DE TUD OP ZONDAG DE STORM. uin>r C. A. TERBURG O. P. Het kan in ons binnenste donker zijn en stormen zonder duidelijke aanleiding en ofschoon wij vroolijk doen, schreien wij dikwijls Innerlijk, wat pijn doet. ondraaglijk pijn. Van dat inwendig verdriet moet de oorzaak zijn een gemis aan liefde, waarop wij gehoopt hadden, want waar liefde is. is blijdschap, en hoe sterker zij Is en hooger, des te edeler en Schooner Is de vreugde. Onze liefde is meermalen sap en in vele gevallen gaat zij niet uit boven het zinne^jke: daarom krijgt ons verdriet zoo dikwijls de overhand. Zouden wij niet blijer zijn. als wij wat Weer aan Christus en wat minder aan de mensche- I'iky ellende, onze ellende, dachten? Alles, wat wij 'n onze omgeving afkeuren, en wat ons zoo bitter Waakt, zullen wij bij streng onderzoek óók vinden in Ons eigen binnenste, sterker of zwakker; de storm, dien wij over anderen willen doen neerkomen, is dikwijls een losbarsting over eigen zwakheid. Wij zouden immer rustige menschen kunnen zijn. wat ons ook overkomt, wanneer wij probeereu, ons Beloof te verdiepen. Wij zijn nimmer alleen, wij draden Christus in ons hart. Soms meenen wij. dat Hü afwezig is. zooals Hij sliep bij de leerlingen op het •teer; dan schijnt alles duister en onze omgeving is schrikbarend somber: alles loopt ons tegen, tot wij •neens, als in een bliksem. Jezus' tegenwoordigheid weer zien. Dan spreekt de liefde nog niet. maar de angst: een flauwe straal van hoop, omdat wij niet geheel ongelóovig zijn. breekt door: Heer, red ons. Dan volgt het verwijt en het gebod en de verwondering, alles, omdat wij zéér klein zijn in ons vertrouwen en onze liefde en ons geloof nog zwak is. 2°ó, dat wij zelfs na het wonder nog kunnen vragen: "ie is Deze? Maar door het wonder weten wij. dat er Een is. Die gebiedt over onze harten en de storen daarin bedaren zal. want Hij wil het geknakte rlet weder oprichten. Hij is ons de liefde komen brengen, den eenigen balsem voor de wonden onzer z'el. omdat wij weten, dat alleen de goddelijke liefde en de menschelijke. welke daarop steunt, blijvend is e" trouw tot in den dood. Dat zjj wisselvallig is. bij tijden sterker en zwakker zich uit, moeten wij wijten aan onszelf, en niet aan Hem. Hij behoort ons geheel, ook al is Hij ingeslapen, al is Zijn tegenwoordigheid niet merkbaar; doch onze oogen en onze harten gaan zoo vaak naar een andereji kant. waar de onweerswolken komen Opzetten of de duisternis valt. Wij kennen toch Zijn kracht, welke zóó sterk is. dat winden en golven "cm gehoorzamen; zouden wij, zwakkelingen, dan "iet voortdurend zien naar Zijn wonderschoone gestalte? Mocht Zijn geest toch meer in ons leven, dan was er geen plaats meer voor innerlijke, felle pijn, v°or ondragelijke droefheid, want Hij is vrede en olijdschap, de Broeder en de Vriend, Die ons voor"ield, dat wij kinderen Gods zijn. Leerde Hij ons net het onderscheid, dat er is tusschen Zijn schapen en degenen, die Hem niet willen volgen: Mijn scha°en luisteren naar Mijn stem; Ik ken ze en ze vol*en Mij. En Ik geef hun het eeuwig reven: ze gaan in eeuwigheid niet verloren, en niemand rooft ze weg ■u" Mijn hand. Daarop mogen wij vertrouwen, als *Uzelf maar edelmoedig willen zijn in dezen zin: dat wu' niet beangst worden om onze zwakheid, noch bedroefd om onze en der wereld ellende, zooals een bedroefd is, wiens schreien sterker is dan de vreugde om het kindschap Gods. Er komt een "ü|\ zegt Christus, en het is er reeds, waarin de O-ooden de stem Gods zullen hooren. en die er naar "•sieren zullen herleven. --- GELOOFSLEVEN SINT LIVINUS. bewerkt naar den Latijnschen tekst aan den heiligen Bonifaclus tot geschreven door J. W. P. 11. De roem van Livinus' deugd verheugde het hart van den vromen koning Calomagnus. Hij ging tot Livinus, betoonde hem de hoogste eer en verzocht hem in groote deemoed: „O zalige vader, wij weten Alberl Termote: Madonnakop in Teakhout. „dat gij uitblinkt in alle deugden, dat gij ons allen „een voorbeeld zijt. Wij smeeken U daarom uit het ..diepst van ons hart. dat gij U wilt gewaardigen bij „ons te blijven, te deelen in onze koninklijke schatren en ons te stichten door Uw heilzame verma„ningen en de uitlegging van het evangelie". Livinus echter wendde zijn geest niet af van het verbond, dat hij met den hemel gesloten had, vreezend, dat zijn ziel verblind en bevlekt zou worden, als zij gehoor gaf aan liet verzoek van den koning en zijn edelen. Nog drukten hem zwaar deze zorg. toen een engel des Heeren verscheen, die hem bij zijn naam riep en hem troostte met de woorden: „Ik groet U, broeder Livinus, weest niet beangst, want de tijd is daar, dat gij troost ontvangen zult. Trek weg van hier en ga naar den zaligen bisschop Augustinus, door wiens leering en vrome onderrrlchting gij wonderbaar zult worden gesticht. God is met U". Na deze woorden verdween de engel. De heilige Livinus, overtuigd, dat God hem Zijn wil had doen kennen, had een groot verlangen aan't bevel van den engel te gehoorzamen. Hij ging tot den koning en kreeg verlof, om het paleis te verlaten. Onmiddellijk ging hij op weg en na een langen tocht kwam hij aan de groote zee. Daar kwam hem zwevend een jongeling tegemoet met een aangezicht, lichtend als de sterren. Hij sprak tot Livinus: „Aarzel niet, broeder. De almachtige God heeft „mij gezonden als beschermer van Uw leven en „nooit zult gii mijn zorg ontberen. Op al uw wegen „en bij al uw werken zal ik uw beschermer en uw „leider zijn. Ik ken de reden van uw tocht. Spoeden „wij ons naar het doel. God zal ons een goede reis „schenken". Met deze woorden ging hij hen voor, de heilige Livinus en zijn leerlingen volgden hem en allen staken zij de groote zee over met droge voeten. Den heiligen Livinus en zijn leerlingen Foillanus, Helas en Kilianus, scheen het toe, dat zij door een overvruchtbare streek trokken in een weelde van bloeiende rozen en leliën en alle soorten van schoonste voorjaarsbloemen. Toen zij den oever bereikt • hadden en weer met vasten voet op aarde wandelden, zagen zij hun geleider in een sneeuwwitte glans ten hemel stijgen. Livinus, van een ootmoedige vrees doordrongen, dankte, met zijn discipelen, voor deze goddelijke bijstand. Daarna haastte hij zich voort en bereikte spoedig het verblijf van den eerbiedwaardigen bisschop Augustinus. Deze was door een openbaring nauwkeurig bekend met den tijd van zijn aankomst en wist, dat God Livinus. zijn geliefden dienaar, in zijn zorg had aanbevolen. Hij nam hem vol liefde op, zorgde vijf jaren en drie maanden voor hem. onderwees hem in alle wetenschap en voerde hem door zijn voorbeeld tot op de hoogste trap der volmaaktheid, zooals de engel het voorzegd had. Toen verhief hij hem, door de hoogheilige wijdingen, tot het heilig priesterschap. Op den dag van zijn wijding schonk de vrome leeraar aan zijn beminden leerling een purperen kazuivel. rijk met goud en edelsteenen versierd en een stool, met kostbare steenen en glanzend goud bewerkt, als pand van zijn eeuwige liefde. Daarna zegende hij zijn leerling en Livinus werd met zijn tochtgenootcn, door den engel naar zijn vaderland teruggeleid. Zijn vorst en alle inwoners vau ziju geboorteplaats ontvingen hein met groote vreugde. Aartsbisschop Menalchinus was gestorven en zijn dood had allen met smart en droefheid vervuld. Koning Calotnagnes. zijn edelen en hovelingen en heel het saamgestroomde volk besloten eenparig de opengevallen plaats aan den heiligen priester Livinus aan te bieden, als de meest waardige opvolger van Menalchius. De koning, die allen in vroomheid overtrof, hechtte zijn zegel aan deze benoeming en bewees Livinus meermalen de hem toekomende eer. Op het oogenblik, dat Livinus, omgeven door alle bisschoppen en priesters en door heel het volk, de handoplegging ontving, klonk een stem uit den hemel, die hem bevestigde in het goddelijk ambt, zeggende: „Ecce sacerdos magnus, qui in diebus suis placuit Deo. et inventus est justus".B) Nauwelijks had de stem deze goddelijke woorden gesproken, toen om het hoofd van den eerbiedwaardigen bisschop Livinus. een kroon verscheen uit glanzend goud en fonkelende edelsteenen, van binnen en buiten doorvlochten met vcrsclie bloemen en met purperroode rozen, die heel de kerk met een zoeten geiir vervulden. Hierdoor werd reeds aangeduid, dat deze vrome opperherder, door het vergieten van zijn roode bloed, tot martelaar zou worden voor Christus en de kroon der eeuwige zaligheid verdienen zou. Levinus aanvaardde zijn taak met ootmoedige berusting en streefde er naar, in groote liefde zijn kudde te onderwijzen in het geloof, de hoop eu de liefde en in alle andere geboden van God, zonder welke men het vaderland der eeuwige heerlijkheid niet bereiken kan. Als een hemelsch geneesheer verpleegde en genas hij hun zielen. Door Gods genaden gaf hij ook aan ontelbaar veel menschen de lichamelijke gezondheid terug. Abdias, vader van een groot gezin in Schotland, was reeds jaren melaatsen en geheel verlamd. Hü kon niet spreken, zijn handen niet aan zijn mond brengen, zijn voeten niet verschuiven. Onbeweeglijk lag hij uitgestrekt op zijn bed, slechts zijn lippen en zijn oogen leefden nog. Livinus trad bij hem binnen toen hij het dorp bezocht. Tegelijkertijd hief de zieke het hoofd op, begon te spreken en riep luide: „Welk een geluk! Welk een vreugde! Wie treedt mijn woning binnen? Is het God onzen Heer of zond Hij Zijn engel?" De heilige bischop bleef verbaasd staan, daar hii niet wist welk wonder de Heer door hem gewerkt had en sprak tot den zieke: „Wat schreeuwt gij, broeder? Vrede zij U. Sta op en geef mij wat water, want ik ben zeer vermoeid." Abdias stond op. volkomen genezen en deed nederig wat hem gevraagd was. Daarna vertelde hij , den bisschop van zijn jarenlange ziekte en samen dankten zij God. Op een van zijn reizen wandelde de heilige Livinus aan den oever van de zee. Hij zag, hoe een schip, in een plotseling opgestoken noodweer, met heel ziju iading dreigde te vergaan. Vertrouwend op den heiligen I hij hen over liet water te hulp. te over het sclip het teeken der krtiiscs en „Vertrouwt op den Heer. want Hij verlaat niet wie vertrouw et', in Hem stelt." Bij deze woorden legde de storm zich en het werd zeer stil De stiiiirn ir een grooten golf meegel en trachtte niet moeite zijn leven te redden. De heilige vader stak hem de handen toe en leidde hem over het watei naar land. De bemanning volgde in het schip en zij zongen met krachtige stemmen blij een lofzang voor God. den Almachtigen, die zich gewaardigd had hen te redden door den heiligen bisschop Livinus. Kunnen wij zwijgen over dezen man? Kan iemand het versmaden te hooren over zijn deugden of zijn lieide tot Christus loochenen, als wij zien. hoe hrj steeds deed wat Christus geleerd heeft? Hij had de waarheid liet, hij was een bloem var, deemoed, een licht d?r gerechtigheid, een juweel van kiiischheid, een toonbeeld vau matigheid Onvermoeid in zijn studie, een voorbeeld van alle deugden. Vurig in het gebed, streng in vasten en waken. grootmoedig jegens de armen, gastvrij voor monniken en pelgrims. Onder zijn purperen bisschopskleed. met goud en edelsteenen versierd droeg hij een hard haren kleed. Weken lang leeide hij vi.n in asch geroosterd en met asch doorkneed brood. Onder al zijn weik ademde zijn ziel naar God. op zijn i eizen bad hij op de graven der heiligen, zong er psalmen en droeg er het misoffer op. Deemoedig met de armen, zachtmoedig tegen zijn dienaren, minzaam tegen de machtigen, bracht hij door de eenvoud van zijn leven en de goedheid van zijn woorden allen op den weg naar de hemelsche vreugde. Hij was naar de woorden van de heilige schrift „Alles voor allen, om allen te minnen." Door heel zijn verschijning trok hij de menschen tot zich. Hij was tamejijk lang: had soepele, fijne ledematen; een groot hoofd; sluik, blond haar dat aan de slapen grijsde; breede ooren. die wijd van zijn hoofd stonden; levendig, vroolüke oogen; borstelige, grijze wenkbrauwen; lange, buigzame vingers. Door de schaduw van zün lichaam genazen de zieken, het aanhooren van zijn vermaningen gaf aan stommen de spraak terug en aan dooven het gehoor Uit heel zijn lichaam scheen het licht te stralen van den heiligen Geest, die in hem woonde. ---