Het Goudstotje. ' Aan hét beekje,'dat schuimend, en brul ise.nd . omlaag stroomde over rotsjes,puin . ien steentjes naar het dal, waar de beo xfiên hun frischgrocne bladerpracht uit spreidden over de huizen van het dorpje, lag een stofje in het gulden zonlicht van den lentemorgen. Het schitterde als een dïamantje. Nu eens was het vuurrood, 'dan geel, dan weer wijt en oranje of goud. . Een herdersjongen zag het plotseling; ïüj bleef staren naar dat kleine wondere Ptofje en het wierp licht in zijn ziel. En vreemd, hoe langer hij naar dat {dingetje keek, des te grooter scheen het te worden. . Ja. het werd tenslotte zelfs zóó groot, <__ de gansche omtrek ér heel fel door werd verlicht. Zelfs de zon scheen er don Oker bij. Nu, dat wil wat zeggen! Maar de herdersjongen was niet bang. Het stofje was langzamerhand een goud klomp geworden, en plotseling werd deze doorzichtig. Er kwam een waas om, het öinig leefde, het was een, bloem, die 'ontlook. En uit de gouden bladeren kwam een schoone maagd, die den jon gen vriendelijk toelachte. , Hij werd verlegen. ,: r» Ik ken u niet, stamelde hij. — Niemand kent mij, klonk een stem, Sieflijk als zilveren klokjes in een porce. ïeinen toren. — Wie zijt.gij dan'? — Mijn naam is Vergevensgezindheid ïk ben hier een vreemdelinge. Wijs mij den weg naar de harten der menschen. . De knaap zeide. niets, maar stond in ge tPeinzen. Dien weg kende hijzelf niet. , Opeens kreeg hij een» inval. > -^ ïk kan u Wel brengen naar iemand,die . W dien weg kan wijzen! En meteen nam hij baar hij de hand mee n>aar een hut, die onder in het dal stond tusschen de huizen van de menschen. Bij ■ ■ en lnSang stond een man met een» somber .. nwoest uiterlijk. Hij heette Haat. \ vergevensgezindheid deed een stap ach Geruit 2ij herkende hem. Maar hij deed.als üf hij haar niet kende, ■\j De maagd strekte de hand uit,maar Haat Jnam die niet aan. Ik ben Vergevensgezindheid, zeide zij, w. t gij mij den weg naar de harten der ■pteii-chen wijzen? i En do .man antwoordde: ±v*. Neen, dien zeg ik u niet! En al zei ik M dien, dan zullen de menschen u nog niet binnenlaten, want zij kennen u niet. Er is .slechts één middel om binnen te gaan en dat is door bemiddeling van mij. Zonder mij vermoogt ge niets bij de menschen! ! — Laat mij dan met u gaan! smeekte Ver Jjeyensgezindheid. De man trok zich terug in zijn hut en "daar vocht hij een uur lang met zichzelf. Toen hij buiten kwam in de zwoele lento i ïucht had hij zichzelf overwonnen. , Toch aarzelde hij.... I -kn hü' zeide tot de wachtende maagd: -— Nog kan het niet. Een mensen moet tL cieri ül elkaar leggen! bi-. £-ni •?d de herdersknaap naar voren len hij legde; de handen ineen. *teZ t_ .°-r,lrde een wonder. Een wolk .voo?_etPna.,-00 aaide eil een kind stond Een sl^ï^f blondJpkkig meisje. n-;+ ;„ „ iv uit.de wolk, roepende: üraia*^o^' Noem haar "Ver .f'V'^en hun bladeren van Sugde G Eindelijk hield een rijtuig voor de deur stil. — Gaan wij niet met den trein? vroeg Lilli. — Neen, veiliger is het om per rijtuig te reizen. — Maar hoelang moeteji wij dan w.I rijden? v —jDen geheelen nacht morgen vroeg zijn wij op de plaats onzer bestemming. Lilli keurde dit goed. ?ij had geen vrees meer voor Lfeoii, in elk geval er was bo vendien toch de koetsier, die haar hulplkré ten kon hooren, wanneer er werkelijk on derweg iets voorviel. Leon geleidde haar naar' het rijtuig, waarin nu beiden plaats namen. De koetsier had, naar 't scheen, reeds de noodige instructies ontvangen, daar niets meer tot hem zeide. Het. portier werd paarden zetten zich in beweging. Daarbuiten zoowel ais in. het rijtuig was het donker. Lilli besloot tot eiken prijs wakker te blijven. Het vooruit zicht naai de plaats terug te keeren, waar zij eindelijk haar Bruno zou weerzien en met ben. haar toekomst kon bespreken hield haar zoodanig bezig, dat zij ook niet' •len minsten aandrang tot slaap gevoelde. Leon had zich in den hoek van het rijtuig neergevlijd en scheen te slapen, tenminste hij verroerde zich niet. Of Vergiste zij zich soms, was hij wakker? Wachtte hij, wel licht op hét oogenblik, dat zii inwslanen 'zou zijn? Koesterde hij ge) doelin ??n'.' Het rijten nacht hield men halt in een dorp. De koet sier moest; hier de paarden laten ru»ten.De belde reizigers bleven inmiddels in «et ra tuig. Lang duurde het echter niet, of de reis werd Weder voortgezet. Tegen den morgen bereikte men een kleine stad, waar het rijtuig stilhield, en de reizigers een ander namen, daar de koetsier, die hen tot dusver gereden had, hier moest terugkeeren. De dag brak reeds aan, toen Leon en Lilli in het andere, eveneens ge sloten rijtuig plaats namen, nadat Leon eenigen tijd fluisterend met den koetsier had gesproken. Lilli bemerkte wel, dat de man haar een schuwen blik toewierp. Andermaal werd de reis vervolgd. Het doel daarvan scheen toch nog verder te zijn, dan Leon gezegd had, want de rtieu we dag brak aan en nog steeds had men dit niet bereikt. Lilli deed thans Leon de vraag, hoe lang de reis nog zou duren, waarop hij haar antwoordde, dat er nog wel eenige uren mede verloopen konden. De span ning, waarin zij verkeerde, belette haar iof.s te gebruiken. Eerst wanneer zij het doel der reis had bereikt, wilde zij eten en drinken, de opgewondenheid, waarin zij zich evenwel nu bevond, was zpö groot, dat zij honger noch dorst gevoelde. Uur op uur verliep en nog steeds was men niet op de plaats der bestemming. Leon troostte Lilli met de verklaring, dat zij daardoor ook vrijer waren en elk ge VAM vermeden van achterhaald te Wor don. . Het werd middag, namiddag! Eindelijk deelde Leon haar mede, dat zij weldra aan het doel der reis zouden gekomen zijn. Een onbeschrijflijke blijdschap maak te zich van Lilli meester. Eindelijk dan toch zou zij verlost worden van het hate uj- gezelschap van haar reisgenoot ein delijk zou iict uur slaan, waarop Zij Bru no weerzag, een weerzien, dat zij met zoo veel ongeduld verbeidde, dat zij met da gen en nachten vaii angst en foltering betaald had! Zij sloeg den blik door het venster van het gesloten rijtuig. Wag de stad reeds te bespeuren, waar Bruno. waar ook dokter Hagen woonde? Doch wat betoekende dat? Zij kende deze streek niet. Waar bevond zij zich? Was dat de omtrek van de stad, die haar toch anders tamelijk wel bekend was? Welke weg was dit, langs welken het rij tuig voortrolde? Nog eer zij besluiten kon om een vraag te richten tot haar begeleider, stiet zii plotseling een kreet uit. — Wat is dat! riep zij, in onbeschrijf lijke ontsteltenis, waarheen brengt ge mij? Waar zijn' wij? Leon deed alsof ook hij Verwonderd was en keek eveneens naar buiten. — Waarom verwondert gij u, Rijn wij niot op de plaats, waar wij wezen moe ten1? Of moéndet gij dan werkelijk, dat ik zoo dwaas zou handelen om een krank zinnige vrij te laten rondloopen? vroeg hij met ' oen duivolachtigen spot. Neen. neen, hoo kunt' ge daaraan denken! Ik ben recht blijde, dat ik u gevonden en teruggehaald heb! Lilli staarde deri vreesclijken ' man aan, het was op dit oogenblik, als ware hij niet meer dezelfde, als droomde Zij, als vernam zij onmogelijke woorden! En toch. waarheid en werkelijkheid was het! Deze duivel voerde haar niet in Bruno's armen, maar bracht haar naar het krank zinnigengesticht terug! Daarginds zag zii het reeds liggen, 't Was geen vergissing! Met een kreet van ontzetting bracht eïj de handen Voor het gezicht. Dat was te veel! Leon Brasser scheen zich te vermeien in de uitwerking van zijn woorden en Van zijn plan. Zoo iets had Lilli ci'us niet verwacht! Deze teleurstelling .Was te verpletterend voor haar! — Waarom weent ge?zeide hij, wij zijn thans waar we wezen, moéten. Ja, ver volgde hij zachter, en zijn grijze argiisti ge oogen nomen weder hun akelige 100 . rende ititdrukking . aan, ja, wanneer ge de mijne had willen zijn, dwaa,s meisje don zoudt ge thans vrij geweekt zijn en vrij gebleven, en hadt go aan mijn zijde een vergenoegd leven kunhen hebben. Gil wildet het echter anders! Goed! Keer dan maar weer naar dit gesticht terug! — Dat is een lage handeling, een vreeso lijk bedrog, dat gij daar pleegt on dat u schijnt te verheugen, Gideon Samson doch nog hebt ge uw doel niet bereikt, nog zult ge niet triomfeeren, v_mt ik waarschuw u, dat ik uw geheime bedoe lingön zal ontmaskeren. Een duivelachtig, lach .plooide Lcón Brassers mond. — Wat verbeeldt ge u wel, zottin 1 'vroeg hij, kondet gij werkelijk gelooven dat ik u in de armen von een ander zou terugvoeren? Ik heb zijn brief nagemaakt. waarin hij u zijn plan te kennen ga* om met, u te ontvluchten. —- Bruno's brief, ge hebt dien dus on derscheptl — En gij, kleine zottin, kondet donken, dat ik u bij hem zou brengen, vervolgde Leon. Het rijtuig hield thans stil voor de tra liêjpoort van het gesticht. Onbeschrijflijk Was Lilli's wanhoop. Dit onverwachte voorval schonk haar eensklaps een Vastberadenheid, ongewoon voor haar leeftijd! Wat zij zooeven onder vonden had, oefende op haar een onge looflijke Werking uit. Kalm en onverschil lig steeg zij uit het rijtuig en volgde den dokter. Zij beefde, zij aarzelde niet lan ger, plotseling was zij tot een besluit ge komen, dat haar ook deze nieuwe beproo ving met zelfbeheersching deed dooi staan. De woorden, de handelwijze van Leon Brasser hadden slechts in het eer ste oogenblik ontsteltenis en vrees bij haar teweeggebracht, thans was zij bo sloten hem moedigen tegenstand te bic den. Die ellendeling zou haar niet ian ger in zijn macht hebben. Leon' schelde, na den koetsier te heb ben weggezonden. Schielijk kwam de portier over de binnenplaats aangeloopen. — Hoe, gij hier, mijnheer Gideon Sam son? riep h'j. en ook de patiënt? Nu, •dat was me hier een leven en een schan daal! — Doé open, beval Leon kortaf en bc trad toen fi_èt «Lilli, die nög onmerkbaar beefde, de binnenplaats, om zich met haar naar het portaal van het hoofdgebouw te begeven. Hier hadden, door nieuwsgierigheid go dreven, zich reeds eenige wakers en waak eters verzameld, die nu de beide, zoo on verwacht aangekomenen met verbaasde blikken stonden af te wachten. Toen Leon en Lilli hét portaal bereik ten, verstrooiden zich de nieuwsgierigen van lieverlede. — Dora Waldberger, beval de dokter, breng dé patiënt die ik gelukkig achter haald heb, weer naar haar kamer. — Nog niet! Eterst verlang ik tot den heer directeur gevoerd te worden, zei Lilli op vastberaden toon. De deur van het bureau werd haastig geopend, en door de opening vertoonde zich het half nieuwsgierige, half verbaas dé gelaat des directeurs. — Hoe, zeide hij, gij hier? Weer terug! Nu, dat ia goed! — Ik breng de pseudo-gravin weder in het gesticht. Niemand had de vlucht be merkt dan ik, antwoordde Leon Brassar, terwijl hij den directeur in het vertrek volgde, waarin Dora nu ook Lilli bracht. — Gij? Gij hebt de patiënt vervolgd en achterhaald? vroeg de directeur thans nog meer verbaasd, terwijl hij Leon met groote oogen aanzag. — Geloof hem niet, hij liegt! riep Lilli vertwijfeld uit. —Ik was de eerste die het bemerkte, dat het dit meisje gelukt wa. haar ka mer in het gesticht te verlaten. — Maar hoe zou zij er dan uitgekomen zijn, mijn waarde? vroeg de directeur. — Ik wéét niet, van wien zij den sleutel gekregen heeft, alleen weet ik, dat het haar gelukt is Weg te komen. Toen ïk het. bemerkte was zij reeds buiten het ge sticht, ik zocht haar vlucht te vérhfriaè ron, doch ik kon haar zoo dadelijk niet inhalen, eerst op een verafgelegen plaats gelukte mij dit. — Nogmaals, geloof hem niet, riep Lilli in toorn. Deze ellendeling, hij liegt. Hij Z£lf. was het, die mij alle deuren geopend heeft, om mij onder allerlei Valsche voor wendsels mot zich mede te lokken. — Het zijn immers de woorden Van een krankzinnige, mijnheer de directeur, WenB de Leon zich halfluid tot dezen. (Wordt verv_©_J. --- VERBINDING TUSSCHEN VLIEG TUIGEN. Een foto van twee Amerikaansche leger vliegtuigen, die tijdens een vlucht met el kandor in verbinding staan. Het is wel de eerste maal in de geschiedenis der luchtvaart dat van een dergelijke verbin ding sprake is. (Men ziet hoe een klein vliegtuig onder eèn groot door vliest ter wijl het laatste het met een touwladder aanhaakt. Op deze wijze kan men benzi ne of post uit het eene vliegtuig tijdens een vlucht in het andere overladen. --- Kindersmart. \ ** „Moesje!.... waarom bent u lieerige gaan? Waarom heeft u mij dat leed gedaan? Och! ik heb toch zoon verdriet, Moedertje! moedertje! hrort u me niet? 2. „Moesje," uw kindje is zoo alleen, Pa is steeds weg, zooals voorheen. Hij is norsch, en bromt altijd op mij, Moesje! maakt u nu uw kindje weer blij. 3. „Moesje!" hoor toch mijn klagen en smee ken, Waarom wilt u niet luis'tren en spreken? Zeg toch nog éóns dat u veel van me houdt, Moesjelief!..,, wees nu niet langer zoo koud. I „Moesje!" uw kindje wordt zoo moe. Haar beide oogjes vallen haast t0e,.... Ze had nog zoo gaarne één zoen gehad, En u hooren zeggen: mijn lieve schat. 5. „Dag moes!" uw kindje gaat weer heen U blijft achter,.... gehéél a11een...., Maar morgen vroeg komt u lieveling weer, En legt dan nieuwe bloempjes bij u neer. JO v. d. LOOS. ---