Voor Heeren. Heeren die gewoon zijn na het scheren zich even te poederen, maken gaarne gebruik van Purolpoeder, dat verzachtend en gezond vOor de huid is. Prijs 45 et. per doos en evenals Purol verkrijgbaar bij Apoth. en Drogisten. --- DE MISLUKTE NOORDPOOL-EXPEDITIE VAN ANDRÉE Een interessante Publicatie ui 1897 Of men nog ooit iets van Andrée hooren zal?" Toen in Augustus van dit jaar op het eiland Kvitöy in de Noordelijke IJszee de overblijfselen werden gevonden van de Noordpoolexpeditie, in 1896 ondernomen door den Zweedschen ingenieur Andrée en 'zijn makkers Strindberg en Fraenkel, heeft men met belangstelling gesnuffeld naar alle gegevens, die men vinden kon over den koenen avonturier. Herinneringen van zijn jeugdvrienden werden gepubliceerd. Men interviewde iedereen, die 'ets uitstaande kon hebben gehad met den Poolreiziger en het geheele menschdom stelde belang in alle bijzonderheden, die over den Persoon van Andrée konden worden verzameld. . Toch bleef bij deze gelegenheid een publicatie onopgemerkt, die zeker de aandacht van onze lezers ten volle verdient. Wij bedoelen een oud artikel uit den 31 en jaargang van „De Katholieke Illustratie", dat verscheen, nadat de Poolt eizigers hun laatste bericht naar Spitsbergen hadden verzonden. Wij drukken hieronder het geheele artikel af, met de Plaat, waardoor het vergezeld was en die Andrée voorstelt, met zijn gezellen Strindberg en Fraenkel, aan boord van het stoomschip, dat hen naar het Denen-eiland voerde, waar zij zouden starten voor hun noodlottigen tocht. Dit oude artikel is niet alleen interessant, omdat het nadere bijzonderheden bevat over Andrée's v . rek, maar ook, omdat het de Gevoelens weerspiegelt van de tijdgenooten. °P wie zijn roekeloos plan een diepen indruk waakte. De „Katholieke Illustratie" schreef: De belangstelling in het door velen als onzinnig beschouwde plan van den Zweed Andrée, om met behulp, van een luchtballon de Noordpool te gaan opzoeken, was aanmerkelijk bekoeld, toen de terugkeer van den 'Nopr Nansen van zijn Poolreis die belangsteling weer verlevendigde. De geheele wereld was dan ook in gespannen verwachting, toen de telegraaf het bericht bracht, dat de koene reiziger met zijn metgezellen Strindberg eu frankel den Hén Juli den vermetelen tocht had aanvaard van het Denen-eiland, bij Spitsbergen gelegen. Andrée, die thans 43 jaar oud is, werd .in 1854 te Grenna in Zweden geboren als de zoon van een apotheker, die daar in 1871 stierf, Hij bezocht het gymnasium te Jonköping en daarna de technische hoogeschool te Stockholm. Nadat hij een kleine ijzergietérij had bestuurd, waarbij hij niet zeer gelukkig was, was hü eerst machine-ingenieur en later hoogleeraar in de natuurkunde aan de technische hpö- Seschool te Stockholm. In ISBl—B2 nam hij met dr. Ekholfn deel aan een wetenschappe-. liike expeditie naar Spitsbergen, tot het doen van weerkundige waarnemingen. Na zijn terugkeer werd hij hoofdingenieur aan het bureau voor patenten te Stockholm, en nog later hield .zich te Philadelphia — rust blijkt de man J.it gekend te hebben — met de studie der atmosferen bezig. Ook verzocht hij zijn broer, die als zeekapitein in alle werelddeelen kwam, nauwkeurige weerwaarnemingen te doen en hem de uitkomsten daarvan toe te zenden. In den zomer van. 1893 was 'Andrée weer te Qotenburg, en toen kwam het stoutmoedige denkbeeld bij hem op, van de Kaap-Verdische Eilanden aan de Noordwestkust van Afrika in een luchtballon over de zee naar Venezuela over te steken. Hij wilde bewijzen, dat het mogelijk was, zulk een grooten afstand per ballon af te leggen. De beide broeders kwamen bij hun berekeningen tot de slotsom, dat de weg in 97 uren te maken was. Gedurende den heèlen zomer werd veel notitie en arbeid aan dat plan ten koste gelegd, maar de wetenschappelijke koppen te Stockholm, vooral de beroemde Nordenskjöld, zeiden tot Andrée: „Indien ge in zulk een voornemen vertrouwen stelt, probeer dan liever, van Spitsbergen uit per ballon de Noordpool te bereiken " Dit was de aanleiding tot Aridrée's tocht. Hij kreeg om te beginnen een som van 1000 kronen tot het doen van proefnemingen, en de Zweedsche regeering stond de tolvrije invoering toe van den te Parijs vervaardigden ballon „Svea" op voorwaarde, dat de berichten over zijn tochten het eerst in het wetenschappelijk blad der Zweedsche academie zouden verschijnen. De ballon was maar 1100 kubieke meter groot. De eerste van zijn twaalf proeftochten werd in 1893, de laatste den 27en Maart 1897 ondernomen. Spoedig vloeiden de middelen tot uitvoering van het stoute plan ruimer toe. Een Zweedsch groot-industrieel schonk 65.000 kronen; koning Oscar en baron Dickson sloten zich daarbij aan met ieder 30.000 kronen, verder werden veel kleine bijdragen, vooral uit Zweden en Denèmarkjen,, ontvangen, zoodat in het geheel 140.000 kronen werden bijeengebracht. De te Parijs vervaardigde ballon, die een inhoud had van 5000 kubieken meter en kort .voor den tocht den beteekenisvollen naam van Adelaar kreeg, heeft 50-000 frank gekost. Den 7en Juni 1896 verliet Andree Gothen - burg en landde den 26en dier maand op het Denen-eiland. Den 23en Juli was men. met alle voorbereidende werkzaamheden klaar en vier dagen later de 'ballbn gevuld. Maar de gunstige-wind bleef-uit — het was altijd noordenwind — en zoo moest de tocht worden opgegeven. Den. -winter bracht .Andrée niet. tocbereidselen voor de. nieuwe expeditie- door, en uit voorzorg liet hij den ballon te Parijs nogmaals dichten. DenTSen J.uni.vertrok hij onder geestdrift!, toejuichingen vaneen talrijke menigte uit Gothenburg, vergezeld, door Nils Strindberg,: amanuensis, in de natuurkunde aan dc Stóckholmsche höogeschool. en den. ingenieur Knut FrSnkel, dte den gevaarvoller! tocht met .hem zouden ondernemen. • Voor de' vulling van denballon en met het oog op het wachten op een gunstigen Zuidenwind .had Andrée op het' Denen-eiland een houten huis moeten bouwen, dat in overeenstemming was met-de reusachtige afmetingen van den ballon. Merkwaardig was nog de apprbviandeering" van de drie koene luchtreizigers. In 800 kleine zakjès'was 'al'de proviand in de mand verdeeld.-Met het-oog op den 5000 kubieken meter g. waarmee de ballon gevuld was, mocht geen enkele lucifer gedurende den hee-len tocht worden aangestoken, Maar daarom hoefden dc ingezetenen van de mand toch niet vSn warm eten'verstoken'te blijven. JVa-n den bodem der mand hing' natuurlijk een touw af, waaraan £en spïrittiskóol. estel was bevestigd, dat vijftien meter beneden de mand ''■".', fangs electrischen weg aangestoken en uitgedoofd kon worden, voor men het weer omhoog trok. Door een spiegel kon men uit de mand de vlam zien en ze door een gummibuis uitblazen. Verder bevatte de mand slaapplaatsen voor drie personen en behalve een aantal wetenschappelijke instrumenten zelfs een bibliotheek. Do uit gevlochten hout vervaardigde mand kon een gewicht van 5000 kilogram dragen en was van het beste voorzien, dat keuken en kelder van het paleis des Zweedschen kouings opleverden. Toen op Zondag 11 Juli de krachtige Zuidoostenwind de vermetele luchtyaarders het besluit deed nemen, thans den tocht te aanvaarden, moest eerst de voorkant van het ballonhuis worden afgebroken. Andrée moest bij het gieren van den wind zi.in bevelen aan de werklieden, die aan het houten gebouw bezig waren, met 'n scheepsroepcr toeschreeuwen. Onder de geoefende handen der matrozen was de voorkant van het balionhitis weldra afgebroken en de geheele wand stortte zonder ongevallen naar buiten, zoodat de ballon onbeschadigd een "open ruimte voor zich had in de richting, waarin hij moest opstijgen. Intuss.chen waren kleine proefballons opgelaten, die precies de g.ewenscl)te richting naar het Noorden insloegen. Het schuitje werd snel vastgemaakt, een mand met postduiven er in geplaatst, nog een kistje met het eerste middagmaal, geheel gereed, aangereikt, èn toen nam Andrée niet een handdruk afscheid van de omstandeVs. Hij sprak nog eenige hartelijke woorden van -dank tot de mannen, die de touwen vasthielden, wien hij niet meer de 'aand kon reiken, en klom het schuitje in Toen riep hij zi.in reisgezellen Strindberg en Ftiinkel toe, ook in te stappen, ceti oogenblik later waven de laatste touwen, die den ballon nog aan den grond hielden. i doorgesneden, de overtollige zakken ballast weggeworpen, en terwijl de drie reizigers riepen: ..Hilsen bjemme til Sverige!" (een groet thuis in Zweden!) schoot de ballon de lucht in en bleef ter hoogte van omstreeks 60 meter boven de zee zweven. Eerst dreigde hij tegen het rotsachtig voorgebergte aan de Oostpunt van Smerenbergsond te botsen, en daarna trof een onverwachte windstoot hem zoo hevig van boven, dat het schuitje eenige seconden in zee gedompeld werd. Toen de ballon zich weer oprichtte en over de rotsen aan den Noordkant van den Smerenbergsond moest heengaan, dreigde de lucbtschippers opnieuw het tegen de rotskam schipbreuk te lijden; het schuitje werd er slechts even over heen gelicht. Maar daarna had de ballon vrije vaaYt, en precies om drie uur verdween hij aan den Noordelijken gezichtseinder. Sedert is de ballon tot dusver niet weerejezien. Wel heeft een scheepskapitein beweerd, een ballon, veel gelijkende op dien van Andrée, in de Witte Zee te hebben zien drijven: maar die ballon is later gebleken een doode walvlsch te zijn geweest. En ook de berichten van andere kapiteins, die, altijd uit de verte, een ballon meenden te hebben waargenomen, hebben niet meer houvast opgeleverd, zoodat men op het oogenblik volstrekt niet weet, of Andrée en zijn gezellen nog in leven zijn. dan op de een of andere manier den dood hebben gevonden. Het is mogelijk, dat zij aan de Noordkust vsn Siberië of aan de even onherbergzame Noordkust van Noord- Amerika zijn neergedaald, maar het is ook even goed mogelijk, dat zij in de Noordelijke Ijszee zi.in neergekomen. Of men nog ooit Jets van hen hooren zal? Wie zal het zeggen? De Noordpoolreiziger Andrée en zijn metgezellen Strindberg en Frankel op weg naahet Dennen-eiland. --- Het Boek van de week „De Zoon van het Hemelsche Rijk". Tien jaar geleden zou „De Zoon van het Hetnelsche Rijk" door Willem ten Berge, de beste katholieke verzenbundel van ons land geweest zijn. Nu hij verschijnt in hetzelfde jaar ak Jan Engelmans „Sine Nomine" en „Het Vaderland" door Gerard Wijdeveld, moet men zjin dichter rekenen tot de „poetae minores", a,s dient men toe te geven, dat dat hij onder dezen een zeer goed figuur maakt. Ten Berge's talent is niet veelzijdig en ook niet bijzonder sterk, maar hij kan verzen schrijven, die onthoeren door hun eenvoudige, treffende zuiver"e'd van accent Hoe vatbaar deze dichter ook 's v°or den invloed van sterkere tijdgenooten, j>U heeft een eigen natuurlijke toon, die zelfs cirl- 6 meest secundaire bezieling duidelijk doorklinkt. Neem bijvoorbeeld een gedicht als 0,0 ..Biwa-speler aan den Hoang-Ho",. dat per nooit zóó geschreven zou zijn, wanneer niet Paul van Ostagen zijn bekend „Melotfee" •*d gepubliceerd en wanneer de hang van vale edendaagsche dichters naar de Chineesche , ek minder sterk was geweest. Het ontstaan an dit vers kan men bijna geheel verklaren .. de indrukken, die de lectuur van andere _ "ters. heeft nagelaten op liet gemoed van n "erge. Maar toch past het vers zonder ornis in den bundel tusschen andere gedichn» baarbij men dezelfde invloeden niet ge_ aar wordt. Het heeft die eigenaardige ryth e'd' die beweseelükheid van het Wa "'f rondom een goede poëtische vondst, *en °0r het meeste werk van Ten Berge zich j,È.m®rkt- Een buitengewoon sterk gedicht is Ten'™. maar het is ;een gedicht, dat alteen n_ Berge geschreven kan hebben. . tweed Z°°n V3n het Heme!sche Riik" is de line nbundel van dezen dichter. Zijn eersteuttL t Reiziger" verscheen in 1928 bij de nieutTl! "^ Qeraeenschap" te Utrecht. In dit ocZ|_. WOrdt die eerste bundel in zeker I . v °„ Bezet De tweede afdeeling namei**t a» Zoon van het Hemelsche Rijk" - «Afstanden" en-bestaat geheel uit gelijksoortige gedichten als „De Reiziger". Kleine gebeurtenissen uit het alledagsleven, korte berichten uit bladen, typische- oogeubükkèn uit het gewone bestaan worden door den dichter vastgelegd in een bepaalde atmosieer, die geheel de zijne is. Zij worden daardoor ontdaan van hun indruklooze banaliteit. Ze krijgen Jets bijna symbolisch. Zonder dat Willem ten Berge het vermeldt of zelfs maar schijnt Op te merken, geeft hij aan zijn zeer verbijzonderde voorwerpen het perspectief van het algemeene leven: een tweestrijd tusschen vergankelijkheid en eeuwigheid. Een enkel voorbeeld van deze poëzie wil ik aanhalen. Een krantenbericht, misschien zelfs. alleen het toeyaflig ontdekte opschrift op een-houten kist, kan cic aanleiding tot dit gedicht zijn geweest. Het behandelt niet : meer dan een betrekkelijk gewoon ongeval zooals dat voor den buitenstaander is: De Schipbreuk. Het schip in vliegende storm ffiet man en muis vergaan, ligt, dicht bij land, geheel in zee bedolven. Twee zwarte masten' staan schuin op de golven. Als een verrafelde vlag fladdert het wand. Het scheepsjournaal drijft op het schuimend strand, en bladert open', 'daar er de storm in leest. Het italiaansch breekt hiermee af: „Lippi Raffaelo vreest " Is de gegrondheid dezer vrees te plotseling gebleken? De kapitein heeft van dit schrijven wellicht nooit meer opgekeken, en houdt nog steeds de pen. krampachtig in de - hand. De vloed zet aan dé voet van het duin een mand Lippi Raffaelo. Brindisl. Termo Stazionc. staat op het wrakke deksel groot geschreven Lippi Raffaelo komt zijn bezit, levenloos, onder Stralende zeeën nagedreven. Het eigenaardige van dit gedicht is de ontroerde objectiviteit, waarmee dc dichter ïtftï geval bezag. Hij had de schipbreuk zelf kunnen beschrijven, alsóf hij er bij geweest ware. De i vrees van Lippi Raffaelo had hij kunnen u:t-drukken in angstwekkende rebels. De ontreddering van het schip had hij zóó bewogen kunnen voorstellen, dat wij in deze ellei de van het wrak de gansche weerloosheid van den mensch tegenover de elementen als het ware persoonlijk ondergingen. Ten Berge doet dat nooit. Hij behandelt zijn motieven altijd ais gevallen, waarin zijn eigen gemoedsleven met rechtstreeks betrokken is. Dat Lippi Raffaelo verdronk, kan hem, om zoo te zeggen, niei schelen. De man zou toch wel aan zijn eind gekomen zijn. Maar nu het gebeurde, nam Ten Berge kennis van het geval, zooais gij, dagbladlezer, dagelijks kennis neemt van wel twintig gevallen, die voor u weinig beteekenén, ofschoon zij over het hoogste heil van andere menschen beslissen. Maar juist bij Willem ten Berge dringt dit laatste besef altijd eventjes door. Volkomen objectief, wordt iiij toch even aangedaan. Heeleroaal buitenstaander, die slechts constateert, voelt hij toch, dat er in ieder menschelijk lot iets schuilt, dat hem en ons persoonlijk aangaat. Eu dat treft hem. liij deelt de dingen nauwkeurig mee, zooals hij die heeft waargenomen en laat dan in een zekeren toonval van zijn gedicht eventjes voelen, hoe die dingen omvat worden door een groote, algemeene atmosfeer, die over alle dingen hangt. en waarin ook wij. betrokken zijn. Zonder te moraliseeren over de vergankelijkheid der aardsche goederen, geeft hij hi de twee laatste, regels van het aangehaalde, vers even dien indruk van onzekerheid en onbestendigheid, welke wij soms krijgen bij het vernemen van een ongeval. En hij weet dat heel precies en heel minitieus, toch onberekend te doen. Herlees nog eens de beide slotregels: Lippi Raffaelo komt zijn bezit, levenloos, onder stralende zeeën nagedreven. Zij constateeren alleen maar. En toch maken zij indruk. Door de toevoeging van het op zichzelf overbodige woord „levenloos", moedwillig tusschen twee rusten geplaatst, wordt de onafwendbaarheid van dit doodslot benadrukt. En door het buitengewoon goed gekozen bijvoegelijk naamwoord >,stralende--' bij zeeën voelen we de angstige dreiging in de schoonste rust. Om dit vermogen, dat hij heeft, zot ik Willem ten Berge de dichter der ontroerde objectiviteit willen noemen. Zijn nieuwe bundel bestaat echter uit drie afdeelingen, die onderling groote verschillen vertooneh, ofschoon overal dezelfde ontroering en dezelfde objectiviteit aanwezig zijn. In de eerste afdeeling tracht de dichter zich die ontroering te verklaren. Hij probeert zijn poëzie los te maken van het concrete geval, om opheldering te zoeken over den indruk, die zulk een geval op hem maakt. De gedichten van deze afdeeling zijn dus vanzelf mijmeringen over de vergankelijkheid, de verhouding tusschen het aardsche en het hemelsche, het leven en den dood. Zij zijn minder sterk dan Ten Berge's andere gedichten, ofschoon ze talrijke goede regels en gelukkige vondsten bevatten. Men moet zelfs" zeggen, dat vaak de gcede vondsten den eindiudruk dezer gedichten verzwakken. De stemming van verscheidene goede détails overheerscht de totale gedachte m van het vers, waardoor Ten Berge ons in deze afdeeling wil treffen. Zoo bijvoorbeeld in dit fragment uit het eerste gedicht van den bundel is de weergave van het stervensoogenblik veel . sterker dan het gevoel, dat na onzen dood het aardsche leven nog zijn gewonen gang zal gaan, ofschoon de dichter juist dit laatste gevoel aan ons wilde meededen: als wij alles zullen hebben geschreven: het trekken der sterren, het geuren van haar, het bloeiende sterven der bloemen en wij nog het Laatste willen noemen, en geen mensch die ijle zinsnee verstaat, omdat ons stervend stamelen vreemd neuriënd. in de tongval van het Ander Gewest overslaat: dan bloeien hieromlaag nog de bloemen, dan branden de sterren, wild en klaar, dan waaien om het hoofd van een meisje weer stroomen welriekend haar. De regels, welke u uit dit fragment het langst zullen bijblijven zijn die over het overstaan der stem in de tongval van het Andere Gewest. Dat is inderdaad een prachtige vondst. Het „Seizoen aan het Minnewater", dat de derde afdeeling van dezen bundel uitmaakt, bestaat uit eeuigszius „origineele" liefdesgedichten, geïnspireerd op exotische motieven, zooals de hedendaagsche letterkunde die veel kent. Denk aan „Diflska Bronska" van .rel van den Oever, aan du figuren uit „De Bries" en „Hart zonder Land", aan sommige gestalten uit Slaerhoff's poëzie, aan de ontelbare zwervelingen en historische persoonlijkheden, ', die thans bijna alle lyrische dichters bezieler:. Ten Berge's talent wordt zeer speelser; in dezs verzen. Mooie vreemde namen neemt hij met welbehagen op, als gouden zonneschilfers in den stroom van zijn rythme. Het meest geslaagde onder deze gedichten van hem, is wel „The Senorita of Paraguay", geïnspireerd door een portret uit het altijd kleurige „Geographic Magazine". Dit gedicht is zuiver van gehalte, het is humoristisch met .een lichte ironie, die naar het einde bijna weemoed wordt, maar zich herstelt in de speelschheid der heldere klanken. De andere soortgelijke verzen uit deze afdeeling hebben echter het nadeel, dat zij aandoen als zwakkere herhalingen van dit eenmaal uitstekend gelukte gedicht. Lang achtereen spelen wordt eeentonig, omdat het spel onderhoudend en charmant kan zijn, maar — zoolang het geen verteerende hartstocht wordt — de dieper menschelijke gevoelens niet of amper raakjt. Het is prettig, maar het is niet groot. Ten Berge's kracht ligt in de aangedane objectiviteit, Waarmee hij betrekkelijk onbelangrijke feiten vermeldt. Wanneer we. aan .z'jn jongsten bundel die eischen stellen, waaraan de beste moderne Nederlandsche lyriek voldoet, bemerken we, dat hij lang niet de sterkst? is onder de hedendaagsche dichters» maar zijn werk vergelijkend met dat van andere „poetae minores" als Roel Houwink of D. A. Rj.. Binnendijk, treft ons zijn spontanere natuurlijkheid, zijn lichtere bewogenheid, kortom zijn meer aangeboren dichterschap. Ofschoon zijn bundel nergens proclamatief katholieke gedichten bevat, wordt zijn geheele inspiratie merkbaar beheerscht door een voortdurend besef van het eeuwig hiernamaals en door een groot en mild vertrouwen op Gods hoogste wereldbestuur. Daarom is de titel van het boekje zeer juist gekozen, terwijl zich in de dubbelzinnigheid daarvan de speelschheid en lichte zelf-ironie openbaren, waardoor dc dichter Ten Berge zich onderscheidt. --- DE TIJDSPIEGEL Ingeleide Menschen. Na een woord van hartelijk welkom aan de zoo talrijk opgekomen leden en een- verwijtend woord voor degenen, die deze gelegenheid tot het bijwonen eener zoo interessante vergadering lieten voorbijgaan, spreekt de mensen, die voorzitter" wordt genoemd, nagenoeg altijd in der volgender voege: „En dan, dames en heeren, is het mij een zeer groot genoegen een hartelijk welkom-raons-midden te mogen toeroepen aan den heer N., den gevierden spreker van dezen avond, die zoo bereidwillig was om gehoor te geven aan onze dringende uitnoodiging en die ons heden zal toespreken over (in te vullen naar omstandigheden). Het zal wel niet noodig zijn den heer N. aan u voor te stellen. Immers de heer N. behoort tot de meest bekende (letterkundigen, geneesheeren, apertogeten, kenners der wijsbegeerte etc. in te vullen naar omstandigheden) van ons land, en is deskundig als geen ander op het gebied der.... (in te vullen als boven), waarover hrj ons hedenavond zal toespreken. Gij allen kent minstens den naam van den heer N., die immers zoo onuitwischbaar is verbonden aan.... (als boven). En hebben wij nog niet onlangs mogen kennis nemen van zijn belangrijke (als boven)? Ja, dames en heeren, we mogen wel zeggen dat de heer N. een zeer vooraanstaande figuur is in de wereld van vandaag. Ik zal dan ook niet langer uw geduld op de proef stellen en geef bij dezen het woord aasi den heer N., voor het honden van zijn belangrijke toespraak over— (als boven). Mijnheer N. mag ik u verzoeken?" (Luid en langdurig applaus.) Er zijn weinig veranderingen in de formule. Eenmaal is het me overkomen, dat ik ergens sprak tegen den wil van den voorzitter, maar op verzoek der leden, door stemmenmeerderheid geuit. Bij die gelegenheid was de volgende volzin in de vorige toespraak gevoegd: „Weliswaar, geachte heer N-, hadden wij ons aanvankelijk voorgesteld den heer Q. uit te noodigen, maar al spoedig bleek, dat deze een hooger honorarium zou bedingen dan de huidige stand van onze kas toelaat, nietwaar mijnheer de penningmeester?" Denzelfden voorzitter heb ik eens Bernard Verhoeven hooren inleiden, zooals boven beschreven. Alleen sprak de man bij vergissing gedurig over „den alom gevierden spreker Bernard Voorhoef, ons allen welbekend uit het maandblad „Opgang", om van zijn andere werkzaamheden nn maar te zwijgen." Ook het „deskundig als geen ander" is een formule, waarmee zeer lichtvaardig wordt omgesprongen. Zij ontbreekt echter nooit, zelfs niet als een volslagen domoor wordt voorgesteld aan het trots alles nog altijd „geachte" gehoor. Ja, die inleidingen zijn prettig! Zij behooren tot de wezensbestanddeelen der uitgangsavondjes, die de Chineezen van Europa" beleggen onder den naam „vergaderingen", om zich nog verder te ontwikkelen dan twintig eeuwen beschaving al hebben gedaan. De ingeleide menschen geven er niet meer om. Zij zijn er aan gewoon. En hun bereidwilligheid — dat bedingen zij natuurlijk te voren — wordt altijd beloond, zoodat zij die beproeving wel kunnen dragen. Gewoonlijk duurt het toch niet lang, omdat anders de onmisbare zinsnede over „het geduld niet langer op de proef stellen" zou moeten vervallen. --- ANTON VAN DUINKERKEN. Willem Ten Berge. De Zoon van het Hemelsche Rijk. Uitg. A. A. M. Stols. Maastricht «ai' Brussel, 1930. ---