Feuilleton. VAN EEN OUDEN KONING. door E. BROEN. Zeer vele, vele jaren geleden, toen de menseben nog niet zoo haastig en ongeduldig waren als in dezen tüd der auto\ en zij nog niet wisten van veel harde en booze di*r,en als oorlogen, hongersnood en aardbevingen, leefde er eens in een ver groot land een oude koning. Hij was niet alleen oud, maar ook zoo goed en wijs en rechtvaardig, dat zijn volk zeer veel van hem hield. Veel menschen zeiden echter, dat de koning nooit zoo verstandig het land zon besturen, wanneer hij net zulk een flinke en verstandige vrouw naast zich had. En dat was zoo. Want de koningin had alles geleerd wat er maar op de wereld te leeren valt. Zij kende evengoed harpspelen als dichten, en schilderde even mooi ais ze zong. Ze speelde nog beter schaak dan de koning zelf, en op jacht was zij gewoonlijk de eerste, die het wild trof. Het meest wonderbaarlijke was echter haar groote wijsheid. Want zij had alle boeken, die er in dien tijd al op de wereld waren, gelezen en bestudeerd. En zij kende de sterren misschien nog beter onderscheiden en bij den naam noemen dan de tuinman van den grooten paleistuin zijn bloemen en planten. Er was maar één ding op de heele wereld overgebleven, wat zij niet had kunnen leeren. En dit was: te zwijgen over haar groote wijsheid. Waar ze ook rondzwierf, daar redeneerde ze over allerlei geleerde dingen, zoodat de koning er bijna hoofdpün van kreeg. De koningin gaf daar echter weinig om en werd steeds maar flinker en wijzer, tot zij tenslotte zoo streng en geleerd was geworden, dat de koning zijn warme en sterke liefde onder haar koele oogen voelde bevriezen. En dat deed hem zeer veel verdriet. Het gebeurde nu op een goeden dag, dat aan het koningspaar een dochtertje geschonken werd. De koningin werd zeer zwak en voelde dat ze spoedig sterven ging. In de laatste oogenblikken van haar grooten doodsstrijd viel voor het eerst heel het stijve omhulsel van haar geleerdheid af. en ze klemde zich als een hulpeloos kind vast aan den ouden koning, die voor het eerst deze diepe liefde in haar blikken zag. Maar na enkele uren sloot ze haar moede oogen. De oude koning peinsde, dat wil in dit leven steeds te laat komen, én dacht zich zeer veel wijzer geworden. Zün kleine dochtertje, dat hij Cunegonde doopetfliet. was nu nog de eenige troost in zün eenzame leven. Zü groeide tot een mooi. klein prinsesje. D* wijze koning echter, die al te veel geleden hao onder de blinkende geleerdheid van zijn koningiü. voedde de kleine Cunegonde ver buiten het paleis op. Zij woonde, in een klein, wit slot, begroeid met lan^e klimopranken, zag alleen maar heel eenvoudige, goede menschen om zich heen. en speelde enkel met de vogels, planten, kleurige steenen e* bloemen. Want hij wilde niet. dat Cunegonde ooi maar een duizendste zou weten en kunnen van alles wat haar geleerde moeder geweten en gekund ha4>' En dit lukte den wijzen koning dan ook zeer goed. Want even wonderbaar-alwetend en scherpzinnig als de vroegere koningin was. zoo onwetend doffll werd de kleine Cunegonde. Nu gebeurde het juist in dezen tijd. dat er in hel land veel gesproken werd over een zeer knappen man. Hoewel hij nog heel jong was. had hij net toch al zoover gebracht, dat hij zich een vlieg"-machine met gouden vleugels had gebouwd. Wanneer hij opsteeg en als een blinkende stip in het onzichtbare wegdreef, zeiden de menschen, dat bil langs de zon en maan ging vliegen. Maar och, dl» domme menschen wisten ook niet veel. nog niet Jet duizendste van alles, wat de koningin geweten bad. , Toen de oude koning op een morgen weer naar {j£t kleine, witte slot van Cunegonde reed. vertelde {m daar zijn dochtertje van het wonderlijke geval, net kleine prinsesje lachte blij. en zei dat ze het een j-rg mooi sprookje vond. En toen de wüze vader "aar daarna uitlegde, dat dit werkelijkheid was. kon 2e van pleizier niet slapen en niet eten, en wilde heet ongeduldig dadelijk het wonder zien. , En op een stralenden lentemorgen, toen de zon al "Oog in haar dagboog gestegen stond, beleefde Cune- Sonde het eindelük: een gouden vogel, die statig de zon wiekte en in het licht versmolt en verdween. Wül haar oogen pün deden van het staren in "e blauwe ruimten, vroeg z» eindelijk met een il|cht: „Zou ie nou niet denken, dat hü nu met zün Kouden vleugels langs de wolken strükt en met "e sterren bal speelt —?" Niemand had haar ooit Sezegd, dat de sterren geen gouden ballen, maar ïroote. groote werelden waren. En de koning glim'Schte om zün dom prinsesje, en dacht, dat hü zijn |jpel bereikt had. Want het was hem werkelijk gelukt, J" Cunegonde een meisje te maken, die niet dacht •n niet vroeg maar die het leven nam zooals het was. of zooals het scheen. d| 'oen de knappe wolkenvlieger weer aan de aarde "cht bij Cunegonde neerstreek, zei ze hem vol stralende bewondering: „Je bent de knapste man van de wereld; jou wil ik trouwen." Dat zei Cunegonde. Want zü had nooit geleerd haar gevoelens te bewaren of te verbergen. De jonge vlieger kuste haar oogen. die wel blauwe bloemen leken, en legde haar kleine handen aan zijn hart. „Maar hoe zal ik nu weten, of ook iij van mü houdt?" vroeg de kleine prinses, en zij dacht voor het eerst van haar leven na. Want in de sprookjes trouwden de prinsessen pas. wanneer hun prinsen eerst door een dappere daad hun liefde bewezen hadden. * Zij had het gevonden. „Stug opnieuw naar de wolken en de sterren breng een van die gouden ballen voor me mee " De vlieger lachte, en streelde haar blonde haar. „Weet je dan niet, dat de sterren geen gouden ballen zijn ?" „Dat is niet waar," stampte de kleine prinses huilend met haar voetje. „Je wilt niet. je durft niet, ie kunt mijn allereersten wensch niet eens vervullen ga maar " Toen glimlachte de vlieger pijnlijk en stapte in zijn vliegtuig en steeg op. Maar toen hij weg was. deed het hart van de kleine prinses zóó zeer. of het zou breken, en ze snikte drie dagen lang. zonder ophouden. Ze beloofde zich zelf nooit meer iets te wenschen. wanneer hü maar terugkwam. Toen, de koning van het geval hoorde, ontbood •*" den knappen vlieger onmiddellijk, en beloofde hem het heele koninkrijk, wanneer hü Cunegonde's ger..aal wilde worden. Binnen een maand vierde het heele land de bruiloft van het nieuwe koningspaar. En heel het volk juichte hen toe en hoopte, dat zü gelukki i zouden zijn. Maar hoeveel de ionge koning ook van Cunegonde hield, na een poos maakte de domheid van zijn -koningin hem wrevelig en ongeduldig, en hij voelde zijn geluk verminderen.... Zün dagen werden bitter door het leven met een zoo dom schepsel...^ ZM twistten Eindelijk werd hun liefde haat Daar was eens een koning, die trouwde met een zeer geleerde prinses. Maar hü was nooit gelukkig. Daar was een andere koning, die trouwde met een heel dom prinsesje. En ook hij moest zich bekennen niet gelukkig te zün De oude koning was aan het eind van zijn leven. Hij had nu zooveel gezien en zooveel geleden, éat hij heelemaal wit was geworden, en met gebogen hoofd liep. En hij sprak weinig en zweeg zeer veel. En peinsde hoe wij in dit ieven altijd te laat komen, en besefte, hoe weinig wijs hij na al die iaren nog was. En pas toen bezat hij de allerhoogste wijsheid --- MUZIEK DR. JOH. WAGENAAR. door A. v. d. BOER. Het is een meer dan aanlokkelük werk een psychologische studie te schrijven over den sympathieke» en bevoorrechten musicus dr. Joh Wagenaar, ten eerste omdat zün edel en eerlük open karakter ztjn gansche intensieve wezen in klare lijnen voor ons openlegt, en ten tweede omdat zijn alleszins dichtst nabije aanraking met onze waarachtige Hollandsen? muziekidee, zoo hiervan in eigenlijken zin nog sprake kan zijn. ontegenzeglijk de grootste bevoorrechting bezit. Want na Verhuist, met zijn verdwaalde Calvinistische muziek-karakteristieken, en na Rich. Hol wiens muziek-intenties, door een tekort aan psvehologisch-phylosophische wereld-omvattende gewas*» wording niet in staat waren zelfs een zwakke re^ lexie van den schitterenden glans onzer 16e en 17e teuwcrs reïncarneerend op te vangen, zoodat onze waarachtige Hollandsche muziek tot een allerbedroevendste nationale decadentie vervallen is. schünt dr Jolian Wagenaar ons de eenige die. alhoewel gemengd, nog het zuiverst een zekere Hollandsche muziektraditie in zijn werk gehandhaafd heeft. Johannes Wagenaar werd te Utrecht geboren «on len Nov 1802 en ontving zijn muzikale opleiding aan de muziekschool van Toonkunst aldaar, onder leiding van Rich. Hol Later studeerde hij nog eemgen bid orgel en contrapunt bij Sam. de Lange in oen naag, terwijl de contrapunt-studiën voortgezet werden bij hl von Herzorgenberg te Berlijn. Hij was eenige jaren als altist verbonden aan het Utrechtsch •■tedelijk Orkest Werd later organist van de Domkerk en directeur van de Utrechtsche Muziekschool. en nam de leiding" on zich van het Utrechtse') a eapelle-koor. Utr. Muzikalen kring en van Utr. Man"enzaugvereenigiiig. Wagenaars inspiraties en universeel conceptievermogen, die. in den grond der zaak. domesticaa! van aard zün gebleven, bezitten zoowel paedago- Xisch-interpreteerend als. psychologisch-creëerend. een zich wijd-uitlevende intelligentie; doch ook hier nebben de omstandigheden den Kunstenaar gevormd en hem psychologisch gebeiteld en geformeerd naar hun eigen, eenigszins begrensde, wezensinnerlijkheid. Een optimistisch kunstenaar met een fel vibreeren*e, idealistische levensopvatting, zooals dr. Wage"aar, is in hooge mate ontvankelijk en zeer vatbaar Voor alle mogelijke sympathieke indrukken. Zijn psychische aanvoelbaarheid is. als 't ware. van een ■roze substantie, wier gouden voelhorens telkens overladen worden met de wonderlijkste emoties, daarvan men. zonder veel moeite, de fel ageer.'nde inwerkingen oniwaren kan. Dezulken zijn niet zoo 2eer streng omsloten door hun eigen ikheid dat de Verdieping insluit, maar meer spontaan omlijst met 'en amicale charme, meer direct zich gevend of uit- Jevend onder de bekoring van deze of gene stree- Jende aanraking. Hun vermogen om die aanraking •antastisch tot een tweede werkelijkheid om te zetjen werkt sneller, enthousiaster, zoodat men gemakkelijker de wüze van ontstaan dier nieuw geboren schoonheid kan vaststellen. Men kan dan ook nauwelüks over dr. Wagenaar «enken of schrijven zonder zich zijn geboortestad Utrecht, met al haar locale eigenaardigheden en vermaarde muziek-instincties. te herinneren. Want zoo *emand, dan is 't Wagenaar, die feitelijk (het klinkt wat vreemd) aan Utrecht zijn grootheid te danken *eeft; daar. en dit moet er oogenblikkelijk op volgen, «■e ook Utrecht met ontzaghjke weldaden aan zich jjeeft verplicht. Wij geven er hier geen historische, cncyelopaedische opsomming van. hoe hij in deze vermaarde Muziekstad zijn essentieele volgroeiing geeft bereikt, men kan dat overal lezen, maar wij Hadden deze inleidende aanhaling noodig. juist om de «eer overeenstemmende psychologische geaardheid van dezen kunstenaar met zijn geboortestad. Een zeer bijzondere karakertrek treft ons al dadelijk eU de psychologische beschouwing van dezen paedafcoog-componist, en wel een zekere domesticale gemoedelijkheid een meer locale, dan wel universeele ■'tlevinjg der dingen; terwijl toch ontegenzeglijk zün j-ssentieele aanvoelbaarheid een beslist cosmooolitisc.i «arakter draagt. Niet alleen in zijn omgang als mensch. maar vooral ook in zijn compositorisch «alent, dat bij een fijne muzikale charme, ook een ïroote voornaamheid van intelligentie vertegenwoordigt, vinden wij hiervan duidelu'k de sporen. Zün '"muntende paedagogische geest met zijn veelvertakten speurzin en gevoelige liefde voor vriend- Schap, die haar wisselwerkenden invloed op zijn eRen zieleleven en geestelijk-muzikaal vernuft niet onthield, stelde hem in staat tot het bereiken der meest eigenaardige resultaten, en nu komt het heel Natuurlijke; hoe meer en heftiger nu de wederkeerige wisselwerking ontstond, des te meer • kwam de j>roote. begenadigde Wagenaar als ongeweten in den oan zijner hem zielsdierbaar geworden omgeving. *oo boeide hü aan den eenen kant ten volle uit tot een pracht van menschelijkheid. die ontroerde, terwijl toch aan den anderen kant de groei van zün universeele miiziek-intuïtie eenigszins er door werd tegengehouden. Zü'n compositorisch talent bleef. Gode zij dank, wel actief in hem, zijn psychologische ontwikkeling ligt er duidelük in ten grondslag, maar veranderde, kreeg een andere kleur, wel een zuiver individueele, maar toch ook van minder universeele- Individueele expressies. Mogelijk ook heeft deze inwerking in hem een geheim dualisme veroorzaakt, een soort strüd tusschen zün intensier universeelen aanleg en de locale verhecrlüking door de daar zoo even besproken vriend.» schappelüke omgeving. Straks zullen wij zien in hoever dit dualisme zich vooral in zijn latere werk manifesteert. En d&a Utrecht heeft Joh. Brahms altijd op zeer eclatante wijze vereerd en gehuldigd, en de invloed van deze wel wat dl te spontane Brahms-vereering heeft ook dr. Wagenaar niet gansch en al kunnen omzeilen. Evenmin als zün groote liefde en vereering voor Berlioz. den felsten tegenhanger van Brahrns. wiens weldadigen invloed hij niet heeft kunnen ontfoopen. Men ziet een hisch gehe king van elkaar bestrijdende elementen. Zoo getuigt o. m. zijn Cyrano-ouvertttre eerste, zijn Symfonietta van het laatste; Saul eu DaviJ van beide. Ho; meer wij ons hierin verdiepen, des te duidelijker wordt ons zijn gansche creatievermogen en zien \. >!ute werking der locale levensomstandigheden, waarin hij zich bij voortduring bewoog. Denkt maar eens aan zijn Luoiers-marseh, De Fortuinliike kist. Schipbreuk, De Doge van Venetië, e. a In zijn paedagociseh talent, waaronder wij ook zijn dirigeeren rekenen, is de harmonische evenwichtigheid het grootst. Men moet dr Wagenaar dan ook in Utrecht voor zijn Toonkun>ikoor gezien' en gehoord nebben om hem als zoodanig zuiver analytisch te kunnen benaderen. Toen hij on den Toonkunst-avond van Utrecht afscheid nam, daar het Rijk hem had benoemd tot directeur van het Kon. Conservatorium van Den Haag, sprak hij ongeveer als volgt: „Utrecht heeft beslist een eigenaardig en afzonderlijk muziekleven: 't te, als 't w; -e. één familie. Wij zingen en spelen hier niet onder een of andere autocratie of strenge discipline.' maar als vrienden en vriendinnen. Het orkesi en koor gaan met me mee door dik en dun. zonder dat ik het zelf weet. H,er wordt zoodoende op echt natuurlijke wijze gemusiceerd. Utrecht waakt daarom en maakt dat uw muziekleven, waaraan Rich. Hol, Hutschenruyter e. a. hun leven hebben gegeven, blijft, wai het nu is! Lang leve het ütrechtsche muziekleven!!!" Voelt men niet duidelijk..dat hierin de grondoorzaak ligt van dr. Wagenaars gansche wezen, en meteen, hoe hier een groote verwondering zich aan ons opdringt, dat een zóó groot en veelzijdig musicus als Wagenaar op zoo een artistieke, doch ook en misschien nog méér. op zoon amicaie en huishoudelijke wijze met zijn Toonkunst-aideeling musiceert? Van al de afdeelingen is hier de band tusschen dirigent en koor het grootst: grooter zelfs dan in Amsterdam, omdat hier het edele en sympathieke karakter van Wagenaar op geheel bijzondere wüze werkende is. Woont men eene Ütrechtsche Toonkunst-uitvoering bit. dan krijgt men oogenblikkelijk door dien evoceerenden band van vriendschappelijke samenwerken, de zeKere iJee. dal er een groot htr.gezin „en familie" aan 't musiceeren is, en dat zich alles beweegt om die vaderlijke gomoededelijkheid. welke deze, hunne prestaties, nog zeldzamer maakt. Begrijpelijkerwijze moet er dus in dr. Wagenaar een locale of provinciale sfeer zijn ontstaan, die als een soort begrenzing de algemeene volgroeiing der uuiverseele ideeën tegenhield oi maar zeer gedeeltelijk in de hand werkte. Hier treedt het aanvullingsproces. de onderlinge w werking, niet zoo zeer uni- cnliecl produceerènd op. maar veel mee ie-interpreteerend. waardoor de resultaten wel groot en vooral aanlokkelijk, maar toch ook wel eenigszins eenzijdig worden. Dit is dan ook het kardinale punt van het zeer biizondere karakteristieke van dr. Wagenaar. En deze zeer bijzondere karakteristieke geaardheid, die voor hem een tweede natuur is geworden, is het z. g. humoristische element, waarvan men allerminst goed duidelijk de mentaliteit kan vaststellen. Want het is. zoo min of meer oppervlakkig gezien en gehoord, ontegenzeglijk, dat er in zijn werk, waarachtige, guitige, gezonde schalkschheid en pittige, zelfs leuke accenten en belichtingen te te bespeuren zijn, maar zijn deze nu werkelijk in diepsten zin wel zuiver humoristisch van aard? En is hier niet iets dat juist het tegenovergestelde bedoelt van wat het schijnt te zijn? Hoe staat het in dit verband met zijn veelvuldige weemoedige reflexies, zijn broeiende hartstochtelijkheid, zijn waarlijk droeve vreugde, als of er een heimelijk verdriet zich achter schuil houdt? En hoe met zijn voorname doch ernstige rust als organist? Neem zijn laatste groote werk eens „Jupiter Amans." voor soli, koor, piano en orkest, en- luister eens zeer aandachtig en met diepe ontvankelijkheid. Het is waar. het grijpen naar zoo een tekst, en het zoo brillant ironisch verwerken dezer gecaricatureerde verzen van „De Schoolmeester", maken hier de zaak niet gemakkelijker, integendeel, maar de ziel van een waarachtig kunstenaar zooals Joh. Wagenaar. wil soms zoo eigenaardig, zoo vreemd en ook zeer dikwijls met een verleidende schijnbeweging naar buiten treden. Luister eens goed naar die wonderlijk mooie, fel ontroerende orkestfragmenten, naar die droomerige en ons zoo melancholiek beïnvloedende schoonheid van slechts enkele maten, met iets als van een heetlijke. zachte, doch heimelijke leed-uitschreiing, en luister dan ook wat de solisten en het koor, als de spotters, van dit alles, ons voor prikkelende en flirtende flauwiteitjes te genieten geven. Ontstellend tegenstrijdige grappige, doch kwellende melancholieke invalletjes. die, terwijl ze heimelijk pijn doen! je doen schateren door hun o zoo simpele tierelantijntjes. maar die juist door dat wat er niet gedaan of gezongen wordt, zich aan ons onweerstaanbaar vastklampen. Wij zouden met de partituur in de hand. niet langs harmonisch-constructieven. maar langs philosophisch-psychologisehen weg. al deze dualistische merkwaardige werkingen kunnen aanwijzen, en zoo dit wonderlijke proces van lach en tranen in al zijn creatieve fonkelingen als van verre kunnen doorgronden. Dr. Joh. Wagenaar is hier in zijn voile kracht.-in zijn lokkende, ten voile uitgegroeide veelzijdigheid; maar wij gelooven vast en zeker, da: onder deze brillante muziek-ironie en in-guitige humoristische muziekpersinflages in waarheid een zwoele melancholie, en een zeer sttrkwerkende moed leeft, een eindeloos zieisvertane;en naar iets. waarvan mogelijk dr. Wagenaar zelf niet eens de aanwezigheid vermoedt. De mttziek-ziel van dr. Wagenaar schijnt nu eenmaal te moeten lachen in tranen, en daarom is er iets tragisch in het ontstaan en voortduren van dit geestelijk conflict, dat de menschen o zoo'leuk en aardig vinden, docb waarvan zü de tragische reflexies niet schijnen te snappen. Want het is, het kan niet anders, alles veel dieoer en ernstiger en sensitiefdualistischer dan men denkt. Zoo is er in dezen zeldzamen Hollander een zeer eigenaardige combinatie van geest en gevoel, van intuïtie en cerebralisme. die ieder op hun beurt, al naar de psychische ontvankelijkheid wordt aangeraakt, hun imperialistischen .invloed doen gelden. En daar zün psychische ontvankelijkheid voortdurend leefde in die voor hem zoo lokkende domesticale atmosfeer, waar de aureool van de zuiverste vriendschap hem omstraalde, zoo werd die vriendschap hier de stimulans, die dr Wagenaars energie inspireerde tot zün zooveel leven-omglarrzende muziek-schoonheid. Hier kunnen wij dus dr. Wagenaar als mensch niet meer onbesproken voorbijgaan, want men voelt het wel: in diepsten grond van wezen, is dat toch het gezegende centrum, waaruit zoowel zijn muzikale bevoorrechting als zijn grootheid als mensch. in alle bescheidenheid, weelderig is ongebloeid. Zün grootheid ais mensch zit dan ook iv zijn eenvoud: zün veelzijdige macht van kunnen, in zijn deemoed, zijn emotioneerende kracht, in zijn edelen aard. in zijn liefde voor de kunst en warme, aanhankelijke vriendschap. En daarom is zijn hoog-artistieke muzikaliteit, als gevolg dezer suprème eigenschappen, boven alles lyrisch-melodisch van aard. met een illustratieve neiging naar decoratieve schoonheden, en zooals wij reeds schreven: voor zoover er nog van een Hollandsche Muziek-idee sprake kan zijn, bezit zijn inspiratievermogen juist door die. wel te noemen, folkloristische vriendschap, de meest zuiverste kern der Hollandsche intensiteit. Als zoodanig is dr. Joh. Wagenaar vooral ook door zijn groote paedagogische eigenschappen voor ons de interessantste figuur in ons liedcndaagsche muziekleven, die na W. Mengelberg, beslist het grootste aandeel heeft in de ontwikkeling en bevordering van onze nieuw-oplevende muziekkunst. ---