NEDERLANDSCH-INDIE De Communistische Woelingen in Nederl.-Indië. De taak van Leger en Politie. Het belang van het Buitenland bij Indië. Vrijdagavond hield de Vereeniging ter beoefening van de krijgswetenschap te 's Gravenhage een bijeenkomst onder voorzitterschap van den luit.-generaal b. d. J. L. ten Bosch. In de vacature, ontstaan door het vertrek naar Indië van den majoor-intendant van het N. I. Leger W. P. Marinissen, werd voorzien door de verkiezing van den kapitein van den generalen staf van het N. I. Leger A. A. G. Feuilletau de Bruyn, leeraar aan de Hoogere Krijgsschool. Daarna hield de spreker van den avond, de heer Feuilletau de Bruyn, een lezing pver „de handhaving van orde en rust door het leger in Nederlandsch-India. --- De legersterkte. Dat de tegenwoordige legersterkte ook in de naaste toekomst voldoende zal zijn, meende spr. te moeten betwijfelen. Waar we in elk geval absoluut zeker van zijn, is wel dat die sterkte in geval van oorlog met een buitenlandschen vijand, wanneer toch ons veldleger op Java met de defcnsietaak geproccupeerd zal zijn, geheel onvoldoende is. Dan toch zullen voor de handhaving van orde en rust op Java slechts kunnen worden aangewend een kleine 1000 man marechaussee van het staande leger en ruim 8000 man alsdan op te roepen landstormers, dus in totaal 9000 man. Vermits in vredestijd de sterkte aan geoefende infanterie van het Java-leger op 12.000 man is te stellen, leert een eenvoudige rekensom dat wij voor de handhaving van orde en rust dan minstens 3000 man te kort zullen komen. Ten slotte kwam spr. aan de vraag, of het, gelet op de dagelijksche taak van het leger in Ned. Indië niet beter ware dat leger dan ook maar om te zetten in een zuiver politieleger; een leger, dat bijgevolg in hoofdzaak uit infanterie zou kunnen bestaan en waaruit alle andere wapens en diensten geheel of grootendeels zouden kunnen verdwijnen. --- De verdediging der zeestraten. De zeestraten, aldus spr., bewesten en be- oosten Java zullen voor ons en voor anderen in oorlogstijd van bijzondere waarde zijn. Voor ons zullen dan de straten Soende Bali en Lombok, zelfs voor het geval dat wij in het onderstelde conflict geen partij zijn, de levensaderen worden welke vanuit den Indischen Oceaan voeren naar het hart onzer overzeesche gebiedsdeelen. Spr. lijkt het geval toch lang niet denkbeeldig, dat een der oorlogvoerenden, om de noodzakelijke zeeverbindingen voor zijn land open te houden, een poging zal wagen zich nabij de genoemde straten en dan natuurlijk liefst in een der havens vast te zetten. Een daad, waartoe te eerder zal worden overgegaan, naarmate bet eiland Java zwakker bezet zal zijn. Hierin ligt volgens spr. de beteekenis van een modern uitgerust Javaleger. Voorts zal een vijand, die ergens in onze buitengewesten een aanslag zou willen doen, om een of meerdere steunpunten in te richten, tevens de onvermijdelijke consequentie moeten aanvaarden om, wil hij zeker van zijn zaak zijn, eerst ons vlootsteunpunt Soerabaja te vernietigen. Spr. zou daarom niet gaarne de stelling onderschrijven, dat ons buitenlandsche vijandleger op Java onnutte ballast zou zijn. Omvorming tot een zuiver politiek leger is derhalve reeds hierom onmogelijk, omdat door een dergelijke afbraak van het leger ons met de Marine zoo absoluut sluitend defensiesysteem als een kaartenhuis in elkaar zou vallen. Als laatste argument voerde spr. aan, dat de Indische officieren het altijd als een grootsche taak hebben aangevoeld, bij te mogen dragen tot de veiligstelling naar buiten van Nederl.- Indië, zonder welk bezit Nederland zou terugvallen tot een weinig beteekenende mogendheid. De majoor Berenschot van het N. I. L. verklaarde bij het debat in te stemmen met de stellingen van den inleider. De voorzitter sprak een slotwoord, waarin hij den inleider dankte voor zün boeiende rede. Helder en duidelijk is aangetoond welke gevaren ons in Indië bedrijgen, doch ook welke middelen er zün om tegen deze gevaren op te treden. Deze machtsmiddelen zün tweearlei: het leger en de politie, welker taken scherp uiteen gehouden moeten worden. Spr. hoopte, dat de krachtige stem ten gunste van een goed leger, moge doordringen tot de departementen op het Plein en te Buitenzorg. --- De Vroedschap weer voltallig. Bij den nieuwen Katholieken Wethouder. Het verleden en het heden. Mr. G. C. J. D. Kropman, onze nieuwe katholieke wethouder, is van geboorte géén Amsterdammer. In het oog van den geboren, dus rasechten Amsterdammer bereikt men dan nimmer de volle honderd procent: men is stadgenoot, ecu uitstekend stadgenoot, maar Amsterdammer, neen, dat wordt men nooit. Dat is geboorterecht. Ware niet reeds bij ziju candidaatstelling voor het wethouderschap in deze kolommen liet geheim van zijn herkomst ontsluierd, wü hadden er stellig over gezwegen, want mr. Kropman's naam en faam zijn zóó Amsterdamsch, dat het tijdsverschil tusschen de inschrijvingsdata bü den Goudschen Burgerlüken Stand en het hoofdstedelijk bevolkingsregister daarbij gevoegelijk kon worden verwaarloosd. Dc omgeving, waar mr. Kropman zijn advocatenpractijk uitoefent en in welke hij enkele oogenblikken voor dit vraaggesprek had willen vrijmaken, werkt daar ook al toe mede. Hij houdt kantoor, waar zoovéél Amsterdammers kantoor houden en voor dien een Amsterdamsche geschiedenis werd geschreven: een oer-Amsterdamsch patriciërshuis aan de Keizersgracht, welks hooge ramen achter uitzicht geven op oude stadstuinen met een eigen sfeer tusschen het statig geboomte, waarvan, in een omlijsting van late herfstklcuren, dc vrijwel ontbladerde takken typischen doorkijk verleenen naar een idyllisch paviljoen of statigen achtergevel. Een bij uitstek geschikte plaats, deze werkkamer van den nieuwen wethouder, om er op een rustigen, laten zomeravond, het spel zijner gedachten eens terug te laten gaan naar de dagen, dat hier een der zetels was van Amstel's glorie, macht en rijkdom. Dan bekruipt je zelfs de lust, den nieuwen bewindsman, daar voor je, te denken met pruik, kantkraag en kuitbroek, terwijl hij de ganzenveder neerlegt, zich langs de brcede marmeren trappenwenteling naar beneden begeeft, om in sierlijken karos, met luid gekletter over het grove plaveisel, langs dc statige huizingen naar het stadhuis te rijden. Je weet echter, dat ulster, deukhoed en actentasch de nuchtere attributen zijn, welke den Amsterdamschen schepen zullen vergezellen op zijn gang, de afstand is maar kort, naar het aloude Prinsenhof en ook je vragen zijn gericht op liet heden en op vraagstukken, waarover de oude regenten en stadsbestuurderen zich we! nimmer het hoofd zullen hebben gebroken. --- De jongste schepen wijst het vonnis. De meergenoemde inschrijving bij het Amsterdamsch bevolkingsregister gold onze eerste vraag, want pas toen werd de nieuwe stadsregent, onder de reeds gemaakte restrictie, Amsterdammer en daarmee voor ons belangwekkend. In 1914 zag ik mij; zoo zeide ons de lieer Kropman, verbonden aan de redactie van „De Tijd" en trad als zoodanig in het volle Amsterdamsche leven. Een prachtige leerschool vormden die „Tijd"-jaren, welke juist vielen in een periode, dat allerlei nieuwe vraagstukken in de partij aan de orde werden gesteld. Dit is het mooie en aantrekkelijke van mijn nieuwe ambt: men staat midden in de practijk, men is in staat zijn idealen te verwezenlijken en vruchtbaren arbeid te verrichten op sociologisch terrein. Welke mogelijkheden biedt daartoe niet het wethouderschap van Arbeidszaken in een groeiende gemeente als Amsterdam, in den tegenwoordigen tijd met zijn rijk opbloeiend leven en vele tegenstellingen. Hoeveel hebben mün voorgangers op deze plaats: Wierdels en Drabbe al niet tot stand kunnen brengen! Wat ik denk van de toekomst van het Katholicisme in Amsterdam? Mijn overtuiging is deze: wü leven in een tijd, waarin het Katholicisme juist in de groote steden een goede kans krijgt. Denk eens aan onzen invloed in de kunst, op apologetisch gebied, den toenemenden bloei vau het Katholiek Verenigingsleven! De oprichting van „Katholiek Amsterdam" was een belangrijke stap in de goede richting. In de nadagen der „K.S.A." heb ik reeds de noodzakelükheid van een dergelijke eenheid aangevoeld en het wezen der te vormen vereeniging in een artikelenreeks in de „Nieuwe Eeuw" geconstrueerd, daarbü den nadruk leggend op de groepsvorming, welke ook in de praktijk haar heilzamen invloed heeft bewezen. Welk een activiteit ontwikkelt daarnaast niet het Katholiek Maatschappelük leven in de hoofdstad. Men denke aan den godsdienstig-cultureelen arbeid van de Vrouwen van Bethanië, de Vrouwen van Nazareth, de R.K. School voor Maatschappelijk Werk en zooveel meer. Neen, liet Katholicisme in onze stad gaat ongetwijfeld een groote toekomst tegemoet. --- Eenvertaling der boeken van het Oud-Verbond. Zijn grootste bekendheid heeft hij evenwel verworven door de medewerking aan de Nederlandsche vertaling der Boeken van het Oud-Verbond. Katholiek Nederland miste nog steeds een goede vertaling der H.H. Boeken in de Nederlandsche taal, omdat daarvan een goede vertaling niet bestond. Zeer spoedig reeds na de aanvaarding van zijn professoraat in de H. Schriit gingen de gedachten van Professor Dessens uit naar de verwezenlijking vau dat ideaal. Nam dus professor Dessens het initiatief, hij besefte ook ten volle welk een bijna bovenmenschelijk werk dit zou wezen. Dies zag hij om naar helpers en de eerste, die hij hierover raadpleegde, was prof- Jos. Schets van het Seminarie Hoeven. Toen zulks bij de anucre seminaries bekend werd, verzochten alle respectieve Schriftuur-Professoren medewerking te mogen verleenen. Bij deze vijf: P. L. Dessens, Warmond: Jos. Schets, Hoeven; Dr. .1. Th. Brouwer, Rijsenbtirg; dr. G. W. .1. van Zinnicq-Bergniann, Maren; en prof. Drehmans Roermond; werd nog als medewerker opgenomen de Oldenzaalsche rector D. A. W. Sloet, die zich door scripturistische publicatiën in „De Katholiek" bekendheid had weten te verwerven. In 1894 verscheen „De Kleine Profeten" vertaald en met aanteekeningen voorzien door Jos. Schets. Toen kwam er evenwel stagnatie. Prof Drehmans, die de Psalmen en de twee Boeken der Machabecën vertaalde, werd bisschop van Roermond, dr. Brouwer Vicaris-Generaal Ie Utrecht, prof. Schets pastoor te Etten enz" Als nieuwe werkers traden op prof dr An" dreas Jansen van Rijsenburg, later pastoor van Bunnik, prof. dr. .1. M. van Oers, de tegenwoordige Vicaris-Generaal van Breda en ten laatste prof. G. J. M. Kabel, die prof Dessens, na zijn benoeming tot pastoor der Mon Pere-kerk te Leiden in 1901 was opgevolgd Deken Dessens had, toen hij pastoor werd, de vertaling der vijf Boeken van Mozcs. een boekdeel van 615 bladzijden, voltooid;-het Boek Job had hij onder handen en het was gereed op 5 a 6 hoofdstukken na. Toen proi. Kabel door omstandigheden niet in staat was de vertaling spoedig af te maken, trad er een stilstand in, zoodat het tijdstip van de algeheele voltooiing werd verlegd tot ongeveer 1910 oi 1911. Toen was het groote werk dan eindelijk gereed, maar het was geworden een monument, waarvoor vooral de initiatiefnemer, de thans onslapen kanunnik Dessens, den dunk van geheel Katholiek Nederland verschuldigd is. Jammer genoeg is het werk reeds lang uitverkocht en heeft geen uitgever tot heden een herdruk aangedurfd. --- De onrust. Spr. ving aan met te herinneren aan de communistische woelingen van eind 1926 en begin 1927 op Java en Sumatra, welke thans nog hun remmenden invloed doen gelden op den economischen uitbouw van Ned.-Indie. Aau ons zelf en aan de onder ons gestelde bevolking zijn wij daarom verplicht om eventueele herhaling te voorkomen, maar ook het buitenland heeft groot belang bij een rustigen uitbouw van Nederlandsch-Indië. ( Het aandeel van het buitenland in het in Ned.-Indië in onderneming en bedrijf belegde kapitaal is door bevoegden op bijna 25 pCt. begroot en het buitenlandsche aandeel in den handel is veel grooter. In 1927 was het bedrag van import en export door Nederland 434 millioen gulden, tegen 2046 millioen gulden door het buitenland. --- Agressieve stroomingen. Spr. betreurde het dan ook, dat er onder de snel uitgegroeide inlandsche beweging stroomingen zijn van zoo agressieven aard. Van diepgaande beteekenis voor de Inlandsche bevolking is geweest de stichting in het Kremlin op 5 Maart 1919 van de derde Internationel, die alle aandacht wüdt aan het revolutionneeren der Oostersche volken. De I. S. D. V., die in 1920 haar naam veranderd had in Perserilatan Kommunist di India (P. K. I.) sloot zich in datzelfde jaar bij Moskou aan. De leiding kwam na de uitzetting van Sneevliet c.s. Scheel in handen van Inlanders. Nl September 1922 wist Semaoen de bestaande vakcentralen in Semarang en Djokja te vereenigen in de Federatie der Indische Vakbonden. Op 8 Mei bleek zijn inhechtenisneming wegens een ernstig spreekdelict noodig. Semaoen werd geinterneerd en daarna nam Darsono de leiding der P. K. I. over. --- Java geïnfecteerd. Onder zijn leiding breidde de communistische communistische propaganda zich sterk uit vooral in de vakbeweging, hetgeen in de serie' stakingen in 1925 tot uiting kwam. De Regeering greep toen in, door de stakingsleiders te ïnterneereti. Als antwoord daarop ging de communistische leiding een politiek van terreur toepassen, waarvan in den loop van 1926 de kenteekenen gaandeweg over geheel Java aan den dag kwam in verzet, pogingen tot vernieling, brandstichting en een moordaanslag pp den landraadvoorzitter en een rechercheur in Soerakarta. In het Bantamsche was de bevolking dermate in beroering gebracht, dat zij hier en daar reeds tot vasten was overgegaan en reeds witte kleeding was aangeschaft voor de ten doode gewüden, zoodat het wenschelük werd geoordeeld om half Augustus 1926 een compagnie infanterie daarheen op meerdaagsche oefening te zenden. Ook elders werd de toestand slechter. Heel Java bleek door het communistische gif min of meer geïnfecteerd te zün. Met krachtige hand heeft de Regeering de P- K. I. ten slotte uit elkaar weten te slaan. --- Her-opleving. Het communisme is zoowel op Java als daarbuiten thans weer aan het opleven. Van den overwal, met name van Singapore uit, komen nog steeds een groot aantal verdachte individuen naar Ned.-Indië, die reeds op Biliton ongeregeldheden veroorzaakten, terwijl thans ook op Sumatra's Oostkust een versterking van de geestesgesteldheid der contractkoelies valt te constateeren. Spr. is het eens met hen, die tegenover dit alles niet alleen machtsmiddelen gesteld willen zien. Grootere resultaten zullen worden bereikt door een bestuur, dat zich kenmerkt door billijkheid en rechtvaardigheid en vooral door eerlijk overleg. Doch aan den anderen kant mag wel worden aangenomen, dat, indien in Ned.-Indië de noodige machtsmiddelen zouden ontbreken, daar weldra een toestand van anarchie zou ontstaan. Van deze machtsmiddelen neemt het leger door betere aanvoering, hooger staand troepengehalte en in het algemeen door grootere bekwaamheid en geoefendheid, de eerst» plaats in. --- Het politie-instituut. De politie is nog slechts korten tijd geleden een factor van eenige beteekenis voor de handml& va" orde en rust Reworden. Op Java en madoera zijn drie politiesoorten: de stads-, veld- en bestuurspolitie, welke formatie officieel met den verzamelnaam algemeene politie worden aangeduid. Hiervan ontvangen stads- en veldpolitie een politionecle scholing; de bestuurspolitie moet ook nog heden ten dage tot de niet opgeleide politie worden gerekend. In de buitengewesten is in 1912 de z.g. gewapende politie opgericht, die daar, waar de politieke toestand het toeliet, de legertroepen ging vervangen. Uit zuinigheidsoverwegingen werd zü in 1923 echter vrijwel tot den grond toe afgebroken. Ook het leger heeft onder de bezuiniging ernstig geleden. Na rijp beraad is de Regeering er toe overgegaan de plaats van dc gewapende politie door het leger te doen innemen: een in totaal op 5 bataljons infanterie te stellen troepenmacht werd voor de vervanging van de gewapende politie aangewezen. De oud-politiechef Hoorweg heeft dezen maatregel bestreden en terugkeer tot den toestand van 1923 bepleit. _ Deze terugkeer tot den toestand van 1923 ui de Buitengewesten zou het naar het oordeel van den heer Hoorweg mogelijk maken, de legertroepen aldaar te verminderen minstens met net aantal troepen, dat vroeger gediend heeft ter versterking daarvan. ■ ,r\ wi' vn heer Hoorweg gaarne toegeven, n K- de dagelijksche bestuursvoering het lescr bij voorkeur niet als rtok in de hand moet optreden, m.a.w. dat het gewone huishoudelijke politiewerk, indien de tr-estanden zulks veroorloven, beter kan worden verricht door speciaal daarvoor opgeleide vakmenschen met politioneele scholing. Waar echter gebleken is, dat zulks tot een te luxueuse huishouding heelt geleid, 'I)kt het spr. volkomen juist, dat in afwachting van betere tijden die taak voorloopig aan liet leger is opgedragen. Voorts zeide spr. yan meenius te zijn, dat dc door den heer Hoorweg gepubliceerde voorstellen, hoe goed ook voor het leger bedoeld, niets anders kunnen beteekenen, dan dat wel de politie zal kunnen herleven, doch ten koste van het leger, dat alleen eenheden zal verliezen en allerminst gemoderniseerd zal worden. --- Een levenskrachtig College. Mag dat ook worden gezegd van het nieuwe college? Met beslistheid klinkt het bevestigend wcderwoord: het vorige college was er een, in plaatselijke beteekenis, van de uiterste noodzaak, welks aanblijven eiken dag gevaar liep. Het nieuwe daarentegen, va^rj gezonder constellatie, is tot een vruchtbaren arbeid geroepen. Het geniet deu steun onzer R.K. fractie, weLke weet wat zü wil en het vertrouwen der kiezers niet zal beschamen. Onze. positie in het politieke en maatschappelijke leven is thans sterker en gezonder dan ooit tevoren. Dat merk ik bij mijn cursussen voor den R.K. Volksbond en de R.K. School voor Maatschappelijk Werk. Het werken met jonge menschen animeert en het is een groote voldoening zijn leerlingen, waaraan men ziin geheelen persoon heeft gewijd, later terug te zien in het volle leven: bij dc kinderpolitie, liet jeugdwerk, de woninginspectie enz. De telefoon rinkelde Belangrüker conferentie wachtte den nieuwen bewindsman: wij namen afscheid, hartelijk en joviaal, want dat is de katholieke man van arbeidszaken, dien wij leerden kennen als een persoonlijkheid vol energie en idealen, die den geprojecteerden weg zal weten voort te banen langs de lijnen, aangegeven in ons katholiek sociaal program. Stadgenoot of Amsterdammer, het is om het even, wanneer het gaat om een figuur als den katholieken wethouder, bij wien de hoofdstedelüke arbekisbelangen veilig zijn. p. j_ --- Hoogleeraar aan het Groot- Seminarie. De thans ontslapen kanunnik P. L. Dessens is wel het meest bekend geworden door zijn professoraat te Warmond, waar hü van zijn rijk, arbeidzaam priesterleven een zeer belangrijk deel heeft doorgebracht. In 1882 werd hü. toenmaals kapelaan in de Mon Père bij pastoor Bots te Leiden, benoemd tot Oeconoom van het Groot Seminarie, tevens professor in de H. Liturgie. Toea echter, twee iaar later, door het overlüden van prof. Akersloot, de leerstoel der H. Schrift openviel, was het de vervulling van een der .vurigste wenschen van prof. Dessens, dat hij deze katheder mocht bezetten. In dit vak had hij zijn ware millieu gevonden. Met hart en ziel wierp hij zich op de studie der H.H. Boeken en hij verstond de kunst zijn geestdrift ook in de harten zijner leerlingen uit te storten. Zün bewonderenswaardig'geheugen deed hem daarbij een grooten rol spelen, want somtüds' declameerde hij vol vuur een scheel hoofdstuk uit de H. Schrift. Nochtans werd de literaire schoonheid volstrekt niet vergeten. Zijn apologetische arbeid op Bijbelgebied in „De Katholiek", van welk bekend tijdschrift prof. Dessens tijdens zijn professoraat een krachtig medewerker is geweest, is in zijn Warmond-tijd zeer groot geweest. Vol geestdrift voerde hij schermutselingen met den Leidschen hoogleeraar Kuenen over diens Pentateuck-critiek (1886) of met den Utrechtsehen hoogleeraar Doedens over: „Vrüe „Exgese", naar aanleiding van diens rede bij dc overdracht van het rectoraat aan de Utrechtsche universiteit in 1887. Professor Dessens doceerde ook de gewijde welsprekendheid en was zelfs een welsprekend kanselredenaar. Vooral was hij bekend om zijn lijkredenen. Bekend zijn in het bijzonder die op prof. Akersloot (1884) en op president Prenger (1889). --- KERKELIJK LEVEN. Kanunnik P. L Dessens. † Oud-Deken en Pastoor te Leiden. Bekend Bijbelgeleerde. Onze correspondent te Leiden seint, dat de hoogeerw. heer P. L. Dessens, kanunnik van het Kathedraal Kapittel van Haarlem, oud-deken en pastoor te Leiden, hedenmorgen om acht uur is overleden. Mgr. is niet meer bij kennis gekomen. De kapelaan W. J. Hessing was bij zijn sterven tegenwoordig. Dinsdagavond te half acht zullen de Metten worden gezongen. Woensdagmorgen te tien uur worden de plechtige Lauden gehouden, waarbij als agens zal optreden Z. D. H. Mgr. J. D. J. Aengenent, die daarna de pontificale Requiemmis zal celebreeren. Daarna vindt de teraardebestelling plaats op de begraafplaats aan de Zijlpoort te Leiden. Petrus Laurentius Dessens werd den 15den October 1851 te Delfshaven geboren. Den 15den Augustus 1874 werd hij priester gewijd en daarna benoemd tot assistent te Nootdorp, terwijl hij het volgend jaar werd overgeplaatst naar Brielle. Slechts enkele maanden later, werd hij benoemd tot Kapelaan te Amsterdam (H. H. Nicolaas en Barbara), welke parochie hij wegens gezondheidsredenen moest verlaten, om alsdan te worden benoemd tot kapelaan te Noordwijkerhout. Den lOen September 1877 werd hij overgeplaatst naar Leiden (O. L. Vr. Hemelvaart) en ruim vijf jaar later volgde zijn benoeming tot professor aan het Groot Seminarie te Warmond, waarna hij tenslotte op 14 Januari 1901 werd aangesteld als deken en pastoor te Leiden. --- Deken en pastoor te Leiden. Na het overlijden van Deken Bots, v. professor Dessens als zijn opvolger benoemd tot pastoor van O. L. Vrouw Hemelvaart en Deken van Leiden. Bü de uitvaart van Deken Bots had prof. Dessens nogmaals doen getuigen van zün welsprekendheid in de lijkrede, die hü hield bü het stoffelijk overschot van den toen ontslapen herder der Mon Père. Het kon niet ande*rs, of de üver en het brandende vuur. dat uit die lijkrede sprak, moest den spreker zelf tot een üveraar voor de goede zaak maken en als zoodanig heeft deken Dessens zich tijdens zijn pastoraat doen kennen. Ondanks wellicht wat uiterlüke onvriei lijkheid had hü een priesterhart, zoo op:\ zoo vol üver voor de glorie Gods, «oo begeerte naar de heiliging der menschen, zoo diep en zoo degelijk godvruchtig en daarbij in hooge mate deelachtig aan de groote gaven van wüsheid en verstand, dat daardoor alleen reeds de zegen Gods moest neerdalen op de hem toevertrouwde parochie. De warmte van zün priesterhart onder, den zün biechtelingen, de zieken en de o lukkigen. Zijn woord boeide door schoc en kernachtige taal, zün dichtertaal. hoeve van den kerkeüjken eeredienst dichtte hü tal van liederen, die nog steeds in de kerk worden gezongen. Hij werkte voorts aan de verfraaiing het kerkgebouw. De heerlüke schildering dankt haar rijke symboliek vooral aan de scherpzinnige en vrome gedachten van den deken. Die schildering is als een prediking, een doordachte en welsprekende catechismus beeld, die ons spreekt van Gods _ van Maria's heerlijkheid, van de b. der H. Katholieke Kerk. --- Een ijveraar voor het onderwijs. Groot zijn ook zün verdiensten voor R. K. Bijzonder Onderwüs. Bü zijn komst in Leiden in 1901 was er slechts één katholieke jongensschool, n.l. aan de Haarlemmerstraat 240, welke wel in twee afdeelii splitst, doch welke afdeelingei; kigst gehuisvest waren. Deze scho< veel verbeterd, toen er onder d vier lokalen werden bijgebouwd. Later \ het mooie pand aan liet Rapenburg .uekocht om een nieuwe 4 en. Ook een nieuwe groote nu onder zijn leiding tot stand aan de I merstraat 32-34, welke later no breid door de stichting van cci vaarschool aan de Haarlemmerstraa* Dit alles in den tijd, dat hei der Onderwijs wel werd gesubs waarin nog geen sprake was \ ling van het openbaar met het onderwijs. Zijn ideaal: iedere par,-, eigen jongens- en meisjesschool kon eerst na de gelijkstelling van het openba; zonder onderwijs worden \ ii zun laatste levensdagen • langstelling de voorbereid!: vau een nieuwe bewaarsclv weg. Niemand in Leiden of cl. weten hoeveel geldelijke o onderwüs heeft gebracht, v s lm de eerste om steeds I voor het R.K. Bijzonder Leidsche jeugd- Onder zijn dekenaal bestuur R.K. H.B.S. tot stand. Zijn zorg strekte zich ook vc zieken en hulpbehoevenden, de stichting der drie R.K de Middelstegrachi. haavestraat en de stiel ceniging van Kraamvei daarbij nooit op dei het, dat deze stichting Zoo zouden we nog lang i memorcerend wal hij di pers, voor het Missiewerk, voor van .studenten tot priesters, voor het R.K. Hulsvestingscömité, waai door de Öostenrijksche en I ringen werd onderscheiden, maai doende zijn om te doen zien hoe veelvuld vruchtdragend de arbeid van den thans slapene is geweest. Ti)t PP **.et -*.aatste oogenblik van wilde hu, zijn ijzersterke,, wil kerm.J vertrouwend, werken, arbeiden teder'dffh?' H™ ?°0r God t( veel\tl fiT kun,de' kan wettl>- h eehond *f" l,ccit Kevergd. te olie„ heift ,gehouden aan de gelegd m °P de schoud.iÏh 0? llct llcm door zii" voortdurende zieKeiijkheid, gevolg van zün verval \ ten en zwakte zijner oogen nü mogelijk was zijn taak als vervullen, vroeg en verkreeg hij o deken. flp zijn zeventigsten verjaardag werd deken Dessens benoemd tot eere-kanunnik, bij zün Kouden priesterfeest in 1924 tot kanunnik van het Kathedraal Kapittel als opvolger van wijlen Mgr. Triier uit Rotterdam, zoodat hij van toen af deel uitmaakte van de negen priesters, die den Raad van den Bisschop vormen. De overledene was officier in de Orde van Oranje-Nassau, welke onderscheiding hem bij zijn gouden priesterfeest te beurt viel. ---