijn geen voorstander van de methode van individuele dienstweigering, maar wanneer er op het ogenblik mensen zijn in Nederland, die om principiële redenen niet naar Indonesië wensen te gaan en die daarvoor gevangenisstraf moeten ondergaan, dan is dat geen schande voor hen, die de gevangenisstraf moeten ondergaan, maar voor hen, die de straf opleggen", werd hij niet in de gelegenheid gesteld op dit thema verder te spreken. De CPN-fractie diende een motie in om de uitzending niet te laten plaats vinden, omdat er onvoldoende waarborgen bestonden voor afhandeling van de zaken van de militairen en verzocht om een commissie, met voldoende waarborg voor de belangen van de arrestanten en ouders, „opdat een normale rechtsgang voor deze militairen verzekerd wordt". De motie was mede ingegeven door een kritisch request van mr. dr. W. Schuurmans Stekhoven, die als regel als raadsman aan de militairen werd toegevoegd. Minister Schokking distantieerde zich echter van dit request, geen enkel Kamerlid buiten PvdA en CPN sprak en de motie werd met alleen de stemmen van de CPN voor verworpen. Wil van Kempen hield op de vergadering het portret van Piet van Staveren hoog, voor wiens vrijlating een amnestiecomité was gevormd. ln vele plaatsen in ons land werden protestvergaderingen van het Landelijk Schoonhovencomité gehouden. Het presidium van de vergadering in Amsterdam (27 oktober 1949); de moeder van Wil van Kempen, mr. Proper, de moeder van Ratio Koster, mevrouw Hamerslag en Eric Mol, die eveneens voor de krijgsraad was geweest vanwege zijn verzet. --- Trees Sunito 'al van „Schoonhoven-jongens", eh later ook Piet van Staveren, yverden verdedigd door Trees Zij was in ry46 de eerste voorzitter van de Vrouwen Beweging (NVB). , Haar man, voorzitter van de Per•J'nipunan Indonesia, had gedurende ac oorlog een belangrijke rol gesPeeld in het verzet tegen de Nazi's etl Was op voorstel van de illegaliteit °Pgenomen in de Nationale Advies kommissie. In een doktoraalscriptie Van Jan Maarten Fiedeldij Dop en Jvonne Simons over de achtergronden motieven van Indonesiëv/eigeraars wordt ook aandacht gechonken aan de verdediging door *rees Soenito-Heyligers. Zij bracht eelal de beweegredenen van de weis k3ars n vert,and met de Indonesi- Cfte onafhankelijkheidsstrijd: „Zij had veel respect voor het offer at deze jongens brachten en maakte at ook duidelijk in haar pleidooien oor de krijgsraad. In de maanden oovember 1949 tot en met februari °0> zolang er nog troepen werden erscheept, werden er nog hoge , raffen uitgesproken. In die tijd vvamen verschillende deserteurs bij aar die van hun politieke overtuiging wilden getuigen. Zij gaf hen de . aarschuwing dat daarmee strafveraging uitgesloten was. Als haar nénten het er voor over hadden erkte zij eraan mee. Bij de verdedijf'lg waren de belangrijkste argumenten dat haar cliënten niet tegen en broedervolk wensten te vechten " dat zij van mening waren dat het , *n een rechtvaardige strijd ging van 1 Indonesische volk. Zij bracht naar voren dat deze jongens meer bijdroegen tot een goede verstandhouding met het Indonesische volk dan de twee mislukte militaire akties en betreurde het dat dergelijke mensen die een zuiver en hoogstaand principe verdedigden buiten het normale werden geplaatst". Op de beschuldiging dat haar cliënten met hun desertie de aflossing vertraagden, gaf ze als repliek „dat niet deze jongens verantwoordelijk zijn voor het feit, dat er militairen in Indonesië zitten, maar de regering". Op de beschuldiging dat deze jongens zich een oordeel over de Indonesië-politiek aanmatigden stelde zij de tegenvraag: „Als men zijn leven voor een zaak veil moet hebben, mag men dan niet oordelen?" Trees Sunito --- Tot de loopplank De geruststellende woorden van minister Schokking bleken slechts schijn, want de militairen werden in de nacht van 27 op 28 oktober onder bedreigingen gedwongen naar de loopplank voor de Zuiderkruis te gaan. Jan Maassen en Wil van Kempen hebben daar later over verteld. De Waarheid berichtte op 29 oktober, dat 11 militairen hadden geweigerd Schoonhoven te verlaten en 21 voor de loopplank weigerden aan boord te gaan. De weigeraars werden veroordeeld tot straffen tussen de twee en ruim drie jaar. Voor NSB'ers en Duitse oorlogsmisdadigers werd door de regering barmhartigheid gepredikt. Velen van de Nazi-aanhangers profiteerden van gratieverlening of voorwaardelijke invrijheidsstelling. De Indonesië-weigeraars konden op geen enkele clementie rekenen. Het CPN-Kamerlid Benno Stokvis wees in schriftelijke vragen op deze ongelijkheid en vroeg of niet een „gelijke gedragslijn" diende te worden gevolgd. Minister van oorlog Staf (in de oorlog onder Duitse propaganda met boeren naar de bezette Oostgebieden gereisd) en minister van justitie Mulderije antwoordden, dat „het gratiebeleid, dat ten aanzien van een bepaalde groep delinquenten (poltieke delinquenten en oorlogsmisdadigers van vreemde nationaliteit) wordt gevoerd, geen consequensties heeft voor het gratiebeleid ten aanzien van een andere groep zogenaamde (Indië-deserteurs), welke van een geheel verschillend karakter is". --- Verontruste ouders De regering-Drees werd eind 1949 niet alleen geconfronteerd met de weigeraars en het verzet tegen de koloniale oorlog, maar ook met de verontrusting van de ouders en verwanten, die jongens als militair in Indonesië hadden. De Nederlandse regering was in december 1948 de tweede koloniale oorlog begonnen met de bezetting van Yogjakarta, maar de strijdkrachten konden tegen de guerrilla niet op. Het aantal gesneuvelden was enorm gestegen en de verliezen waren groter dan ooit. De besprekingen met Indonesische vertegenwoordigers, waartoe de regering gedwongen werd, bleven slepend al was voor iedereen duidelijk, dat het voor Nederland een verloren zaak was. De ouders eisten hun zoons, vrouwen hun mannen terug, temeer daar de regering zich niet aan beloofde repatriëringsschema's hield. Er was toegezegd, dat de diensttijd zo een twee jaar duren zou, maar veel dienstplichtigen waren al drie jaar in Indonesië. De ouders hadden zich verenigd in de Vomo (Vereniging Ouders Militairen Overzee) en stelden hun eisen. De Waarheid van 20 oktober 1949: „De jongens van de 7-Decemberdivisie vóór Kerstmis thuis. De jongens van de tweede divisie vóór Pasen 1950 thuis." Dit waren de eisen in een motie aan de minister van oorlog vervat, die door alle aanwezigen van de openbare vergadering van Vomo in Bellevue met een daverend applaus werden bekrachtigd. De motie sprak verder van de diepe teleurstelling over de gang van zaken bij de repatriëring, waartegen het bestuur van Vomo namens vele ouders, vrouwen en verloofden met klem protesteerden." De landelijke voorzitter had gezegd, dat de regering wel mooie woorden spreekt, maar geen daden stelt. ---