BEELDENDE KUNST. DE LUISTER VAN UW HUIS. door ALBERT KUYLE. Wij bidden het tallooze keeren. zonder het te overdenken: „hij beminde de luister van Uw huis". De ééne keer, dat wij het overdenken is de luistsr al te dikwijls afwezig dan dat wij iets zouden kunnen beminnen. Het is geen tegenstand onder katholieke „ het is zelfs geen wanbegrip, het is alleen' maar sleur.. Sleur is een makkelijk verzamelwoord en wij riemen het snel in den mond. Maar het is de naam van een der afschuwelijkste dingen, die gevonden worden. Sleur is een dikke, taaie brü. die èn den hardlooper èn den langzamen wandelaar even onweerstaanbaar, even klevend en zuigend vasthoudt en het voortgaan belet. Men kan worstelen tegen onwil, tegen hardnekkigen. koppigen onwil, tegen wanbegrip, tegen vijandigheid, tegen domheid, men kan het b ü n a niet tegen sleur. En onze katholieke kerken worden gebouwd, geschilderd, gemeubileerd. versicrd in één lange, doodende voertdurende sleur. Men behoeft werkelijk geen scherpslijper te zijn om dat nuchter en zakelijk te durven constateeren; men behoeft geen schoonheids-wellusteling te zijn om de bloemkool- en gieter-goihiek te verafschuwen, om het Kevelaer-goud verderfelijk te achten, om de ho- cus-pocusramen en de stapel-altaren te verwensenen. Ik ben geen aestheet. Ik kan even goed of even slecht bidden in een leelijke. en in een mooie kerk. Daar gaat hei niet om. Het gaat alle-en en uitsluitend om den eeredienst. Zoolang de schoonheid een eigenschap Gods is. en een Goddelijke eigenschap zal God gediend moeten worden in schoonheid. En ontbreekt daar in het meerendeel onzer kerken niet.het een en ander aan? Heeft Uw parochiekerk ook' die ramen, van onderen begonnen met kapiteelen en pilasters, met luiken en steigerwerken in goudachtig schijnsteen. van boven bekroond door pinakels en kruisbloemen en heisa-torentjes in denzelfden „stijl"? Heeft uw parochiekerk ook een kruisweg waarop Judas staat als een baardige idioot, zoo weggevlucht van het vroegere dilettantentooneel. zijn vuist gebald als in prijskamp-dramatische kramp, terwijl Christus voor Pilatus het gebaar is toebedeeld van een loopknecht die komt zeggen, dat het opperkleed van den Romeinschen landvoogd niet op tijd opgeperst kon zijn? Schilderde men in Uw kerk ook die mathematisch geslingerde lintwormbanderollen met opschriften die U niet lezen kunt. omdat U geen latijn leerde, en toch niet altijd een gedrukte verklaring mee kunt dragen? Hebben bij U de heiligenbeelden ook een gezicht waarou de angstige vraag te lezen staat: waarom liet men ons niet in het lindenhout. en waarom moeten wij er altijd zoo suf bij staan? Torsen deze hernel-helden bij ü. ook altijd dat gebouw in figuur-zaagwerk op het verheven hoofd? Bestaat bij U het communiekleed ook uit twaalf aan-een-gezette tusschenzetsels met een rand en een onleesbaar opschrift? Heeft het Mariaaltaar wel twee en dertig spitsen met gestileerd kreupelhout en het Jozefaltaar een gipsen bomvrije schuilplaats? Is het hoofdaltaar een miniatuur-nabootsing van de grotten van Han bevolkt met de neo-gotische poppenkast? Misschien is U gelukkiger als ik. Ik zoek met gretigheid naar eenigen luister, en ik vind niets. Ben ik een aestheet omdat ik zoo graag zou zien dat de priester die ons Ons Heer gaf gekleed was in een kleedij Zijn Heerlijkheid waardig? Ik zou gaarne Christus geheven zien in een monstrans, die eenigszins een waardige omlijsting van den Witten Luister zou vormen. Ik vraag niet om weelde. Misschien is het niet altijd goed om schatten op. te stapelen rond het altaar. Het tabernakel kan zóó gebarricadeerd zijn met kostbaarheden, dat onze gebeden misschien eerst met meer moeite doordringen tot Gods open hart. Maar ik vraag om een beetje oprechte liefde in deze zaken. We mogen niet verstarren. En ook op dit terrein bestaat er een verstarring die verkeerd is en leidt tot onrechtvaardigheid en al te snel veroordeel en. Als een pastoor of 'n koster uit sleur papieren paltnboomen bij het altaar zet, omdat hü levende planten of bloemen te lastig, te veel zorg eisenend vindt, of op- J ziet tegen den „smeerboel", vind ik dat triestig. Maar als ik de kleine meisjes van een Italiaansch bergdorp een lange slinger papieren rozen zie rijgen, die ze samen met een doodgewoon en vroom gebaar om de senouuers van üe Moeder Uous gaan liaiigen, vind ik dat mooi. Het is in eerste instantie de intentie, die het karakter van zoon daad gepaald. En die inienie leeft nu eenmaal doorgaansch zuiveider en ongesehondener in tiet volk, in liet gewone volk, dan in de middenklassen die in deze dingen maatgevend zijn. Len peeiboer, een gewone schaapherder of turt.^raver siak de wonderlijke plastieken, die ons in Vviegersina s breiseheien en versierde voorwerpen riewaard bleven, met een ongekunsteldheid en een primitieven, vereenvoudigden blik, die schooner en onvermoeder üingen semep dan sommige welverzorgde en zakeüjk at-geadiesseerde aieliers voor kerkelüke kunst ons te oleC-eil lieboeil. Ln toch is liet waariuk niet zoo moeilijk in het bezit te geraken van voorwerpen, met Heide vervaard.gd. w.er maker werkelijk den luister van Gods huis beminde, en van zijn heide getuigenis aflegde in liet prouu^i van een eerlijk vakwansUiap. En hier w.l ik aan mijn critiek al direct onttrekken de keiKei) en ue bedienaren ei van in dit lanu, die werkelijk moeite doen hei aan hen toevertrouwde veel van den openbaren Leiedienst luister en glans bij le zenen, ue dieioare atniuSleer van liun kerk voller en warmer te maken door bij de keuze van het benoodigde meer te letten op oprechtheid en sein.onheld dan op schijn en uiterlijke schittering. Het is niet waar dal het volk „nu eenmaal graag die dingen ziet." „Het volk", dat is niet liet kleine ;;etal van aan een verkeerde traditie en sleur gekleefde kerkbezoekers, die, wat zij noemen „waar voor hun geld" wilien iieoben. „Waar voor hun geld" beteekent üan met toch nog veel te veel geld betaalde Duitsche iabrieksbeelden, waarvan de oogen zoo flauw staan dat het schijnt of zij, op weg van de Joodsche fabriek naar hier, een onherstelbare kou gevat hebben. „Het volk" dat wil in dit geval zeggen, allen-die de»kerk bezoeken, zijn voor het meerendeel wel gevoelig voor atmosfeer en invloeden die daarvan uilgaan. Maar een specifieke gebedsatmosfeer hebben nog te weinig kerken in dit land. Het is niet vóór alles de ouderdom alleen, die die aan een kerk geeft. Zie üe proiestantsche kerken maar, die voor het meerendeel sinistere en troosteloos-holle vergaderlokalen zijn; het is eerder de liefdevolle overlevering van geslacht aan geslacht, van een ruimte en een licht waarin de waarachtig mooie dingen van iedeien tijd in een piëteitvolle vereering werden bewaard. ,Die gebeds-atmosïeer wordt geschaad door het smakelooze fabrieksproduct, en wordt bevorderd dooi een eerlijk, vakmatig, voorwerp. Gelukkig zijn er de laatste jaren in ons land telkens opnieuw mannen geweest, die met ernst en volharding trachtten hun kunstzmnigen aanleg aan de kerken en het kerk-interieur ten goede te doen komen. Het pas-verschenen jubileum-boek van het St. Bcrnulphusgilde. geeft, hoe dan ook. een nader oordeel moge uitvallen, blijk van een vroeger onmogelijk geachte activiteit. Naast het Sfe Bernulphusgilde, een vereeniging, bestaat er in Nederland een Sint-Beriiulphus-huis. Beiden gesteld onder het patronaat van denzelfden Vaderlandschen heilige, heeft toch het St. Bernulphus-huis als zoodanig met het gelijknamig gilde géén contact. Het St. Bernulphus-huis. in 1924 in Amsterdam gesticht en gevestigd (typische samenloop!) in een buis, destijds onder architectuur van dr. Cuypers z.g. gebouwd, stelt zich te" doel. het verzamelen van religieuze kunst voor kerk en huisgezin, en het daarna verspreiden daarvan En ik ben er van overtuigd dal het doel hetwelk de stichters zich stelden, metterdaad en op gelukkige wijze door het instituut wordt ge- •end. leder die ooit wel eens iets uitstaande had tnet den aankoop van bijvoorbeeld voor 'n kerk be- Boodigde gebruiksvoorwerpen of versieringen, weet koeveel moeilijke en teere punten daarbij opdoemen. Vooral waar het de begeerde en vereische goede verïtanuhouding tusschen kooper en maker, tusschen •^drachtgever en kunstenaar betreft. De heer Clemens Meuleman, leider van het St. Bernulohus-huis mocht, ondanks deze moeilijkheden reeds zeer dikwijls op gelukkige wijze tusschenpersoon zijn voor beide partijen. Gelukkig groeit immers voortdurend het aantai Priester... dat zich persoonlijk op de hoogte wil stelen van wat de „nieuwe" en veel omstreden kunstenaars van eigen tijd te bieden hebben. En zoo kan het dan gebeuren dat een kelk. een kazuifel, een rijzig beeld, gisteren nog stil en rustig Verlicht door het matte licht van Amsterdam, morgen «vend én heerlijk wordt opgenomen in het interieur Van een verre kerk. Dat de kelk die ik vandaag 'iOg ™ mijn handen houd, en keurend bezie, morgen, overmorgen het gouden gewelf vormt waarin Christus' "chaam rust. En des te critirchcr durf ik het werkstuk bezien. . Alleen voor wat de kerkelijke gewaden betreft jjeeft het St. Bernulphus-huis zelf een atelier waarin leze worden vervaardigd. Joanna Wichmann, een artiste met smaak en gevoel, maakt daar haar arbeid d'enstbaar aan de behoeften van den Eeredienst. Haar ™erk heeft een fijne, overwogen kleur, een zekere ttuiiglieid en vrouwelijke rust. De gewaden zijn. Bin- Oen de grenzen van de -liturgische eischen afwisselend en soms büna speelsch, altijd gedacht als kiee|"ng, en niet als tentoonstellings-stukken aan welke ledere plooi of vojiw schade doet. De moderne plastiek kreeg een beduidende ruimte |°t hare beschikking, en de in het St. Bernulphus"Uis aanwezige collectie verraadt den speurzin en Ver over de grenzen gaande belangstelling van den jeider. De religieuze plastieken van onze moderne "cllandsche beeldhouwers zijn bijna alle vertegenwoordigd. Naast de oprechte, eigentijdsche kunst Wnderen de dood-gestyleerde figuren van een anuere Sroep, die meende met het recht-buigen van de lün S°k de kromme van dan tijd te kunnen te niet doen. pen Italiaan, Aloïs Senoner, boeit door eerlijk werkjnanschap, door een op eischen van kerkelijke eenvoud en ingetogenheid afgestemde eigen vorm. Verschillende van zijn beelden verraden een bekwamen. •jet materiaal beheerschenden beeldhouwer, die de pstalten met liefde oproept uit het vormeloos hout. ™ sommig werk van Albert Termoote is een forsch j^Sin en dt. rust van een naar hefklassieke gerichten «eest. . De twee edelsmeden Brom zijn vertegenwoordigd «oor een aantal gebruiksvoorwerpen en kerkelijk vaatwerk. In kandelaars, processielantaarns, wierookvaten en dergelijke vind ik de schoone eenvoud, ™elke de kerk vraagt. Niet alles is even volumineus 'n beheerscht tot het einde gevoerd. Een enkele maal ''akkert de lijn en is teveel geofferd aan de „gewoon.?e|ds"-eischen van een voorbij tijdperk, maar verreweg het grootste deel van dit werk is t rou w in den «oeden zin van het woord. Ik kan moeilijk een beter 'wOord vinden. Het duidt voor mij een gemengd begrip aan. dat . vakmanschap, materialenkennis, eerlijkheid, stijlver- F'ogen en artisticiteit vereenigd. De lineatuur en de Verhouding van dit werk spreekt makkelijk en vraagt *een „uitleg". j. En daarom behoort het tot het weinige waarop de 'efde van den naar schoonheid gerichte en de inte- JfSse van het breede publiek zich gelijkelijk richten •öag. «outen, 1929. Jan Eloy en Leo Brom: Zilveren Kelk. Aloïs Senoner: Sint Christoffel. Joanna Wichman: Kazuifel. Joanna Wichman: Détail van een koorkap. ---