uu**** --- Het goud van het Noorden BARNSTEENWINNING AAN DE OOSTZEEKUST Reeds in de oudheid was het barnsteen bij de Grieken en Phoeniciërs een waardevol ruilmiddel Geronnen plantenhars In dezen tijd van het jaar huilen de Noordwester stormen over de Oostzee en werpen hooge, met schuim bedekte golven op de kust van Samland. Men kan zich verbeelden, dat de snelle paarden van Neptunus het land bestormen. Grijze wolken, aan flarden gescheurd door den wind, bedekken den hemel. Slechts 'n enkele maal dringt er even een zonnestraal tusschendoor en de kleuren van het trieste, Oost-Pruisische herfstlandschap lichten op. De eenzame wandelaar rilt en verlangt naar een verwarmde kamer. In stilte bewondert hij de mannen, die met hun tot de heupen reikende waterlaarzen en hun leeren jekkers temidden van de schuimende branding staan, lange stangen met netten hanteerend. Deze Oostzeevisschers wachten bij het afnemen van den storm op den minder hevigen „barnsteenwind" want zij weten, dat deze met de zeestroomingen het „barnsteenkruid" meevoert — zeewier en andere planten — dat juist na zulk een herfststorm op de kust wordt geworpen. Daaruit bereidt men den vurig begeerden „zeesteen", zooals de visschers den barnsteen, het „goud der zee" noemen. Het schijnt een zwaar en ondankbaar werk, dat zij doen, doch het kan zeer loonend zijn, want een gelukkige vindt in het „barnsteenkruid" weleens een steen van 5 of 8 K.G. Gedurende de volgende dagen verzamelen dan de kinderen de kleinere stukken, die op het strand worden geworpen door de branding. Zij maken er kettingen van. De groote stukken gaan echter zonder uitzondering naar Palmnicken, waar de staat een barnsteenfabriek exploiteert. Het „goud van het Noorden", de barnsteen, was reeds bij de Grieken en Phoeniciërs bekend als een zeer waardevol ruilmiddel. De Latijnsche naam is succinum of „sapsteen". Barnsteen is dan ook niet anders dan geronnen plantenhars van een soort, die men op onze breedte met meer in ruwen toestand aantreft. Het is n.l. hars van coniferen, die hier groeiden in 't begin van het tertiaire tijdperk. Onder een warme zon strekten zich hier in een subtropisch klimaat dichte bosschen uit van sprookjesachtige weelderigheid. Toen kwamen de groote verschuivingen der landmassa's, die, naast veranderingen van de aardoppervlakte, het binnenstroomen van het zeewater en het bedekken van het land door gletschers ten gevolge hadden. In dien tijd kwamen de afzettingen der prachtige, in de zee verzonken bosschen met hun versteende harsen te liggen in een laag op tamelijk groote diepte onder de aardoppervlakte. Die laag wordt thans de „blauwe aarde" genoemd. Men vindt haar op veertig a vijftig meter diepte, d.w.z. tien meter lager dan de tegenwoordige zeespiegel. Hier treft men de eenige vindplaats van barnsteen aan, die er op de geheele wereld bestaat. Het is een gebied van ongeveer driehonderd vierkante kilometer aan de Oost-Pruisische en Samlandsche kust. En waar de mensch nu eenmaal zoodanig is aangelegd, dat hij aan zeldzaam voorkomende dingen groote waarde toekent, is de naam „het goud van het Noorden" nog niet zoo misplaatst. Slechts een klein deel van de productie wordt door de visschers uit het „barnsteenkruid" gehaald na elken herfststorm. Verreweg het grootste deel wordt uit den grond gewonnen, meestal in open groeven, doch een enkele maal ook in volslagen mijngangen. Het gewone is echter, dat men de lagen boven de „blauwe aarde" afgraaft en deze dan verzamelt. Door middel van apparaten, die met krachtige waterstralen werken, spoelt men de „blauwe aarde" door roosters, die de grootere stukken tegenhouden. Nu gaat het verder, van de eene zeef naar de andere; steeds dichter worden de mazen en steeds vaker moet het uitwasschingsproces herhaald worden. Als regel is 20 pet. van de gewonnen barnsteen bruikbaar om er sieraden en gebruiksvoorwerpen van te maken. Voor dit doel moet men niet alleen groote en regelmatige stukken hebben, doch het komt bovendien aan op de zuiverheid van den barnsteen en op zijn kleur. Wat met aan de eischen voldoet, gaat naar de smelter., waar men er volgens een droog destillatieproces gesmolten barnsteen, barnsteenzuur en barnsteenolie uit bereidt. Denzelfden weg gaan de restanten, die overschieten bij het bewerken der groote stukken. Het „goud van 't Noorden" wordt dus wel volledig benut. Het maken van barnsteenen kettingen en armbanden, aschbakjes en sigarettenpijpjes, sierspelden, parapluieknoppen en sluitingen voor damestaschjes geschiedt uit de hand en vereischt groote artistieke bedrevenheid naast een door lange ervaring verkregen kennis van de eigenschappen van het zeldzame materiaal. Nadat de stukken barnsteen voorloopig zijn gekloofd, worden de ruwe vormen in de draaierij bewerkt en vervolgens gevijld, gepolijst en geslepen. Zoo vertegenwoordigt elk stuk van echte barnsteen een dubbele waarde: die van het materiaal en die van het artistieke handwerk. *» --- Duitschland en de groote gezinnen Enorme druk op de vrijgezellen De vrijgezellenbelasting wordt afgeschaft. Maar Staatssecretaris Reinhardt zorgt er wel voor, dat de belastingdruk voor deze heeren 'niet minder wordt. De inkomstenbelasting krijgt thans een geheel ander karakter. Bij een inkomen van 3600 R.M. per jaar betaalt eer vrijgezel 567 R.M.; een huisvader, die twee kinderen te zijnen laste heeft, echter slechts 159 R.M.; een vader van vier kinderen 55 R.M. Zijn er 5 kinderen, dan valt de belasting weg. B_ een inkomen van 6000 R.M. heeft de vrijgezel 1024 HM. te betalen, de kinderlooze echtgenoot 640 R.M., de vader van 5 kinderen 91 R.M., van 6 kinderen heelemaal niets. De hoofden van groote gezinnen zijn over de nieuwe regeling zeer gelukkig. ! .mm- . --- WERELDTENTOONSTELLING BRUSSEL 1935 Verzorging van Nederlandsche inzendingen Mr. T. J. Verschuur, regeeringscommissaris van Nederland, tevens voorzitter van het algemen en van het uitvoerend comité voor de Nederlandsche deelneming aan de wereldtentoonstelling te Brussel, heeft verschillende subcommissies ingesteld en tevens reeds geïnstalleerd, welke commissies tot taak hebben de verzorging van spesiale inzendingen, welke geacht kunnen worden tot het terrein van de verschillende suc-commissies te behooren, n.1.: Sub-commissie voor Sociale inzendingen: mr. L Lietaert Paerbolte, voorzitter; dr. ir. A. H. W. Hacke; mr. E. B. F. F. baron Wittert van Hoogland. Sub-commissie voor de Kunstnijverheid: mr. J F. van Royen, voorzitter; C. J. A .Begeer; P. M. Cochius, W. F. Gouwe, secretaris. Sub-commissie voor de Koloniën: Ch. J. I. M Welter, voorzitter; prof. dr. L. Ph. le Cosquino de Bussy, secretaris; J. C. Koningsberger. Sub-commissie voor Tuinbouw en Boschbouw: J. C. M. Mensing, voorzitter; F. V. Valstar, Jac. Smits, jhr. J. O Mollerus, T. van Waveren. Sub-commissie voor Landbouw en Zuivel: L. F. Britzel, voorzitter; T. van Maanen, dr. H. Molhuysen, J. Th. Verheggen, C. Eigenraam, secretaris. Sub-commissie voor de Industrie: prof. L. A. van Royen, voorzitter; prof. ir. D. Dresden, prof. dr. ir. H. C. J. H Gelissen; ir. J. K. Mercx, J. Goedkoop, A. J. M. van lersel. --- BRABANTSCHE BRIEVEN D'n Teun liegt zoodanig, da ge 'm grif gelooft Hij werd rijp En hij gapte voor dichter onverbeterlijk JLVENHOUT, 23 October 1934 Menie., As ik oe lest vertelde van mr.en lesten tiep, dn goeien Sjang, die zook kustelijk liegen kon, — in de stad zouwen ze zeggen „fantpseeren," — dan docht ik geregeld, onder 't schrijven aan de teugenstelling van hum. Die ök bij ons op school was. Aan Teun van den Heuvel. Dieën Teun, — da 's komiek, — dieën keare! was nou sjuust teugen den draad van Sjang in. Sjang lieg-t en fantaseert, da ge 'r oew eigen 'nen bult om lacht en hij is zoow èrm as 'n Kerkrat; dn Teun liegt en knoeit en verdient goed centen en nog wa roem op den koop toe. Sjang kan van alles, Teun kan niks. Sjang zet zolen en achterlappen, timmert, verft, is de rechterhaand van zn Toow, nachtwakert, brengt kranten rond, zet knoopen aan de kleeren, stopt sokken, rippereert naaimachines, weet kwiek met elektrieke dingen om te springen, afijn: daar is gin enkel gat waar ze oen Sjang veur vangen! H. springt er altij grif deur. Dn Teun tan nog gin kommeke koffie zetten, zonder zn pooten te branden of de melk over te laten koken, of allebei tegelijk. Maar wat ie verduveld goed kan, — verhaaltjes verzinnen! Versta me goed nou, Sjang kan da beter, veul beter, maar ik bedoel te zeggen: Teun kan ze goed aan rten man brengen! Sjang wordt er ermer van Teun rijker. Waant Sjang liegt zoodanig, da ge 'm nooit gelooft. Teun liegt zoodanig da ge 'm grif gelooft. Sterker: ze gelooven Teun zelfs, as ie verhaaltjes vertelt mee 'n aander zn woorden, zn verzinsels, z'nen geest. Teun gapt! Da's 't goeie woord, ja. Maar 'k praat allegaar van Teun van der. Heuvel en zoo kennen ze 'm nog nie eens Teuu biet veul mooier! Hij niet nou, laat ik zeggen: Antoine de Mont Blanc! ('t Is nóg schoonder, horre maar ik kan nie zoo' goed mooi-klinkende namen verzinnen, as dn Teunis, zoowdat gij 't er zoo maar mee stellen mot, amico!) Afijn! Laat ik beginnen mee 't begin. Op school noemden wij den Teun nooit b_ zijnen echten naam. Wij noemden 'm: „ons Bet". En da kwam, dn knul had meer weg van 'n meid dan van 'nen jongen. Hi) zag er altij erg netjes uit, alleen 's winters hadie 'nen zwarten nek, maar de rest vaa 't jaar kondt ge 'm deur 'n ringske halen Zn petje stond altij prachtig recht. En mee petjes is 't zóó gelegen as die zoo pront en persieskes op dn kon geplaceerd worren, dan ziet er dn drager altij 'n bietje as 'nen idioot uit. As 'nen gevaarlijken gek, om 't sjuuster te zeggen. Zoo was 't ok mee „ons Bet". Ge kost, as jongen die zn eigen veur zn kameraads respeeteerde, nie naast „ons Bet" deur 't dorp loopen, waant ge blameerde oew eigen sjuust zoo erg, as da ge veur oew moeder den kinderwagen op-en-neer rijen zou, mee oew jongste bruurke of zuske erin. Soms, 'nen doodenkeien keer, mocht „ons Bet" meespeulen. Dan spulden we „goeien rechter". Ons Bet mocht dan den goeien rechter zijn. Veur hum wier 'nen misdadiger gebrocht, tusschen twee veldwachters, en dieën misdadigeur moest deur Ons Bet den goeien rechter dan gevonnist worren. De veldwachters klaagden den misdadiger aan van minstens 'nen driedubbelen moord en dan vroeg dn goeien réchter of beklaagde al 's méér 'nen driedubbelen moord bedreven had. Dn misdadiger zee dan: „neeë meneer dn rechter." Dn goeien rechter las 'm dan de ies. Zee: dat beklaagde dat nooit meer doen mocht en vroeg dan of ie beterschap beloofde. Beklaagde, met de haanden op den rug, sjuust of ie zwaar geboeid was, simde krokkedilletranen, beloofde nooit meer 'nen driedubbelen moord te zullen doen en er zeker gin gewoonte van te zullen maken, waarop dn goeien rechter 'm dan vrijsprak. Ons Bet dcc da schoon. Hij sprak deftig, veurnaam en afgemeten, mee iets vaderlijks in zn stem. Dn misdadiger gerokte er van ontroerd. En op 't toppunt van zn berouw, viel ie den goeien rechter om zijnen hals en smeerde „Ons Bet" vol met koeiendrek. onder de hartverscheurende woorden: „wa zijde gy toch 'nen goeien rechter." Zulke spullekens mocht Ons Bet altij mee d0en....! Op 'nen avond kwamen ik en dn Blaauwe, we waren 'n jaar of tien, Ons Bet teugen. Dn Blaauwe ropte wat op en zee teugen mij: „net doen of me ruzie hebben, Dré." „En dan, Tiest?" „Dan zegde gij op 'n oogenblik: ik wil wel vechten, maar eerst dieën steen aan Ons Bet geven, Blaauwe." Ik snapte 't. Wü aan 't ruziemaken. Teugen malkaar opdouwen, mee de schouwers en schelden: „Rotblaauwe." „Bloedworst." „Stekelverken." „Broeksch " ge begrept; ge zijt ok kwajongen gewiest. Daar nadert Ons Bet. Fijn. Hij staat eersten rang. En gin enkel risico. „Zal ik jou oew oogen 's in oew ooren slaan?" vroeg dn Blaauwe aan mij. „Zal ik jou 's iets op oew kokker verkoopen, aa ge heel de weareld vuur 'n mosterdpotje verslet?" stelde-n-ik veur. Ons Bet gichelde van stil plazier, maar wij, wij zagen 'm niè ! „Dus ge wilt 'n pak op oew duuvel hebben?" concludeerde dn Blaauwe dan. „As ge dan eerst maar 's zegt, wie ge daar veur meebrengt en dan dieën steen uit oew pooten legt, blaauwe sjandoedel." „Hier, Bet," zee dn Tiest toen: „houwde gü zoo laank dieën steen 's vast." „Ons Bet", gedienstig, pakte naar dn steen en klaauwde tot zn ellebogen in den blubber! Kek, zulke spullekes mocht ons Bet mee ons doen. Op school was 't gin Jicht. Maar hij was ons veurbeeld veur gedrag en ijver, volgens den Baard, onzen boyenmeester. Zoodat ons Bet toch goeie eindcijfers kreeg, op 't end. Veural, omdat ie 'nen sliert drop weggaf op tijd, om af te meugen kijken van ons lei en zoo. Zn vader teekende veur hum de laandkortjes, daar kosten wij ok nie teugenop, waant wij, trokken ze na, achter 't raamke in 't stalleke. Dn Blaauwe sting buiten en hield dn atlas plat teugen 't glas; ik binnen en ik trok twee kortjes over, éen veur m'n eigen en één veur den Tiest. En dan mokten wij ons eigen wijs, dat dn Baard nauw toch beslist nie zien zou, dat we 'm gekuld hadden mee 'n deurtrekske. Maar alty zag ie t. Tot ie vertelde, dat we de grenzen veul te sjecuur trokken. Toen waren wij er! Maar vertrouwd hee dn. Baard ons nooit. Wij kre_en 'n 3 en ons Bet kreeg 'n 10 'veur de kortjes van zn vader. Toen Jjebben we weer maar sjecure kortjes gemokt, achter 't stalraamke. Da gong altij nog rapper. En of me nou 'n 2 of n 3 krijgen," vond dn Blaauwe: „da was krek eender." Maar 'k zou „Ons Bet" "vergeten. Ons Bet muntte dan altij boven ons uit deur.... 't werk van aanderen. En — da's 't kurieuse, amico, zoo is Teun, alias „Ons Bet", alias „Antoine de Mont Blanc", altij aan den kost blijven komen. Hij hee-g-t eerst, sjuust as den Sjang, geperbeerd mee alderleie vakken. Op kantoor, — maar da Hep kapot, omdat ie de brieven in verkeerde enveloppekes stook — op 'n aander kantoor — maar daar schreven ze ok brieven en adressen, dus daar liep 't ok kapot. In 'n fietsenzaak, maar daar presenteerden-ie verkeerde kwietaansies bij de klaanten. Op reis — maar hrj miste alle treinen, die 'smergens veur tienen vertrokken en e'ndelijk in levensverzekeringen. Da gong goed, zotüaank as ie nog gin klanten had. Toen ie die kreeg, twee had ie er, kost ie de boel memeer uit mekaar houwen en toen was ie rijp veur dichter. We leefden in 'nen tijd dat versjes nie meer hoefden te rijmen en da was sjuust iets, wat „Ons Bet" goed lag! Hij dichtte teugen de klippen op. En wü hadden 'm op school zóó gepest, — zn patroons hadden 'm zóo de waarheid gezeed, dat ie gong schelden in ongerijmden dichtvorm. De manier om rap beroemd te zijn! Dus da lukte. Onzen goeien rechter schold er op los, as 'n vischwijf en iedereen las Antoine de Mont Blanc, want dn mensch leest en keurt geren ___*_1"_p_l" " „Ons Bet" kritiseerde, dichtte .en vertelde verhaaltjes op 'n manier, dat ie er soms over docht om 'n fabriekske te beginnen met 'n personeel van kritiseerende dichters, die nie duur waren. Maar toen kreeg ie nog 'n beter gedacht. Hij stelde knappe schrijvers en dichters in zn bedrijf en betaalde ze niks! Waant hy begapte huilie werk, en gaf 't uit as 't z.ne! Hij gapte zonder aanzien des persoons en hi) gapte onverbeterlijk. Hij was in staat van mijnen wagel 'nen lo°° peeën te moeren en dan die peeën zóó „pp t* knappen", dat ie er 'n paar deuren verder mee* geld van mokte, dan ik gedaan zou hebbe** Toch zat er gin vitamineke méér voeiing *? dieën bos peeën, dan vèur ie gegapt w«*' maar ,Ons Bet" spulde-n-'t toch k!aa' om dat den menschen te doen geleuven en * laten betalen. Ollee, laat ik gin aandere veurbeeldcn aan halen. Ge begrept me wel! Alleen — ik kan er maar nie aan wenne'• om geregeld m'n eigen akkerproducten op aai dere wagels te zien rijen, waant daar zu veul, heel veul Betten, amico! * En ik hoop, da ze ditte lezen uit oewen kr^V En da ze nie denken, da 'k huilie nie becio!V of nie in de gaten heb — ik ken ze allerna»^ de Betjes, die m'n productie, mee bloed zweet geteeld, gappen, oppoetsen en zoo » den man brengen. Ik kom ze teugen, ieveraans waar ik ga of s_e Tot deur dn radio toe! Maar Antoine Blanc, dieën „goeien rechter", is vandaag * den dag nie veul veraanderd, bij vroeger, w*^, we nog bij den Baard waren. Alleen — hu ginnen „goeien" rechter meer! Hü smeert nou aanderen vol. Afijn, wraak is zuut. „EU Ze hadden 'm ok té laank geplaagd, au we maar denken. gg«-'Nen mensch zn karakter wordt dikke!» . vurmd op de schoolbanken, waar de * «$--hjke prutsers, zwakke nietelingskes en „» eil kers" onder alle klappen dr eigen sta'eA, jïx sterken met alle middelen teugen 't seve de motschappij. . Maar gif mij Sjang de Boer maar, **es'óói* Kom, ik schei er af. Trui vraagt of er » 'n end aan komt. . „orS-' Veul groeten van heur en as altij &n minder van oewen /— toet a **> DR**5 --- HET GOUD VAN HET NOORDEN Barnsteenvisschers aan den arbeid --- PIERRE VIEL BEKLAAGT ZICH Broccardo—Guimbretière nemen den Nederlandschen handschoen op Verbitterde strijd te wachten Men kan over eerzucht denken, zoo men wil, maar in de sport is het een zeer welkome factor. Men kan wel zeggen dat het een onmisbaar element is in een strijd, die uitsluitend gestreden wordt door menschen, die om den broode sport beoefenen. De eerzucht dwingt de besten zoowel als de zwakkeren tot het geven van al hun energie en is in de Zesdaagsche-wereld oorzaak van de grootste en verbitterdste gevechten, die men zich denken kan. Dat men daar in de Amsterdamsche Zesdaagsche een bewijs van zal krijgen schijnt wel vast te staan, wanneer men leest wat Pierre Viel, de manager en seigneur van het Fransche koppel Broccardo—Guimbretière, schrijft aan den heer Grolms, den sporttechnischen leider van deze Six Days. Viel heeft met zijn „gars de la marine" op geen enkele Amsterdamsche Zesdaagsche ontbroken. Zijn ploeg heeft in ons land een zeer bijzondere reputatie weten op te bouwen en er is den Franschen veel aan gelegen om deze te behouden. Dit ter verklaring van Viel's volgende verzuchting: „Wij worden," aldus schrijft Viel aan den heer Grolms, „al geruimen tijd overstroomd met krantenuitknipsels, die Nederlandsche kennissen ons met een zeker leedvermaak schijnen toe te sturen. De inhoud van deze krantenartikelen heeft on. verbaasd, want in alle worden Pijnenburg en Wals b_ voorbaat genoemd als de winnaars der komende Zesdaagsche te Amsterdam. Het is niet mijn bedoeling om de kwaliteiten van deze sterke combinatie te verkleinen, daartoe hebben mijn renners te vaak met hen gestreden. Maar juist omdat deze harde gevechten nu eens door de Hollanders dan weer door mijn renners werden gewonnen, verbaast 't mij dat het niettemin voor velen vast staat, dat Pijnenburg—Wals gemakkelijk winnen. Men voert daarbij dan meermalen als motief aan, dat Broccardo—Guimbretière in een twee uurskoppelwedstrijd te Duivendrecht volkomen faalden. Wat beteekent echter het falen in een koppelwedstrijd — het is nog altüd Viel, die aan het woord is — in een strijd van slechts twee uren? Niets, totaal mets. Want hierbij gaat het alleen om de kwestie of het koppel juist in deze twee uren in topvorm is of niet. Broccardo was in Duivendrecht ziek en Guimbretière had een spier verrekt. Deze dubbele handicap is den renners fataal geworden en slechts om publiek en baandirectie met teleur te stellen, zijn zij toch gestart. Men is er echter absoluut naast, indien men naar aanleiding van den uitslag te Duivendrecht den komenden strijd zou willen beoordeelen. Men bekijke daartoe slechts het afgeloopen winterseizoen. Bij welke gelegenheid hebben Pijnenburg—Wals mijn renners — als koppel wel te verstaan — veslagen? Zeker, de Nederlanders wonnen vier Zesdaagschen, dat is een geweldig succes, maar slechts eenmaal versloegen zij Broccardo—Guimbretière als koppel. Dat was in Amsterdam, na 'n verbitterden strijd, en dat nog wel met een zeer gering'verschil, dat geen ronde bedroeg. In Brussel waren de Franschen de besten, maar toen moest Broccardo wegens familieomstandigheden den strijd staken. In Antwerpen, waar de Hollanders ook wonnen, startten Broccardo en zijn maat niet. Wel in de Six Days van Parijs, maar toen moest Guimbretière tengevolge van een oogaandoening opgeven. Met ziet het dus: het koppel Broccardo— Guimbretière werd eenmaal door Pijnenburg- Wals verslagen en er is dus geen sprake van een „overweldigende meerderheid". Maar nu iets anders! Men heeft ons met het aankondigen van de Nederlandsche suprematie in het komend winterseizoen getart. Broccardo Guimbretière nemen die uitdaging aan en op 2 November zal de revanche beginnen. Op 8 November spreken wij elkaar dan nader!" --- BOEK EN BLAD „STEUNREGELING WERKLOOZEN" — Uitg.: Vermande & Zn., IJmuiden—Hoorn. Tengevolge van enkele belangrijke wijzigingen, die de Minister van Sociale Zaken ingaande 1 Juli 1934, gebracht heeft in de steunregeling voor de werkloozen, achtte de uitgever van deze verzameling documenten het wenschelijk van deze uitgave een derden druk in bewerking te geven. Van het denkbeeld om een commentaar hieraan toe te voegen werd afgezien. Lange commentaren verduidelijken gewoonlijk de regeling niet en maken haar ingewikkelder dan noodig is. De beste toelichting is altijd nog de toelichting van den Minister zelf. En hiernaar wordt dan ook telkens verwezen. De nieuwe tarieven werden in dezen druk geheel verwerkt. De tariefstabellen, welke de Minister op een voor dagelijksch gebruik onhandig formaat beschikbaar heeft gesteld, zijn per bladzijde opgenomen. „808 EN BEN OP ZEE" door Rein Valkhoff en Piet Marée — Uitg.: N.V. H- P- Leopold's Uitg. Mij., Den Haag. De twee jongens, Bob en Ben, wier avonturen met de K. L. M. reeds eerder stof voor 'n boek opleverden, hebben ditmaal een logger, de Sch. 261, als hun operatie-terrein uitgekozen. Rein Valkhoff geeft hiervan een verslag, zooals hij hetzelf uitdrukt, maar dan 'n vrij dor, waarin elke climax ontbreekt en dat eigenlijk niet veel meer is dan 'n wat uitgebreid dagboek. Eenigszins krijgt men een kijkje op het leven van onze visschers in hun strijd om het bestaan. De foto's die Piet Marée vervaardigde, zijn daarentegen bijzonder knap en geven het boek een voornamen indruk. DE ZIN VAN UW ZIEK-ZIJN. — Een gesprek met zieken door Dr. P. Stegenga Azn. — Uitg.: Bosch en Keuning, Baarn. (Libellen Serie no. 17). Dit is een eenvoudig klein boekje van een predikant, die ook reeds voor de radio gesproken heeft over dit onderwerp, n.l. hoe de zieken hun ziekte in godsdienstig opzicht hebben op te vatten. Als katholiek kan ik het boekje zeer goed aanvaarden. Nochtans wordt toch door de lezing de indruk gewekt, alsof God met elke ziekte van een mensch een bepaalde bedoeling heeft. M.i. is het blijde aanvaarden in 't algemeen beter dan het onderzoeken, of daar een speciale bedoeling bij is. Het is de veiligste weg. Th. H. SCHLICHTING. --- ONS PRIJSRAADSEL! Spreekwoord vol diepen zin Een figuur-puzzle Dat spreekwoord bestaat uit twee zinsneden, waarvan de eerste precies ter linkerzijde, de tweede precies ter rechterzijde van de donkere midden-kolom, van boven naar beneden gelezen zich op de plaats der kruisjes-figuur vertoont. De letters in die donkere midden-kolom: uitsluitend medeklinkers, zijn de eindletters van de woordjes links en tevens de beginletters van de woordjes rechts in de horizontale rijen. We krijgen dus 30 woordjes van 5 letters, en die 30 hebben de volgende beteekenissen ('t zijn alle zelfst. naamwoorden): » Links: 1. heel- klein persoon, 2. stof voor kleeding, 3 jongen, 4. een visch, 5. braafheid, 6. deel van mes, vork of lepel 7. deel van een etmaal 8. grüpmiddel van een roofdier, 9. bouwland, 10. korte toespraak vóór een feestdronk, 11. vloeistof, 12. fotografietoestel, 13, soort flesch op de waschtafel, 14. onderste gedeelte van een flesch, 15. een middel om vogels, hazen, konijnen, enz. te vangen. Rechts: 1. Korenschoof, 2 nüdigaard, 3. verzekeringsbewijs, 4. overdek van een kussen, 5. wapen, 6. jaargetijde, 7. voormalig heerscher der Russen, 8. verdedigingsmiddel, 9 korting op koopwaar, 10. korting op gewicht, 11. weersverschijnsel, 12. troep dieren, 13. huldigings-bijeenkomst, 14. zangvogel, 15 buitenkant van het brood. --- Oplossing vorig prijsraadsel De 12 verlangde woorden in de zeshoeken zijn: om I: Drente om II: proper om III: gehoor om IV: nieuws, om V: pastei om VI: Odessa om vn : utopie om VIII: tarbot om IX: Sahara om X: pleger om XI : beitel om XII.: Arabië Dat was nu eens een fijne figuur om uit te knippen, op te plakken en netjes ingevuld naar Utrecht te zenden. Een flink getal inzenders heeft er ook zoo over gedacht, en een sierlijke draaipartij uitgevoerd. 't Was natuurlijk zooals we 't zelf hierboven gaven, ook volkomen in orde. Prijswinnaars zün: Mej. Netty van Baaien, J. P. Coenstraat 35, Utrecht. N. C. ter Braak, Hamerstraat 1, Bussurn. Mej. Marja v. Daalen, van Noremborghstraat 80, 's Hertogenbosch. L. J. W. Drinkenburg, Pieter Kiesstraat 58 rd, Haarlem. Rémy van Eenoo, Ed Anseeleplein 13, Gent, (België). H. W. Fris, De Clercqstraat 146, Haarlem. A. O J. Grootenboer, Timorstraat 95, Haarlem (Noord). Mej. B. Hoogbergen, Potgieterstraat 6, Utrecht. A. Hoogen, Oranje Nassaulaan 85, Amsterdam. Mej. A. Hoosemans, Newtonstraat 326, Den Haa. Mevr. L. van Houten—Tlujssen, Bleekersvaartweg 43 a, Heemstede. W. Laagland, Tuindwarsstraat 37, Arnhem. A. v.d. Mierden, Stadstraat 4, Tilburg. Mej. E. W. Mooijman, Hobbemakade 76111, Amsterdam (Z). Th. F. Peelen, Jac. v. Lennepkade 30111, Adam C. M. A. H. van Roorj, van der Mondestraat 141, Utrecht. Mej. Gonny Schuurman, Couperusstraat 16, Arnhem. Mej. Dcc Smout, Radioweg 46 hs, Adam (O.) F. van Velzen, Spijkerstraat 16, Arnhem. Mej. M. Verduin, Korte Kleverlaan 9, Bloemendaal. N. Verheul, Krommerijnstraat 29, Utrecht. A. C. Verstraeten, Boschdijk 323, Eindhoven. B. H. Vogelvang, G. ter Borchstraat 66, Deventer. W. de Waal, Adm. de Ruijterweg 124, Amsterdam (W.) Zuster B. Welsing, Canisius-Ziekenhuis, Nijmegen. Onder de goede oplossers worden elke week 25 prijsboeken verloot, welke door de administratie worden toegezonden. Oplossingen tot Donderdag 12 uur aan den heer G. M. A. Jansen, Ruijsdaelstraat 60 Utrecht —- --- DE WERKELIJKHEID „Maak je niet bezorgd, Gijs, je komt veilig en wel beneden. Je ziet die dingen toch dagelijks in de bioscoop?" Van de vele inzendingen, die wij deze week ontvingen, werd de prijs van ƒ 2.50 toegekend aan bovenstaand onderschrift ingezonden door den heer Bern. Gerritsen, Lagestraat 11, Dieren. Wie zendt ons thans het geestigste onderschrift bij bovenstaand plaatje? Aan den besten inzender wordt een prijs van f 2.50 toegekend. Oplossingen tot Woensdagavond a.s. aan de redactie van ons blad. Op de envelop gelieve men te vermelden „Onderschrift. ---