Duitsche le tteren ILSE VON STACHS DIALOOG-ROMAN. dor FRIEDRICH MLCKERMANN S. J. Het liefste schreef ik de bespreking van dit boek. u dialoog-vorm de rechten van de vrouw bepleit, eveneens in den vorm van een twee-gesprek. Het m-eest kwamen hiervoor als dialoog-sprekers in aanmerking Vitiona Colonna en Michel-Angelo. Misschien beter nog Michel-Angelo en Mona-Lisa — de grooten met hun ondoorgrondelijken glimlach, waarin zij hun tragiek verbergen, overal waar de strijd voor de waarheid met artistieke wapenen gevoerd wordt, heeft de cntiek een moeilijke taak. Men laat zich zoo spoedig verleiden omwille der schoonheid de dwalingen te vergeven — her valt zoo moeilijk iemand met een schoonen wapenrok den degen uit de hand te slaan. Hier is 't een troost dat men de schrijfster zelf buiten schot kan laten. Want al wat hier gesproken en gemotiveerd wordt, zetten we alleen op rekening van de personen, die in dit edel kampspel optreden. De schrijister dient geprezen om de grootsche visie, waarmee ze dit werk schiep — onze critiek keert zich dus enkel tot degenen, die eenzijdig oordcelen, deels omdat zü als heidenen de christelijke wereldorde niet kennen, deels omdat zij leven onder den doem van een bijzonder levenslot, zooals b.v. Galilei. Waren de hier voorgestelde vrouwen ontw.kkeld, dan had men beter gedaan haar wat omzichtiger woorden in den mond te leggen over de vraagstukken der theologie. Hetgeen van St. Paulus woorden over de vrouw alleen voor 'n bepaalde christengemeente van Corinthië bedoeld was en wat voor de geheele christenheid beteekenis moest hebben — kan toch slechts beoordeeld worden door iemand, die degelijk onderlegd is in de leer der exegese en traditie. Ook d-e mannen hadden zich beter iii hun rol moeten inleven. De natuurkenner Galilei hoeft om zijn kennis der natuur nog geen goed bijbelkenner te zijn. Zijn bewering is juist, dat de H. Schrift geenszins de bedoeling heeft een leergang te zijn in de natuur-wetenschappen. Maar uit zijn woorden komt slechts vaag tot uiting, dat God zelf volgens de H. Vaders de auteur der H. Schrift is en dat zü daarom zonder feilen moet zijn. Aan dit feit verandert de omstandigheid niets, dat deze schrijvers zich in hun profane verhandelingen aanpasten aan den geest van den tijd en haar onvolkomen wetenschap. Zoo was de uitroep van Josua: „zon sta stil" evenmin een dwaling, als onze opvatting omtrent den opgang der zon. welke opvatting in 't geheel niet strookt met het wereldbeeld van Copernicus. Valsch zou zijn te meenen. dat een profaan-wetenschappelijk feit nooit eenig innerlijk verband kan hebben met het dogma. Het ware heel goed mogelijk, dat men uit de openbaring consequenties kan trekken zoowel voor de rechten als voor de plichten der vrouw, welke men vergeefs uit de biologie zal afleiden. In dit opzicht meen ik in menig gesprek een zekere eenzijdigheid en Rechthaberci te bespeuren. Dat deze vrouwen in haar optreden zeer diplomatiek zijn is een goede noot voor de artistieke methoden van de schrüfster. Ze verzwijgen, dat er bij de joden ook een Deboiali en 'n Judith geweest zijn. want dat zou haar heele theorie over de joodsche vrouw aan het wankelen brengen. Van den anderen kant zijn ze zoo geflatteerd (en telkens komen ze er weer op terug) over een uitlating van Tacitus, volgens dewelke in den raad der Germanen eens 't oordeel ingewonnen werd van een wijze vrouw, dat men uit hoffelijkheid liever zich niet herinnert, dat de Germaansche mannen hun vrouwen zeer slecht hehben behandeld. Immers de zwakke kunne had al het werk te verrichten en haar lot was in ieder opzicht erbarmelijk. Schoone Artemesia, wist gij dat niet? Misschien had men over de Romeinsche matrone iets meer waardeerends kunnen zeggen, want de moeder der Gracchen was immers niet de slavin van den man. doch de trotsche moeder harer zonen. Over Caesar en Cleopatra zullen we maar beter niet reppen, want hun verhouding was 'n duister mysterie: trouwens veel is er met betrekking tot de vrouw niet uit te leeren. Jammer, dat deze Tacitus zich steeds maar met Artemesia bezighoudt, van wie de historie ons zoo weinig verhaalt. 700 lezen we: Aber wenn der jüdische Messias Jesus sich in der Tat zu einem Grosskönig herauswachst und mit dem ungeheueren Aufgebot unserer römisch-mannlichen Macht, die Barbaren iiberwindet — so glaube ich doch, dass diese germanischen Marmer die Flecken unserer Verderbnis auf dem strahlenden Kónigsschild erkennen werden. In der Fülle ihrer eingeborenen Reinheit und Schönheit werden sic nicht zugeben, dass der neue Grosskönig eines Tages atich seine Schlacht bei Salamis verliert — (lachclnd) weil er den Rat der Artemesia nicht höreri wollte. — den Rat der königlichen Frau, auf den zu achten sic gewöhnt waren." Was hier in de plaats van Artemesia b..v Roswitka of St. Elisabeth -aan 't woord geweest, zoo zou deze Tacitus een visioen van de Onbevlekte Moeder Gods getoond hebben en zij had zulks ook in verzen kunnen doen — een visioen van zulk een verheven heerlijkheid, dat daartegenover de moraliseerende notities van Tacitus over de waardigheid van de Germaansohe vrouw (of liever van het Germaansche arbeidsd'er, dat 't in werkelükheid was) in 't niet v° zonken waren Onze Lieve Vrouw was !■• .uk van Rome aan de Germanen, dat ook de Germaansche vrouw verlost heeft uit haar vreeselrjk bestaan. Hoe is 't mogelijk, dal in dit boek, dal het vrouwenvraagstuk In het licht van de religie behandelen wil, niet eens sprake is van nna? Ook mis ik hier de klaarheid in opzet en bewijsvoering: onduidelijk is wat schrijfster met dit werk eigenlijk bedoelde. Nu ndelt het over het moeder-ideaal, over het diep-vrouwelijke. Dan opeens weer een geheel ander probleem: zooals b.v. die dialoog van Galilei met zijn dochter, die zich beklaagt met gestudeerd te hebben, hoewel zü veel begaafder was als haar broeder. Hetgeen hier behandeld wordt over het moederen vaderrecht, is iv den grond iets veel meer omvattends. Ook wat het patriarchale en matriarchale beginsel aangaat, doet men goed er aan te denken, dat op dit punt de wetenschap nog weinig gefundeerde kennis heeft te bieden. Indien thans een alvermetigende zondvloed over Europa kwam en er zou na 1000 iaar b.v. een natuurvorscher opstaan, die in de puinhoopen van Nedeiland de beeltenis van koningin Wilhelmina zou vinden, dan zou hij heel gauw de thesis kunnen poneeren. dat de 20ste eeuw onder het moederrecht gestaan heeft. Ook Jeanne d'Arc schijnt bij al haar onschuld iets van de list der slangen te bezitten, wanneer zij Paus Pius X wijs wil maken, dat in haar tijd alleen die vrouwen verbrand en achtervolgd werden, wanneer zij een goddelijke zending hadden — immers zooiets is Ook menigmaal bij mannelijke profeten voorgekomen. Trouwens staat Pias X hier als Paus in een ietwat precaire positie. Want hij had immers Jeanne kunnen uiteenzetten, dat volgens de leer van het christendom zoowel de vrouw als de 'man als een vrije persoonlijkheid beschouwd moeten worden, immers beiden zullen eens voor Gods Rechterstoel moeten verschijnen en rekenschap moeten afleggen van hun leven. Is hij dus een geestelijk zelfstandige persoonlijkheid, waarom kan zü zich dan niet van die taak kwijten, waartoe haar vermogens haar praedis-ooneeren? Wat is belangrijker, de geest en de ziel of de sexe en het bloed? Zijn het geest en ziel. dan mag de vrouw trotsch het hoofd heffen. Want zij is uit de slavernij verlost. Zij kan principieel alles dcjen. wat der menschelijker natuur practisch mogelijk is! Zoo de openbaring haar in dit eene onz'crit beperkt, dat zij geen priester kan zijn in sacramentcelen zin. zoo duidt zulks geenszins op eenige natuurlijke minderwaardigheid. Maar is er bovendien nog het bloed en het geslacht. De biologie zelf verdeelt hier de rollen, die immers verschillend zijn voor man en vrouw. De natuur wijst beider geslacht haar bijzondere wegen aan. Komt men hier tot de consequentie, dat In het huwelijk de man het hoofd der vrouw is. zoo kan deze gevolgtrekking niets veranderen aan de onaantastbare rechten, die uit de vrije menschelijke. in Christus herboren persoonlijkheid voortvloeien. Ook in het christendom is er nog zoo iets. dat men de tragedie der vrouw zou kunnen noemen. Hier het leed verzachten is een edele en hooge opgave en ik zou de vrouw, die deze dialogen schreef, gaarne daarbij willen ondersteunen. Doch ik zou een andere methode prefereeren: meer gewin en succes ver•wacht ik zoo ik in haar gelederen strijd onder de schi~.se van de Moeder-Maagd met het Goddelijk Kind. dan onder het vaandel van een Cleopatra en een Artemesia — die ons in den grond zoo heel weinig aangaan. Ilse von Stach. Die Frauen von Korinth. Bergstadt. Verlag. Breslau 1930. --- Engelsche letteren EEN AMERIKAANSCH OORLOGSBOEK. door JOS. PANHUIJZEN. Ernest Hemingway, een Amerikaan heeft een oorlogsboek geschreven, dat vooral in Engeland haast unaniem geprezen en daarom misschien ook veel gelezen wordt, hoewel het eigenlük geen aantrekkelijk boek is. Werkelijk geen aantrekkelijk bock. De Engelsche professor, wiens naam ik vergeten ben, die de contemporaine literatuur in twee groopen verdeeld, pleasant litterature en unpleasant litterature, zal het zonder twijfel onder de tweede groep rangschikken. Nu zijn oorlogsboeken doorgaans ook niet bepaald pleasant, het kan ook moeilijk anders, maar voor dit oorlogsboek kan dit zelfs geen verontschuldiging zün, want het is eigenlijk geen oorlogsboek. De oorlog aan het Italiaansche front wordt er in groote fragmenten zeer suggestief en plastisch in weergegeven, maar de oorlog blijft slechts achtergrond, achtergrond voor een liefdesgeschiedenis, en liefdesgeschiedenissen plegen of plachten pleasant te zijn. Deze geschiedenis is dat echter niet. Het is de geschiedenis van een Engelsche nurse, Catherine, en van een jong* Amcrikaansch architect, die voor den oorlog in Rome studeerde en als officier in het Italiaansche leger dienst nam. Zij zijn geen van bei- Jen geloovig en zij zijn voornemens wanneer de omstandigheden hen daarvoor geschikter lijken, een huwelijk te sluiten en zoo hun verhouding wettelijk te bestendigen. Er gebeurt eigenlijk vrij veel tn dit boek, maar men heeft bijna nooit het gevoel als of er veel gebeurd. Frederic Hcnry de hoofdpersoon wordt ernstig gewond en komt in het hospitaal, waar hij verpleegd wordt door Catheritie en waar hun verhouding eerst werkelijk begint. Als zij reeds weet. dat zij een kind zal krijgen, is hij in zoo verre hersteld, dat hij weer teruggestuurd wordt naar bet front. Bij de groote doorbraak der Duitschers in 1917 moet hij vluchten, hij wordt bijna door de militaire politie gefusilcerd om deze vlucht, maar hij weet zich nog te redden door in een rivict te springen en zwemmende te ontkomen. Als blinde passagier op een militairen trein komt hij in Milaan, waar hij verneemt dat Catlierina hi Stresa is. Van een vriend krijgt hij burgerklecrcn en hij vertrekt naar Stresa waar hij Catlierina weervindt. Na enkele dagen moeten zij echter reeds vluchten en in een rcgenaclitigeti nacht roeien ze beiden het meer over, 35 kilometer, en bereiken Zwitserland. Een tijd later sterft Catlierina, bij haar bevalling, in een hospitaal in Lausanne. Het boek lijkt dus nu en dan, wat het gegeven betreft, romantisch genoeg, maar als men het leest is het dat nooit. Het is alles even gewoon, de verwonding, de vlucht op den trein, de vlucht over het meer, zijn even kalm, even nauwkeurig, even lucide weergegeven, als alle andere momenten. Frederic Henry laat nimmer het omringende zoo op hem inwerken, dat zijn blik op de dingen aan scherpte verliest. Dit boek is een boek van het zien, visueel, en op een buitengewone wijze, maar niet alleen vl" sueel, ook inwendig, het is niets dan waarneming en zeer zuivere door niets te weerhouden en door niets te vertroebelen weergave van die waarneming. Het is een verslag, het is, tot op zekere hoogte, een droog verslag. De zinnen zijn zeer kort over het geheel, de gesprekken nog korter. Het is niets dan noemen, noemen van gczichtsbeelden, gehoorbeelden, smaakbeelden, noemen van inwendige ervaringen, en gevoelens. Alles lijkt er even belangrijk in, de kast die in de slaapkamer staat, het gezicht op het meer en het hoofd van het hospitaal, van elk ding worden de essentieelg eigenaardigheden gezien en weergegeven. Soms komt het den lezer voor dat er zelfs niet gedacht wordt aan verband. Het moet buitengwoon moeilijk zijn geweest voor Ernest Hamingway om zulk een boek te schrüven, maar somwijlen heeft het den schijn of er niet de minste moeite aan het schrijven besteed werd. „There's a dass that controls a country, that # stupid and does not realizc anvthing and never can. That is why we have this war". „Also they make moncy out of it?" „Most of them don 't ", said Passini. ..They are too stupid. They do it for nothing, for stupidity". „We must shut up", said Manera. „We talk too much even for the Tenente". „He likes it", said Passini. „We will couvert him" „But now we will shut up", Manera said. „Do we eat yct?" Gavuzzi asked. „I will go and sec", I said. Maar dezelfde stijl, die trouwens ook maar oogensclüjnlijk, met al zijn herhalingen, onverzorgd lukt, weet in zijn nauwkeurigheid en droogheid de meest moeilijkste beelden ervaringen plastisch en overtuigend weer te geven. „1 ate the end of my piecc of cheese and took a swallow of wine. 7'hrough the other noise I heard a cough, then came the chiih-chuh-chuh-cliuh-thcn there was a flash, as a blast-furnace door is swung open, and a roar that started white and went red and on and on in a rushing wind. I tried to breath, but my breath would not come an I feit myself rush bodily out of myself and out and out all the time bodily in the wind. I went out switfly, all of myself and I knew I was dead and that it had all been a mistake to think you just died. Then I floated and instcad of going on I feit myself slide back. I breatbed and I was back. The ground was torn up and in front of my head there was a splintered beam cf wood. In the jolt of my head I heard somebody crying. I thought some body was screaming. I tried to move, but I could not move. I heard the machineguns and rifles firing across the river and all along the river. There was a great splashing and I saw the star-shells go up and burst and float whitely and rockets going up and heard the, bombs, all this in a moment, and then I heard close to me someone sayi/ig? Mama mia! Oh. mama mia!" Dit is zien en waarnemen, dat tot een zeldzame volmaaktheid werd gebracht en in al de oorlogsboeken, en het zün er vele, zullen weinig fragmenten aangetroffen worden, die zoo sterk, zoo zuiver verslag, en tevens zoo plastisch zün als dit. Dit zien is door het geheele boek zoo hevig, dat het, men zot zeggen, haast ongewild doorzien wordt, telkens efl telkens weer. Over het hoogere geestelijke leven van den mensch wordt bijna niet gesproken. Als iemand aan Frederic Henry vraagt of hij gelooft, zegt hij. „At night" Dit is geen spot, het is zuiver het consta» teeren van het feit. Maar/in de figuur van den jongen priester, den jongen aalmoezenier, weet hij alleen door het weergeven van zün zeer eenvoudige waarnemingen al de grootheid en al de liefelijkheid van iemand, die God liefheeft, vast te leggen, in Rinaldi, die zich inbeeldt aan een venerische ziekte te ljjden, weet hij, naast de goedheid die ook ontwijfelbaar in dezen menSeh ondanks alles, leven bleef, al de hopeloosheid der verdorvenheid te beelden, ofschoon niets wordt afgekeurd. Frederic Henry zelf. de hoofdpersoon, die men niet met den schrijver van liet boek moet vereenzelvigen, toont door al de nuchterheid van zijn verslaggeving heen de diepe aan-_ hankelijkheid voor menschen en dingen, die misschien juist te sterker spreekt, omdat al het lyrische aan dit boek geheel vreemd is, en hij toont, ongewild misschien, de verschrikkelijke krachtsinspanning, den bewondcrenswaardigen moed om dit leven zonder uitkomst, zonder hoop dan de schikking va* het oogenblik, zonder eenige diepere zekerheid, zo» klachteloos te dragen. Al deze notities van tijdelijke en vergankelijke dingen, al dit aanvaarden zondef meer, zonder een vraag om meer hoop en zonder de genade van het dieper doorzicht, dat ontbreken blijft tot het laatste toe, krijgt ten slotte de gespannenheid van het ondragelijke en achter al deze kalme gesprekken en overwegingen, deze allengs vreesweke kend kalm geworden aaneenschakeling van feiten schijnt zich een wanhopig en mateloos verlangen te verbergen, met moeite slechts weerhouden. In een onzer katholieke bladen werd de aandacW op dit boek gevestigd en daarom meende ik goed to doen het ook hier te behandelen, maar ontsparmingslectuur zooals het daar werd genoemd is het zeef zeker niet. Ontspanninglectuur behoort amusant to zijn, dit boek is het tegendeel van amusant, ontspan» ningslectuur dient geschikt te zijn voor den door» sneelezer, voor den doorsneelezer is het beslist o** geschikt, er staan zeer verkeerde ideeën in uitgesproken, het spreekt nergens eenige afkeuring nW over welke handeling dan ook, en sommige uitdrukkingen, die er in voorkomen, zün stuitend, al zijn zi artistiek volkomen verantwoord. Het is geen ontspanningslectuur, integendeel, het noopt tot een vrif groot voorbehoud en is alleen geschikt voor gees» telijk volwassenen, die, zooals Priestly het Sn een a*" tikel over dit boek uitdrukt, beschikken over a gooé head and a stout heart, en die. ondanks de bovengenoemde bemerkingen, het goede en den onmeè» doogenden waarheidszin ervan kunnen waardeeren. Ernest Hemingway: A Farewell to Arms. London, Jonathan Cape. 7/6. Een der Toonzalen van liet Sint Bcrniilphus-huis. waarover Albert Kuyle in dit blad spreekt. ---